Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27841
2026-08-27
Civiel recht; Arbeidsrecht
K/4502/12294200
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding; loonvordering; betwisting kwitantie; geen ruimte voor bewijsvoering
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.756 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
RvdB a
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12294200 \ RL EXPL 26-14218
Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
gemachtigde: mr. J. Marges,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
gemachtigde: mr. P.H.J. Körver.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
de dagvaarding van 17 juli 2026 met 3 producties;
het bericht met 1 productie van [gedaagde partij];
de akte van [eisende partij];
de (antwoord)akte van [gedaagde partij].
1.2.
Op 30 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eisende partij] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens [gedaagde partij] is verschenen de heer [naam], bijgestaan door haar advocaat.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] is op [datum] 2026 op basis van een nul-uren-arbeidsovereenkomst in de functie van [functienaam] in dienst getreden bij [gedaagde partij]. De overeengekomen arbeidsduur is 0 tot 38 per week tegen een uurloon van € 15,09 bruto. Volgens de arbeidsovereenkomst moet het loon na afloop van iedere 4-weekse periode worden betaald aan de werknemer.
2.2.
De arbeidsovereenkomst eindigt op 24 december 2026. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Glastuinbouw (hierna: “de CAO”) van toepassing. Op basis van de CAO moet [gedaagde partij] over ieder gewerkt uur ook betalen: een vakantietoeslag van 8,33% en vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren van 9,77%.
2.3.
Na 23 februari 2026 heeft [eisende partij] zijn werkzaamheden gestaakt. Tot dat moment heeft hij voor [gedaagde partij] 111 uren gewerkt. Voor deze uren heeft [eisende partij] € 400,- ontvangen via een bancaire overschrijving. Een deel van zijn loon is onbetaald gebleven.
2.4.
Op 15 juni 2026 heeft de gemachtigde van [eisende partij] [gedaagde partij] gesommeerd om het achterstallig loon, de vakantietoeslag en vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren binnen vier dagen te betalen. [gedaagde partij] heeft hier niet op gereageerd.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 1.978,15 bruto minus het contant ontvangen bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens te late betaling van 50% over het hiervoor genoemde bedrag, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eisende partij] baseert zijn vordering op het volgende. Hij heeft gewerkt voor [gedaagde partij] maar heeft daar niet (volledig) voor betaald gekregen. [gedaagde partij] is op basis van de arbeidsovereenkomst en de CAO daar wel toe verplicht.
3.3.
[gedaagde partij] is het daar niet mee eens. [gedaagde partij] erkent dat een (klein) deel niet is betaald, maar niet het door [eisende partij] aangegeven bedrag. Volgens [gedaagde partij] heeft zij € 1.300,- betaald. Als een wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:265 BW wordt toegewezen, moet deze volgens [gedaagde partij] worden gematigd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Het beoordelingskader van de rechter in kort geding
4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe hoog de verwachting is dat de vordering in een gewone (bodem)procedure wordt toegewezen. Bij een vordering zoals betaling van een geldsom, moet de kantonrechter volgens vaste rechtspraak terughoudend beoordelen. Dat heeft er onder meer mee te maken dat in een kortgedingprocedure geen ruimte is voor diepgaand onderzoek naar bestreden feiten of voor bewijslevering. Ook moet de kantonrechter bij de afweging van de belangen van partijen het risico van onmogelijkheid van terugbetaling meenemen, voor het geval de bodemrechter anders zou beslissen. Aan deze vereisten is in dit geval niet volledig voldaan. De kantonrechter overweegt als volgt.
4.2.
Met het ontvangen loon voorziet iemand doorgaans in zijn/haar levensonderhoud. Een loonvordering is daarom naar haar aard vrijwel altijd spoedeisend. In dit geval is weliswaar voldoende gebleken dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde betaling. Maar partijen verschillen van mening over de vraag of (een deel van) het loon is betaald. Zoals hierna zal blijken, is voor een gedeelte van de vordering nadere bewijslevering nodig. Omdat bij een kort geding geen plaats is voor nadere bewijslevering, is dat deel van de vordering van [eisende partij] niet toewijsbaar.
[gedaagde partij] moet alsnog loon betalen
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] een toelichting gegeven op (een deel van) de door haar gedane loonbetaling. Ook heeft zij kwitanties meegenomen waaruit zou blijken welke bedragen contant zijn uitgekeerd.
