Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27833

2026-07-30 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/4502/12097260
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
K/4502/12097260
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

huurachterstand van 13 maanden; ontbinding en ontruiming.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.078 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG



RvdB b/c



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Den Haag



Zaaknummer: 12097260 \ RL EXPL 26-3997




Vonnis van 30 juli 2026




in de zaak van




de stichting STICHTING WOONWEST,
gevestigd te Wateringen,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Woonwest,
gemachtigde: Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders Incasso en Juridisch Advies,



tegen





[gedaagde partij]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. M.M. Janssens.





1De procedure


1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:


de dagvaarding van 9 februari 2026 met producties 1 tot en met 4;


het herstelexploot van 18 maart 2026;


de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3;


de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;


de aanvullende producties 4 tot en met 6 van [gedaagde partij] .





1.2.
Op 16 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens de gemachtigde van Woonwest zijn verschenen: mr. F.J.M. van der Bruggen en de heer [naam] . Ook zijn verschenen: [gedaagde partij] en zijn gemachtigden mr. M.M. Janssens en mr. L.S.C. de Graaf.



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.
Stichting Woonwest verhuurt met ingang van 4 september 2013 aan [gedaagde partij] de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 1.444,36 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van Woonwest van toepassing.



2.2.

[gedaagde partij] heeft de huur vanaf 1 juli 2025 niet meer betaald. Stichting Woonwest heeft [gedaagde partij] aangemaand op 12 november 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.



2.3.
Stichting Woonwest heeft [gedaagde partij] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Stichting Woonwest heeft [gedaagde partij] bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.





3Het geschil


3.1.
Stichting Woonwest vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning en betaling van € 16.639,36 aan huurachterstand, vermeerderd met rente en kosten.



3.2.
Stichting Woonwest baseert haar vordering op het volgende. [gedaagde partij] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Stichting Woonwest de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning.



3.3.

[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] erkent de huurachterstand, maar vindt dat dit de ontbinding niet rechtvaardigt. Hij kan de huur niet betalen, omdat hij gedetineerd zit en daardoor geen inkomsten heeft. Daarbij zou zijn detentie mogelijk tijdelijk opgeheven kunnen worden totdat is beslist op het lopende hoger beroep van zijn strafzaak en is hij in afwachting van een medische ingreep.





4De beoordeling



Huurachterstand en de melding daarvan bij de gemeente




4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Stichting Woonwest een overzicht overgelegd van de actuele huurachterstand. Tot en met 1 juli 2026 bedraagt de huurachterstand € 16.639,36. [gedaagde partij] heeft deze betalingsachterstand erkend.



4.2.
Als er een huur/betaalachterstand ontstaat, is de verhuurder in beginsel verplicht dit te melden bij de gemeente (Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening). De kantonrechter stelt vast dat de Stichting Woonwest heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.



De huurovereenkomst wordt ontbonden en de woning moet worden ontruimd





4.3.
De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. In het algemeen geldt dat de wederpartij alleen bij een voldoende ernstige tekortkoming de overeenkomst mag ontbinden. Bij ontbinding van een huurovereenkomst houdt dat in dat de kantonrechter de vordering toewijst als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.



4.4.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand 6,5 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en inmiddels gaat het om een huurachterstand van 13 maanden. Deze tekortkoming is naar het oordeel van de kantonrechter ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.



4.5.

De omstandigheden die [gedaagde partij] heeft aangevoerd zijn onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de huurachterstand de ontbinding niet rechtvaardigt. Hij heeft aangegeven dat hij in detentie verblijft waardoor hij geen inkomen heeft en daarom geen huur kan betalen. Dat de huurachterstand is ontstaan doordat [gedaagde partij] geen inkomen meer heeft als gevolg van zijn detentie, betreft een omstandigheid die voor zijn eigen rekening en risico komt. Woonwest hoeft in deze situatie daar geen rekening mee te houden. Ook de medische situatie van [gedaagde partij] maakt niet dat de ontbinding niet zou zijn gerechtvaardigd. Hoewel die omstandigheid persoonlijk erg vervelend is voor [gedaagde partij] , is dat in dit geval geen reden om de huurovereenkomst te laten doorlopen. Het belang van Woonwest prevaleert in dit geval: [gedaagde partij] betaalt al meer dan een jaar geen huur meer en er is geen tot zeer weinig perspectief dat dit op korte termijn wel zou gaan gebeuren. Ook omdat een recent ingediend verzoek tot schorsing van zijn detentie is afgewezen. [gedaagde partij] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een nieuw ingediend schorsingsverzoek wel succesvol zou kunnen zijn.
Daarbij geldt ook dat de woning intussen al ruim 13 maanden niet wordt bewoond. Woonwest heeft een gerechtvaardigd belang dat de schuld niet verder oploopt en dat zij de woning kan verhuren aan woningzoekenden.





[gedaagde partij] moet de woning verlaten





4.6.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst wordt op grond van het voorgaande toegewezen. [gedaagde partij] wordt veroordeeld de woning te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter oordeelt dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.



4.7.
Stichting Woonwest wil ook dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag gelijk aan de huurprijs te rekenen vanaf de maand augustus 2026 tot het moment dat [gedaagde partij] de woning ontruimt. Na het ontbinden van de huurovereenkomst geldt dit bedrag als een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde partij] nog in de woning verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.



Wettelijke rente





4.8.
Zoals hiervoor is vastgesteld, is [gedaagde partij] te laat met het betalen van de huurtermijnen en daarom zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.





Buitengerechtelijke incassokosten





4.9.
Stichting Woonwest vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Stichting Woonwest heeft aan [gedaagde partij] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Stichting Woonwest heeft het gevorderde bedrag van € 540,63 aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat Stichting Woonwest een van btw vrijgestelde prestatie heeft verricht, wordt de vergoeding verhoogd met btw, zijnde € 113,53. Daarom zal een bedrag van € 654,13 worden toegewezen.



Proceskosten





4.10.

[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Woonwest worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


153,02







- griffierecht


€


559,00







- salaris gemachtigde


€


720,00


(2 punten × € 360,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.576,02













5De beslissing


De kantonrechter:



5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan het adres [adres] ,



5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Woonwest zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Woonwest,



5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om te betalen aan Stichting Woonwest:
- € 16.639,36 aan achterstallige huur tot en met 1 juli 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen totdat het volledig is betaald,
- een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs vanaf augustus 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,



5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Stichting Woonwest te betalen een bedrag van € 654,13 aan buitengerechtelijke kosten,



5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.576,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad


Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.M.G. van den Boorn en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.






Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt, zo volgt uit artikel 6:265 BW.


HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.