Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27755

2026-09-08 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.29033 en NL26.29034
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.29033 en NL26.29034
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

met onbekende bestemming vertrokken, interstatelijk vertrouwensbeginsel, art. 3 EVRM

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.981 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.29033 en NL26.29034


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen




[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F. Arslan),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.





Beoordeling door de rechtbank



Heeft eiser nog belang bij de beoordeling van zijn beroep?




2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij de behandeling van zijn ingestelde beroep. Op 3 juni 2026 heeft verweerder bericht dat eiser op 26 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken (dit is een zogenoemde MOB-melding).



2.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, als een vreemdeling zoals eiser met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is anders als eiser na de MOB-melding nog contact heeft onderhouden met zijn gemachtigde.



2.2.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van procesbelang. Op 1 juli 2026 heeft eisers gemachtigde kenbaar gemaakt dat hij na het bericht van verweerder nog contact heeft gehad met eiser.




Geen zitting



3. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.



Waar gaat deze zaak over?



4. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2008 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.



Wat vindt eiser in beroep?



5. Eiser stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden. Eiser stelt meermaals slachtoffer te zijn geworden van racisme en discriminatie in Spanje en houdt vol dat Spanje enkel een doorreisland was. Eiser stelt dat hij niet terug wil naar Spanje, vanwege zijn nare ervaringen in dat land. Tot slot stelt eiser dat hij bij verwijdering naar Spanje het risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in Spanje. Volgens eiser is dit in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser handhaaft verder hetgeen hij eerder in de procedure heeft aangevoerd.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



6. Uit het in algemene zin handhaven van wat eiser eerder naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

7. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in dit geval Spanje dit niet doet. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.



7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet gesteld dat dit niet zo is en de rechtbank is ambtshalve niet bekend met algemene informatie waaruit blijkt dat overdrachten aan Spanje in het geheel niet kunnen worden toegestaan wegens structurele tekortkomingen. Eiser heeft niet deugdelijk onderbouwd dat in zijn specifieke geval van overdracht moet worden afgezien. Eiser heeft in beroep geen concrete stelling of standpunt ingenomen waaruit blijkt dat zijn gestelde ervaringen dan wel andere omstandigheden een risico voor een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren als hij wordt overdragen. Spanje is verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en is verplicht om eiser op te vangen overeenkomstig het toepasselijke Unierecht. Ten aanzien van eisers stelling dat hij slachtoffer is geworden van racisme en discriminatie overweegt de rechtbank dat hij daarover kan klagen bij de Spaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft geprobeerd of dat klagen voor hem niet mogelijk is. Het standpunt van eiser dat Spanje voor hem enkel een doorreisland was, biedt geen aanknopingspunten om van overdracht af te zien. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de intentie van eiser om naar Nederland te gaan niet bepalend is voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen. Verweerder heeft de gestelde persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende betrokken in het besluit.





Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond.

9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel


Bent u het niet eens met deze uitspraak?


Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.




Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.


Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo-arrest).


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.