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat [eisende partij] in totaal € 1.786,71 netto tegoed had voor de door hem gewerkte uren. [eisende partij] erkent dat hij eenmalig € 400,- via de bank heeft ontvangen
De kantonrechter zal daarom een bedrag van € 1.386,71 als uitgangspunt nemen. [gedaagde partij] erkent dat zij daar nog een bedrag van € 486,71 moet betalen. Het restant van € 900,- stelt zij contant te hebben betaald en heeft dit onderbouwd door overlegging van twee digitaal ongedateerde kwitanties van eenmaal € 400,- en eenmaal € 500,-. [eisende partij] betwist dat hij deze kwitanties heeft ondertekend en dat hij in totaal € 900,- contant zou hebben ontvangen. Zolang niet vaststaat dat de handtekening op de kwitantie van [eisende partij] is, heeft dit stuk geen bewijskracht (artikel 159 lid 2 Rv). In dat geval moet [gedaagde partij] de echtheid van de handtekening bewijzen.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] de fysiek meegenomen kwitanties getoond. De kantonrechter heeft [eisende partij] en zijn gemachtigde de gelegenheid gegeven om samen met [gedaagde partij] de door haar fysiek meegenomen kwitanties te onderzoeken. Dit onderzoek kon zowel plaatsvinden tijdens de mondelinge behandeling als in de schorsing daarvan. [eisende partij] heeft van die mogelijkheden geen gebruik gemaakt.
4.6.
Of [gedaagde partij] al dan niet € 900,- contant heeft betaald, kan niet anders worden vastgesteld dan door bewijsvoering van de geplaatste handtekening op de kwitanties. In een kort geding is echter geen plaats voor nadere bewijsvoering en is het daardoor ook niet voldoende aannemelijk dat een bodemrechter dit deel van vordering in een gewone (bodem)procedure toewijst. Om die reden zal de kantonrechter de vordering tot betaling van het loon toewijzen tot het door [gedaagde partij] erkende bedrag van € 486,71.
4.7.
Dit brengt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde partij] een bedrag van € 486,71 netto moet betalen wegens achterstallig loon. Uiteraard moet [gedaagde partij] daarover de verschuldigde loonbelasting en sociale premies afdragen. Daarom zal [gedaagde partij] worden veroordeeld tot betaling van het bruto equivalent dat hoort bij € 486,71 netto.
4.8.
Dat de vorderingen tot betaling van het hiervoor onder 4.7. genoemde bedrag in een bodemprocedure zullen worden toegewezen, is zeer aannemelijk. Tegen die achtergrond, en gelet op de omstandigheid dat [eisende partij] als (oud-)werknemer in verhouding tot [gedaagde partij] in een afhankelijke positie verkeert en de toegewezen bedragen nodig zijn voor zijn levensonderhoud, weegt het bestaan van een eventueel restitutierisico niet zo zwaar dat dat tot afwijzing van de vordering zou moeten leiden.
Maximale wettelijke verhoging uit artikel 7:625 BW
4.9.
[gedaagde partij] heeft niet weersproken dat zij (een deel van) het loon en de niet-opgenomen verlofuren te laat heeft betaald. [gedaagde partij] heeft geen reden gegeven waarom zij later heeft betaald dan dat zij verplicht was op basis van de arbeidsovereenkomst. De vordering tot toepassing van wettelijke verhoging uit artikel 7:625 BW over het toegewezen bedrag zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter bepaalt dat de wettelijke verhoging uit artikel 7:625 BW zal worden vastgesteld op 30%.
[gedaagde partij] moet daarom ook proceskosten betalen
4.10.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. In dat geval betaalt [eisende partij] een lager griffierecht. Nu uit de dagvaarding volgt dat [eisende partij] explootkosten heeft gemaakt, zal [gedaagde partij] ook worden veroordeeld tot betaling daarvan. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
969,67
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen het bruto equivalent behorend bij een bedrag van € 486,71 netto wegens achterstallig loon;
5.2.
het hiervoor genoemde bedrag te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 30% over voornoemd bedrag, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf het moment waarop de betaling had moeten plaatsvinden, tot de dag waarop het volledig is betaald,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 969,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.M.G. van den Boorn en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
DEN HAAG
RvdB a
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12294200 \ RL EXPL 26-14218
Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
gemachtigde: mr. J. Marges,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
gemachtigde: mr. P.H.J. Körver.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
de dagvaarding van 17 juli 2026 met 3 producties;
het bericht met 1 productie van [gedaagde partij];
de akte van [eisende partij];
de (antwoord)akte van [gedaagde partij].
