Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28078

2026-08-25 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/679838 / FA RK 25-903
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/679838 / FA RK 25-903
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen: overeenstemming over hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie. Partneralimentatie en verdeling van de huwelijksgemeenschap

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.227 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 25-903 (echtscheiding) en FA RK 25-5088 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/679838 (echtscheiding) en C/09/688022 (verdeling)
Datum beschikking: 25 augustus 2026


Echtscheiding met nevenvoorzieningen



Beschikking op het op 6 februari 2025 ingekomen verzoek van:




[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. van der Heiden in Honselersdijk.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. van der Heide-Boertien in ’s-Gravenhage, voorheen: mr. M.E.M. Beijersbergen in ’s-Gravenhage.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift;


het aanvullend verzoekschrift;


het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw;


het verweer van de man tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw;


de brief met bijlage van 10 maart 2026 van de man.




De minderjarige [de minderjarige] heeft op 21 juli 2026 een brief gestuurd naar de kinderrechter.



Op 21 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door waarnemend advocaat mr. D.K.P.K. El Fadili en de vrouw bijgestaan door haar advocaat.




Feiten


Partijen zij met elkaar gehuwd op [datum] 2006 in [plaats] .


Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] .


Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .





Verzoek en verweer
Het verzoek van de man zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:


vaststelling van kinderalimentatie van € 319,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, zoals door de vrouw verzocht;


vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 626,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking;


vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;


een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen tot:



vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw;


vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] , in die zin dat [de minderjarige] van maandag 18:00 of 19:00 uur tot vrijdag 10:00 of 12:00 uur bij de man zal zijn, alsmede de vakanties en feestdagen in onderling overleg te verdelen;


vaststelling van kinderalimentatie van € 319,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;


vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.219,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking;


vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw;


voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel;


een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.




Beoordeling


Echtscheiding


Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan

Er is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid beide partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).



Gebleken is dat het partijen niet is gelukt om de afspraken over [de minderjarige] op te nemen in een ondertekend ouderschapsplan. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv, en partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.




Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist. Beide partijen hebben verzocht de echtscheiding uit te spreken zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.






Hoofdverblijfplaats

Partijen zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw wordt bepaald. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw bepalen.




Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

De vrouw verzoekt om de huidige zorgregeling vast te leggen waarbij [de minderjarige] doordeweeks bij de vrouw is en in het weekend bij de man. De man heeft hiermee ingestemd. Tijdens de zitting is ook toegelicht dat de ouders inmiddels al geruime tijd uitvoering geven aan deze regeling. De rechtbank zal de zorgregeling vastleggen conform de overeenstemming van partijen, nu niet gebleken is dat het belang van [de minderjarige] zich hier tegen verzet.




Vakanties en feestdagen

Partijen hebben ook overeenstemming ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen, in die zin dat deze in onderling overleg bij helfte worden verdeeld en dat bij gebrek aan afspraken de reguliere zorgregeling zal doorlopen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.




Kinderalimentatie

Namens beide partijen is een alimentatieberekening gemaakt en overgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft de man ingestemd met de door de vrouw berekende kinderalimentatie van € 319,- per maand, met ingang van de datum van deze beschikking. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastleggen van € 319,- per maand.




Partneralimentatie

Partijen zijn het eens over de huwelijksgerelateerde behoefte, de aanvullende behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Zij verschillen echter van mening of de inkomensvergelijking gevolgd moet worden. De man voert aan dat uit de alimentatieberekening van de vrouw blijkt dat zijn draagkracht € 626,- per maand bedraagt. Omdat dit bedrag lager is dan uit de inkomensvergelijking volgt, is de man van mening dat zijn draagkracht moet worden gevolgd. De vrouw stelt zich echter op het standpunt dat gelet op haar aanvullende behoefte, het redelijk en billijk is om uit te gaan van de maximale partneralimentatie zoals volgt uit de inkomensvergelijking van € 1.219,- per maand.



De rechtbank overweegt als volgt. Om te beoordelen of de man door voldoening van partneralimentatie aan de vrouw niet in een nadeliger financiële positie kom te verkeren dan de vrouw, wordt er een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking zoals volgt uit de alimentatieberekening van de vrouw blijkt dat de man gehouden zou zijn om een hoger bedrag aan partneralimentatie aan de vrouw te betalen dan zijn draagkracht toelaat. Duidelijk is echter ook dat de draagkracht van de man maximaal € 626,- per maand is. Toewijzing van een hogere partneralimentatie zou tot gevolg hebben dat de man in een nadeliger financiële positie dan de vrouw komt te verkeren. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man een partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 626,- per maand.




Voortgezet gebruik van de echtelijke woning

De vrouw verzoekt om te bepalen dat zij gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.




