Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27727

2026-01-27 Bestuursrecht SGR 25/1099
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-01-27
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/1099
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

beroep tegen verkeersbesluit om een parkeerplaats aan te wijzen voor het opladen van elektrische voertuigen - beroep ingediend door omwonenden - verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er niet voor is gekozen om de plaats aan te wijzen die door eisers is voorgesteld in bezwaar - de rechtbank passeert dit gebrek omdat het gebrek in het verweerschrift en ter zitting is hersteld - het beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.123 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/1099



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen



[eiseres 1] , eiseres 1,



[eiseres 2] , eiseres 2, en,


[eiser] , eiser, uit [plaats] (hierna tezamen: eisers).



en




het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Brakenhoff).





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het verkeersbesluit van verweerder om ter hoogte van [adres 1] een parkeerplaats aan te wijzen voor het opladen van elektrische voertuigen.



1.1.
Op 22 november 2024 heeft verweerder het verkeersbesluit in het Gemeenteblad gepubliceerd. Eisers zijn tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Verweerder heeft bij besluiten van 16 januari 2025 (de bestreden besluiten) de bezwaren ongegrond verklaard. Tegen die besluiten hebben eisers gezamenlijk beroep ingesteld.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Verweerder heeft met het besluit van 19 november 2024 een parkeerplaats aangewezen voor elektrisch laden ter hoogte van [adres 1] . Dit naar aanleiding van een aanvraag die zij op deze datum hebben ontvangen voor het aanwijzen van een parkeerplaats voor elektrische voertuigen. Eisers zijn allen woonachtig aan [straatnaam] en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de bezwaren van eisers bij besluiten van 16 januari 2025 ongegrond verklaard.






Wat vinden eisers in beroep?



3. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Eisers hadden graag vooraf overleg gehad met verweerder over de aan te wijzen parkeerplaats. Daarnaast is eiseres 1 na het indienen van bezwaar telefonisch geïnformeerd door een jurist van de afdeling bezwaar dat zij recht had op een hoorzitting maar dat dit niet veel zin had omdat het laadpunt toch zou komen op de aangewezen plek. Hieruit blijkt dat verweerder er niet voor open stond om het verkeersbesluit te herzien. Ook is geweigerd om eiseres een gespreksverslag toe te zenden ter goedkeuring voor de beslissing op bezwaar. Gelet op het voorgaande zijn de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand gekomen. Door het aanwijzen van de parkeerplek ter hoogte van [adres 1] zal de parkeerdruk toenemen, zal een onveilige situatie ontstaan en zal het aanzicht van de dorpskern door de laadpaal worden aangetast. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd welke nadelen er zijn ten aanzien van de alternatieve locatie, ter hoogte van [adres 3] , die door eisers is voorgesteld. De bewoners van [adres 2] en [adres 3] hebben parkeergelegenheid op eigen terrein en hebben bovendien aan eisers laten weten dat zij geen bezwaar hebben tegen het realiseren van een laadpunt op deze locatie. Verweerder geeft aan dat de laadplek aan de openbare weg moet liggen voor het stimuleren van elektrisch rijden maar de aangedragen alternatieve locatie ligt dat ook. Behalve de afstand tussen beide plekken, heeft verweerder niet gemotiveerd welke bezwaren bestaan ten aanzien van de alternatieve locatie. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland is geen argument om in dit specifieke geval niet te kiezen voor de alternatieve locatie. De afweging om voor alle partijen een gunstige locatie te vinden ontbreekt volledig in de beslissingen op bezwaar. Daarnaast is de afstand tussen de aangewezen plek en de voorgestelde alternatieve locatie niet correct weergegeven. Eisers doelen op de plek naast de brievenbus voor [adres 3] en niet voor [adres 2] . Dit ligt op ongeveer 30 meter afstand van de gekozen locatie en niet 45 meter zoals door verweerder aangegeven. Uit verweerders beleid voor het aanwijzen van parkeerplekken voor elektrisch laden volgt dat binnen een straal van 200 meter vanaf de woning van de aanvrager moet worden gezocht naar een geschikte locatie. Zowel de aangewezen plek als de alternatieve locatie vallen ruim binnen deze marge. Gelet op het voorgaande is geen sprake geweest van een onzorgvuldige belangenafweging.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.


4.1.
De rechtbank stelt voorop dat in een zaak als deze aan verweerder een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan het bestuursorgaan om bij het nemen van een verkeersbesluit alle verschillende betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van het besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.



