Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27961

2026-09-17 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 25/1817
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/1817
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlening omgevingsvergunning voor bouw van een winkel en appartementen. Het college heeft de grondslag van de aanvraag niet verlaten. Parkeerplekken.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.941 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/1817

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen


[eiser 1] , uit [woonplaats]



[eiser 2]
, uit [woonplaats]


[eiser 3]
, uit [woonplaats]
gezamenlijk te noemen eisers
(gemachtigde: mr. M.R. Plug)



en


het college van burgemeester en wethouders van Katwijk
(gemachtigde: mr. A.C. van der Gugten).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit [plaats] , vergunninghoudster
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor de bouw van een winkel en 7 appartementen op het perceel [perceel] . De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Eisers zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Vergunninghoudster heeft op 21 december 2023 een aanvraag ingediend om de hiervoor bedoelde vergunning.



2.1.
Bij besluit van 24 september 2024 heeft het college de gevraagde vergunning verleend.


2.2.
Bij besluit van 28 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van [eiser 3] ongegrond verklaard. De bezwaren van [eiser 1] en [eiser 2] zijn niet-ontvankelijk verklaard.



2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 28 januari 2025. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft stukken ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. [eiser 3] en [eiser 1] zijn verschenen, bijgestaan door mr. K.P. Leerdam en mr. M.R. Plug. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.




Beoordeling door de rechtbank



Wettelijk kader

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).



3.1.
De aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen is op 21 december 2023 – en dus vóór 1 januari 2024 – ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.



3.2.
Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan “Katwijk aan den Rijn 2012” (bestemmingsplan). In verband met overschrijding van de goot- en bouwhoogte heeft het college de vergunning verleend met toepassing van artikel 4, onderdeel 1, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a onder 2°, van de Wabo, de zogenoemde kruimelgevallenregeling.



Toepassing kruimelgevallenregeling


4. Ter zitting hebben eisers naar voren gebracht dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen op grond van de kruimelgevallenregeling. De rechtbank behandelt deze beroepsgrond niet, vanwege strijd met een goede procesorde. Eisers hebben deze beroepsgrond, die een principieel punt behelst, zodanig laat aangevoerd dat een goede bespreking daarvan op de zitting niet meer mogelijk was. Bovendien blijkt de toepassing van de kruimelgevallenregeling al uit zowel het besluit van 24 september 2024 als het bestreden besluit. De rechtbank ziet dan ook geen reden waarom deze beroepsgrond niet eerder had kunnen worden aangevoerd.



Is de grondslag van de aanvraag verlaten?


5. Eisers betogen dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten. De vergunning is aangevraagd voor het realiseren van een lunchroom en vier appartementen en er is een vergunning verleend voor een winkel en zeven appartementen. Het college had vergunninghoudster niet in de gelegenheid mogen stellen om de aanvraag te wijzigen, omdat het niet om wijzigingen van ondergeschikte aard gaat.



5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag niet is verlaten, maar dat het bouwplan binnen zijn bestaande contouren anders is ingevuld en dat sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard.



5.2.
De rechtbank stelt voorop dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend.Dit betekent echter niet dat van een aanvraag in zijn geheel niet mag worden afgeweken. Op grond van vaste jurisprudentie is het bestuursorgaan gerechtigd, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht, om de indiener van een bouwaanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de bouwvergunning worden weggenomen. Het college mag alleen een wijziging van het bouwplan zonder nieuwe aanvraag van een omgevingsvergunning toestaan indien sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard.Indien een wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend.



5.3.
De rechtbank overweegt dat bij het kopje 3 ‘De bouwwerkzaamheden’ op pagina 4 van de aanvraag wordt vermeld dat vier appartementen worden gerealiseerd. Bij het kopje 3 ‘De bouwwerkzaamheden’ op pagina 7 van de aanvraag wordt vermeld dat een bestaande bakkerij met bovenwoning wordt getransformeerd tot een lunchroom met drie woningen. Hieruit volgt dat in totaal zeven appartementen zijn aangevraagd. In zoverre is er dus geen verschil tussen wat is aangevraagd en wat is vergund.



