Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27762
2026-09-21
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.12287
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
asiel – bnt – gegrond – igs – e-mailadres – ontvangstbevestiging.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2026:5232 Raad van State 09-09-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.245 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12287
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Eiser heeft op 5 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. De geldigheid van de ingebrekestelling, en daarmee de ontvankelijkheid van het beroep, is in deze zaak in geschil.
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is. Verweerder stelt dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Daarnaast is de ingebrekestelling ongeldig, aangezien deze naar het verkeerde e-mailadres is verstuurd. Verweerder heeft namelijk nadere eisen gesteld aan het indienen van een ingebrekestelling langs de elektronische weg: de aangewezen weg is via ‘veilig mailen’ op de website naar [email protected]. Op 9 februari 2026 heeft eiser een ingebrekestelling per e-mail verstuurd naar het e-mailadres [email protected]. Op 10 februari 2026 is de ontvangst daarvan door verweerder bevestigd. In die brief is verwezen naar de procedure voor het juist indienen van een ingebrekestelling.
Heeft eiser een geldige ingebrekestelling ingediend?
3. Een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit, zoals een ingebrekestelling, kan ook elektronisch aan een bestuursorgaan worden verzonden. Daaraan kan een bestuursorgaan nadere eisen stellen. Indien een bericht niet is verzonden op de voor dat bericht aangewezen wijze, kan een bestuursorgaan ermee volstaan de afzender te wijzen op de juiste wijze van verzending, tenzij het bestuursorgaan het bericht zonder nadere bewerking kan behandelen als ware het op de juiste wijze ingediend.
4. Niet in geschil is dat eiser de ingebrekestelling niet naar het aangewezen e-mailadres heeft verzonden. De rechtbank stelt vast dat in verweerder bij brief van 10 februari 2026 de ontvangst van de ingebrekestelling uitdrukkelijk heeft bevestigd. Daarin is slechts algemeen gewezen op de procedure voor het indienen van een ingebrekestelling. In de ontvangstbevestiging is niet vermeld dat de ingebrekestelling van eiser daadwerkelijk ongeldig was. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat uit de ontvangstbevestiging volgt dat verweerder het bericht zonder nadere bewerking kan behandelen als ware het op de juiste wijze ingediend. Verweerder kan derhalve niet van eiser verlangen dat hij de ingebrekestelling nogmaals, op andere wijze, verstuurt.
5. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de ingebrekestelling van 9 februari 2026 geldig is en onderdeel uitmaakt van het dossier. Meer dan twee weken later, op 5 maart 2026, heeft eiser beroep ingesteld. Hiermee is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
6. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiser is gedaan op 15 augustus 2024. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. Eiser stelt dat hij de Syrische nationaliteit heeft. Op grond van artikel 2 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium werd de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 van de Vw, voor asielaanvragen van uit Syrië afkomstige vreemdelingen op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw verlengd met één jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. Niet is gebleken dat eiser valt onder één van de in artikel 4 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium genoemde categorieën die uitgesloten zijn van de werking van het besluitmoratorium. Dit besluitmoratorium gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Het gevolg is dat de beslistermijn was opgeschort voor de duur van het besluitmoratorium. Daarom is de beslistermijn van eiser geëindigd op 15 augustus 2025. Daarmee is de ingebrekestelling van 9 februari 2026 niet prematuur ingediend. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Binnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?
7. Er is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden op 16 mei 2026. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Is er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?
8. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 50,- aan eisers verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser?
9. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,-, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan op 21 september 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Artikel 2:13, eerste lid, van de Awb.
Artikel 2:13, derde lid, van de Awb.
Artikel 2:16, eerste lid, onder a, van de Awb.
Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 11 december 2024, nummer 5987202
tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië, Staatscourant 2024, 41538.
ECLI:NL:RVS:2026:5232.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12287
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Eiser heeft op 5 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. De geldigheid van de ingebrekestelling, en daarmee de ontvankelijkheid van het beroep, is in deze zaak in geschil.
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is. Verweerder stelt dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Daarnaast is de ingebrekestelling ongeldig, aangezien deze naar het verkeerde e-mailadres is verstuurd. Verweerder heeft namelijk nadere eisen gesteld aan het indienen van een ingebrekestelling langs de elektronische weg: de aangewezen weg is via ‘veilig mailen’ op de website naar [email protected]. Op 9 februari 2026 heeft eiser een ingebrekestelling per e-mail verstuurd naar het e-mailadres [email protected]. Op 10 februari 2026 is de ontvangst daarvan door verweerder bevestigd. In die brief is verwezen naar de procedure voor het juist indienen van een ingebrekestelling.
Heeft eiser een geldige ingebrekestelling ingediend?
3. Een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit, zoals een ingebrekestelling, kan ook elektronisch aan een bestuursorgaan worden verzonden. Daaraan kan een bestuursorgaan nadere eisen stellen. Indien een bericht niet is verzonden op de voor dat bericht aangewezen wijze, kan een bestuursorgaan ermee volstaan de afzender te wijzen op de juiste wijze van verzending, tenzij het bestuursorgaan het bericht zonder nadere bewerking kan behandelen als ware het op de juiste wijze ingediend.
4. Niet in geschil is dat eiser de ingebrekestelling niet naar het aangewezen e-mailadres heeft verzonden. De rechtbank stelt vast dat in verweerder bij brief van 10 februari 2026 de ontvangst van de ingebrekestelling uitdrukkelijk heeft bevestigd. Daarin is slechts algemeen gewezen op de procedure voor het indienen van een ingebrekestelling. In de ontvangstbevestiging is niet vermeld dat de ingebrekestelling van eiser daadwerkelijk ongeldig was. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat uit de ontvangstbevestiging volgt dat verweerder het bericht zonder nadere bewerking kan behandelen als ware het op de juiste wijze ingediend. Verweerder kan derhalve niet van eiser verlangen dat hij de ingebrekestelling nogmaals, op andere wijze, verstuurt.
5. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de ingebrekestelling van 9 februari 2026 geldig is en onderdeel uitmaakt van het dossier. Meer dan twee weken later, op 5 maart 2026, heeft eiser beroep ingesteld. Hiermee is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
6. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiser is gedaan op 15 augustus 2024. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. Eiser stelt dat hij de Syrische nationaliteit heeft. Op grond van artikel 2 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium werd de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 van de Vw, voor asielaanvragen van uit Syrië afkomstige vreemdelingen op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw verlengd met één jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. Niet is gebleken dat eiser valt onder één van de in artikel 4 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium genoemde categorieën die uitgesloten zijn van de werking van het besluitmoratorium. Dit besluitmoratorium gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Het gevolg is dat de beslistermijn was opgeschort voor de duur van het besluitmoratorium. Daarom is de beslistermijn van eiser geëindigd op 15 augustus 2025. Daarmee is de ingebrekestelling van 9 februari 2026 niet prematuur ingediend. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Binnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?
7. Er is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden op 16 mei 2026. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Is er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?
8. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 50,- aan eisers verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser?
9. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,-, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan op 21 september 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Artikel 2:13, eerste lid, van de Awb.
Artikel 2:13, derde lid, van de Awb.
Artikel 2:16, eerste lid, onder a, van de Awb.
Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 11 december 2024, nummer 5987202
tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië, Staatscourant 2024, 41538.
ECLI:NL:RVS:2026:5232.