Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27880
2026-08-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/707285 / FA RK 26-6071
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming inschrijving school. Geen nakoming zorgregeling i.a.v. jeugdbeschermingstafel.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1112 Gerechtshof Amsterdam 21-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1112 Gerechtshof Amsterdam 21-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.114 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-6071
Zaaknummer: C/09/707285
Datum beschikking: 24 augustus 2026
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 16 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.C. Wittens te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg te Roosendaal.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
het F9-formulier van de moeder van 12 augustus 2026, met bijlagen;
het F9-formulier van de vader van 13 augustus 2026, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige] heef zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 14 augustus 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Verzoek en verweer
De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
- aan hem vervangende toestemming te verlenen – die de toestemming van de moeder vervangt – om de minderjarige in te schrijven op [schoolnaam] te [plaats] ;
- de proceskosten tussen partijen te compenseren;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft ter zitting aanvullend verzocht te bepalen dat een opbouwregeling wordt vastgesteld, waarbij de moeder en [minderjarige] onder begeleiding werken aan contactherstel.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder zelfstandig verzocht:
de vader te veroordelen onverwijld de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2023, in die zin dat de vader ervoor dient zorg te dragen dat [minderjarige] de eerste volgende dag zij volgens deze zorgregeling bij haar moeder dient te zijn, daar ook op het vastgestelde tijdstip is, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat [minderjarige] niet of te laat bij haar moeder is, met een maximum van € 10.000,-, dan wel een dusdanige dwangsomregeling zoals de rechtbank juist acht;
primair toe te staan dat de moeder de getuigen-deskundige mevrouw [naam 2] , verbonden aan Veilig Thuis/Hecht/Zorg- en Veiligheidshuis [regio] , gevestigd te [adres] – indien beschikbaar – meeneemt naar de mondelinge behandeling dan wel op een afzonderlijke zitting doet verschijnen om door de rechtbank te worden gehoord, zulks overeenkomstig artikel 166 lid 1 jo. artikel 87 lid 3 Rv en artikel 284 lid 1
Rv;
- subsidiair een deskundigenonderzoek te gelasten op de voet van artikel
194 lid 1 Rv jo. artikel 284 lid 1 Rv en de genoemde deskundige te benoemen met opdracht aan de rechtbank mondeling verslag uit te brengen op de eerstvolgende zitting, zulks overeenkomstig de werkwijze als gehanteerd in Hof Amsterdam 21 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1112;
meer subsidiair de deskundige overeenkomstig artikel 166 lid 2 Rv ambtshalve als getuige op te roepen, indien de rechtbank van oordeel is dat zulks in het belang van een juiste feitenvaststelling geboden is;
te bepalen dat de kosten van dit verzoek, alsmede de kosten verbonden aan de verschijning van de getuigendeskundige, worden aangehouden dan wel worden verrekend conform de regels die gelden in verzoekschriftprocedures ex artikel 284 lid 2 Rv jo. artikelen 187 en 191 Rv, dan wel ten laste van het Rijk worden gebracht indien sprake is van onvoldoende draagkracht, een en ander zoals bepaald door het Hof Amsterdam 21 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1112;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
- Bij beschikking van 22 februari 2023 is bepaald dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over [minderjarige] en is bepaald dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
- in de oneven weken: van vrijdag 15:00 uur tot zondag 19:00 uur;
- in de even weken: van woensdag 15:00 uur tot donderdag 08:45 uur;
en waarbij een verdeling van de vakanties en feestdagen is vastgesteld.
Beoordeling
Vervangende toestemming inschrijving school
De vader heeft verzocht om vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op [schoolnaam] . [minderjarige] krijgt al sinds zij leerplichtig is thuisonderwijs. De vader heeft daarvoor aanvankelijk toestemming gegeven, maar inmiddels heeft hij al geruime tijd zorgen over de kwaliteit van het thuisonderwijs van [minderjarige] en haar ontwikkeling. Sinds april 2025 geeft hij hiervoor dan ook geen toestemming meer. De vader ziet zijn zorgen bevestigd in het rapport van Veilig Thuis, dat betrokken is geraakt door een melding in februari 2026. In het rapport staat onder meer dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging.