5.4.
De rechtbank stelt vast dat in de omgevingsvergunning een winkel wordt vergund. Bij kopje 3 ‘De bouwwerkzaamheden’ op pagina 7 van de aanvraag wordt een lunchroom vermeld. Daarnaast wordt bij kopje 6 ‘gebruik’ vermeld dat het bouwwerk gebruikt gaat worden voor drie huurwoningen en een lunchroom. De rechtbank is van oordeel dat deze wijziging van een lunchroom naar een winkel een wijziging van ondergeschikte aard is. De wijziging van de functie is namelijk niet zodanig dat het bouwplan redelijkerwijs niet meer als hetzelfde bouwplan kan worden gezien. Uiteraard zijn er in algemene zin wel bepaalde verschillen tussen een lunchroom en een winkel, maar in beide gevallen gaat het om gebruik ten behoeve van een commerciële publieksfunctie, en in dit geval ziet de wijziging op een relatief beperkte oppervlakte. Dat de ruimtelijke impact van de uiteindelijk vergunde winkel wezenlijk anders is dan de lunchroom waar de aanvraag op zag, hebben eisers wel gesteld maar verder niet onderbouwd. In dit geval kan daarom redelijkerwijs van een wijziging van ondergeschikte aard worden gesproken. Overigens is op grond van het bestemmingsplan binnen de bestemming ‘Gemengd – 2’ ter plaatse detailhandel bij recht toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.



Passen 15 parkeerplekken op het eigen terrein?

6. Eisers betogen dat de door vergunninghoudster voorziene 15 parkeerplekken op het eigen terrein niet kunnen worden gerealiseerd, gelet op de afmetingen van het terrein. Ter zitting hebben eisers verduidelijkt dat de beroepsgrond zo moet worden gelezen dat het niet mogelijk is om 15 parkeerplekken te realiseren die voldoen aan de vereiste afmetingen zoals opgenomen in paragraaf “Parkeren op eigen terrein: opritten” van de gemeentelijke Nota parkeernormen van 7 juni 2021.



6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de voorziene 15 parkeerplekken voldoen aan de toepasselijke NEN-norm, te weten NEN 2443 ‘Parkeren en stallen van personenauto's op terreinen en in garages’.



6.2.
De rechtbank overweegt dat de paragraaf “Parkeren op eigen terrein: opritten” ziet op een oprit in de tuin van een huishouden. Deze paragraaf is daarom niet van toepassing op de onderhavige situatie. De andere situaties waarvoor specifieke afmetingen zijn vermeld in deze paragraaf zien op parkeerplekken in de openbare ruimte en parkeerplekken in garages. Die beide situaties doen zich hier ook niet voor. Daarentegen is niet gemotiveerd bestreden dat de door het college aangehaalde NEN-norm 2443 wel van toepassing is op een situatie als die waar het hier om gaat. In tabel 4.1 van deze NEN-norm wordt als eis gesteld dat de breedte van een parkeerplek minimaal 2,30 meter moet zijn. Door eisers is niet betwist dat aan dit vereiste wordt voldaan, zoals ook naar voren komt uit de bouwtekening die ten grondslag ligt aan de omgevingsvergunning. Op die tekening zijn 15 parkeerplekken ingetekend. De beroepsgrond slaagt niet.



Verkeersveiligheid

7. Eisers betogen dat de 15 parkeerplekken een risico voor de verkeersveiligheid vormen. De parkeerplekken zijn niet breed genoeg, omdat ouders met kinderen en maxi-cosi’s bij het in- en uitstappen veel ruimte nodig hebben. Bovendien levert de aansluiting van de oprit, die 4 meter breed is en aansluit op de smalle [straatnaam] , een gevaarlijke situatie op.




7.1.
Op grond van het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.



7.2.
De rechtbank volgt het college in het oordeel dat het relativiteitsvereiste in dit geval in de weg staat aan het slagen van deze beroepsgrond voor zover die ziet op de situatie op de parkeerplekken, omdat de parkeerplekken worden gerealiseerd op privéterrein. Regels die zien op de veiligheid op een dergelijk terrein strekken niet tot bescherming van de belangen van eisers, als omwonenden van het bouwplan. In zoverre blijft een inhoudelijke beoordeling van deze grond daarom achterwege. Dat het bouwplan door de breedte van de oprit zal leiden tot verkeersonveilige situaties buiten het terrein, dus in de [straatnaam] , die zodanig zijn dat het college om die reden de vergunning had moeten weigeren, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt. Overigens valt de aansluiting van de oprit op de [straatnaam] buiten de nu verleende vergunning.



Gaat het college terecht uit van één parkeerplek aan de openbare weg (Kerkstraat)?

