Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:28047

2026-09-15 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.45970 en NL26.45971
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.45970 en NL26.45971
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de overdrachtstermijn terecht (met drie jaar) is verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.534 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht


Zaaknummers: NL26.45970 (beroep)
NL26.45971 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiseres], geboren op [geboortedag] 1978, van Syrische nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen de verlenging van de overdrachtstermijn voor haar overdracht aan Bulgarije.



1.1.
Bij brief van 11 augustus 2026 (hierna: het verleningsbesluit) heeft de minister de overdrachtstermijn voor de overdracht van eiseres aan Bulgarije tot 3 jaar verlengd. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.




Overwegingen

2. Eiseres heeft op 17 december 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit 2 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat besluit omvat een overdrachtsbesluit, inhoudende dat de overdrachtstermijn zes maanden bedraagt. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiseres tegen dat besluit met haar uitspraak van 31 juli 2026 ongegrond verklaard.

3. Op 11 augustus 2026 stond voor eiseres een overdracht naar Bulgarije gepland. Deze overdracht is op 11 augustus 2026 geannuleerd. De Bulgaarse autoriteiten zijn hiervan diezelfde dag door de minister op de hoogte gesteld. De minister heeft op die dag het verlengingsbesluit genomen. Bij dit besluit heeft de minister de overdrachtstermijn met drie jaar verlengd, tot en met 12 februari 2029, om eiseres aan Bulgarije over te dragen. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiseres is vertrokken zonder dat bekend is waarheen.



Standpunten partijen



4. De minister stelt zich op het standpunt dat de verlenging van de overdrachtstermijn overeenkomstig artikel 46, tweede lid, van de AMbV rechtens juist is. Ter zitting heeft de minister erop gewezen dat eiseres zich op 10 augustus 2026 rond 20:00 uur diende te melden om te informeren naar de ophaaltijd voor haar geplande overdracht de volgende dag, maar dat zij zich niet heeft gemeld. Bij de daaropvolgende kamercontrole is volgens de minister gebleken dat zij niet op haar kamer aanwezig was en dat daar geen persoonlijke spullen meer aanwezig waren. Doordat eiseres was vertrokken zonder dat bekend was waarheen, heeft de overdracht geen doorgang kunnen vinden. Volgens de minister was eiseres daarmee (tijdelijk) buiten het bereik van de autoriteiten, zodat verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken mogelijk is.

5. Volgens eiseres heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de overdrachtstermijn met drie jaar zou moeten worden verlengd. Volgens eiseres lijkt de verlenging te zijn gebaseerd op de MOB-melding, terwijl deze melding niet overeenkomt met de feitelijke gang van zaken. Op 10 augustus 2026 heeft eiseres een suïcidepoging gedaan, waarna zij met spoed naar de Spoedeisende Hulp (SEH) is vervoerd en is opgenomen. De overdracht heeft daarom geen doorgang kunnen vinden. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de acute medische noodsituatie van eiseres niet als verklaring voor het niet doorgaan van de overdracht wordt aanvaard en waarom, gelet op de omstandigheden, desondanks sprake zou zijn van een bewuste onttrekking aan het toezicht. Aangezien de afwezigheid rechtstreeks verband hield met een medische toestand, ontbreekt volgens eiseres een deugdelijke grondslag voor de verlenging van de overdrachtstermijn vanwege onderduiken



Het oordeel van de rechtbank



6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres vooraf is geïnformeerd over de datum van de geplande overdracht en het geplande ophaalmoment en dat haar is meegedeeld dat zij beschikbaar moest blijven voor de overdrachtsprocedure en medewerking moest verlenen aan de overdracht. Tussen partijen is in geschil of de overdrachtstermijn terecht (met drie jaar) is verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.


6.1.
In artikel 46, tweede lid, van de AMbV is bepaald dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokken persoon over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen, en de verantwoordelijkheid overgaat op de overdragende lidstaat. Indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn worden verlengd tot ten hoogste drie jaar vanaf het moment dat de verzoekende lidstaat de verantwoordelijke lidstaat daarvan in kennis stelt indien de betrokken persoon is ondergedoken, zich fysiek tegen de overdracht verzet, er opzettelijk voor zorgt dat hij niet in staat is te worden overgedragen, of niet aan de medische vereisten voor de overdracht voldoet.



6.2.
Uit het arrest van het Hof in de zaak Jawo tegen Duitsland van 19 maart 2019 volgt dat onder ‘onderduiken’ dient te worden verstaan dat een betrokkene onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de betrokkene de toegewezen woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten daarvan in kennis te stellen, hoewel de betrokkene werd geïnformeerd over zijn verplichtingen.



6.3.
Op grond van artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen bij de voorbereiding van een besluit. Op grond van artikel 3:4 van de Awb weegt het bestuursorgaan de bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Op grond van artikel 3:46 van de Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering waaruit een en ander blijkt.



6.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres naar voren gebracht dat eiseres zich in ieder geval tot en met 9 augustus 2026 steeds aan de op haar rustende wekelijkse meldplicht heeft gehouden. Daarbij is ook gewezen op de omstandigheid dat eiseres, omdat zij zich slechts eenmaal per week hoefde te melden, grotendeels bij haar familie in [plaats 2] verbleef en daar tijd met hen doorbracht. Eiseres verbleef dus afwisselend op haar opvanglocatie in [plaats 1] en bij haar familie in [plaats 2]. Deze omstandigheden zijn door de minister niet betwist.



