Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27993

2026-09-23 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.23007, NL26.13305 en NL26.19182
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.23007, NL26.13305 en NL26.19182
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

asiel – bnt – gegrond – dubbel beroep – niet-ontvankelijk.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.900 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht


zaaknummers: NL25.23007, NL26.13305 en NL26.19182

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Hanna),



en




de minister van Asiel en Migratie,
verweerder.





Procesverloop

1. Eiseres heeft op 24 mei 2024 een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij [referent] (referent).

2. Bij uitspraak van 13 augustus 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 19 februari 2025 gericht tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan eiseres schriftelijk is meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden.

3. Op 20 mei 2025 is er een tweede beroep tegen het niet nemen van een besluit op de aanvraag ingesteld door eiseres, met het zaaknummer NL25.23007.

4. Op 6 januari 2026 heeft eiseres een derde beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 6 januari 2026 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken.

5. Op 10 maart 2026 is er een vierde beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit, met het zaaknummer NL26.13305.
6. Op 7 april 2026 is er een vijfde beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit, met het zaaknummer NL26.19182.

7. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.



Overwegingen inzake NL25.23007



8. De rechtbank constateert dat het tweede beroep met zaaknummer NL25.23007, is ingediend op 20 mei 2025, vóórdat er uitspraak was gedaan op het beroep van 19 februari 2025. Het beroep van 19 februari 2025 is op 13 augustus 2025 gegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat eiseres inhoudelijk gezien niet in een betere rechtspositie kan komen met het beroep in de zaak NL25.23007, dan al is bereikt met het beroep van 19 februari 2025. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij een beslissing op dit beroep. Het beroep met zaaknummer NL25.23007 is daarom niet-ontvankelijk.



Overwegingen inzake NL26.13305



9. De rechtbank constateert dat het vierde beroep met zaaknummer NL26.13305, ingediend op 10 maart 2026, ook is ingediend vóórdat er uitspraak was gedaan op het beroep van 6 januari 2026. Het beroep van 6 januari 2026 is op 19 maart 2026 gegrond verklaard. De rechtbank stelt wederom vast dat eiseres inhoudelijk gezien niet in een betere positie kan komen in de zaak NL26.13305, dan al is bereikt met het beroep van 6 januari 2026. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij een beslissing op dit beroep. Het beroep met zaaknummer NL26.13305 is daarom niet-ontvankelijk.



Overwegingen inzake NL26.19182



10. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.

11. In haar uitspraak van 19 maart 2026, heeft de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan eiseres een dwangsom van €200 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.

12. Eiseres heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag ingesteld op 7 april 2026. Op dat moment was de rechterlijke dwangsom nog niet volgelopen.

13. Verweerder hanteert per 15 januari 2024 het ‘first-in first-out’(fifo)-principe om de verwerking van nareisaanvragen efficiënter, eerlijker en voorspelbaarder te maken. Naar verwachting neemt verweerder de aanvraag van eiseres in behandeling in januari 2027. Verweerder verzoekt de rechtbank primair om het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Subsidiair verzoekt verweerder om een zo ruim mogelijke beslistermijn op te leggen.

14. De rechtbank stelt vast dat bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvraag. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.

15. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. De rechtbank heeft in haar eerste uitspraak op het beroep al een redelijke nadere beslistermijn gesteld. Daar komt bij dat sinds het vollopen van de rechterlijke dwangsom wederom geruime tijd is verstreken en verweerder nog geen besluit op de aanvraag heeft genomen. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.

16. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van €50 aan eiseres verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Uit het verweerschrift volgt dat verweerder om een lagere dwangsom vraagt omdat hij er op voorhand van uitgaat dat hij de uitspraak niet na zal leven. Dit strookt niet met de bedoeling van de dwangsom als middel om het bestuursorgaan tot beslissen te bewegen.

17. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van €200 moet vergoeden en om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op €467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van €934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.





Beslissing


De rechtbank:



In de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.23007:


- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.


In de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.13305:


- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.


In de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.19182:



 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
 bepaalt dat verweerder wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag aan eiseres een dwangsom van €50 (vijftig euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000 (vijftienduizend euro);
 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van €200 (tweehonderd euro) moet vergoeden;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €467 (vierhonderdzevenenzestig euro).




Deze uitspraak is gedaan op 23 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



Deze uitspraak is bekendgemaakt op:





Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.






Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.


ECLI:NL:RBDHA:2025:15146.


ECLI:NL:RBDHA:2026:6214.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1684 en de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4865.