Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27728
2026-02-11
Bestuursrecht
SGR 24/8825
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Oplegging last onder dwangsom vanwege het vervoeren van inbrekerswerktuigen - de rechtbank is niet met eiser eens dat de last onder dwangsom een punitieve sanctie betreft - geen sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel dan wel una via-beginsel - bestreden besluit betreft geen inperking van het recht op bewegingsvrijheid - het bestreden besluit is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel dan wel het rechtszekerheidsbeginsel - verweerder heeft onder verwijzing van de bestuurlijke rapportage de zaklamp en schroevendraaier terecht aangemerkt als inbrekerswerktuigen - verweerder was bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen - beroep ongegrond.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:306 Rechtbank Midden-Nederland 28-01-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2025:2944 Rechtbank Midden-Nederland 20-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2020:1117 Raad van State 22-04-2020
- ECLI:NL:HR:2007:AZ7078 Hoge Raad 20-03-2007
- ECLI:NL:RVS:2019:3307 Raad van State 02-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2020:2001 Raad van State 19-08-2020
- ECLI:NL:RVS:2019:3274 Raad van State 25-09-2019
- ECLI:NL:RVS:2020:2001 Raad van State 19-08-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.942 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8825
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W. Römelingh),
en
het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Lomwel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een last onder dwangsom vanwege het vervoeren van inbrekerswerktuigen.
1.1.
Verweerder heeft de last onder dwangsom bij besluit van 16 mei 2024 (het primaire besluit) genomen. Met het besluit van 19 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij (het primaire besluit) gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Bij besluit van 10 januari 2025 heeft verweerder heeft het besluit van 19 september 2024 gewijzigd. Hierin is het advies van de commissie bezwaarschriften integraal overgenomen en een aanvullende motivering opgenomen. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep ook betrekking op dit besluit.
1.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft een door de politie opgestelde bestuurlijke rapportage van 19 februari 2024 ontvangen. Hierin is opgenomen dat eiser op 16 februari 2024 door de politie is aangehouden als verdachte naar aanleiding van zijn betrokkenheid bij een inbraak dan wel een poging tot inbraak. Op 16 februari 2024 is eiser omstreeks 18:30 uur gezien in de tuin van een bewoner van het Park Berkenoord te Pijnacker. Later op de dag, omstreeks 20:30 uur, zag een bewoner van de Oude Leedeweg te Pijnacker dat eiser op het erf van zijn woning liep en dat er een bromfiets tegen een hek stond. De bewoner sprak eiser hierop aan, in reactie gaf eiser aan dat de scooter niet van hem is. Wel zag de bewoner dat eiser op de scooter stapte en daarmee wegreed. Op dat moment vloog een politiehelikopter in de buurt die eiser heeft gevolgd totdat hij door de politie werd aangehouden. Tijdens de achtervolging zag een bewoner van de wijk Keizershof dat eiser iets had weggegooid in een kliko. In deze kliko werd door de politie het volgende aangetroffen: een tasje, schroevendraaier, zaklamp, busje pepperspray en een pet. Ook blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat eiser eerder is veroordeeld voor een drietal woninginbraken aan de Hof van Delfstraat te Nootdorp in januari 2022, op de Katwijkerlaan te Pijnacker in februari 2022 en op de Vlielandseweg te Pijnacker in maart 2022. Verder blijkt uit de rapportage dat eiser als woninginbreker bekend staat bij de politie en dat hij 26 politieantecedenten en 170 politieregistraties op zijn naam heeft staan.
2.1.
Verweerder heeft op grond van de bestuurlijke rapportage geconcludeerd dat de schroevendraaier en zaklamp die gevonden zijn in de kliko, kennelijk bestemd zijn om in te breken. Dit betreft een overtreding van het verbod om inbrekerswerktuigen te vervoeren dan wel bij zich te hebben op grond van artikel 2:44, eerste lid, van de APV. Daarbij heeft verweerder ook de hiervoor genoemde andere strafrechtelijke- en politieantecedenten en de politieregistraties betrokken en dat eiser bij de politie bekend staat als woninginbreker. Op 19 april 2024 heeft verweerder een voornemen gestuurd om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen. Verweerder heeft op 16 mei 2024 de voorgenomen last onder dwangsom opgelegd. Deze dwangsom houdt in dat eiser voor elke overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV een dwangsom van € 2.500,- euro krijgt opgelegd met een maximum van € 10.000,-.
2.2.
Bij besluit van 19 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn dit eerdere standpunt gebleven.
2.3.
Met het besluit van 10 januari 2025 heeft verweerder het besluit van 19 september 2024 gewijzigd. Hieruit volgt dat de antecedenten in januari 2022 en maart 2022 niet langer aan eiser worden tegengeworpen omdat uit nader onderzoek is gebleken dat eiser hiervoor niet is veroordeeld. Daarnaast volgt uit het gewijzigde besluit dat per abuis in het primaire besluit is opgenomen dat er sprake is van een preventieve last onder dwangsom en dat het besluit ook geldt ten aanzien van eventuele rechtsopvolgers. Voor het overige handhaaft verweerder zijn standpunt zoals weergegeven in het besluit van 19 september 2024.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Een bestuurlijke dwangsom is feitelijk een voorwaardelijke geldboete en daarmee strafrechtelijk van aard. Eiser verwijst hierbij naar een vonnis van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland. Hieruit volgt dat artikel 5:32 van de Awb geen deugdelijke grond is voor oplegging van voorwaardelijke geldboete omdat artikel 1:6 van de Awb bepaalt dat hoofdstuk 5 van de Awb niet van toepassing is op de vervolging van strafbare feiten. Bovendien is eiser al gedagvaard door de Officier van Justitie voor hetzelfde feitencomplex, namelijk de incidenten van 16 februari 2024, waardoor er sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel dan wel het una via-beginsel. Ook is bij die dagvaarding geen woninginbraak en een overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV ten laste gelegd terwijl de Officier van Justitie daar wel toe bevoegd was. Verder is het begrip ‘inbrekerswerktuigen’ en de omschrijving daarvan in strijd met het legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel omdat vrijwel ieder voorwerp voor die kwalificatie in aanmerking kan komen. Daarbij is verder van belang dat het bestreden besluit in strijd is met het recht op bewegingsvrijheid. Een inperking van een fundamenteel recht is op grond van het EVRM en de bijbehorende Protocollen namelijk alleen gerechtvaardigd als deze is neergelegd in een wet in formele zin en de beperking van het recht voorzienbaar is. De wettelijke grondslag voor de last onder dwangsom, artikelen 125 en 160 van de Gemeentewet, voldoet niet aan dat laatste vereiste. Eiser heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Tot slot, ziet de beginselplicht tot handhaving niet alleen op artikel 2:44, eerste lid, van de APV maar ook op het naleven van rechtsbeginselen, wetten en verdragen door een bestuursorgaan zelf. Er is kortom sprake van een onzorgvuldige besluitvorming.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.
4.1.
Een last onder dwangsom betreft een herstelsanctie. Het doel van de last onder dwangsom is in dit geval om herhaling van een overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV te voorkomen. Als eiser de overtreding niet opnieuw begaat, verbeurt hij ook geen dwangsom. Anders dan eiser stelt, gaat het hier dan ook niet om een punitieve sanctie. Het vonnis van de politierechter waar eiser naar heeft verwezen maakt het voorgaande niet anders, nu in dat geval de dwangsom wel was verbeurd.
4.2.
Verweerder is op grond van artikel 5:32 van de Awb in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet, bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Gelet op de beginselplicht tot handhaving is verweerder hiertoe zelfs gehouden tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat handhavend optreden onevenredig zou zijn. De enkele omstandigheid dat de Officier van Justitie ervan af heeft gezien om eiser te dagvaarden voor een poging tot woninginbraak of een overtreding van artikel 2:44, eerste lid van de APV, maakt niet dat verweerder niet bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen of daar vanaf had moeten zien.
4.3.
Nu er geen sprake is van een punitieve sanctie, wordt eiser ook niet gevolgd in zijn betoog dat er sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel dan wel het una via-beginsel. Eiser wordt immers niet dubbel bestraft voor hetzelfde feitencomplex. Er is, gelet op het voorgaande, ook geen sprake van vervolging van een strafbaar feit. Eiser kan dan ook niet gevolgd worden in zijn standpunt dat artikel 5:32 van de Awb geen grondslag kan vormen voor de oplegging van de last onder dwangsom omdat hoofdstuk 5 van de Awb niet van toepassing is op de vervolging van strafbare feiten.
4.4.