1.2.
Op 30 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eisende partij] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens [gedaagde partij] is verschenen de heer [naam], bijgestaan door haar advocaat.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] is op [datum] 2026 op basis van een nul-uren-arbeidsovereenkomst in de functie van [functienaam] in dienst getreden bij [gedaagde partij]. De overeengekomen arbeidsduur is 0 tot 38 per week tegen een uurloon van € 15,09 bruto. Volgens de arbeidsovereenkomst moet het loon na afloop van iedere 4-weekse periode worden betaald aan de werknemer.
2.2.
De arbeidsovereenkomst eindigt op 24 december 2026. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Glastuinbouw (hierna: “de CAO”) van toepassing. Op basis van de CAO moet [gedaagde partij] over ieder gewerkt uur ook betalen: een vakantietoeslag van 8,33% en vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren van 9,77%.
2.3.
Na 23 februari 2026 heeft [eisende partij] zijn werkzaamheden gestaakt. Tot dat moment heeft hij voor [gedaagde partij] 111 uren gewerkt. Voor deze uren heeft [eisende partij] € 400,- ontvangen via een bancaire overschrijving. Een deel van zijn loon is onbetaald gebleven.
2.4.
Op 15 juni 2026 heeft de gemachtigde van [eisende partij] [gedaagde partij] gesommeerd om het achterstallig loon, de vakantietoeslag en vergoeding voor niet-opgenomen verlofuren binnen vier dagen te betalen. [gedaagde partij] heeft hier niet op gereageerd.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 1.978,15 bruto minus het contant ontvangen bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens te late betaling van 50% over het hiervoor genoemde bedrag, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eisende partij] baseert zijn vordering op het volgende. Hij heeft gewerkt voor [gedaagde partij] maar heeft daar niet (volledig) voor betaald gekregen. [gedaagde partij] is op basis van de arbeidsovereenkomst en de CAO daar wel toe verplicht.
3.3.
[gedaagde partij] is het daar niet mee eens. [gedaagde partij] erkent dat een (klein) deel niet is betaald, maar niet het door [eisende partij] aangegeven bedrag. Volgens [gedaagde partij] heeft zij € 1.300,- betaald. Als een wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:265 BW wordt toegewezen, moet deze volgens [gedaagde partij] worden gematigd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Het beoordelingskader van de rechter in kort geding
4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe hoog de verwachting is dat de vordering in een gewone (bodem)procedure wordt toegewezen. Bij een vordering zoals betaling van een geldsom, moet de kantonrechter volgens vaste rechtspraak terughoudend beoordelen. Dat heeft er onder meer mee te maken dat in een kortgedingprocedure geen ruimte is voor diepgaand onderzoek naar bestreden feiten of voor bewijslevering. Ook moet de kantonrechter bij de afweging van de belangen van partijen het risico van onmogelijkheid van terugbetaling meenemen, voor het geval de bodemrechter anders zou beslissen. Aan deze vereisten is in dit geval niet volledig voldaan. De kantonrechter overweegt als volgt.
4.2.
Met het ontvangen loon voorziet iemand doorgaans in zijn/haar levensonderhoud. Een loonvordering is daarom naar haar aard vrijwel altijd spoedeisend. In dit geval is weliswaar voldoende gebleken dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde betaling. Maar partijen verschillen van mening over de vraag of (een deel van) het loon is betaald. Zoals hierna zal blijken, is voor een gedeelte van de vordering nadere bewijslevering nodig. Omdat bij een kort geding geen plaats is voor nadere bewijslevering, is dat deel van de vordering van [eisende partij] niet toewijsbaar.
[gedaagde partij] moet alsnog loon betalen
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] een toelichting gegeven op (een deel van) de door haar gedane loonbetaling. Ook heeft zij kwitanties meegenomen waaruit zou blijken welke bedragen contant zijn uitgekeerd.
