Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27879
2026-08-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/710445 / FA RK 26-8058
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Internationale kinderontvoering. Uitgaande zaak. Toewijzing verzoek vader voor teruggeleiding kind uit Bangladesh.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2019:1085 Hoge Raad 05-07-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2020 Gerechtshof Den Haag 19-10-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.464 tekens)
Rechtbank Den HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-8058
Zaaknummer: C/09/710445
Datum beschikking: 24 augustus 2026
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 4 augustus 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.M. Schrevelius in Rotterdam .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
het bericht van 5 augustus 2026, met bijlage, namens de vader;
de berichten van 11 augustus 2026, met bijlagen, namens de vader;
het bericht van 14 augustus 2026, met bijlage, namens de vader;
het bericht van 19 augustus 2026, met bijlage, namens de vader.
Op 20 augustus 2026 is de zaak op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en tolk P. Ghosh, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Na de zitting heeft de rechtbank de brief van 21 augustus 2026, met bijlagen, namens de vader ontvangen.
Feiten
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] , [geboorteland] .
De vader en de moeder hebben de Bengalese nationaliteit. [minderjarige] heeft volgens de Basisregistratie Personen (BRP) in ieder geval de Portugese nationaliteit.
De vader is samen met [minderjarige] in de BRP vanaf 23 juni 2026 geregistreerd op het adres [adres] in [plaats 1] . De moeder is van 7 juli 2026 op dat adres geregistreerd in de BRP.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] naar Nederland te bevelen;
te bepalen dat de onmiddellijke teruggeleiding uiterlijk binnen veertien dagen na de beschikking (eind augustus 2026), dan wel op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en wijze plaatsvindt, waarbij de moeder [minderjarige] zal ophalen in Bangladesh en zal terugbrengen naar Nederland;
ingeval de moeder weigert haar medewerking te verlenen:
- de moeder te bevelen binnen 24 uur na betekening van de beschikking het originele geldige reisdocument (het Portugese paspoort) van [minderjarige] aan de vader af te geven, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat de moeder in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, tot een maximum van
€ 25.000,-;
- vervangende toestemming te verlenen aan de vader om alle nodige reisdocumenten (waaronder een noodpaspoort of vervangend reisdocument) aan te vragen bij de bevoegde autoriteiten en [minderjarige] zelfstandig uit Bangladesh terug te geleiden naar Nederland;
de moeder te veroordelen in de nader te specificeren kosten ter zake van de teruggeleiding,
met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
Op de zitting heeft de vader zijn verzoek onder II ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer op hoeft te beslissen.
Beoordeling
Rechtsmacht
De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980.
Omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht in procesrechtelijke zin van openbare orde zijn, zal de rechtbank de vraag naar haar rechtsmacht ambtshalve aan de orde stellen.
Het gaat hier om een zogeheten ‘uitgaande zaak’, omdat [minderjarige] volgens de vader is overgebracht vanuit Nederland naar een ander land. Dit land – Bangladesh – is geen partij bij het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt in dergelijke niet door het Verdrag bestreken gevallen geregeld door artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, heeft de Nederlandse rechter in dit soort gevallen rechtsmacht als de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
De woonplaats van de vader (verzoeker) is in Nederland. De rechtbank acht zich op grond hiervan bevoegd om op basis van artikel 3 aanhef en onder a Rv, van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen en verwijst daartoe nog naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085).
Hoewel Bangladesh geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.
Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. Dit neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige] is geboren in Portugal. In de BRP waren beide ouders op dat moment ingeschreven in het register ‘Registratie Niet-Ingezetenen’ en er zijn geen aanknopingspunten voor een eventuele gewone verblijfplaats van de ouders ten tijde van de geboorte van [minderjarige] . De rechtbank gaat er daarom van uit dat de ouders – en daarmee [minderjarige] – ten tijde van zijn geboorte hun gewone verblijfplaats in Portugal hadden, zodat de rechtbank in beginsel naar Portugees recht moet beoordelen of de vader (mede) het gezag over [minderjarige] heeft. Volgens Portugees recht is er sprake van gezamenlijk gezag in het geval de ouders van een kind getrouwd zijn of zij samenwonen en hun wil voor gezamenlijk gezag te kennen geven aan een ambtenaar van de burgerlijke stand.
De vader stelt dat hij op [datum 1] 2025 met de moeder is gehuwd in [plaats 2] , Bangladesh. Hij heeft een kopie van de huwelijksakte overgelegd. Uit de BRP blijkt echter dat de vader op [datum 2] 2021 met een andere vrouw is gehuwd en uit de BRP blijkt niet dat hij van haar is gescheiden. Op de zitting heeft de vader verklaard dat hij in 2024 van deze vrouw is gescheiden en dat hij dit in de BRP wilde laten registreren, maar dat de kopie van de scheidingsakte niet werd geaccepteerd, omdat hiervoor het origineel vereist was. De vader is bezig om dit te regelen, zodat daarna ook zijn huwelijk met de moeder kan worden geregistreerd.
Voor de rechtbank is niet vast komen te staan dat de ouders ten tijde van de geboorte van [minderjarige] gehuwd waren of samenwoonden en hun wil voor gezamenlijk gezag kenbaar hebben gemaakt aan een Portugese ambtenaar van de burgerlijke stand. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de vader vanaf de geboorte van [minderjarige] (mede) het gezag over hem had. Voor de rechtbank staat wel vast dat de ouders zich na de geboorte van [minderjarige] in Nederland hebben gevestigd. Dat blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de door de vader overgelegde boekingsbevestiging van de vlucht van het gezin van [plaats 3] naar [plaats 4] op 7 mei 2026 en de daaropvolgende inschrijving in de gemeente [plaats 1] van de vader en [minderjarige] op 23 juni 2026 en de moeder op 7 juli 2026. Vanaf het moment dat [minderjarige] in Nederland is ingeschreven is Nederlands recht van toepassing op het gezag over [minderjarige] en heeft de vader – voorzover hij nog geen gezag had – door zijn erkenning van [minderjarige] , die volgt uit de Portugese geboorteakte, mede het gezag over [minderjarige] verkregen. Daarmee staat voor de rechtbank ook vast dat [minderjarige] onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Bangladesh zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Aangezien de moeder geen verweer heeft gevoerd is niet in geschil dat de moeder, zoals de vader stelt, [minderjarige] op 15 juli 2026 heeft overgebracht naar Bangladesh en dat de vader hiervoor geen toestemming heeft gegeven. Daarmee is de overbrenging van [minderjarige] naar Bangladesh geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige] naar Bangladesh aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag. De rechtbank zal daarom, in lijn met artikel 12 van het Verdrag, de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] naar Nederland bevelen.
Afgifte paspoort en vervangende toestemming aanvraag reisdocumenten
De vader heeft verklaard dat de moeder de ID-kaart en het paspoort van [minderjarige] in haar bezit heeft en niet wil afgeven. Volgens de vader willen de moeder en haar familie in Bangladesh ook niet vertellen waar [minderjarige] zich bevindt. De vader is bang dat de moeder [minderjarige] in Bangladesh ter adoptie zal afstaan, omdat hij hierover berichten op de Whatsapp van de moeder is tegengekomen.
Gelet op deze verklaring en zorgen van de vader zal de rechtbank het verzoek om de moeder te bevelen om binnen 24 uur na betekening van de beschikking het originele geldige reisdocument (het Portugese paspoort) van [minderjarige] aan de vader af te geven toewijzen. De rechtbank zal het verzoek om hieraan een dwangsom te verbinden afwijzen en in plaats daarvan bepalen dat in het geval de moeder niet binnen 24 uur na betekening van de beschikking het reisdocument afgeeft, de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleent om alle nodige reisdocumenten voor [minderjarige] aan te vragen zodat de vader [minderjarige] uit Bangladesh kan teruggeleiden naar Nederland.
Kosten
Aangezien de vader zijn verzoek voor een kostenveroordeling van de moeder niet nader heeft gespecificeerd, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
Gelet op de bovengenoemde verklaring en zorgen van de vader ziet de rechtbank aanleiding om haar beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Beslissing
De rechtbank:
*
gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
naar Nederland;
*
beveelt de moeder om binnen 24 uur na betekening van deze beschikking het Portugese paspoort van [minderjarige] aan de vader af te geven, en verleent, in het geval de moeder dit nalaat, toestemming aan de vader, die de toestemming van de moeder vervangt, om alle nodige reisdocumenten aan te vragen bij de bevoegde autoriteiten;
*
verleent aan de vader toestemming om [minderjarige] , die de toestemming van de moeder vervangt, zelfstandig uit Bangladesh terug te geleiden naar Nederland;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, H.M. Boone en A.S. Perniciaro, rechters, ook kinderrechters, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 augustus 2026.
