Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27822

2026-09-17 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 24/6807
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/6807
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WW. Er is geen afloscapaciteit zodat er geen inhouding plaatsvindt op de WW uitkering in verband met een eerdere terugvordering. Daarom geen procesbelang.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.786 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 24/6807


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen



[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. G.H. Amstelveen),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).





Inleiding


Bij besluit van 19 december 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres bericht dat in verband met teveel ontvangen uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) per 1 januari 2024 een bedrag van € 354,- per maand op de WW-uitkering wordt ingehouden.



Bij besluit van 9 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.



Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank


1.1.
Eiseres heeft zich op 21 augustus 2017 ziekgemeld. In verband hiermee is aan haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 10 januari 2019 heeft verweerder de ZW-uitkering beëindigd, op de grond dat eiseres geschikt was te achten voor haar eigen werk als schoonmaakster. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.



1.2.
Bij besluit van 25 maart 2019 heeft verweerder aan eiseres per 10 januari 2019 een WW-uitkering toegekend.



1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 29 juli 2019 heeft verweerder het besluit van 10 januari 2019 gehandhaafd onder wijziging van de hersteldatum. De nieuwe hersteldatum is 19 augustus 2019.



1.4.
Bij besluit van 11 oktober 2019 heeft verweerder de aan eiseres over de periode van 10 januari 2019 tot en met 31 juli 2019 toegekende WW-uitkering herzien en de over die periode betaalde WW-uitkering, een bedrag van € 8.898,66, van eiseres teruggevorderd.



1.5.
Bij besluit van 7 december 2021 heeft verweerder, hangende de beroepsprocedure bij de rechtbank, de beslissing op bezwaar van 29 juli 2019 gewijzigd. Verweerder heeft daarbij beslist dat eiseres vanaf 10 januari 2019 onafgebroken recht heeft op een ZW-uitkering.



1.6.
Aan eiseres is per 19 augustus 2019 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend.


2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres bericht dat vanwege de teveel betaalde WW-uitkering nog een vordering open staat van € 8.969,69 en dat daarom vanaf 1 januari 2024 een bedrag € 354,- per maand wordt ingehouden op haar WIA-uitkering. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.




3.1.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep pas sprake is van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.



3.2
Uit de door verweerder overgelegde besluiten van 11 december 2024 en 5 februari 2026 is de rechtbank gebleken dat verweerder heeft beslist dat eiseres geen aflossingscapaciteit heeft. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit niet zal veranderen zolang eiseres haar IVA-uitkering houdt en haar inkomenssituatie niet veranderd. Verder is de rechtbank gebleken dat bij de huidige stand van zaken er op dit moment geen ruimte is voor kwijtschelding van het terugvorderingsbedrag. Nu verweerder op dit moment feitelijk geen bedrag invordert bij eiseres, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij het beoordelen van het bestreden besluit. Dat het terugvorderingsbedrag op haar psychische gezondheid drukt, zoals door eiseres is gesteld, vormt geen procesbelang bij het bestreden besluit. Daarbij merkt de rechtbank op dat het terugvorderingsbedrag is vastgesteld bij het besluit van 11 oktober 2019 en dat dit besluit in rechte vaststaat.



3.3.
De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat eiseres een herzieningsverzoek van het besluit 11 oktober 2019 heeft gedaan. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat bij de heroverweging van het primaire besluit ook naar het terugvorderingsbedrag is gekeken en dat er geen reden was om tot een ander bedrag te komen. Hoe het ook zij, de rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit niet over het herzieningsverzoek gaat en dat zij daarom daar geen oordeel over kan geven.

4. Het beroep is niet ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart beroep niet ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:CRVB:2017:4071