Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27717

2026-02-09 Bestuursrecht SGR 25/3677
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-09
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/3677
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker voor de Nederlandse militaire missie gewerkt in Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie – verweerder heeft eiser niet in aanmerking hoeven komen voor overbrenging op grond van de toezegging in de Staat van het Consulaire - beroep ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.480 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/3677


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen



[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Heida),


en




de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen en mr. A.J.M. van Zwiep).





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling.



1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 22 mei 2023 genomen (het primaire besluit). Met het besluit van 6 maart 2025 (het bestreden besluit) is verweerder bij zijn eerdere besluit gebleven.



1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser via een telefonische verbinding, A.F. Faquiri als tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser heeft op 24 februari 2022 verzocht om hem vanuit Afghanistan over te brengen naar Nederland. Op 20 maart 2023 en 26 april 2023 heeft eiser dit verzoek aangevuld. Eiser beroept zich op de Tolkenregeling, omdat hij in de periode 2007 tot 2010 als bewaker in dienst van het Afghaanse beveiligingsbedrijf Afghan Security Guard (hierna: ASG) heeft gewerkt voor de Nederlandse militaire missie in de provincie Uruzgan. Hij stelt als gevolg van deze werkzaamheden gevaar te lopen. Met het bestreden besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Hieraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft allereerst vastgesteld dat eiser als ASG-bewaker te beschouwen is als een ‘andere Afghaanse lokale medewerker’. Eiser was weliswaar mogelijk zichtbaar door zijn werkzaamheden, maar deze werkzaamheden kunnen niet gekwalificeerd worden als hoog profiel werkzaamheden als bedoeld in de Tolkenregeling. De werkzaamheden zijn niet van dien aard dat eiser aangemerkt kan worden als verlengstuk van de Nederlandse militaire missie. Tenslotte heeft eiser niet aangetoond dat sprake is van persoonlijke en actuele dreiging, die bovendien gerelateerd is aan de verrichtte werkzaamheden van eiser ten behoeve van de Nederlandse militaire missie. De vraag die aan de rechtbank voorligt is of verweerder het verzoek van eiser om overbrenging naar Nederland op goede gronden heeft afgewezen.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De eis dat sprake moet zijn van extra zichtbaarheid waardoor eiser vereenzelvigd werd met de Nederlandse militaire missie is onevenredig. Uit de openbare landeninformatie volgt dat deze groep, onafhankelijk van de omstandigheden, nog steeds gevaar loopt. Daarnaast staat het vereiste van zichtbaarheid volgens voormalig Chief Police Staff College en Afghanistan-veteraan [naam 1] ver af van de Afghaanse realiteit nu de Taliban informatie krijgt van spionnen. Ook heeft het bestreden besluit onevenredige gevolgen in dit specifieke geval omdat eiser en zijn gezin een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder heeft op basis van eisers verklaringen en overgelegde stukken onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden verrichtte.


3.1.
Verweerder heeft daarnaast ten onrechte geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiser wordt bedreigd als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie. Dit blijkt voldoende uit eisers verklaringen en de door eiser overgelegde kopie van een aanhoudingsbevel. Het is een gegeven dat eiser gezocht wordt door de Taliban vanwege zijn ASG-werkzaamheden nu hiervoor geen andere reden zou kunnen zijn. Bovendien heeft verweerder in de brief van 19 december 2023 aan de Tweede Kamer de dreiging richting ASG-bewakers erkend. Hier is onvoldoende gewicht aan toegekend. Dat deze groep personen niet meer als risico-categorie wordt aangemerkt in het landgebonden beleid maakt niet dat er geen reden is om aan te nemen dat er geen risico bestaat voor deze groep. Dat kan ook het gevolg zijn van politieke keuzes. Dit blijkt ook uit het feit dat de EUAA stelt dat voor personen die geassocieerd worden met de buitenlandse troepen in het algemeen gegronde vrees voor vervolging bestaat en dat de UNHCR voor deze groep aanneemt dat sprake is van prima facie vluchtelingschap. Ook uit een artikel in het NRC blijkt dat er nog steeds actief gezocht wordt naar ASG-bewakers.


3.2.

Indien het verzoek van eiser tot overbrenging niet wordt toegewezen op grond van de Tolkenregeling, had verweerder eiser moeten laten overkomen op grond van de toezegging die door het kabinet is gedaan in de Staat van het Consulaire om een in omvang en tijd afgebakende groep Afghaanse bewakers voor overbrenging in aanmerking te laten komen. Uit verschillende nota’s, kamerstukken en een artikel op nu.nl volgt dat dit moet worden gezien als beleid waar eiser een beroep op kan doen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?





Wie kan een beroep doen op de Tolkenregeling?