6.4.
Volgens de gemachtigde van eiseres was eiseres reeds voorafgaand aan 10 augustus 2026 in [plaats 2] en bevond zij zich daar ook op 10 augustus 2026, onder meer om afscheid te nemen van haar familie. Zij had zich voorgenomen om zich weer op tijd te melden om het tijdstip van de vlucht de daaropvolgende dag te kunnen vernemen. De situatie werd haar echter te veel, waarna zij een suïcidepoging heeft gedaan. Dit verklaart ook waarom tijdens de kamercontrole geen persoonlijke bezittingen van eiseres zijn aangetroffen. Zij had alles reeds bij zich gestoken. Daarbij heeft zij gelet op de relatief korte periode waarin zij in Nederland verblijft überhaupt weinig persoonlijke spullen.



6.5.
Ter onderbouwing hiervan wordt door eiseres verwezen naar de opnamefoto’s en een ziekenhuisbrief. De rechtbank overweegt hierover dat uit de foto’s kan worden afgeleid dat eiseres op straat door ambulancepersoneel wordt vervoerd en vervolgens in het ziekenhuis is opgenomen. Uit de brief van de SEH van 10 augustus 2026 volgt dat eiseres op 10 augustus 2026 door de SEH is gezien. In de brief staat geen tijdstip vermeld.



6.6.
De door eiseres ingebrachte stukken ondersteunen het relaas van eiseres tot op zekere hoogte. Vaststaat dat zij op 10 augustus 2026 op de SEH was. Daarmee kan niet worden uitgesloten dat eiseres als gevolg van haar opname in het ziekenhuis niet in staat is geweest zich op 10 augustus 2026 om 20:00 uur te melden. In de SEH-brief staat verder onder meer vermeld: ‘geen indicatie voor ICC interne t.a.v. TS. Indien medisch vrijgegeven dan ICC psychiatrie.’ De rechtbank overweegt hierover dat dit erop duidt dat de aanwezigheid van eiseres op de SEH verband hield met een tentamen suïcidi (TS), oftewel een zelfmoordpoging.



6.4.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres er tevens op gewezen dat eiseres na de opname op de SEH op 10 augustus 2026 vervolgens ook op 11 en 12 augustus 2026 in het ziekenhuis verbleef. Daarbij heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting verklaard dat het, als gevolg van de uitschrijving van eiseres uit de opvang, bijzonder lastig is om de benodigde stukken uit het ziekenhuis tijdig voor de zitting te verkrijgen. Wat hiervan verder ook zij, de rechtbank acht het opmerkelijk dat uit de dossierstukken blijkt dat de feiten en omstandigheden bij de betrokken ketenpartner in ieder geval niet helder waren. Zo heeft het COa de gemachtigde van eiseres op 14 augustus 2026 desgevraagd onder meer meegedeeld: ‘‘Wij zullen maandag verder onderzoeken of deze uitschrijving op de juiste gronden is gedaan, of dat deze geannuleerd dient te worden.’



6.5.
Het verlengingsbesluit van de minister van 11 augustus 2026 vloeit voort uit het gegeven dat op 10 en 11 augustus 2026 onbekend was waarheen eiseres was vertrokken, hetgeen ook ten grondslag ligt aan haar uitschrijving uit het COa. Des te opmerkelijker is dat het COa op 14 augustus 2026 kennelijk nog aanleiding heeft gezien om de uitschrijving van eiseres nader te onderzoeken en eventueel te annuleren. Dit duidt erop dat de relevante feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit onvoldoende vaststonden, hetgeen moeilijk valt te rijmen met een zorgvuldige voorbereiding van het besluit.



6.6.
De rechtbank kan begrijpen dat het niet nakomen van de meldplicht en het niet weten waarnaar toe iemand is vertrokken, de indruk kunnen wekken dat die persoon zich aan de overdracht onttrekt. Daarmee is echter niet gegeven dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De individuele omstandigheden van het geval kunnen immers leiden tot een ander of vollediger beeld van de situatie. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen en alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de minister de bijzondere feiten en omstandigheden van dit geval ten onrechte onvoldoende heeft onderkend en daarmee de buitengewone omstandigheden van dit geval heeft miskend. Dit betekent dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven.



Conclusie en gevolgen



7. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gezien de aard en omvang van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken. Verder wijst de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen.

8. Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing
De rechtbank,


in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.45970:



- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het verleningsbesluit van 11 augustus 2026;
- draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.



in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.45971:



- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



in beide zaken:



- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.




Op grond artikel 46 lid 2 van de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV).


ECLI:NL:RBDHA:2026:21611.


De minister wijst ter onderbouwing op het formulier ‘Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten in de zin van de Dublinverordening ter verlenging van de Uiterste Overdrachtstermijn’ (het TBBA-formulier) van 11 augustus 2026.


Hof van Justitie van de Europese Unie.


ECLI:EU:C:2019:218.


Algemene wet bestuursrecht.


Op 4 september 2026, nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting had gesloten, heeft de gemachtigde van eiseres een brief van het ziekenhuis overgelegd, waarin is vermeld dat eiseres is opgenomen van 11-8-2026 tot en met 12-8-2026 op de afdeling Cardiologie.


Centraal Orgaan opvang asielzoekers.