Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27716

2026-02-09 Bestuursrecht SGR 25/2810
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-09
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/2810
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser heeft als ASG-bewaker voor de Nederlandse militaire missie gewerkt in Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht - verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie - eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen - beroep ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.416 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/2810


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen



[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),


en




de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigden: mr. M.M. van Asperen en mr. A.J.M. Zwiep).





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling.



1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 24 mei 2023 genomen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.



1.2.
Bij uitspraak van 19 april 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift naar verweerder doorgezonden. Met het bestreden besluit van 19 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Het beroep is gelijktijdig met de beroepen met zaaknummers SGR 25/2787, SGR 25/2808 en SGR 25/2798 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser heeft op 10 en 22 januari 2023 en op 23 februari 2023 verzocht om hem vanuit Afghanistan over te brengen naar Nederland. Eiser beroept zich op de Tolkenregeling, omdat hij in de periode 2007 tot 2010 als bewaker in dienst van het Afghaanse beveiligingsbedrijf Afghan Security Guard (hierna: ASG) heeft gewerkt voor de Nederlandse militaire missie in de provincie Uruzgan. Hij stelt als gevolg van deze werkzaamheden gevaar te lopen. Met het bestreden besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat niet is aangetoond dat eiser vanwege de werkzaamheden die hij destijds voor de Nederlandse militaire missie heeft verricht, een directe persoonlijke dreiging ervaart. De vraag die aan de rechtbank voorligt is of verweerder het verzoek van eiser om overbrenging naar Nederland op goede gronden heeft afgewezen.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder hanteert het verrichten van hoog-profiel werkzaamheden ten onrechte als een onmisbaar vereiste om in aanmerking te kunnen komen voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling. Bovendien verrichte eiser wel degelijk hoog-profielwerkzaamheden omdat hij extra zichtbaar was in de zin van de Tolkenregeling waardoor hij vereenzelvigd werd met de Nederlandse militaire missie. Eiser verwijst hierbij naar een verklaring van [naam 1] , plaatsvervangend commandant voor de Nederlandse missie in Uruzgan, en verklaringen van ASG-commandanten, [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft ten onrechte de positie paper niet betrokken bij de beoordeling. Aangezien ook ASG-bewakers op grond van de speciale voorziening zijn overgebracht staat vast dat ASG-bewakers in een voor het publiek zichtbare functie hebben gewerkt. Verweerder stelt ook ten onrechte dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden. Van eiser kan niet worden verwacht dat hij de bedreigingen onderbouwt met documenten. Wat eiser heeft verklaard over de bedreigingen is in lijn met openbare landeninformatie. Eiser verwijst hierbij naar het algemeen ambtsbericht van maart 2022, een brief van VluchtelingenWerk Nederland, een artikel in het NRC en rapporten van het EUAA en UNHCR. Verweerder wijst er ten onrechte op dat uit het algemeen ambtsbericht van juni 2023 volgt dat personen die met westerse troepen hebben samengewerkt niet meer als risico-categorie worden gekwalificeerd. De reden hiervoor was dat personen die binnen deze ruim omschreven groep vallen niet over één kam kunnen worden geschoren. Hieruit volgt niet dat de situatie voor ASG-bewakers veiliger zou zijn geworden. Uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, volgt bovendien dat in het geval van een discrepantie tussen een algemeen ambtsbericht en een door het EUAA opgestelde analyse of richtsnoer in beginsel aan dat laatstgenoemde meer gewicht toekomt. Ook stelt verweerder ten onrechte dat het oorzakelijk verband tussen de bedreigingen en de door eiser verrichte werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie niet is aangetoond nu er redelijkerwijs geen andere logische verklaring voorhanden is. Tot slot, is verweerder in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Wie kan een beroep doen op de Tolkenregeling?



