Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27698
Inhoudsindicatie
Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling - eiser beroept zich op de Tolkenregeling omdat hij als toeleverancier heeft gewerkt voor het Nederlandse Provincial Reconstruction Team van de Nederlandse militaire missie in de provincie Uruzgan, Afghanistan - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling omdat hij niet kan worden aangemerkt als een lokale medewerker die een substantiële periode werkzaamheden heeft verricht voor de Nederlandse militaire missie - de Tolkenregeling is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel- niet gebleken van omstandigheden waardoor verweerder overbrenging alsnog had moeten faciliteren - beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2024:1500 Raad van State 10-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:718 Raad van State 22-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:718 Raad van State 22-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.517 tekens)
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1416
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [land], eiser
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigden: mr. M.M. van Asperen en mr. A.J.M. Zwiep).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling.
1.2.
Verweerder heeft dit besluit op 12 juni 2024 genomen. Bij besluit van 23 januari 2025 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en het eerdere besluit gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Het is gelijktijdig met de beroepen bekend onder nummer SGR 25/1429, SGR 25/202 en SGR 25/780 behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser via een telefoonverbinding, zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder. Als tolk is verschenen A. Abdi.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 30 oktober 2022 en op 6 mei 2023 verzocht om hem vanuit Afghanistan over te brengen naar Nederland. Eiser beroept zich op de Tolkenregeling, omdat hij in de periode van 2004 tot en met 2006 werkzaam is geweest als toeleverancier voor het Nederlandse Provincial Reconstruction Team (hierna: het Nederlandse PRT). Eiser verrichte met name logistieke werkzaamheden, zoals het doen van inkopen en afleveren van goederen en materialen. Hij stelt als gevolg van deze werkzaamheden gevaar te lopen en bedreigd te worden door de Taliban. Met het bestreden besluit heeft verweerder deze verzoeken afgewezen omdat eiser niet kan worden aangemerkt als een ‘lokale medewerker’ in de zin van de Tolkenregeling. Evenmin is aangetoond dat sprake is van een dreigende situatie als gevolg van werkzaamheden die hij destijds voor de Nederlandse militaire missie heeft verricht. De vraag die aan de rechtbank voorligt is of verweerder het verzoek van eiser om overbrenging naar Nederland op goede gronden heeft afgewezen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser niet kan worden aangemerkt als lokale medewerker in de zin van de Tolkenregeling. Uit de Tolkenregeling volgt dat alle lokale Afghanen die minimaal vier maanden voor de Nederlandse militaire missie hebben gewerkt, een beroep hierop kunnen doen. Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser via een contractor werkzaam was en niet in een gezagsverhouding heeft gestaan tot de Nederlandse militairen. Uit de Tolkenregeling volgt niet dat een directe arbeidsverhouding is vereist. Dat PRT-medewerkers niet onder de Tolkenregeling vallen is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook kwalificeert eiser wel degelijk als hoog-profiel medeweker omdat de Taliban hem door zijn werkzaamheden zien als onderdeel van de missie. Het is onevenredig om daarvoor te vereisen dat eiser in een positie moet zijn gebracht waarin hij (extra) zichtbaar was en vereenzelvigd werd met de missie, omdat de Taliban spionnen inzette om te achterhalen wie voor buitenlandse strijdkrachten hebben gewerkt. Bovendien zijn hoog profiel werkzaamheden geen vereiste om in aanmerking te komen voor de Tolkenregeling. Verder heeft eiser wel degelijk aannemelijk gemaakt dat hij wordt bedreigd vanwege zijn werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie. Eiser heeft een arrestatiebevel ontvangen, zijn broer is mishandeld en zijn zoon is ontvoerd. In beroep heeft eiser ter onderbouwing foto’s overgelegd van aan hem gerichte brieven van de Taliban. Bovendien is het voor eiser onmogelijk om daadwerkelijk gevaar aan te tonen. Als dit zich manifesteert dan is het te laat. Het gevaar dat eiser loopt blijkt afdoende uit openbare landeninformatie. Tot slot is het onevenredig om aan eiser tegen te werpen dat hij niet het directe causale verband tussen de bedreigingen en de werkzaamheden kan aantonen, omdat hij ook voor het PRT Hongarije heeft gewerkt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Wie kan een beroep doen op de Tolkenregeling?