4. Eiser doet een beroep op de Tolkenregeling. Die regeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie. Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Daarmee hebben de betrokken bestuursorganen de publieke taak aan zich getrokken om zich in te spannen voor de groep waarop die regeling ziet. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van de algemene wet bestuursrecht. Omdat er geen specifieke wettelijke grondslag bestaat, gaat het bij de Tolkenregeling om zogeheten buitenwettelijk begunstigend beleid. Bij het opstellen van dergelijk beleid heeft het kabinet veel beleids- en beoordelingsruimte. De rechtbank toetst dit beleid dan ook terughoudend.




4.1.
Het antwoord op de vraag wie een geslaagd beroep op de Tolkenregeling kan doen, moet worden gezocht in een combinatie van verschillende Kamerstukken. Volgens het kerndocument geldt de Tolkenregeling voor lokale medewerkers die voor een substantiële periode ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en als gevolg daarvan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. De aard van de werkzaamheden kan van invloed zijn op de aannemelijkheid dat iemand als gevolg daarvan bescherming nodig heeft. In beginsel wordt die kans hoger geacht bij ‘hoog profiel werkzaamheden’. Deze werkzaamheden dienen zodanig te zijn dat een medewerker regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse politiefunctionarissen in posities is gebracht, waar hij/zij extra zichtbaar werd en vereenzelvigd met de missie. Het is in principe aan degene die zich op de Tolkenregeling beroept om zo mogelijk te staven met documenten dat hij of zij dergelijke werkzaamheden heeft verricht en daardoor op het moment van de beslissing om overbrenging persoonlijk gevaar loopt. Aan de personen die een beroep kunnen doen op de Tolkenregeling, worden dus eisen gesteld.






Kan eiser een geslaagd beroep doen op de Tolkenregeling?



5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet voor overbrenging in aanmerking komt op grond van de Tolkenregeling. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.



Aard van de werkzaamheden



6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht.



6.1.
Zoals hiervoor is overwogen geldt als maatstaf dat om werkzaamheden als hoog profiel aan te kunnen merken, de werkzaamheden zodanig moeten zijn dat een medewerker regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse politiefunctionarissen in posities is gebracht, waarin hij/zij extra zichtbaar werd en vereenzelvigd werd met de missie. Eiser heeft aangevoerd dat deze maatstaf strijdig is met het evenredigheidsbeginsel omdat er nog steeds een reëel gevaar dreigt voor voormalige ASG-bewakers zoals eiser. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de gedachte achter het beleid is dat verweerder specifiek de groep die hoog profiel werkzaamheden verrichtten voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling in aanmerking wil laten komen omdat hij zich voor deze groep verantwoordelijk acht door de wijze waarop zij zijn ingezet voor de Nederlandse militaire missie. De rechtbank vindt dit beleid niet onredelijk. Het beleid is begunstigend en de vereisten van extra zichtbaarheid en vereenzelviging stellen grenzen aan de groepen op wie die begunstiging van toepassing is. Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Bij het opstellen van buitenwettelijke begunstigend beleid heeft de regelgever nu eenmaal veel beleidsruimte. Dat het beleid strijdig is met het evenredigheidsbeginsel is dan ook niet gebleken.


6.2.
De rechtbank zal verder nagaan of verweerder zich terecht op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet valt onder de groep die een beroep kan doen op de Tolkenregeling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt erop heeft mogen wijzen dat de werkzaamheden van ASG-bewakers niet vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van tolken die wel als hoog profiel werkzaamheden worden aangemerkt. Tolken vergezelden Nederlandse militaire commandanten of functionarissen in hun bezoeken aan lokale overheidsfunctionarissen en aan commandanten van de Afghan National Army (ANA) en hadden daarbij tot taak voor deze functionarissen te vertalen. Zij traden daarmee letterlijk op als 'spreekbuis' van de Nederlandse militairen. Met name in gesprekken met ANA-commandanten werd operationeel vertrouwelijke informatie besproken, waaronder tegen Taliban-strijders gerichte operaties. Tolken verplaatsten zich meestal samen met de Nederlandse militair in één voertuig en waardoor zij 'fysiek' gezamenlijk zichtbaar waren. Verder is van belang dat een zeer beperkt aantal tolken beschikbaar was per Nederlands militair hoofdkwartier wat impliceert dat een tolk regelmatig in die hoedanigheid kon worden waargenomen.