4. Eiser doet een beroep op de Tolkenregeling. Die regeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie. Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Daarmee hebben de betrokken bestuursorganen de publieke taak aan zich getrokken om zich in te spannen voor de groep waarop die regeling ziet. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van de algemene wet bestuursrecht. Omdat er geen specifieke wettelijke grondslag bestaat, gaat het bij de Tolkenregeling om zogeheten buitenwettelijk begunstigend beleid. Bij het opstellen van zulk beleid heeft het kabinet veel beleids- en beoordelingsruimte. De rechtbank toetst dit beleid dan ook terughoudend.


4.1.
Het antwoord op de vraag wie een geslaagd beroep op de Tolkenregeling kan doen, moet worden gezocht in een combinatie van verschillende Kamerstukken. Volgens het kerndocument geldt de Tolkenregeling voor lokale medewerkers die voor een substantiële periode ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en als gevolg daarvan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. De aard van de werkzaamheden kan van invloed zijn op de aannemelijkheid dat iemand als gevolg daarvan bescherming nodig heeft. In beginsel wordt die kans hoger geacht bij ‘hoog profiel werkzaamheden’. Deze werkzaamheden dienen zodanig te zijn dat een medewerker regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse politiefunctionarissen in posities is gebracht, waar hij/zij werd extra zichtbaar en vereenzelvigd met de missie. Het is in principe aan degene die zich op de Tolkenregeling beroept om aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij of zij dergelijke werkzaamheden heeft verricht en daardoor op het moment van de beslissing om overbrenging persoonlijk gevaar loopt. Aan de personen die een beroep kunnen doen op de Tolkenregeling, worden dus eisen gesteld.





Kan eiser een geslaagd beroep doen op de Tolkenregeling?



5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet voor overbrenging in aanmerking komt op grond van de Tolkenregeling. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.



Hoog profiel werkzaamheden



6. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser stelt, uit het bestreden besluit niet volgt dat verweerder het verrichten van hoog profiel werkzaamheden hanteert als dwingend dan wel het enige criterium om in aanmerking te komen voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling. Verweerder heeft immers ook beoordeeld of eiser heeft aangetoond dat er sprake is van een actuele dreiging die gerelateerd is aan de verrichtte werkzaamheden voor de Nederlandse missie.



6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geen hoog profiel werkzaamheden heeft verricht. Verweerder heeft er daarbij op mogen wijzen dat de werkzaamheden van ASG-bewakers niet vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van tolken die wel als hoog profiel worden aangemerkt. Tolken vergezelden Nederlandse militaire commandanten of functionarissen in hun bezoeken aan lokale overheidsfunctionarissen en aan commandanten van de Afghan National Army (ANA) en hadden daarbij tot taak voor deze functionarissen te vertalen. Zij traden daarmee letterlijk op als 'spreekbuis' van de Nederlandse militairen. Met name in gesprekken met ANA-commandanten werd operationeel vertrouwelijke informatie besproken, waaronder tegen Taliban-strijders gerichte operaties. Tolken verplaatsten zich meestal samen met de Nederlandse militair in één voertuig en waardoor zij 'fysiek' gezamenlijk zichtbaar waren. Verder is van belang dat een zeer beperkt aantal tolken beschikbaar was per Nederlands militair hoofdkwartier wat impliceert dat een tolk regelmatig in die hoedanigheid kon worden waargenomen.



6.2.
De ASG was een Afghaans beveiligingsbedrijf dat in de periode 2006 tot en met 2010 beveiligingswerkzaamheden voor de kampementen van de Nederlandse eenheden verrichtte. De werkzaamheden van ASG-bewakers bestonden voornamelijk uit het bemensen van de toegangspoort en het controleren van identiteitsbewijzen van bezoekende (buitenlandse en Afghaanse) functionarissen en burgers, die het kamp om verschillende redenen wensten te bezoeken, het bemensen van de wachttorens en het lopen of met voertuigen rijden van beveiligingspatrouilles, om ongewenste bezoekers of andere bedreigingen te signaleren. Verder heeft verweerder tijdens de hoorzitting toegelicht dat in Kamp Hadrian dagelijks ongeveer 60 bewakers werkzaam waren en in Kamp Holland ongeveer 240 bewakers. Dit betrof dus een relatief grotere groep die bovendien rouleerde in werkzaamheden.



6.3.
Verder heeft verweerder erop gewezen dat de ASG-bewakers de meeste tijd doorbrachten op de wachttorens of binnen het kamp. Anders dan eiser stelt vindt de rechtbank in de verklaring van [naam 1] onvoldoende aanknopingspunten dat dit niet het geval was. Ook heeft verweerder erop gewezen dat de wachttorens zo waren ingericht dat ASG-bewakers de omgeving konden zien, maar niet zelf konden worden gezien. Tijdens die werkzaamheden waren ASG-bewakers dan ook niet zichtbaar. Verder heeft verweerder tijdens de hoorzitting verklaard dat ASG-bewakers uniformen droegen van ASG en reden in hun eigen voertuigen. Dat volgens de verklaringen van de ASG-commandanten ASG-bewakers in hun uniform boodschappen deden op de markt in het nabijgelegen dorp maakt daarom niet dat eiser daardoor werd vereenzelvigd met de Nederlandse missie. Ook hadden zij volgens verweerder niet van doen met eventueel door (Nederlandse) militairen aangehouden Taliban-verdachten.



6.4.
Onder verwijzing naar de verklaring van [naam 1] heeft eiser daarnaast gesteld dat ASG-bewakers samen met Nederlandse militairen hebben gevochten tegen de Taliban. Uit die verklaring volgt dat ASG-bewakers zorgden voor de fysieke bezetting van de tactische positie Roller Coaster Hill en dat ASG-bewakers terugvochten wanneer de Taliban Roller Coaster Hill aanviel en [naam 1] onmiddellijk informeerden. Ook wanneer Kamp Hadrian werd aangevallen door de Taliban met mortieren en raketten bleven ASG-bewakers hun positie op de wachttorens behouden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat Roller Coaster Hill een observatiepost was die was gelegen bij Kamp Hadrian waar ASG-bewakers bewakingswerkzaamheden uitvoerden. In geval van een aanval van de Taliban werd een speciale gevechtseenheid van de Nederlandse militaire missie naar de observatiepost gestuurd om terug te vechten. Dat ASG-bewakers hun positie behielden op de wachttorens tijdens een aanval maakt niet dat zij samen met Nederlandse militairen tegen de Taliban hebben gevochten. Bovendien heeft verweerder, zoals hiervoor overwogen, verklaard dat ASG-bewakers niet zichtbaar waren in de wachttorens van buitenaf.



6.5.
Nu uit de verklaring geen wezenlijk ander beeld volgt van de werkzaamheden van ASG-bewakers dan door verweerder geschetst, kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Ook is niet gebleken van een zorgvuldigheidsgebrek nu de verklaring aanwezig was in het door verweerder overgelegde procesdossier waardoor verweerder hier dus wel kennis van heeft genomen voor het nemen van het bestreden besluit. De opsteller van de genoemde verklaring concludeert tot een morele verantwoordelijkheid van verweerder voor de bewakers die daarbij daadwerkelijk gevaar liepen, maar dit is niet hetzelfde als een juridische plicht op grond van de Tolkenregeling om bewakers zoals eiser naar Nederland over te brengen.



6.6.
Niet is in geschil dat ASG-bewakers door bepaalde werkzaamheden, waaronder het bemensen van de toegangspoort en het lopen of rijden van beveiligingspatrouilles, in enige mate zichtbaar zijn geweest. Zoals door eiser gesteld, is het mogelijk dat ASG-bewakers in aanraking zijn gekomen met familieleden van Talibanverdachten bij de poort of dat zij zijn herkend door de Taliban terwijl zij boodschappen deden op de markt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich echter op het standpunt mogen stellen dat dit onvoldoende is om te concluderen dat eiser hoog profiel werkzaamheden heeft verricht in de zin van de Tolkenregeling.