4. Eiser doet een beroep op de Tolkenregeling. Die regeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie. Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Daarmee hebben de betrokken bestuursorganen de publieke taak aan zich getrokken om zich in te spannen voor de groep waarop die regeling ziet. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat er geen specifieke wettelijke grondslag bestaat, gaat het bij de Tolkenregeling om zogeheten buitenwettelijk begunstigend beleid. Bij het opstellen van zulk beleid heeft het kabinet veel beleids- en beoordelingsruimte. De rechtbank toetst dit beleid dan ook terughoudend.
4.1.
Het antwoord op de vraag wie een geslaagd beroep op de Tolkenregeling kan doen, moet worden gezocht in een combinatie van verschillende Kamerstukken. Volgens het kerndocument geldt de Tolkenregeling voor lokale medewerkers die voor een substantiële periode ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en als gevolg daarvan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. De aard van de werkzaamheden kan van invloed zijn op de aannemelijkheid dat iemand als gevolg daarvan bescherming nodig heeft. In beginsel wordt die kans hoger geacht bij ‘hoog profiel werkzaamheden’. Deze werkzaamheden dienen zodanig te zijn dat een medewerker regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse politiefunctionarissen in posities is gebracht, waar hij/zij extra zichtbaar werd en vereenzelvigd met de missie. Het is in principe aan degene die zich op de Tolkenregeling beroept om aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij of zij dergelijke werkzaamheden heeft verricht en daardoor op het moment van de beslissing om overbrenging persoonlijk gevaar loopt. Aan de personen die een beroep kunnen doen op de Tolkenregeling, worden dus eisen gesteld.
Kan eiser een geslaagd beroep doen op de Tolkenregeling?
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet voor overbrenging in aanmerking komt op grond van de Tolkenregeling. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.
6. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser niet direct in dienst was van Nederland en niet op enige wijze opgenomen is geweest in de werkzaamheden van de Nederlandse militaire missie. Hij heeft direct noch indirect in een gezagsverhouding gestaan van functionarissen van de militaire missie en is slechts in opdracht, als zelfstandige handelaar, betrokken geweest bij de uitvoering van logistieke werkzaamheden, zoals het doen van inkopen en afleveren van goederen en materialen voor de Nederlandse en Hongaarse overheid.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee afdoende gemotiveerd dat eiser niet kan worden aangemerkt als een lokale medewerker die een substantiële periode werkzaamheden heeft verricht voor de Nederlandse militaire missie. Dat zijn werk in algemene zin mogelijk ten goede is gekomen aan Nederlandse militaire missie, is niet voldoende.
8. Nu uit het voorgaande volgt dat eiser geen substantiële werkzaamheden heeft verricht voor de Nederlandse militaire missie, heeft verweerder alleen al op grond daarvan kunnen concluderen dat eiser niet valt onder de Tolkenregeling. Verweerder mocht het verzoek om overbrenging dan ook afwijzen. De vraag of eiser op dit moment gevaar loopt, hoeft gelet op de cumulatieve vereisten die gelden geen bespreking.
9. Zoals hiervoor is overwogen, gaat het bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit beleid is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid en de begrenzing op wie het van toepassing is, in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder eiser niet in aanmerking heeft hoeven laten komen voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling.. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.
De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de speciale voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.
Werkafspraken tolken, te vinden via: https://open.overheid.nl/documenten/05768c10-ed82-4ece-80b5-def86652392b/file.
Zie het antwoord op vraag 11, van Kamerstukken II, 2020/21, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3805.
Zie bijvoorbeeld het antwoord bij vraag 11, van Kamerstukken II, 2014/15. 34000-X, nr. 10.
De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de speciale voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.