Er is volgens de vader geen sprake van concrete feiten of omstandigheden op basis waarvan een vrijstelling van de leerplicht gerechtvaardigd zou zijn. De vader merkt hierbij op dat partijen in september 2026 een leerplichtzitting bij de rechtbank hebben wegens het gebrek aan (rechtsgeldig) onderwijs voor [minderjarige] . De vader is daarom op zoek gegaan naar een passende school voor [minderjarige] . De inschrijftermijn voor een middelbare school is al verstreken, maar [minderjarige] zou alsnog terecht kunnen op [schoolnaam] . Deze school past bij [minderjarige] en ligt op een afstand van 15 à 20 minuten fietsen. De moeder geeft hiervoor echter geen toestemming. Het is onduidelijk wat het niveau van [minderjarige] is, omdat de moeder geen toestemming geeft voor een onderzoek, maar uit de verslagen van de door de vader ingehuurde bijlesdocenten blijkt dat zij op veel gebieden ver onder het te verwachten niveau zit. [schoolnaam] biedt meerdere VMBO-richtingen aan, zodat goed kan worden gemeten welk niveau en richting het beste bij [minderjarige] aansluiten.
De moeder voert verweer. De moeder beschikt over een rechtsgeldige vrijstelling op grond van artikel 5, sub b, Leerplichtwet. Deze vrijstelling ontstaat van rechtswege door er een beroep op te doen en het inroepen ervan behoeft volgens de moeder geen toestemming van de andere gezagdragende ouder. De moeder heeft voor het komende schooljaar op 28 april 2026 tijdig een beroep gedaan op de vrijstelling wegens levensovertuigingen. Daarnaast heeft zij op 16 juli 2026 een aanvullend beroep gedaan op de vrijstelling op grond van artikel 5, sub a, Leerplichtwet, omdat de moeder [minderjarige] op gronden van psychische aard momenteel niet geschikt acht om aan enige school toegelaten te worden. De moeder betwist verder dat de kwaliteit van het thuisonderwijs onvoldoende is. Dit is door geen enkele professional op objectieve wijze vastgesteld. Zij verzoekt daarom voorwaardelijk dat de rechtbank de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs als deskundige zal aanmerken om een onderzoeksverslag te laten uitbrengen naar het thuisonderwijs. De moeder vermoedt dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt en dat zij daarom opeens aangeeft dat zij naar school wil. Tot voor kort was zij immers zeer tevreden met het thuisonderwijs. De moeder verzoekt daarnaast uitdrukkelijk om, indien de rechtbank het verzoek van de vader toewijst, dit verzoek niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens de moeder doorkruist de inschrijving van [minderjarige] op een school de mogelijkheid voor de moeder om het daaropvolgende schooljaar een beroep op de vrijstelling te kunnen doen, ook als het hof in hoger beroep anders oordeelt.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat [minderjarige] recht heeft op onderwijs. Op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat er op dit moment geen geldige vrijstelling voor thuisonderwijs van [minderjarige] is. De moeder stelt dat zij deze vrijstelling van rechtswege heeft. De vader heeft echter onbetwist gesteld dat uit de Leerplichtwet blijkt dat een leerplichtambtenaar moet toetsen of aan de voorwaarden voor een vrijstelling is voldaan alvorens deze vrijstelling geldt. Niet gebleken is dat er nu een vrijstelling geldt die volgens de leerplichtambtenaar aan alle voorwaarden voldoet. Ook uit feit dat de ouders op dit moment vervolgd worden door het Openbaar Ministerie wegens onderwijsverzuim van [minderjarige] kan opgemaakt worden dat er momenteel geen vrijstelling van inschrijving bij een school of onderwijsinstelling geldt. Voorts is onzeker of voor het volgend schooljaar wel een geldige vrijstelling zal gelden. De moeder heeft twee aanvragen ingediend, maar hierop is nog niet beslist. Tot slot heeft de moeder geen enkel concreet alternatief aangedragen voor het geval deze aanvragen worden afgewezen.
[minderjarige] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij heel graag naar school wil. Zij heeft lang thuisonderwijs gehad en wil, nu zij naar de middelbare school gaat, starten op een school waar zij temidden van vriend(inn)en onderwijs kan krijgen. Zij heeft verder aangegeven graag naar [schoolnaam] te willen, in ieder geval voor het eerste jaar. Mocht zij HAVO of VWO kunnen doen, dan wil zij na het eerste jaar naar een school die dat biedt. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het belangrijk is om naar de mening en de wensen van [minderjarige] te luisteren. Volgens de moeder bevindt [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict en is zij eigenlijk heel tevreden met het thuisonderwijs. De rechtbank overweegt echter dat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij al twee jaar lang de wens heeft om naar een school te gaan en constateert dat zij bovendien goed heeft nagedacht over een concreet plan voor haar schoolgang voor de komende jaren.
Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zij wordt ingeschreven op een school. Nu de vader [schoolnaam] passend acht, [minderjarige] daar graag naartoe wil en de moeder geen inhoudelijke bezwaren tegen deze school heeft geuit, zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen. De rechtbank zal het voorwaardelijke verzoek van de moeder tot een onderzoek door Stichting Keurmerk Thuisonderwijs afwijzen. De kwaliteit van het thuisonderwijs dat de moeder biedt, is niet aan de orde. Daarmee is hetgeen de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs daaromtrent kan vertellen, voor de beoordeling van de rechtbank niet relevant. Het gaat er nu om dat er op dit moment geen rechtsgeldige vrijstelling voor thuisonderwijs geldt en deze ook niet in zicht is. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat zij zonder vertraging rechtsgeldig onderwijs kan volgen.
De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De vader heeft aangegeven dat [minderjarige] zich uiterlijk 24 augustus 2026 kan aanmelden bij [schoolnaam] en de rechtbank acht het niet in haar belang dat de inschrijving van [minderjarige] op [schoolnaam] wordt uitgesteld. Immers zou dat betekenen dat [minderjarige] niet naar school kan, terwijl er ook geen rechtsgeldige basis is voor thuisonderwijs. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat zij zonder uitstel kan starten en zo op een juridisch juiste manier onderwijs krijgt.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De moeder heeft verzocht om de vader op straffe van een dwangsom te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling. Volgens haar onttrekt de vader [minderjarige] aan het ouderlijk gezag. [minderjarige] geeft bij de moeder aan dat zij bang is voor de reactie van haar vader als hij erachter komt dat ze contact heeft met haar moeder. Dit blijkt ook uit de chatgeschiedenis tussen de vader en [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat zij uit deze strijd wordt gehaald. Sinds het verblijf van [minderjarige] bij haar vader is zij meer problematisch gedrag gaan vertonen. De zorgregeling moet daarom zo snel mogelijk hervat worden, zodat er opnieuw rust, stabiliteit en voorspelbaarheid ontstaat rondom [minderjarige] . Deze noodzaak wordt ondersteund door de professionele terugkoppeling van mevrouw [naam 2] van Veilig Thuis.
De vader voert verweer. Het is de vader duidelijk dat de zorgregeling die de rechtbank heeft vastgesteld bij beschikking van 22 februari 2023 nageleefd moet worden. Hij kan echter niet zijn ogen sluiten voor de praktijk, waarin [minderjarige] aangeeft niet bij haar moeder te willen verblijven en alleen onder begeleiding van een derde het contact met de moeder weer wil gaan opbouwen. De vader vindt contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] van groot belang, maar acht het noodzakelijk om daarbij de wensen van [minderjarige] te volgen en haar tempo aan te houden. De vader heeft daarom voorgesteld om met een opbouwende regeling naar de vastgestelde omgangsregeling toe te werken. De moeder staat daar niet voor open.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank maakt zich grote zorgen om [minderjarige] . Blijkens het rapport van Veilig Thuis van 26 mei 2026 leiden de conflicten tussen ouders tot onrust, druk en loyaliteitsconflicten bij [minderjarige] . Bij de moeder voelt [minderjarige] zich niet veilig wegens escalerende interacties en bij de vader wordt zij onvoldoende begrensd en lijkt er weinig structuur geboden te worden. In de nabije toekomst verwacht Veilig Thuis geen gestabiliseerde situatie omdat vrijwillige hulpverlening niet van de grond komt en [minderjarige] inmiddels te maken heeft met een ernstige en aanhoudende ontwikkelingsbedreiging. De rechtbank is van oordeel dat het van [minderjarige] , die net 13 jaar is geworden, (te) veel vraagt om zich staande te houden in een situatie waarin ouders zodanig met elkaar overhoop liggen dat belangrijke beslissingen niet worden genomen. De rechtbank acht het hoopvol dat het onderzoek van Veilig Thuis heeft geleid tot het organiseren van een Jeugdbeschermingstafel, waarbij ouders, Veilig thuis, gemeenteambtenaren, de Raad voor de kinderbescherming en Jeugdbescherming West samenkomen om te bezien of alsnog een oplossing kan gevonden worden in het vrijwillige kader dan wel een (uitgesteld) Raadsonderzoek gedaan moet worden naar een kinderbeschermingsmaatregel. Deze Jeugdbeschermingstafel zal 27 augustus 2026 en derhalve zeer binnenkort plaatshebben.