Mate en aard van de gestelde bedreiging




7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een actuele dreiging als gevolg van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie.




7.1.
Eiser heeft verklaard dat hij de afgelopen jaren is bedreigd en dat zijn huis driemaal door de Taliban is doorzocht op zoek naar documenten waaruit blijkt dat hij voor de buitenlandse troepen heeft gewerkt. De laatste keer was drieënhalve maand voor de hoorzitting. Eiser is nooit gearresteerd. In beroep heeft eiser gesteld dat hij op dit moment ondergedoken is.



7.2.
Verweerder heeft van belang mogen achten dat eiser de gestelde bedreigingen niet heeft onderbouwd met stukken en dat hierdoor niet kan worden vastgesteld dat de bedreigingen hebben plaatsgevonden en het gevolg zijn van de door eiser verrichte werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat niet van hem verwacht mag worden dat hij de bedreigingen onderbouwt met stukken omdat het lastig is om authentieke documenten te verkrijgen vanwege de algemene situatie in Afghanistan. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het niet vereisen van enige individuele onderbouwing het onderscheid tussen de groep lokale medewerkers die hoog profiel werkzaamheden hebben verricht en de groep die deze werkzaamheden niet heeft verricht zinledig zou maken. Ook is daarbij van belang dat er sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid waarbij aan verweerder veel beleidsruimte toekomt. De omstandigheid dat het door de situatie in Afghanistan lastig is om bedreigingen met stukken te onderbouwen maakt daarom niet dat verweerder nu gehouden is om de gestelde bedreiging en de causale relatie tot de werkzaamheden voor de Nederlandse missie eerder aan te nemen. Anders dan eiser stelt, is het bestreden besluit dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel of het doel van de Tolkenregeling. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder de enkele verwijzing naar algemene landeninformatie waaruit een risico op vervolging blijkt voor personen die werkzaam zijn geweest voor de buitenlandse troepen onvoldoende mogen vinden om de individuele dreiging aannemelijk te maken.



Gelijkheidsbeginsel




8. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de ASG-bewakers waar eiser op heeft gewezen zijn overgebracht op grond van andere regelingen waarvoor andere voorwaarden gelden, namelijk de speciale voorziening van 11 oktober 2021. Een belangrijk verschil is dat bij deze regeling niet de eis van een acute en concrete bedreiging werd gesteld. Ook het vereiste van publieke zichtbaarheid zoals opgenomen in de speciale voorziening, kan niet gelijk worden gesteld met het vereiste van extra zichtbaarheid in de zin van de Tolkenregeling. Gelet hierop is geen sprake van gelijke gevallen.






Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder eisers verzoek tot overbrenging heeft kunnen afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



SGR 23/4018


Brief van de Ministers Buitenlandse Zaken en Defensie en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 oktober 2021, Kamerstukken II 2021/22, 27925, nr. 860.


VluchtelingenWerk Nederland, ‘Afghanistan – Risico voor ASG-bewakers van het Nederlandse leger in Uruzgan’, 21 juli 2025.


NRC Handelsblad, L. Dupuy, ‘Deze twee Afghanen werkten voor de Nederlandse krijgsmacht: nu leven ze ondergedoken’, 2 juli 2025.


EUAA, ‘Country Guidance Afghanistan’, mei 2024.


UNHCR Guidance note on the international protection needs of people fleeing Afghanistan – Update I, februari 2023.


Kamerstukken II 2023/24, 19 637, nr. 3198.


Zie de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1263.


In de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.


De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de speciale voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.


Werkafspraken tolken, te vinden via: https://open.overheid.nl/documenten/05768c10-ed82-4ece-80b5-def86652392b/file.


Zie het antwoord op vraag 11, van Kamerstukken II 2020/21, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3805.


Zie bijvoorbeeld het antwoord bij vraag 11, van Kamerstukken II 2014/15. 34000-X, nr. 10.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.