Bij de beoordeling of sprake is van een inbrekerswerktuig dient gekeken te worden naar de aard van het object en de omstandigheden van het geval. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de beperkingssystematiek van het EVRM van toepassing is nu de enkele omstandigheid dat eiser beperkt wordt in het bij zich dragen van bepaalde objecten, niet betekent dat hij beperkt wordt zich vrijelijk te verplaatsen op het Nederlandse grondgebied, er zijn verblijfplaats te kiezen of het land te verlaten. Wat daar verder ook van zij, uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het vaststellen van een overtreding zoals in dit geval aan de orde is, niet arbitrair is. De rechtbank is daarom niet met eiser eens dat er sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dan wel legaliteitsbeginsel.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder verwijzing naar de in de bestuurlijke rapportage omschreven omstandigheden de zaklamp en schroevendraaier, terecht en voldoende gemotiveerd heeft aangemerkt als inbrekerswerktuigen. De rechtbank overweegt dat verweerder volgens vaste rechtspraak in beginsel uit mag gaan van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt bestuurlijke rapportage, tenzij er vanwege tegenbewijs van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De rechtbank overweegt dat eiser de betrouwbaarheid en juistheid van de vastlegging in de bestuurlijke rapportage hierover niet in twijfel heeft getrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de bestuurlijke rapportage mogen afleiden dat de aangetroffen goederen inbrekerswerktuigen waren. Gelet op de aard van de aangetroffen gereedschappen, het tijdstip waarop en de plaats waar deze gereedschappen zijn aangetroffen, heeft verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser eerder onherroepelijk is veroordeeld voor woninginbraak.
4.6.
Ter zitting heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd of artikel 2:44, tweede lid, van de APV zo moet worden begrepen dat het verbod dat volgt uit artikel 2:44, eerste lid, van de APV niet van toepassing is als niet in geschil is dat het aangemerkte werktuig niet is gebruikt. Verweerder heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De rechtbank begrijpt artikel 2:44, tweede lid, van de APV zo dat hieruit volgt dat het verbod wel van toepassing is als het aangemerkte werktuig bestemd was voor gebruik als bedoeld in artikel 2:44, tweede lid, van de APV. Verweerder heeft gelet op wat hiervoor is overwogen voldoende gemotiveerd en aannemelijk mogen achten dat de zaklamp en schroevendraaier ervoor bestemd waren om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, of om onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht aannemelijk geacht dat eiser in strijd met artikel 2:44, eerste lid, van de APV inbrekerswerktuigen op een openbare plaats bij zich had. Gezien de overtreding was verweerder bevoegd om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene Plaatselijke Verordening 2017 van de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:306.
Op grond van artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.
Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2944.
Zie artikel 5:2, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 5:31, aanhef en onder d, van de Awb.
Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2020:1117 en van de Hoge Raad (HR) van 20 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7078, r.o. 3.3.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3307, r.o. 4.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2001, r.o. 4.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3274, r.o. 7.2., en van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2001, r.o. 6.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8825
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W. Römelingh),
en
het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Lomwel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een last onder dwangsom vanwege het vervoeren van inbrekerswerktuigen.
1.1.
Verweerder heeft de last onder dwangsom bij besluit van 16 mei 2024 (het primaire besluit) genomen. Met het besluit van 19 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij (het primaire besluit) gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Bij besluit van 10 januari 2025 heeft verweerder heeft het besluit van 19 september 2024 gewijzigd. Hierin is het advies van de commissie bezwaarschriften integraal overgenomen en een aanvullende motivering opgenomen. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep ook betrekking op dit besluit.
1.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft een door de politie opgestelde bestuurlijke rapportage van 19 februari 2024 ontvangen. Hierin is opgenomen dat eiser op 16 februari 2024 door de politie is aangehouden als verdachte naar aanleiding van zijn betrokkenheid bij een inbraak dan wel een poging tot inbraak. Op 16 februari 2024 is eiser omstreeks 18:30 uur gezien in de tuin van een bewoner van het Park Berkenoord te Pijnacker. Later op de dag, omstreeks 20:30 uur, zag een bewoner van de Oude Leedeweg te Pijnacker dat eiser op het erf van zijn woning liep en dat er een bromfiets tegen een hek stond. De bewoner sprak eiser hierop aan, in reactie gaf eiser aan dat de scooter niet van hem is. Wel zag de bewoner dat eiser op de scooter stapte en daarmee wegreed. Op dat moment vloog een politiehelikopter in de buurt die eiser heeft gevolgd totdat hij door de politie werd aangehouden. Tijdens de achtervolging zag een bewoner van de wijk Keizershof dat eiser iets had weggegooid in een kliko. In deze kliko werd door de politie het volgende aangetroffen: een tasje, schroevendraaier, zaklamp, busje pepperspray en een pet. Ook blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat eiser eerder is veroordeeld voor een drietal woninginbraken aan de Hof van Delfstraat te Nootdorp in januari 2022, op de Katwijkerlaan te Pijnacker in februari 2022 en op de Vlielandseweg te Pijnacker in maart 2022. Verder blijkt uit de rapportage dat eiser als woninginbreker bekend staat bij de politie en dat hij 26 politieantecedenten en 170 politieregistraties op zijn naam heeft staan.
2.1.
Verweerder heeft op grond van de bestuurlijke rapportage geconcludeerd dat de schroevendraaier en zaklamp die gevonden zijn in de kliko, kennelijk bestemd zijn om in te breken. Dit betreft een overtreding van het verbod om inbrekerswerktuigen te vervoeren dan wel bij zich te hebben op grond van artikel 2:44, eerste lid, van de APV. Daarbij heeft verweerder ook de hiervoor genoemde andere strafrechtelijke- en politieantecedenten en de politieregistraties betrokken en dat eiser bij de politie bekend staat als woninginbreker. Op 19 april 2024 heeft verweerder een voornemen gestuurd om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen. Verweerder heeft op 16 mei 2024 de voorgenomen last onder dwangsom opgelegd. Deze dwangsom houdt in dat eiser voor elke overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV een dwangsom van € 2.500,- euro krijgt opgelegd met een maximum van € 10.000,-.
2.2.
Bij besluit van 19 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn dit eerdere standpunt gebleven.
2.3.
Met het besluit van 10 januari 2025 heeft verweerder het besluit van 19 september 2024 gewijzigd. Hieruit volgt dat de antecedenten in januari 2022 en maart 2022 niet langer aan eiser worden tegengeworpen omdat uit nader onderzoek is gebleken dat eiser hiervoor niet is veroordeeld. Daarnaast volgt uit het gewijzigde besluit dat per abuis in het primaire besluit is opgenomen dat er sprake is van een preventieve last onder dwangsom en dat het besluit ook geldt ten aanzien van eventuele rechtsopvolgers. Voor het overige handhaaft verweerder zijn standpunt zoals weergegeven in het besluit van 19 september 2024.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Een bestuurlijke dwangsom is feitelijk een voorwaardelijke geldboete en daarmee strafrechtelijk van aard. Eiser verwijst hierbij naar een vonnis van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland. Hieruit volgt dat artikel 5:32 van de Awb geen deugdelijke grond is voor oplegging van voorwaardelijke geldboete omdat artikel 1:6 van de Awb bepaalt dat hoofdstuk 5 van de Awb niet van toepassing is op de vervolging van strafbare feiten. Bovendien is eiser al gedagvaard door de Officier van Justitie voor hetzelfde feitencomplex, namelijk de incidenten van 16 februari 2024, waardoor er sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel dan wel het una via-beginsel. Ook is bij die dagvaarding geen woninginbraak en een overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV ten laste gelegd terwijl de Officier van Justitie daar wel toe bevoegd was. Verder is het begrip ‘inbrekerswerktuigen’ en de omschrijving daarvan in strijd met het legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel omdat vrijwel ieder voorwerp voor die kwalificatie in aanmerking kan komen. Daarbij is verder van belang dat het bestreden besluit in strijd is met het recht op bewegingsvrijheid. Een inperking van een fundamenteel recht is op grond van het EVRM en de bijbehorende Protocollen namelijk alleen gerechtvaardigd als deze is neergelegd in een wet in formele zin en de beperking van het recht voorzienbaar is. De wettelijke grondslag voor de last onder dwangsom, artikelen 125 en 160 van de Gemeentewet, voldoet niet aan dat laatste vereiste. Eiser heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Tot slot, ziet de beginselplicht tot handhaving niet alleen op artikel 2:44, eerste lid, van de APV maar ook op het naleven van rechtsbeginselen, wetten en verdragen door een bestuursorgaan zelf. Er is kortom sprake van een onzorgvuldige besluitvorming.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.
4.1.