De rechtbank merkt op dat een vastgestelde omgangsregeling in principe moet worden nagekomen. In onderhavige situatie gebeurt dat niet. De rechtbank acht het echter prematuur om nu nakoming te gebieden en bovendien te vergaand om daar een dwangsom aan te verbinden. Zodanige beslissing zou vooruitlopen op de Jeugdbeschermingstafel, waar nog bekeken moet worden hoe nu in het belang van [minderjarige] gehandeld moet worden. De rechtbank zal de Jeugdbeschermingstafel alle ruimte geven om daar invulling aan te geven en om naar welbevinden te handelen, zonder met een verplichting tot nakoming van de zorgregeling op straffe van een dwangsom, druk uit te oefenen op dat proces. De rechtbank zal de wederzijdse verzoeken betreffende de omgang dan ook afwijzen.
De rechtbank passeert voorts de verzoeken van de moeder om mevrouw [naam 2] als getuigendeskundige te horen, om een deskundigenonderzoek te gelasten dan wel enig andere getuigendeskundige op te roepen. Ook deze verzoeken acht de rechtbank prematuur. De moeder stelt dat het belangrijk is dat de rechtbank wordt voorgelicht vanuit gespecialiseerde kennis op het gebied van psychologie, pedagogiek, bekendheid met alle betrokkenen en kennis van de voorgeschiedenis. De rechtbank merkt op dat de Jeugdbeschermingstafel precies deze kennis verenigt om tot goede besluitvorming te komen en de rechtbank zal, zoals geschreven, dat proces niet doorkruisen met een getuigenverhoor. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de vader vervangende toestemming – welke de toestemming van de moeder vervangt – om de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , in te schrijven op [schoolnaam] te [plaats] ;
*verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 augustus 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-6071
Zaaknummer: C/09/707285
Datum beschikking: 24 augustus 2026
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 16 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.C. Wittens te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg te Roosendaal.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
het F9-formulier van de moeder van 12 augustus 2026, met bijlagen;
het F9-formulier van de vader van 13 augustus 2026, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige] heef zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 14 augustus 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Verzoek en verweer
De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
- aan hem vervangende toestemming te verlenen – die de toestemming van de moeder vervangt – om de minderjarige in te schrijven op [schoolnaam] te [plaats] ;
- de proceskosten tussen partijen te compenseren;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft ter zitting aanvullend verzocht te bepalen dat een opbouwregeling wordt vastgesteld, waarbij de moeder en [minderjarige] onder begeleiding werken aan contactherstel.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder zelfstandig verzocht:
de vader te veroordelen onverwijld de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2023, in die zin dat de vader ervoor dient zorg te dragen dat [minderjarige] de eerste volgende dag zij volgens deze zorgregeling bij haar moeder dient te zijn, daar ook op het vastgestelde tijdstip is, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat [minderjarige] niet of te laat bij haar moeder is, met een maximum van € 10.000,-, dan wel een dusdanige dwangsomregeling zoals de rechtbank juist acht;
primair toe te staan dat de moeder de getuigen-deskundige mevrouw [naam 2] , verbonden aan Veilig Thuis/Hecht/Zorg- en Veiligheidshuis [regio] , gevestigd te [adres] – indien beschikbaar – meeneemt naar de mondelinge behandeling dan wel op een afzonderlijke zitting doet verschijnen om door de rechtbank te worden gehoord, zulks overeenkomstig artikel 166 lid 1 jo. artikel 87 lid 3 Rv en artikel 284 lid 1
Rv;
- subsidiair een deskundigenonderzoek te gelasten op de voet van artikel
194 lid 1 Rv jo. artikel 284 lid 1 Rv en de genoemde deskundige te benoemen met opdracht aan de rechtbank mondeling verslag uit te brengen op de eerstvolgende zitting, zulks overeenkomstig de werkwijze als gehanteerd in Hof Amsterdam 21 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1112;
meer subsidiair de deskundige overeenkomstig artikel 166 lid 2 Rv ambtshalve als getuige op te roepen, indien de rechtbank van oordeel is dat zulks in het belang van een juiste feitenvaststelling geboden is;
te bepalen dat de kosten van dit verzoek, alsmede de kosten verbonden aan de verschijning van de getuigendeskundige, worden aangehouden dan wel worden verrekend conform de regels die gelden in verzoekschriftprocedures ex artikel 284 lid 2 Rv jo. artikelen 187 en 191 Rv, dan wel ten laste van het Rijk worden gebracht indien sprake is van onvoldoende draagkracht, een en ander zoals bepaald door het Hof Amsterdam 21 april 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1112;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
- Bij beschikking van 22 februari 2023 is bepaald dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over [minderjarige] en is bepaald dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
- in de oneven weken: van vrijdag 15:00 uur tot zondag 19:00 uur;
- in de even weken: van woensdag 15:00 uur tot donderdag 08:45 uur;
en waarbij een verdeling van de vakanties en feestdagen is vastgesteld.