4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de bestreden besluiten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij is van belang dat verweerder in dit geval niet verplicht is om participatie onderdeel te maken van de besluitvorming. Ook is niet gebleken dat verweerder gehouden is om het verslag van de hoorzitting ter goedkeuring voor te leggen. Verder heeft eiseres 1 erop gewezen dat zij is geïnformeerd door verweerder dat indienen van bezwaar geen zin zou hebben. Ter zitting heeft verweerder hiervoor excuses aangeboden mocht dit zijn voorgevallen. Wat daar verder ook van zij, verweerder is in de bestreden besluiten inhoudelijk ingegaan op de bezwaren van eisers. Gelet hierop heeft een volledige heroverweging in bezwaar plaatsgevonden.



4.3.
De bestreden besluiten zijn gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 en het ‘Kader voor de plaatsing van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen van de gemeente Rotterdam’. In het verkeersbesluit is opgenomen dat de gemeente Kaag en Braassem het gebruik van elektrische aangedreven voertuigen wil stimuleren, gelet op de duurzaamheidsagenda. Uit het beleidskader volgt onder meer dat de algemene ambitie van het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid een vermindering is van de CO2-uitstoot. Een goede laadinfrastructuur voor elektrisch vervoer draagt hier aan bij. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid niet onredelijk is. Verweerder heeft dit daarom aan de bestreden besluiten ten grondslag mogen leggen.



4.4.
De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er niet voor is gekozen om de parkeerplek ter hoogte van [adres 3] aan te wijzen in plaats van de gekozen locatie. Verweerder heeft er weliswaar terecht op gewezen dat de omstandigheid dat er alternatieve locaties mogelijk zijn niet maakt dat de aangewezen locatie onrechtmatig is, maar dit maakt niet dat verweerder er niet toe gehouden is om belangen van omwonenden gemotiveerd mee te wegen in de besluitvorming. Dat de aangewezen plek dichterbij het adres van de aanvrager is gelegen vindt de rechtbank hiervoor onvoldoende omdat dit geen voorwaarde is die wordt gesteld in het beleid. Daaruit volgt enkel dat het laadpunt binnen een straal van 200 meter van de woning van de aanvrager moet worden gerealiseerd.



4.5.
De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren omdat verweerder de motivering naar het oordeel van de rechtbank in het verweerschrift en ter zitting voldoende heeft aangevuld en eisers hierop hebben kunnen reageren. Verweerder heeft toegelicht dat de alternatieve locatie ook andere nadelen met zich meebrengt. Zo is uit verkeerskundig onderzoek gebleken dat de parkeerplek ter hoogte van [adres 1] centraler gelegen is in [plaats] in de zin dat binnen een straal van 200 meter meer woningen zijn gelegen dan het geval is bij de parkeerplek ter hoogte van [adres 3] . Dit is van belang voor eventuele toekomstige aanvragen voor laadpunten voor elektrische voertuigen. Daarnaast hecht verweerder er belang aan dat laadpunten voor elektrische voertuigen een openbare uitstraling hebben en dus goed zichtbaar en toegankelijk zijn voor publiek. De gekozen locatie is op een hoek gelegen waardoor de laadpaal overzichtelijk vanuit beide rijrichtingen te zien is. De door eisers voorgestelde locatie daarentegen, bevindt zich naast of achter een bushokje, waardoor de laadvoorziening minder goed zichtbaar zou zijn. Ten aanzien van de door eiser gestelde toename van de parkeerdruk in de straat heeft verweerder erop kunnen wijzen dat uit rechtspraak volgt dat toename van de parkeerdruk geen grond is om een parkeerplek voor elektrisch laden niet te realiseren. Bovendien hebben eisers ter zitting bevestigd dat ter hoogte van [adres 3] altijd parkeerplekken vrij zijn. Ter zitting heeft eiseres 1 toegelicht dat een onveilige situatie zal ontstaan door het realiseren van een laadpunt op de gekozen locatie omdat omwonenden hierdoor uit gemak voor korte duur buiten de parkeervakken voor de deur zullen gaan parkeren. Zoals ook ter zitting door eiseres 1 is erkend, hebben bewoners dit zelf in de hand. Verweerder hoeft hier daarom geen rekening mee te houden in de besluitvorming. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de door hem genoemde belangen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de visuele aantasting van de dorpskern.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.



5.1.
Vanwege het hierboven onder 4.4. vastgestelde motiveringsgebrek moet verweerder het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden.




























Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden.






Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5704.


Kader voor de plaatsing van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen van de gemeente Rotterdam.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 mei 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2548.


Zie voetnoot 2.


Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Zie voetnoot 1.