Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27764

2026-09-21 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.47638
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-21
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.47638
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep – asiel – statushouder Griekenland – zelfredzaamheid – ongegrond – geen pkv.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.807 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.47638


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.S.T.H. Ruijters),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).




Procesverloop


Bij besluit van 13 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.



De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde ende gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen [tolk] .





Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Jemenitische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 13 juli 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft met het bestreden besluit deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser al internationale bescherming heeft in Griekenland. Bovendien is eiser een volwassen, alleenstaande man en blijkt niet dat hij kwetsbaar is. Hij wordt daarom als zelfredzaam beschouwd.
2. Eiser voert in beroep aan dat de Afdeling in verschillende uitspraken heeft geoordeeld dat ten aanzien van Griekenland op een aantal gebieden niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat er zorgen bestaan over de situatie van terugkerende statushouders. Verweerder kan er daarom niet van uitgaan dat de leefomstandigheden in Griekenland bij terugkeer niet de drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in het arrest Ibrahim. Eiser verwijst verder naar een uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 27 november 2025, een uitspraak van zittingsplaats Roermond van 3 november 2025 en een uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 3 september 2026. Eiser betoogt dat het Informatiebericht (IB) 2026/1, waar verweerder in het bestreden besluit naar verwijst, niet gebaseerd is op nieuwe informatie over Griekenland. Eiser meent dat de situatie voor Griekse statushouders is verslechterd sinds het laatste feitenrapport van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 3 september 2024.
3. Verweerder heeft naar aanleiding van het door eiser gedane beroep op de uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 3 september 2026 het afschrift van het hoger beroep daartegen overgelegd. Verweerder beroept zich op de inhoud daarvan en betoogt dat ten aanzien van zelfredzame Griekse statushouders de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim, niet wordt gehaald.De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Het uitgangspunt is dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van mag uitgaan dat een andere lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt. Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat uit de Afdelingsuitspraak van 28 juli 2021 volgt dat ten aanzien van Griekenland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Griekse statushouders van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in het arrest Ibrahim. De vraag is derhalve of verweerder in de zaak van eiser zijn besluit wel voldoende heeft gemotiveerd.
5. In het arrest Ibrahim is uiteengezet dat bij het aannemen van een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid moet worden bereikt. De bewijslast ligt in dit kader bij de statushouder. Volgens het Hof wordt deze drempel bereikt indien de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zouden hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van de overheidssteun, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.
6. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 juli 2026. Het EHRM heeft daarin bevestigd dat de drempel van zeer vergaande materiële deprivatie bijzonder hoog is en niet zonder meer wordt gehaald ten aanzien van Griekse statushouders. Daarbij is overwogen dat de Griekse overheid verschillende initiatieven heeft genomen om de integratie van Griekse statushouders te bevorderen. Verder heeft verweerder onder verwijzing naar het afschrift van het hoger beroepschrift en de daarin overgelegde bronnen voldoende gemotiveerd dat zowel de overheid als verschillende NGO’s in Griekenland actief zijn om statushouders nader te ondersteunen en hen door middel van initiatieven te helpen op diverse terreinen om te voorkomen dat zij in een staat van zeer vergaande materiële deprivatie terecht komen. Zo is het mogelijk onderdak te verkrijgen en is de situatie op de arbeidsmarkt verbeterd. Ook blijkt uit de informatie dat wordt gewerkt aan het verbeteren van de bureaucratie ten aanzien van het verlengen van documenten en maakt de algemene economische groei ook dat voor Griekse statushouders meer banen voorhanden zijn.
7. Om te kunnen beoordelen of een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kan worden verklaard, heeft verweerder een vaste gedragslijn neergelegd in informatieberichten. Verweerder heeft in IB 2026/1 de eerdere gedragslijn als bedoeld in IB 2022/84, 2024/31 en 2025/20 losgelaten. Volgens het door verweerder in het bestreden besluit toegepaste IB 2026/1 kan een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Een vreemdeling wordt geacht zelfredzaam te zijn indien hij een volwassen, alleenstaande man is die niet kwetsbaar is en beschikt over een geldige verblijfsvergunning.
8. Gelet op hetgeen in de eerdere rechtsoverwegingen is overwogen, acht de rechtbank de door verweerder in IB 2026/1 genoemde gedragslijn – dat de aanvraag van een statushouder uit Griekenland alleen niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien deze als zelfredzaam kan worden beschouwd – niet onredelijk. Eiser beschikt over een Griekse verblijfsvergunning, geldig van 11 juni 2026 tot 10 juni 2031. Hieruit volgt eisers verblijfsrecht in Griekenland. Ook wordt door partijen niet betwist dat eiser voldoet aan de overige voorwaarden voor het aannemen van zelfredzaamheid. Eiser heeft bovendien geen persoonlijke feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij kwetsbaar is en, bij terugkeer naar Griekenland, terecht zal komen in een toestand van zeer vergaande materiële deprivatie.


Conclusie en gevolgen


9. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.







Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan op 21 september 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



Deze uitspraak is bekendgemaakt op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Op grond van artikel 30a, eerste lid aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening (EU) nr. 2024/1348 (Procedureverordening).


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Uitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3537 en 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1627.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.


ECLI:NL:RBDHA:2025:22749.


ECLI:NL:RBDHA:2025:20337.


ECLI:NL:RBDHA:2026:25628.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Overweging 90 van het arrest Ibrahim.


ECLI:CE:ECHR:2026:0707DEC003003324 (D.O. en L.A. tegen Zweden).


Rechtsoverweging 108 – 110 van het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden.


Verweerder verwijst in dit kader onder andere naar informatie van de Europese Commissie, AIDA, RSA en Stiftung PRO ASYL, welke ook door het Hof zijn betrokken in het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden.