Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27734

2026-02-11 Bestuursrecht SGR 25/6395
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-11
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/6395
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Oplegging EMG - EMG is terecht opgelegd - niet is in geschil dat eiser bestuurder was van de auto - verweerder mocht afgaan op de juistheid van de bevindingen in het mutatierapport en dit ten grondslag leggen aan het besluit - oplegging van de EMG is niet onevenredig - beroep ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.058 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/6395


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en




het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG).


1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 16 juli 2025 genomen. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.



1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Op 4 juli 2025 heeft verweerder een schriftelijke mededeling van de Politie Eenheid Den Haag en het daarbij gevoegde mutatierapport ontvangen. Deze mededeling houdt in dat eiser op 13 juni 2025 op zo’n manier heeft gereden dat daardoor het vermoeden is ontstaan dat hij niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid om het motorvoertuig te besturen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Op basis van deze gegevens heeft verweerder aanleiding gezien om aan eiser een EMG op te leggen, omdat eiser tijdens deze rit duidelijk gedrag heeft vertoond dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens en waaruit een incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer blijkt.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met de oplegging van de EMG. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen omdat de oplegging van de maatregel alleen berust op een anonieme telefonische melding, stemherkenning en een rijbewijsfoto achteraf, zonder verificatie of staandehouding. Daarbij komt dat eiser de bevindingen in het mutatierapport betwist. Daarnaast is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd omdat hier niet uit blijkt waarom oplegging van de EMG noodzakelijk zou zijn. De gevolgen van het bestreden besluit zijn bovendien onevenredig zwaar voor eiser vanwege de financiële lasten en de beroepsschade die hij daardoor oploopt.



Wat zijn de regels?



4. Artikel 14, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) luidt, voor zover van belang, als volgt: Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de EMG terecht aan eiser heeft opgelegd. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.


5.1.
Uit het mutatierapport van 2 juli 2025 blijkt het volgende. De bestuurder van de auto die op naam is gesteld van eiser reed op 13 juni 2025 op de A12 ter hoogte van Nieuwerbrug aan den Rijn. De bestuurder haalde rechts in, maakte meerdere malen geen gebruik van zijn richtingaanwijzer, reed met een hogere snelheid dan het overige verkeer en dan ter plaatse was toegestaan, remde meerdere malen af, zonder dat daar een verkeerstechnische reden toe was en hij reed te dicht op zijn voorganger. De verbalisant heeft de tenaamgestelde van het voertuig gebeld om aan te geven dat er zo werd gereden met zijn voertuig en hem de cautie gegeven waarop de verbinding werd verbroken. De verbalisant herkende de bestuurder van het voertuig als de tenaamgestelde van het voertuig aan de hand van de rijbewijsfoto.



5.2.
De rechtbank stelt voorop dat voor oplegging van een EMG met voldoende zekerheid moet zijn komen vast te staan dat de betrokkene als bestuurder is opgetreden. Anders dan eiser stelt, is een staandehouding daarvoor niet noodzakelijk. Ook op andere wijze kan de identiteit van de bestuurder met voldoende zekerheid komen vast te staan. Tijdens de zitting heeft eiser erkend dat hij de bestuurder was. Dat is dus niet (meer) in geschil. Eiser betwist wel dat hij heeft gereden zoals dat in het mutatierapport is omschreven.



5.3.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter mag verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van politiegegevens. Hiervoor is geen onder ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal vereist. Van belang is dat de verbalisant als ervaringsdeskundige voldoende in staat wordt geacht om verkeersgedragingen waar te nemen en te registreren en er, zo is het uitgangspunt, geen belang bij heeft om onjuistheden op te nemen. Een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid mag ook worden gebaseerd op een mutatierapport als de feiten die zich hebben voorgedaan hierin voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn omschreven. Dit is slechts anders indien eiser het tegendeel bewijst of aannemelijk maakt.



5.4.
De rechtbank is van oordeel dat het mutatierapport in dit geval een voldoende duidelijke en nauwkeurige beschrijving van eisers gedragingen bevat. Eiser heeft de bevindingen in het mutatierapport betwist door te stellen dat hij zich niet herkent in het beschreven rijgedrag. Eiser stelt verder dat het onmogelijk zou zijn om alle beschreven handelingen achter elkaar uit te voeren. De rechtbank ziet echter niet in waarom dit niet mogelijk zou zijn. Ook de enkele stelling dat eiser zich niet herkent in het rijgedrag is voor de rechtbank onvoldoende om niet van de juistheid van het mutatierapport uit te kunnen gaan. Eiser heeft niet uitgelegd welke gedragingen onjuist zouden zijn beschreven en waarom.



5.5.
Voor het eerst op de zitting heeft eiser gesteld dat hij zijn standpunt kan onderbouwen met opnames van zijn dashcam. Artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Daarop is in de uitnodiging voor de zitting ook gewezen. Eiser heeft onvoldoende toegelicht waarom hij deze beelden niet eerder heeft genoemd en ingebracht. De rechtbank zal deze beelden dan ook niet bij de beoordeling betrekken vanwege strijd met de goede procesorde.



5.6.
Daarnaast heeft eiser ter zitting aangeboden om twee transcripties in te brengen van telefoongesprekken. Eén betreft een transcriptie van het telefoongesprek met een medewerker van het CBR op 11 augustus 2025. Eiser stelt dat de medewerker naar aanleiding van dit gesprek pas het mutatierapport en de mededeling heeft opgestuurd. De andere transcriptie betreft het telefoongesprek met de politieagent tijdens de rit op 13 juni 2025. Ook deze transcripties zal de rechtbank niet bij de beoordeling betrekken vanwege strijd met de goede procesorde. Eiser heeft op de zitting naar voren kunnen brengen wat hij wilde over deze telefoongesprekken, maar heeft onvoldoende toegelicht wat de relevantie van deze gesprekken is voor de beoordeling of de EMG mocht worden opgelegd.



5.7.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het mutatierapport. Verweerder heeft deze bevindingen daarom ten grondslag mogen leggen aan het besluit.



5.8.
Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser tijdens de rit op 13 juni 2025 herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag. Verweerder was daarom gehouden de EMG op te leggen.



5.9.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de EMG niet disproportioneel is. Het dwingendrechtelijke karakter van artikel 14 van de Regeling biedt geen ruimte voor een belangenafweging. Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit dan ook geen rekening kunnen houden met de financiële lasten, bestaande uit de opleggingskosten van de EMG, en de volgens eiser door hem opgelopen beroepsschade, bestaande uit misgelopen omzet op de dagen dat hij de EMG volgt. Van een zeer uitzonderlijk geval om af te wijken van de Regeling, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.





Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder eiser terecht een EMG heeft opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.


Op grond van artikel 131, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) in samenhang met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) en de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, derde en vierde lid.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4402.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3084.