Verdeling van de huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd op [datum] 2006 in [plaats] . Nu partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 van het Burgerlijk Wetboek).




Peildatum

Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, te weten 6 februari 2025. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken. Dit laatste is gesteld noch gebleken.




Omvang

Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen:



de echtelijke woning aan de [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;


de inboedel;


de auto;


e saldi op de bank- en spaarrekeningen;


de beleggingen.





Ad. a – de echtelijke woning aan de [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;

Op de zitting hebben partijen afspraken gemaakt ten aanzien van de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening. Partijen hebben afgesproken dat de vrouw in de gelegenheid zal worden gesteld om de woning over te nemen voor een bedrag van € 450.000,-. Zij krijgt een termijn van drie maanden om te bezien of zij de financiering rond kan krijgen. Als na drie maanden blijkt dat de vrouw de woning niet kan overnemen, zal deze worden getaxeerd en verkocht door Schieland Borsboom NVM-Makelaars. De rechtbank zal beslissen conform de gemaakte afspraken tussen partijen en een ‘spoorboekje’ opnemen in het dictum.




Ad. b – de inboedel

De man stelt zich op het standpunt dat partijen al langere tijd gescheiden van elkaar leven en dat zij reeds beschikken over de eigen inboedelgoederen. De man stelt daarom voor dat ieder zijn of haar eigen inboedelgoederen houdt zonder nadere verrekening. De vrouw is het daar niet mee eens. Zij stelt dat de man voor zijn woning een nieuwe inboedel heeft gekocht voor € 14.426,15 terwijl zij met de oude spullen in de woning is gebleven. De man moet daarom de helft van dit bedrag aan haar voldoen.



De rechtbank overweegt dat nergens uit blijkt dat er nog een te verdelen inboedel is. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat de man met gemeenschapsgeld een nieuwe inboedel heeft gekocht, laat staan wat daar de waarde van is. Aangezien de vrouw haar verzoek op geen enkele wijze heeft onderbouwd zal de rechtbank bepalen dat ieder de inboedelgoederen behoudt die hij of zij onder zich heeft, zonder nadere verrekening van de waarde.





Ad. c – de auto

Partijen zijn het erover eens dat de auto aan de man moet worden toegedeeld. Tussen partijen is echter de waarde van de Peugeot in geschil. De man stelt dat uit de ANWB Koerslijst blijkt dat de waarde op de peildatum € 18.350,- bedroeg. Op de zitting heeft de man nader toegelicht dat de auto minder waard is geworden na de peildatum doordat de auto de afgelopen tijd veel is gebruikt door de man voor onder andere ziekenhuis bezoeken en andere medische afspraken van de vrouw. Verder gaat de man samen met haar boodschappen doen en is zij meegereden naar de zitting. De man is dan ook van mening dat moet worden uitgegaan van de huidige waarde van € 16.200,- zoals volgt uit productie 14. De vrouw voert verweer. Zij is van mening dat moet worden uitgegaan van de waarde van de auto op de peildatum. Daarnaast gaat de man uit van particuliere verkoopwaarde maar moet volgens de vrouw worden uitgegaan van de waarde bij verkoop door een BOVAG autobedrijf van gemiddeld € 22.350,-.



De rechtbank overweegt dat onbetwist is gesteld dat de afgelopen jaren, en ook sinds de peildatum, de auto veelvuldig is gebruikt voor activiteiten en afspraken voor zowel de man als de vrouw zodat aangenomen moet worden dat de waarde van auto inmiddels lager ligt. Bovendien heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd waarom moet worden uitgegaan van de waarde bij verkoop door een BOVAG autobedrijf. De rechtbank acht het dan ook redelijk om uit te gaan van de huidige waarde, en zal de auto aan de man toedelen voor € 16.200,- waarvan hij de helft aan de vrouw moet voldoen.




Ad. d – de saldi op de bank- en spaarrekeningen

Partijen zijn het erover eens dat de saldi op de bank- en spaarrekeningen bij helfte worden gedeeld per peildatum van 6 februari 2025. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.




Ad. e – de beleggingen

De vrouw stelt zich op het standpunt dat dat de man vermoedelijk beleggingen heeft op zijn naam en dat hij deze verzwijgt. De man betwist dat er beleggingen zijn op zijn naam, dit blijkt volgens hem ook nergens uit. Aangezien de vrouw haar stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zal de rechtbank het verzoek afwijzen.




Vorderingen


Borg voor het appartement van de man

Volgens de vrouw heeft de man voor zijn huidige huurwoning een borg betaald van € 1.250,-. Nu deze borg is betaald voor de peildatum dient de vrouw de helft van dit bedrag van de man te krijgen. De man betwist dat hij een borg heeft betaald voor zijn huidige appartement.



De rechtbank overweegt dat niet voldoende vast is komen te staan dat de man een borg heeft betaald. De vrouw heeft haar stellingen niet onderbouwd met bijvoorbeeld bankafschriften. De rechtbank zal daarom de vordering van de vrouw afwijzen.




Aanslag inkomstenbelasting 2024 en 2025

De man voert aan dat partijen gezamenlijk aangifte inkomstenbelasting 2024 hebben gedaan. Zij hebben hierbij geschoven met aftrekposten om tot een optimale verdeling te komen. Dit resulteerde in een definitieve aanslag waarbij de man € 6.362,- moest betalen en de vrouw € 2.801,- zou ontvangen. De man stelt dat deze aanslagen betrekking hebben op de huwelijkse periode van partijen en dat zij daarom allebei draagplichtig zijn maar ook gerechtigd zijn tot de helft van het te ontvangen bedrag. Hetzelfde geldt volgens de man over 2025. De vrouw voert verweer.



De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:100 BW partijen een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap. Dit betekent dat de vrouw (6.362 – 2.801 / 2 =) € 1.781,- moet voldoen aan de man met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting 2024.
Ten aanzien van de inkomstenbelasting 2025 overweegt de rechtbank dat voor zover die ziet op de periode tot de peildatum, partijen deze samen moeten dragen en eventuele teruggaven over deze periode ook verrekend moet worden.




Kosten van de hond

De rechtbank overweegt, voor zover de vrouw verzoekt te bepalen dat de man onderhoudsplichtig is voor de honden en hij de helft van de kosten moet betalen, dit verzoek onvoldoende onderbouwd en gespecifieerd is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.




Inzage stukken ex artikel 843a Rv

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw haar volledige bankafschriften in de periode 2019 t/m 2022 in het geding moet brengen. Volgens de man heeft de vrouw maandelijks ruim € 2.700,- uitgegeven terwijl zij niets heeft bijgedragen aan de gezamenlijke lasten. De man begrijpt niet waar de vrouw in die jaren zoveel geld aan heeft uitgegeven terwijl het tot het huwelijksvermogen hoort. De vrouw voert verweer.



Op grond van artikel 843a Rv dient een partij bij de rechtsbetrekking een rechtmatig belang te hebben bij het vorderen van bepaalde bescheiden. Het vereiste dat bescheiden voldoende bepaald behoren te zijn, dient om zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. Het artikel biedt immers geen grond voor het opvragen van bescheiden waarvan een partij indicaties heeft of vermoedt dat de wederpartij over die stukken beschikt en waarvan hij vermoedt dat die bescheiden wel eens steun kunnen geven aan zijn of haar stelling.



Het verzoek van de man heeft betrekking op alle bankafschriften op de naam van de vrouw over de periode 2019 t/m 2022. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek te weinig specifiek. Hierdoor is onvoldoende gebleken dat de man een voldoende rechtmatig belang heeft bij de verzochte bescheiden. De rechtbank is van oordeel dat daardoor niet is voldaan aan de vereisten van 843a Rv. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom ook afwijzen.




Beslissing
De rechtbank:


*
spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] 2006 in [plaats] ;



*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;



*
bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat [de minderjarige] doordeweeks, vanaf maandagavond tot en met vrijdagochtend, bij de vrouw, en in het weekend bij de man is;



*
bepaalt dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld, en dat bij gebrek aan afspraken de reguliere zorgregeling doorloopt;



*
bepaalt de door de man aan de vrouw, met ingang van heden, te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] op € 319,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 626,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] , en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de datum van deze beschikking;



*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

- met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) de vrouw dient binnen drie maanden na de datum van deze beschikking aan te tonen dat zij de woning tegen de afgesproken waarde van € 450.000,- kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht;
c) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;


2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan Schieland Borsboom NVM-Makelaars een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot taxatie en verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;



met betrekking tot de inboedel: iedere partij behoudt de inboedelgoederen die hij of zij onder zich heeft, zonder nadere verrekening;


aan de man wordt toegedeeld: de auto Peugeot 5008 voor een waarde van € 16.200,- onder vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw;


met betrekking tot de saldi op de bank- en spaarrekeningen: de saldi op de bank- en spaarrekeningen per peildatum worden bij helfte gedeeld;




*
bepaalt dat ten aanzien van de aanslag inkomstenbelasting 2024 de vrouw € 1.781,- aan de man moet voldoen;



*
bepaalt dat ten aanzien van de aanslag inkomstenbelasting 2025 voor zover die ziet op de periode tot aan de peildatum, partijen deze samen moeten dragen en eventuele teruggaven over deze periode moeten verrekenen;



*verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



*
wijst af het meer of anders verzochte.











Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 augustus 2026.