Beoordeling
Vervangende toestemming inschrijving school
De vader heeft verzocht om vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op [schoolnaam] . [minderjarige] krijgt al sinds zij leerplichtig is thuisonderwijs. De vader heeft daarvoor aanvankelijk toestemming gegeven, maar inmiddels heeft hij al geruime tijd zorgen over de kwaliteit van het thuisonderwijs van [minderjarige] en haar ontwikkeling. Sinds april 2025 geeft hij hiervoor dan ook geen toestemming meer. De vader ziet zijn zorgen bevestigd in het rapport van Veilig Thuis, dat betrokken is geraakt door een melding in februari 2026. In het rapport staat onder meer dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging.
Er is volgens de vader geen sprake van concrete feiten of omstandigheden op basis waarvan een vrijstelling van de leerplicht gerechtvaardigd zou zijn. De vader merkt hierbij op dat partijen in september 2026 een leerplichtzitting bij de rechtbank hebben wegens het gebrek aan (rechtsgeldig) onderwijs voor [minderjarige] . De vader is daarom op zoek gegaan naar een passende school voor [minderjarige] . De inschrijftermijn voor een middelbare school is al verstreken, maar [minderjarige] zou alsnog terecht kunnen op [schoolnaam] . Deze school past bij [minderjarige] en ligt op een afstand van 15 à 20 minuten fietsen. De moeder geeft hiervoor echter geen toestemming. Het is onduidelijk wat het niveau van [minderjarige] is, omdat de moeder geen toestemming geeft voor een onderzoek, maar uit de verslagen van de door de vader ingehuurde bijlesdocenten blijkt dat zij op veel gebieden ver onder het te verwachten niveau zit. [schoolnaam] biedt meerdere VMBO-richtingen aan, zodat goed kan worden gemeten welk niveau en richting het beste bij [minderjarige] aansluiten.