8. Eisers betogen dat op grond van de Nota parkeernormen parkeren buiten het eigen terrein pas aan de orde is als er op eigen terrein geen haalbare mogelijkheden zijn en sprake is van structurele restcapaciteit. Bij de vraag of in de parkeerbehoefte wordt voorzien heeft het college dus ten onrechte een parkeerplek op de openbare weg meegeteld. In plaats van gebruik te maken van een openbare parkeerplek aan de Kerkstraat kan een extra parkeerplek op het deel van het eigen terrein van het kinderdagverblijf worden gerealiseerd dat gereserveerd is voor “toekomstige ontwikkeling”, aldus eisers.




8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de parkeerplek waar het om gaat wordt toegevoegd aan de al bestaande plekken in de openbare ruimte, zodat geen sprake kan zijn van strijd met de Nota parkeernormen.



8.2.
De rechtbank overweegt dat door eisers niet wordt betwist dat de openbare parkeerplek is toegevoegd aan de openbare ruimte op een plaats waar eerder geen parkeerplek maar een uitrit was. Daarom is er geen toename van de parkeerdruk. Het door eisers aangehaalde toetsingskader dat het toewijzen van parkeerbehoefte aan de openbare ruimte pas toestaat als het realiseren van parkeerplekken op eigen terrein niet haalbaar is, speelt logischerwijs geen rol als de benodigde plekken aan de openbare ruimte worden toegevoegd; in dat geval leidt parkeren in de openbare ruimte immers niet tot afname van het aantal openbare plekken vergeleken met de situatie voordat het bouwplan wordt gerealiseerd. Of eventueel een extra plek mogelijk zou kunnen worden gemaakt op het terrein ter plaatse van de aanduiding “toekomstige ontwikkeling” op de bouwtekeningen is hier dus niet relevant. De beroepsgrond slaagt niet.



Dubbelgebruik

9. Eisers betogen dat het college is uitgegaan van een onjuiste berekening van de parkeerbelasting als gevolg van het bouwplan, doordat ten onrechte rekening is gehouden met dubbelgebruik van de parkeerplekken op eigen terrein door de bezoekers van de kinderopvang en de eigenaren van de appartementen. Op grond van de Nota parkeernormen mag overdag geen dubbelgebruik plaatsvinden met de functie kinderopvang. Eisers betogen verder dat tijdens de werkdagochtend elf parkeerplekken voor de appartementen nodig zijn, namelijk de acht parkeerplekken aan de [adres 1] die bij realisatie van het nu voorliggende bouwplan vervallen, vermeerderd met de drie parkeerplekken die nodig zijn voor de werkdagochtend. Daarmee zou het totale aantal voor de werkdagochtend op meer plekken uitkomen dan de maximaal 16 waar het college van uit is gegaan.




9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat een woongebouw en een kinderdagverblijf twee van elkaar te onderscheiden functies zijn qua parkeerbehoefte. Bij het kinderdagverblijf zal voornamelijk overdag behoefte aan parkeerplekken zijn, terwijl bij het woongebouw de parkeerbehoefte juist 's avonds en ’s nachts aanwezig is. De te realiseren parkeerplekken zullen daarom naar verwachting niet tegelijkertijd ten behoeve van het woongebouw en het kinderdagverblijf worden gebruikt en kunnen dus voorzien in de parkeerbehoefte van beide functies. Dit betekent dat het woongebouw gebruik kan maken van de plekken ten behoeve van het kinderdagverblijf.



9.2.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de parkeerplekken van het kinderdagverblijf overdag niet mogen worden meegeteld. Overdag is de bezettingsgraad van die plekken namelijk 100%, zodat dubbeltelling overdag niet mogelijk is. Uit de parkeerberekening die het college heeft overgelegd voor het bouwplan, bezien in samenhang met de twee andere bouwplannen op respectievelijk [adres 1] en [adres 2] , komt dan ook, in overeenstemming daarmee, naar voren dat voor de plekken ten behoeve van het kinderdagverblijf is uitgegaan van een bezetting van 100% voor de werkdagochtend en -middag. De maatgevende momenten zijn echter bepaald op werkdagavond, werkdagnacht en met name zaterdagavond. Op de maatgevende momenten is dubbeltelling wel mogelijk, omdat buiten de werkdagochtend en -middag de verwachte bezetting ten behoeve van het kinderdagverblijf (logischerwijs) 0 is. Uit de gezamenlijke berekening volgt dat op grond van de drie projecten gezamenlijk 16 parkeerplekken benodigd zijn. De berekening is in lijn met de Nota parkeernormen, die voorschrijft dat bij meerdere functies op één terrein aanwezigheidspercentages moeten worden toegepast. Op zaterdagavond is de grootste toename van de benodigde parkeerplekken. Het gaat om 15,06 parkeerplekken, zodat afgerond naar boven moet worden voorzien in 16 parkeerplekken. Uit de berekening en de toelichting daarop ter zitting volgt verder dat dit, relatief beperkte, aantal samenhangt met het feit dat voorheen een boekwinkel was gevestigd op de plaats van het bouwplan [adres 1] , die een parkeereis van 22,4 plaatsen had. Een groot deel van die plaatsen komt vrij in de nieuwe situatie, doordat het bouwplan [adres 1] (zeven appartementen) een parkeereis van 11,2 heeft. Dat er – zoals eisers betogen – voor de werkdagochtend, anders dan uit de gezamenlijke berekening van het college volgt, zou moeten worden uitgegaan van een totale parkeerbehoefte die groter is dan waar het college van uitgaat kan de rechtbank niet volgen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gezamenlijke berekening onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.