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat [eisende partij] in totaal € 1.786,71 netto tegoed had voor de door hem gewerkte uren. [eisende partij] erkent dat hij eenmalig € 400,- via de bank heeft ontvangen
De kantonrechter zal daarom een bedrag van € 1.386,71 als uitgangspunt nemen. [gedaagde partij] erkent dat zij daar nog een bedrag van € 486,71 moet betalen. Het restant van € 900,- stelt zij contant te hebben betaald en heeft dit onderbouwd door overlegging van twee digitaal ongedateerde kwitanties van eenmaal € 400,- en eenmaal € 500,-. [eisende partij] betwist dat hij deze kwitanties heeft ondertekend en dat hij in totaal € 900,- contant zou hebben ontvangen. Zolang niet vaststaat dat de handtekening op de kwitantie van [eisende partij] is, heeft dit stuk geen bewijskracht (artikel 159 lid 2 Rv). In dat geval moet [gedaagde partij] de echtheid van de handtekening bewijzen.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] de fysiek meegenomen kwitanties getoond. De kantonrechter heeft [eisende partij] en zijn gemachtigde de gelegenheid gegeven om samen met [gedaagde partij] de door haar fysiek meegenomen kwitanties te onderzoeken. Dit onderzoek kon zowel plaatsvinden tijdens de mondelinge behandeling als in de schorsing daarvan. [eisende partij] heeft van die mogelijkheden geen gebruik gemaakt.
4.6.
Of [gedaagde partij] al dan niet € 900,- contant heeft betaald, kan niet anders worden vastgesteld dan door bewijsvoering van de geplaatste handtekening op de kwitanties. In een kort geding is echter geen plaats voor nadere bewijsvoering en is het daardoor ook niet voldoende aannemelijk dat een bodemrechter dit deel van vordering in een gewone (bodem)procedure toewijst. Om die reden zal de kantonrechter de vordering tot betaling van het loon toewijzen tot het door [gedaagde partij] erkende bedrag van € 486,71.
4.7.
Dit brengt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde partij] een bedrag van € 486,71 netto moet betalen wegens achterstallig loon. Uiteraard moet [gedaagde partij] daarover de verschuldigde loonbelasting en sociale premies afdragen. Daarom zal [gedaagde partij] worden veroordeeld tot betaling van het bruto equivalent dat hoort bij € 486,71 netto.
4.8.
Dat de vorderingen tot betaling van het hiervoor onder 4.7. genoemde bedrag in een bodemprocedure zullen worden toegewezen, is zeer aannemelijk. Tegen die achtergrond, en gelet op de omstandigheid dat [eisende partij] als (oud-)werknemer in verhouding tot [gedaagde partij] in een afhankelijke positie verkeert en de toegewezen bedragen nodig zijn voor zijn levensonderhoud, weegt het bestaan van een eventueel restitutierisico niet zo zwaar dat dat tot afwijzing van de vordering zou moeten leiden.
Maximale wettelijke verhoging uit artikel 7:625 BW
4.9.
[gedaagde partij] heeft niet weersproken dat zij (een deel van) het loon en de niet-opgenomen verlofuren te laat heeft betaald. [gedaagde partij] heeft geen reden gegeven waarom zij later heeft betaald dan dat zij verplicht was op basis van de arbeidsovereenkomst. De vordering tot toepassing van wettelijke verhoging uit artikel 7:625 BW over het toegewezen bedrag zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter bepaalt dat de wettelijke verhoging uit artikel 7:625 BW zal worden vastgesteld op 30%.
[gedaagde partij] moet daarom ook proceskosten betalen
4.10.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. In dat geval betaalt [eisende partij] een lager griffierecht. Nu uit de dagvaarding volgt dat [eisende partij] explootkosten heeft gemaakt, zal [gedaagde partij] ook worden veroordeeld tot betaling daarvan. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
969,67
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen het bruto equivalent behorend bij een bedrag van € 486,71 netto wegens achterstallig loon;
5.2.
het hiervoor genoemde bedrag te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 30% over voornoemd bedrag, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf het moment waarop de betaling had moeten plaatsvinden, tot de dag waarop het volledig is betaald,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 969,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.M.G. van den Boorn en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.