De moeder voert verweer. De moeder beschikt over een rechtsgeldige vrijstelling op grond van artikel 5, sub b, Leerplichtwet. Deze vrijstelling ontstaat van rechtswege door er een beroep op te doen en het inroepen ervan behoeft volgens de moeder geen toestemming van de andere gezagdragende ouder. De moeder heeft voor het komende schooljaar op 28 april 2026 tijdig een beroep gedaan op de vrijstelling wegens levensovertuigingen. Daarnaast heeft zij op 16 juli 2026 een aanvullend beroep gedaan op de vrijstelling op grond van artikel 5, sub a, Leerplichtwet, omdat de moeder [minderjarige] op gronden van psychische aard momenteel niet geschikt acht om aan enige school toegelaten te worden. De moeder betwist verder dat de kwaliteit van het thuisonderwijs onvoldoende is. Dit is door geen enkele professional op objectieve wijze vastgesteld. Zij verzoekt daarom voorwaardelijk dat de rechtbank de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs als deskundige zal aanmerken om een onderzoeksverslag te laten uitbrengen naar het thuisonderwijs. De moeder vermoedt dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt en dat zij daarom opeens aangeeft dat zij naar school wil. Tot voor kort was zij immers zeer tevreden met het thuisonderwijs. De moeder verzoekt daarnaast uitdrukkelijk om, indien de rechtbank het verzoek van de vader toewijst, dit verzoek niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens de moeder doorkruist de inschrijving van [minderjarige] op een school de mogelijkheid voor de moeder om het daaropvolgende schooljaar een beroep op de vrijstelling te kunnen doen, ook als het hof in hoger beroep anders oordeelt.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat [minderjarige] recht heeft op onderwijs. Op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat er op dit moment geen geldige vrijstelling voor thuisonderwijs van [minderjarige] is. De moeder stelt dat zij deze vrijstelling van rechtswege heeft. De vader heeft echter onbetwist gesteld dat uit de Leerplichtwet blijkt dat een leerplichtambtenaar moet toetsen of aan de voorwaarden voor een vrijstelling is voldaan alvorens deze vrijstelling geldt. Niet gebleken is dat er nu een vrijstelling geldt die volgens de leerplichtambtenaar aan alle voorwaarden voldoet. Ook uit feit dat de ouders op dit moment vervolgd worden door het Openbaar Ministerie wegens onderwijsverzuim van [minderjarige] kan opgemaakt worden dat er momenteel geen vrijstelling van inschrijving bij een school of onderwijsinstelling geldt. Voorts is onzeker of voor het volgend schooljaar wel een geldige vrijstelling zal gelden. De moeder heeft twee aanvragen ingediend, maar hierop is nog niet beslist. Tot slot heeft de moeder geen enkel concreet alternatief aangedragen voor het geval deze aanvragen worden afgewezen.
[minderjarige] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij heel graag naar school wil. Zij heeft lang thuisonderwijs gehad en wil, nu zij naar de middelbare school gaat, starten op een school waar zij temidden van vriend(inn)en onderwijs kan krijgen. Zij heeft verder aangegeven graag naar [schoolnaam] te willen, in ieder geval voor het eerste jaar. Mocht zij HAVO of VWO kunnen doen, dan wil zij na het eerste jaar naar een school die dat biedt. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het belangrijk is om naar de mening en de wensen van [minderjarige] te luisteren. Volgens de moeder bevindt [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict en is zij eigenlijk heel tevreden met het thuisonderwijs. De rechtbank overweegt echter dat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij al twee jaar lang de wens heeft om naar een school te gaan en constateert dat zij bovendien goed heeft nagedacht over een concreet plan voor haar schoolgang voor de komende jaren.
Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zij wordt ingeschreven op een school. Nu de vader [schoolnaam] passend acht, [minderjarige] daar graag naartoe wil en de moeder geen inhoudelijke bezwaren tegen deze school heeft geuit, zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen. De rechtbank zal het voorwaardelijke verzoek van de moeder tot een onderzoek door Stichting Keurmerk Thuisonderwijs afwijzen. De kwaliteit van het thuisonderwijs dat de moeder biedt, is niet aan de orde. Daarmee is hetgeen de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs daaromtrent kan vertellen, voor de beoordeling van de rechtbank niet relevant. Het gaat er nu om dat er op dit moment geen rechtsgeldige vrijstelling voor thuisonderwijs geldt en deze ook niet in zicht is. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat zij zonder vertraging rechtsgeldig onderwijs kan volgen.
De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De vader heeft aangegeven dat [minderjarige] zich uiterlijk 24 augustus 2026 kan aanmelden bij [schoolnaam] en de rechtbank acht het niet in haar belang dat de inschrijving van [minderjarige] op [schoolnaam] wordt uitgesteld. Immers zou dat betekenen dat [minderjarige] niet naar school kan, terwijl er ook geen rechtsgeldige basis is voor thuisonderwijs. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat zij zonder uitstel kan starten en zo op een juridisch juiste manier onderwijs krijgt.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De moeder heeft verzocht om de vader op straffe van een dwangsom te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling. Volgens haar onttrekt de vader [minderjarige] aan het ouderlijk gezag. [minderjarige] geeft bij de moeder aan dat zij bang is voor de reactie van haar vader als hij erachter komt dat ze contact heeft met haar moeder. Dit blijkt ook uit de chatgeschiedenis tussen de vader en [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat zij uit deze strijd wordt gehaald. Sinds het verblijf van [minderjarige] bij haar vader is zij meer problematisch gedrag gaan vertonen. De zorgregeling moet daarom zo snel mogelijk hervat worden, zodat er opnieuw rust, stabiliteit en voorspelbaarheid ontstaat rondom [minderjarige] . Deze noodzaak wordt ondersteund door de professionele terugkoppeling van mevrouw [naam 2] van Veilig Thuis.