Een last onder dwangsom betreft een herstelsanctie. Het doel van de last onder dwangsom is in dit geval om herhaling van een overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV te voorkomen. Als eiser de overtreding niet opnieuw begaat, verbeurt hij ook geen dwangsom. Anders dan eiser stelt, gaat het hier dan ook niet om een punitieve sanctie. Het vonnis van de politierechter waar eiser naar heeft verwezen maakt het voorgaande niet anders, nu in dat geval de dwangsom wel was verbeurd.
4.2.
Verweerder is op grond van artikel 5:32 van de Awb in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet, bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Gelet op de beginselplicht tot handhaving is verweerder hiertoe zelfs gehouden tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat handhavend optreden onevenredig zou zijn. De enkele omstandigheid dat de Officier van Justitie ervan af heeft gezien om eiser te dagvaarden voor een poging tot woninginbraak of een overtreding van artikel 2:44, eerste lid van de APV, maakt niet dat verweerder niet bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen of daar vanaf had moeten zien.
4.3.
Nu er geen sprake is van een punitieve sanctie, wordt eiser ook niet gevolgd in zijn betoog dat er sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel dan wel het una via-beginsel. Eiser wordt immers niet dubbel bestraft voor hetzelfde feitencomplex. Er is, gelet op het voorgaande, ook geen sprake van vervolging van een strafbaar feit. Eiser kan dan ook niet gevolgd worden in zijn standpunt dat artikel 5:32 van de Awb geen grondslag kan vormen voor de oplegging van de last onder dwangsom omdat hoofdstuk 5 van de Awb niet van toepassing is op de vervolging van strafbare feiten.
4.4.
Bij de beoordeling of sprake is van een inbrekerswerktuig dient gekeken te worden naar de aard van het object en de omstandigheden van het geval. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de beperkingssystematiek van het EVRM van toepassing is nu de enkele omstandigheid dat eiser beperkt wordt in het bij zich dragen van bepaalde objecten, niet betekent dat hij beperkt wordt zich vrijelijk te verplaatsen op het Nederlandse grondgebied, er zijn verblijfplaats te kiezen of het land te verlaten. Wat daar verder ook van zij, uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het vaststellen van een overtreding zoals in dit geval aan de orde is, niet arbitrair is. De rechtbank is daarom niet met eiser eens dat er sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dan wel legaliteitsbeginsel.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder verwijzing naar de in de bestuurlijke rapportage omschreven omstandigheden de zaklamp en schroevendraaier, terecht en voldoende gemotiveerd heeft aangemerkt als inbrekerswerktuigen. De rechtbank overweegt dat verweerder volgens vaste rechtspraak in beginsel uit mag gaan van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt bestuurlijke rapportage, tenzij er vanwege tegenbewijs van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De rechtbank overweegt dat eiser de betrouwbaarheid en juistheid van de vastlegging in de bestuurlijke rapportage hierover niet in twijfel heeft getrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de bestuurlijke rapportage mogen afleiden dat de aangetroffen goederen inbrekerswerktuigen waren. Gelet op de aard van de aangetroffen gereedschappen, het tijdstip waarop en de plaats waar deze gereedschappen zijn aangetroffen, heeft verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser eerder onherroepelijk is veroordeeld voor woninginbraak.
4.6.
Ter zitting heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd of artikel 2:44, tweede lid, van de APV zo moet worden begrepen dat het verbod dat volgt uit artikel 2:44, eerste lid, van de APV niet van toepassing is als niet in geschil is dat het aangemerkte werktuig niet is gebruikt. Verweerder heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De rechtbank begrijpt artikel 2:44, tweede lid, van de APV zo dat hieruit volgt dat het verbod wel van toepassing is als het aangemerkte werktuig bestemd was voor gebruik als bedoeld in artikel 2:44, tweede lid, van de APV. Verweerder heeft gelet op wat hiervoor is overwogen voldoende gemotiveerd en aannemelijk mogen achten dat de zaklamp en schroevendraaier ervoor bestemd waren om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, of om onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht aannemelijk geacht dat eiser in strijd met artikel 2:44, eerste lid, van de APV inbrekerswerktuigen op een openbare plaats bij zich had. Gezien de overtreding was verweerder bevoegd om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene Plaatselijke Verordening 2017 van de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:306.
Op grond van artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.
Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2944.
Zie artikel 5:2, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 5:31, aanhef en onder d, van de Awb.
Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2020:1117 en van de Hoge Raad (HR) van 20 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7078, r.o. 3.3.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3307, r.o. 4.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2001, r.o. 4.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3274, r.o. 7.2., en van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2001, r.o. 6.