6.3.
De ASG was een Afghaans beveiligingsbedrijf dat in de periode 2006 tot en met 2010 beveiligingswerkzaamheden voor de kampementen van de Nederlandse eenheden verrichtte. De werkzaamheden van ASG-bewakers bestonden voornamelijk uit het bemensen van de toegangspoort en het controleren van identiteitsbewijzen van bezoekende (buitenlandse en Afghaanse) functionarissen en burgers, die het kamp om verschillende redenen wensten te bezoeken, het bemensen van de wachttorens en het lopen of met voertuigen rijden van beveiligingspatrouilles, om ongewenste bezoekers of andere bedreigingen te signaleren. Verweerder heeft tijdens de hoorzitting toegelicht dat in Kamp [kampnaam 1] dagelijks ongeveer 60 bewakers werkzaam waren en in Kamp [kampnaam 2] ongeveer 240 bewakers. Dit betrof dus een relatief grotere groep die bovendien rouleerde in werkzaamheden. Ook waren ASG-bewakers uit veiligheidsoverwegingen van ASG zelf niet afkomstig uit de provincie Uruzgan.



6.4.
Verder heeft verweerder erop gewezen dat de ASG-bewakers de meeste tijd doorbrachten op de wachttorens of binnen het kamp. Anders dan eiser stelt vindt de rechtbank in de verklaring van [naam 2] onvoldoende aanknopingspunten dat dit niet het geval was. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat de torens zo waren gebouwd waren dat men van daaruit de omgeving kon zien, maar zelf niet gezien werd. Tijdens die werkzaamheden waren ASG-bewakers dan ook niet zichtbaar. Eiser heeft dit weliswaar betwist, maar dit verder niet onderbouwd. Verder heeft verweerder tijdens de hoorzitting verklaard dat ASG-bewakers uniformen droegen van ASG en reden in hun eigen voertuigen. Dat volgens de verklaringen van de ASG-commandanten ASG-bewakers in hun uniform boodschappen deden op de markt in het nabijgelegen dorp maakt daarom niet dat eiser daardoor werd vereenzelvigd met de Nederlandse missie. Ook hadden zij volgens verweerder niet van doen met eventueel door (Nederlandse) militairen aangehouden Taliban-verdachten. Eventuele Taliban-verdachten werden geblinddoekt naar binnengereden en bovendien in de meeste gevallen al na een korte periode verplaatst naar andere detentiefaciliteiten.



6.5.
Onder verwijzing naar de verklaring van [naam 2] heeft eiser daarnaast gesteld dat ASG-bewakers samen met Nederlandse militairen hebben gevochten tegen de Taliban. De rechtbank stelt dat uit de verklaring volgt dat ASG-bewakers zorgden voor de fysieke bezetting van de tactische positie Roller Coaster Hill en dat ASG-bewakers terugvochten wanneer de Taliban Roller Coaster Hill aanviel en [naam 2] onmiddellijk informeerden. Ook wanneer Kamp [kampnaam 1] werd aangevallen door de Taliban met mortieren en raketten bleven ASG-bewakers hun positie op de wachttorens behouden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat Roller Coaster Hill een observatiepost was, die was gelegen bij Kamp [kampnaam 1] waar ASG-bewakers bewakingswerkzaamheden uitvoerden. In geval van een aanval van de Taliban werd een speciale gevechtseenheid van de Nederlandse militaire missie naar de observatiepost gestuurd om terug te vechten. Dat ASG-bewakers hun positie behielden op de wachttorens tijdens een aanval maakt niet dat zij samen met Nederlandse militairen tegen de Taliban hebben gevochten. Bovendien heeft verweerder, zoals hiervoor overwogen, verklaard dat ASG-bewakers niet zichtbaar waren in de wachttorens van buitenaf. Daarbij heeft verweerder er ook op kunnen wijzen dat eiser tijdens de hoorzitting niet heeft verklaard over gevechten.



6.6.
Niet is in geschil dat ASG-bewakers door bepaalde werkzaamheden, waaronder het bemensen van de toegangspoort en het lopen of rijden van beveiligingspatrouilles, in enige mate zichtbaar zijn geweest. Zoals door eiser gesteld, is het ook mogelijk dat ASG-bewakers in aanraking zijn gekomen met familieleden van talibanverdachten bij de poort, dat zij zijn herkend terwijl zij boodschappen deden op de markt of door lokale taxichauffeurs wanneer zij met verlof gingen en dat familieleden en buurtgenoten uit hun streek van herkomst vermoedens hebben van hun werkzaamheden voor (buitenlandse) troepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich echter op het standpunt kunnen stellen dat dit onvoldoende is om te concluderen dat eiser en andere ASG-bewakers hoog profiel werkzaamheden hebben verricht in de zin van de Tolkenregeling. De rechtbank acht daarbij van belang dat er – in vergelijking met tolken – veel bewakers waren, die bovendien rouleerden voor wat betreft de werkzaamheden, welke werkzaamheden voornamelijk binnen het kamp plaatvonden en bovendien niet zichtbaar waren buiten het kamp.



Mate en aard van de gestelde bedreiging




7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie.