De vader voert verweer. Het is de vader duidelijk dat de zorgregeling die de rechtbank heeft vastgesteld bij beschikking van 22 februari 2023 nageleefd moet worden. Hij kan echter niet zijn ogen sluiten voor de praktijk, waarin [minderjarige] aangeeft niet bij haar moeder te willen verblijven en alleen onder begeleiding van een derde het contact met de moeder weer wil gaan opbouwen. De vader vindt contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] van groot belang, maar acht het noodzakelijk om daarbij de wensen van [minderjarige] te volgen en haar tempo aan te houden. De vader heeft daarom voorgesteld om met een opbouwende regeling naar de vastgestelde omgangsregeling toe te werken. De moeder staat daar niet voor open.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank maakt zich grote zorgen om [minderjarige] . Blijkens het rapport van Veilig Thuis van 26 mei 2026 leiden de conflicten tussen ouders tot onrust, druk en loyaliteitsconflicten bij [minderjarige] . Bij de moeder voelt [minderjarige] zich niet veilig wegens escalerende interacties en bij de vader wordt zij onvoldoende begrensd en lijkt er weinig structuur geboden te worden. In de nabije toekomst verwacht Veilig Thuis geen gestabiliseerde situatie omdat vrijwillige hulpverlening niet van de grond komt en [minderjarige] inmiddels te maken heeft met een ernstige en aanhoudende ontwikkelingsbedreiging. De rechtbank is van oordeel dat het van [minderjarige] , die net 13 jaar is geworden, (te) veel vraagt om zich staande te houden in een situatie waarin ouders zodanig met elkaar overhoop liggen dat belangrijke beslissingen niet worden genomen. De rechtbank acht het hoopvol dat het onderzoek van Veilig Thuis heeft geleid tot het organiseren van een Jeugdbeschermingstafel, waarbij ouders, Veilig thuis, gemeenteambtenaren, de Raad voor de kinderbescherming en Jeugdbescherming West samenkomen om te bezien of alsnog een oplossing kan gevonden worden in het vrijwillige kader dan wel een (uitgesteld) Raadsonderzoek gedaan moet worden naar een kinderbeschermingsmaatregel. Deze Jeugdbeschermingstafel zal 27 augustus 2026 en derhalve zeer binnenkort plaatshebben.
De rechtbank merkt op dat een vastgestelde omgangsregeling in principe moet worden nagekomen. In onderhavige situatie gebeurt dat niet. De rechtbank acht het echter prematuur om nu nakoming te gebieden en bovendien te vergaand om daar een dwangsom aan te verbinden. Zodanige beslissing zou vooruitlopen op de Jeugdbeschermingstafel, waar nog bekeken moet worden hoe nu in het belang van [minderjarige] gehandeld moet worden. De rechtbank zal de Jeugdbeschermingstafel alle ruimte geven om daar invulling aan te geven en om naar welbevinden te handelen, zonder met een verplichting tot nakoming van de zorgregeling op straffe van een dwangsom, druk uit te oefenen op dat proces. De rechtbank zal de wederzijdse verzoeken betreffende de omgang dan ook afwijzen.
De rechtbank passeert voorts de verzoeken van de moeder om mevrouw [naam 2] als getuigendeskundige te horen, om een deskundigenonderzoek te gelasten dan wel enig andere getuigendeskundige op te roepen. Ook deze verzoeken acht de rechtbank prematuur. De moeder stelt dat het belangrijk is dat de rechtbank wordt voorgelicht vanuit gespecialiseerde kennis op het gebied van psychologie, pedagogiek, bekendheid met alle betrokkenen en kennis van de voorgeschiedenis. De rechtbank merkt op dat de Jeugdbeschermingstafel precies deze kennis verenigt om tot goede besluitvorming te komen en de rechtbank zal, zoals geschreven, dat proces niet doorkruisen met een getuigenverhoor. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de vader vervangende toestemming – welke de toestemming van de moeder vervangt – om de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , in te schrijven op [schoolnaam] te [plaats] ;
*verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 augustus 2026.