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de zitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-8058
Zaaknummer: C/09/710445
Datum beschikking: 24 augustus 2026
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 4 augustus 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.M. Schrevelius in Rotterdam .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
het bericht van 5 augustus 2026, met bijlage, namens de vader;
de berichten van 11 augustus 2026, met bijlagen, namens de vader;
het bericht van 14 augustus 2026, met bijlage, namens de vader;
het bericht van 19 augustus 2026, met bijlage, namens de vader.
Op 20 augustus 2026 is de zaak op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en tolk P. Ghosh, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Na de zitting heeft de rechtbank de brief van 21 augustus 2026, met bijlagen, namens de vader ontvangen.
Feiten
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] , [geboorteland] .
De vader en de moeder hebben de Bengalese nationaliteit. [minderjarige] heeft volgens de Basisregistratie Personen (BRP) in ieder geval de Portugese nationaliteit.
De vader is samen met [minderjarige] in de BRP vanaf 23 juni 2026 geregistreerd op het adres [adres] in [plaats 1] . De moeder is van 7 juli 2026 op dat adres geregistreerd in de BRP.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] naar Nederland te bevelen;
te bepalen dat de onmiddellijke teruggeleiding uiterlijk binnen veertien dagen na de beschikking (eind augustus 2026), dan wel op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en wijze plaatsvindt, waarbij de moeder [minderjarige] zal ophalen in Bangladesh en zal terugbrengen naar Nederland;
ingeval de moeder weigert haar medewerking te verlenen:
- de moeder te bevelen binnen 24 uur na betekening van de beschikking het originele geldige reisdocument (het Portugese paspoort) van [minderjarige] aan de vader af te geven, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat de moeder in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, tot een maximum van
€ 25.000,-;
- vervangende toestemming te verlenen aan de vader om alle nodige reisdocumenten (waaronder een noodpaspoort of vervangend reisdocument) aan te vragen bij de bevoegde autoriteiten en [minderjarige] zelfstandig uit Bangladesh terug te geleiden naar Nederland;
de moeder te veroordelen in de nader te specificeren kosten ter zake van de teruggeleiding,
met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
Op de zitting heeft de vader zijn verzoek onder II ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer op hoeft te beslissen.
Beoordeling
Rechtsmacht
De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980.
Omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht in procesrechtelijke zin van openbare orde zijn, zal de rechtbank de vraag naar haar rechtsmacht ambtshalve aan de orde stellen.
Het gaat hier om een zogeheten ‘uitgaande zaak’, omdat [minderjarige] volgens de vader is overgebracht vanuit Nederland naar een ander land. Dit land – Bangladesh – is geen partij bij het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt in dergelijke niet door het Verdrag bestreken gevallen geregeld door artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, heeft de Nederlandse rechter in dit soort gevallen rechtsmacht als de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
De woonplaats van de vader (verzoeker) is in Nederland. De rechtbank acht zich op grond hiervan bevoegd om op basis van artikel 3 aanhef en onder a Rv, van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen en verwijst daartoe nog naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085).
Hoewel Bangladesh geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.
Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. Dit neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige] is geboren in Portugal. In de BRP waren beide ouders op dat moment ingeschreven in het register ‘Registratie Niet-Ingezetenen’ en er zijn geen aanknopingspunten voor een eventuele gewone verblijfplaats van de ouders ten tijde van de geboorte van [minderjarige] . De rechtbank gaat er daarom van uit dat de ouders – en daarmee [minderjarige] – ten tijde van zijn geboorte hun gewone verblijfplaats in Portugal hadden, zodat de rechtbank in beginsel naar Portugees recht moet beoordelen of de vader (mede) het gezag over [minderjarige] heeft. Volgens Portugees recht is er sprake van gezamenlijk gezag in het geval de ouders van een kind getrouwd zijn of zij samenwonen en hun wil voor gezamenlijk gezag te kennen geven aan een ambtenaar van de burgerlijke stand.