Zijn de parkeerplekken op eigen terrein openbaar toegankelijk?

10. Eisers betogen dat de parkeerplekken niet beschikbaar zullen zijn voor de bezoekers van de appartementen, doordat het plekken op privéterrein zijn en dus niet openbaar toegankelijk.




10.1.
De rechtbank ziet geen grond voor de verwachting dat de bezoekers van de appartementen die in het bouwplan worden gerealiseerd geen gebruik zullen kunnen maken van de parkeerplekken op het binnenterrein. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er feitelijke of juridische omstandigheden zijn die daaraan in de weg staan. Overigens is ter zitting door vergunninghoudster toegelicht dat er maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat de parkeerplekken mede voor de bezoekers van de appartementen beschikbaar zijn, doordat er borden zijn geplaatst bij de betreffende parkeerplekken. De beroepsgrond slaagt niet.



In stand laten parkeerplekken

11. Eisers betogen dat er geen garantie is dat de parkeerplekken op eigen terrein in stand blijven. Het college had daarom een voorwaarde van die strekking aan de vergunning moeten verbinden.




11.1.
De rechtbank overweegt dat de parkeerplekken zijn ingetekend op de bouwtekening die ten grondslag ligt aan de omgevingsvergunning en dat er in de vergunning naar de parkeerberekening wordt verwezen, zodat de parkeerplekken onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning. Indien er parkeerplekken verdwijnen wordt er afgeweken van de omgevingsvergunning en daarop kan gehandhaafd worden. De beroepsgrond slaagt niet.



Zijn [eiser 1] en [eiser 2] belanghebbende?

12. [eiser 1] en [eiser 2] betogen dat het college hen in het bestreden besluit ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Volgens hen is het college er ten onrechte van uitgegaan dat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervinden als gevolg van het bestreden besluit, omdat zij op meer dan 90 meter afstand wonen van het perceel waarop wordt gebouwd en niet tot nauwelijks zicht hebben op de beoogde bebouwing. [eiser 1] en [eiser 2] betogen dat zij gevolgen zullen ondervinden door het toenemen van de – in de bestaande situatie al hoge – parkeerdruk.




12.1.
De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening moet worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het te verbouwen pand. Dat reeds in de bestaande situatie volgens [eiser 1] en [eiser 2] al sprake is van een hoge parkeerdruk is daarom niet relevant. Dat geldt ook voor de beoordeling van hun belanghebbendheid; een al bestaand tekort aan parkeerplekken is immers geen gevolg van het al dan niet vergunnen van het bouwplan. Verder blijkt uit wat hiervoor besproken is dat het college mocht uitgaan van de gezamenlijke berekening van de parkeerbehoefte voor de drie naast elkaar gelegen bouwplannen, en dat op basis daarvan mocht worden aangenomen dat er 16 plaatsen moeten worden gerealiseerd, waarvan één in de openbare ruimte. Die plaats wordt echter volgens het bouwplan nieuw gecreëerd. Dat betekent dat het bouwplan geen gevolgen heeft voor de parkeerdruk in de openbare ruimte, zodat [eiser 1] en [eiser 2] daaraan geen belanghebbendheid kunnen ontlenen. Nu verder niet betwist is dat zij op meer dan 90 m afstand van het bouwplan wonen en daar niet of nauwelijks zicht op hebben, heeft het college [eiser 1] en [eiser 2] terecht niet als belanghebbende aangemerkt en hun bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.





Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de vergunning in stand blijft

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.


ABRvS 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2970.


ABRvS 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:378.