7.1.
Tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure heeft eiser verklaard dat hij geen concrete persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege zijn werkzaamheden en dat hij is ondergedoken vanwege door wat hij via anderen en door de Taliban verspreide propaganda heeft vernomen.



7.2.
In beroep heeft eiser verklaard dat hij nog steeds ondergedoken is en dat hij via familie, vrienden en kennissen hoort dat de Taliban naar hem op zoek is. Ook heeft eiser in beroep een kopie van een aanhoudingsbevel van de Afghaanse autoriteiten overgelegd. Hieruit volgt samengevat dat eiser voor de Nederlandse militaire missie heeft gewerkt, en hen bij operaties en invallen heeft geholpen en ondersteund en dat inwoners van Uruzgan daarover een klacht hebben ingediend.



7.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan dit stuk niet de waarde heeft hoeven hechten die eiser daaraan gehecht wil zien. Verweerder heeft toegelicht dat bekend is dat documenten op grote schaal worden vervalst in Afghanistan. In dit licht bezien heeft verweerder opmerkelijk mogen vinden dat eiser in zijn aanvulling van 26 april 2023 van het verzoek en in het bezwaarschrift heeft gesteld de Nederlandse militaire missie te hebben geholpen bij operaties en invallen; dat deze werkzaamheden ook staan vermeld op het aanhoudingsbevel, terwijl van dergelijke werkzaamheden, zo blijkt uit de overgelegde stukken, geen sprake kan zijn geweest. Daarbij komt dat eiser op de hoorzitting nog heeft verklaard nooit concrete persoonlijke problemen te hebben ervaren.



7.4.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er momenteel sprake is van een dreiging en dat die dreiging verband houdt met de door eiser verrichte werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie. Verweerder heeft de enkele verwijzing naar algemene landeninformatie, waaruit een risico op vervolging blijkt voor personen die werkzaam zijn geweest voor de buitenlandse troepen, onvoldoende kunnen vinden om de actuele individuele dreiging aannemelijk te maken. Daarbij komt dat eiser tijdens de hoorzitting heeft verklaard na de Nederlandse militaire missie, ook nog werkzaamheden te hebben verricht voor de Australische troepen, zodat niet vastgesteld kan worden of een eventuele dreiging, voortvloeit uit werkzaamheden die eiser voor de Nederlandse militaire missie heeft verricht



7.5.
Dat eiser stelt dat twee van zijn broers ook werkzaam waren als ASG-bewaker en dat één van hen in 2022 is vermoord door de Taliban en dat de andere broer wordt vermist sinds de machtsovername, maakt het voorgaande niet anders nu dit niet ziet op de eventuele dreiging die eiser persoonlijk ervaart.



Staat van het Consulaire




8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet voor overbrenging in aanmerking heeft hoeven laten komen op grond van de toezegging in de Staat van het Consulaire. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de betreffende passage in de Staat van het Consulaire moet worden gezien als beleid waaraan verweerder had moeten toetsen. In de betreffende passage is enkel het voornemen opgenomen om een aanvullende regeling tot stand te laten komen op grond waarvan een in omvang en tijd afgebakende groep Afghaanse bewakers die zich voor Nederland hebben ingezet voor overbrenging in aanmerking komen. Dat dit een voornemen betreft wordt ook ondersteund door de opmerking dat de modaliteiten nog nader moeten worden uitgewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit ook ondersteund door de overige stukken die door eiser ter onderbouwing zijn ingebracht. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat hij zich zou kunnen beroepen op de toezegging die is gedaan om een aanvullende regeling tot stand te laten komen. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat geen beroep kan worden gedaan op een toezegging van het kabinet aan de Tweede Kamer.






Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Kamerstukken II, 2023/24. 27925, nr. 961,


European Union Agency for Asylum (EUAA).


EUAA, Country Guidance Afghanistan, mei 2024.


UNHCR Guidance note on the international protection needs of people fleeing Afghanistan – Update I, februari 2023.


L. Dupuy, ‘Deze twee Afghanen werkten voor de Nederlandse krijgsmacht: nu leven ze ondergedoken’, 2 juli 2025, NRC Handelsblad.


De Staat van het Consulaire 2024, pagina’s 14 en 15.


In de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.


De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de speciale voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.


Werkafspraken tolken, te vinden via: https://open.overheid.nl/documenten/05768c10-ed82-4ece-80b5-def86652392b/file.


Zie het antwoord op vraag 11, van Kamerstukken II, 2020/21, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3805.


Zie bijvoorbeeld het antwoord bij vraag 11, van Kamerstukken II, 2014/15. 34000-X, nr. 10.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:129, r.o. 2.1., en van het Gerechtshof Den Haag van 4 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2256, r.o. 6.48 en van 26 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1314 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), r.o. 3.2.