De vader stelt dat hij op [datum 1] 2025 met de moeder is gehuwd in [plaats 2] , Bangladesh. Hij heeft een kopie van de huwelijksakte overgelegd. Uit de BRP blijkt echter dat de vader op [datum 2] 2021 met een andere vrouw is gehuwd en uit de BRP blijkt niet dat hij van haar is gescheiden. Op de zitting heeft de vader verklaard dat hij in 2024 van deze vrouw is gescheiden en dat hij dit in de BRP wilde laten registreren, maar dat de kopie van de scheidingsakte niet werd geaccepteerd, omdat hiervoor het origineel vereist was. De vader is bezig om dit te regelen, zodat daarna ook zijn huwelijk met de moeder kan worden geregistreerd.
Voor de rechtbank is niet vast komen te staan dat de ouders ten tijde van de geboorte van [minderjarige] gehuwd waren of samenwoonden en hun wil voor gezamenlijk gezag kenbaar hebben gemaakt aan een Portugese ambtenaar van de burgerlijke stand. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de vader vanaf de geboorte van [minderjarige] (mede) het gezag over hem had. Voor de rechtbank staat wel vast dat de ouders zich na de geboorte van [minderjarige] in Nederland hebben gevestigd. Dat blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de door de vader overgelegde boekingsbevestiging van de vlucht van het gezin van [plaats 3] naar [plaats 4] op 7 mei 2026 en de daaropvolgende inschrijving in de gemeente [plaats 1] van de vader en [minderjarige] op 23 juni 2026 en de moeder op 7 juli 2026. Vanaf het moment dat [minderjarige] in Nederland is ingeschreven is Nederlands recht van toepassing op het gezag over [minderjarige] en heeft de vader – voorzover hij nog geen gezag had – door zijn erkenning van [minderjarige] , die volgt uit de Portugese geboorteakte, mede het gezag over [minderjarige] verkregen. Daarmee staat voor de rechtbank ook vast dat [minderjarige] onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Bangladesh zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Aangezien de moeder geen verweer heeft gevoerd is niet in geschil dat de moeder, zoals de vader stelt, [minderjarige] op 15 juli 2026 heeft overgebracht naar Bangladesh en dat de vader hiervoor geen toestemming heeft gegeven. Daarmee is de overbrenging van [minderjarige] naar Bangladesh geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige] naar Bangladesh aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag. De rechtbank zal daarom, in lijn met artikel 12 van het Verdrag, de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] naar Nederland bevelen.
Afgifte paspoort en vervangende toestemming aanvraag reisdocumenten
De vader heeft verklaard dat de moeder de ID-kaart en het paspoort van [minderjarige] in haar bezit heeft en niet wil afgeven. Volgens de vader willen de moeder en haar familie in Bangladesh ook niet vertellen waar [minderjarige] zich bevindt. De vader is bang dat de moeder [minderjarige] in Bangladesh ter adoptie zal afstaan, omdat hij hierover berichten op de Whatsapp van de moeder is tegengekomen.
Gelet op deze verklaring en zorgen van de vader zal de rechtbank het verzoek om de moeder te bevelen om binnen 24 uur na betekening van de beschikking het originele geldige reisdocument (het Portugese paspoort) van [minderjarige] aan de vader af te geven toewijzen. De rechtbank zal het verzoek om hieraan een dwangsom te verbinden afwijzen en in plaats daarvan bepalen dat in het geval de moeder niet binnen 24 uur na betekening van de beschikking het reisdocument afgeeft, de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleent om alle nodige reisdocumenten voor [minderjarige] aan te vragen zodat de vader [minderjarige] uit Bangladesh kan teruggeleiden naar Nederland.
Kosten
Aangezien de vader zijn verzoek voor een kostenveroordeling van de moeder niet nader heeft gespecificeerd, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
Gelet op de bovengenoemde verklaring en zorgen van de vader ziet de rechtbank aanleiding om haar beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Beslissing
De rechtbank:
*
gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
naar Nederland;
*
beveelt de moeder om binnen 24 uur na betekening van deze beschikking het Portugese paspoort van [minderjarige] aan de vader af te geven, en verleent, in het geval de moeder dit nalaat, toestemming aan de vader, die de toestemming van de moeder vervangt, om alle nodige reisdocumenten aan te vragen bij de bevoegde autoriteiten;
*
verleent aan de vader toestemming om [minderjarige] , die de toestemming van de moeder vervangt, zelfstandig uit Bangladesh terug te geleiden naar Nederland;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, H.M. Boone en A.S. Perniciaro, rechters, ook kinderrechters, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 augustus 2026.
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de zitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.