Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27675
Inhoudsindicatie
Wet WIA; naar aanleiding van de door de deskundige psychiater vastgestelde stoornis op de datum in geding, heeft de deskundige verzekeringsarts aanvullende beperkingen in de FML aangenomen, onder meer op item 1.4. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft laatstgenoemde beperking echter niet overgenomen. Het argument dat dit voor de functieduiding blokkerend is, is geen medische maar een arbeidsdeskundige overweging. De rechtbank volgt het oordeel van de deskundige. Nu het Uwv ten onrechte geen beperking op item 1.4 van de FML heeft opgenomen, berust het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag. Beroep gegrond. Het Uwv moet opnieuw beslissen op het bezwaar. Toekenning schadevergoeding overschrijding redelijke termijn.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CRVB:2017:3822 Centrale Raad van Beroep 03-11-2017
- ECLI:NL:CRVB:2021:1530 Centrale Raad van Beroep 24-06-2021
- ECLI:NL:CRVB:2019:1924 Centrale Raad van Beroep 12-06-2019
- ECLI:NL:CRVB:2025:1276 Centrale Raad van Beroep 30-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.782 tekens)
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5037
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. I.G.M. van Gorkum,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
gemachtigde: [gemachtigde].
Samenvatting
1. Eiser ontvangt een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid die door het Uwv in bezwaar is vastgesteld op 71,15%. In deze uitspraak staat centraal de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser die het Uwv heeft vastgesteld.
1.1.
Eiser vindt dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft dan wel dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen dan door het Uwv is gedaan. Hij betwist de medische en arbeidsdeskundige grondslag van het besluit op bezwaar.
1.2.
Aan de hand van de beroepsgronden die eiser tegen het besluit op bezwaar heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid daarvan. Daarbij betrekt de rechtbank ook de deskundigenrapporten van de onderzoeken die door een onafhankelijk psychiater en verzekeringsarts in opdracht van de rechtbank zijn verricht.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit op bezwaar berust op een onvolledige medische en arbeidsdeskundige grondslag. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.
Procesverloop
2. Met het besluit van 13 december 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv de WGA-vervolguitkering van eiser vanaf 1 maart 2023 aangepast naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 54,76%.
2.1.
Met het besluit op bezwaar van 19 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dit percentage per 1 november 2022 nader vastgesteld op 71,15%.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft in aanvulling daarop rapporten van de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd van respectievelijk 24 en 31 augustus 2023.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2024 op zitting behandeld en heeft het onderzoek geschorst om een psychiater als deskundige te benoemen. Deze deskundige heeft op 24 november 2024 een definitief rapport uitgebracht. Partijen hebben schriftelijk hun zienswijzen op het deskundigenrapport kenbaar gemaakt. Bij de zienswijze van het Uwv is gevoegd een medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 januari 2025.
2.5.
De rechtbank heeft nadien aanleiding gezien om ook een verzekeringsarts als deskundige te benoemen voor aanvullend onderzoek. Deze deskundige heeft op 2 juli 2025 een definitief rapport uitgebracht. Partijen hebben schriftelijk hun zienswijzen op het deskundigenrapport naar voren gebracht. Bij de zienswijze van het Uwv is gevoegd een medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 augustus 2025.
2.6.
De deskundige verzekeringsarts heeft bij brief van 7 oktober 2025 gereageerd op de zienswijzen van eiser en het Uwv op zijn rapport van 2 juli 2025.
2.7.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 4 februari 2026. Het onderzoek is toen opnieuw geschorst om nadere stukken aan de beide deskundigen voor te leggen. Bij brieven van 9 en 11 juni 2026 hebben de deskundigen hierop gereageerd.
2.8.
Nadat geen der partijen binnen de daartoe door de rechtbank gestelde termijn te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 13 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
3. Eiser was voor gemiddeld 40,90 uur per week werkzaam als kraanmachinist en allround werfmedewerker bij een metaalrecyclingbedrijf, toen hij zich op 14 november 2018 wegens medische belemmeringen arbeidsongeschikt meldde. Na afloop van de wachttijd kende het Uwv hem met het toekenningsbesluit van 13 oktober 2020 vanaf 12 november 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toe tot en met 11 november 2022, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55,36%. Vanwege een verslechtering van zijn gezondheid per 9 augustus 2022 vroeg eiser op 1 november 2022 een herbeoordeling aan. Terwijl het Uwv de loongerelateerde uitkering van eiser per 12 november 2022 omzette in een WGA-vervolguitkering, heeft de herbeoordeling geleid tot het primaire besluit.Besluitvorming
Het primaire besluit
4.1.
Het primaire besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig rapport van 17 november 2022 en een arbeidsdeskundig rapport van 30 november 2022. De primaire verzekeringsarts heeft eiser op een spreekuur onderzocht en vastgesteld dat hij als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek diverse beperkingen ondervindt. Deze zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 november 2022. Hoewel de verzekeringsarts de urenrestrictie van 6 uur per dag en maximaal 30 uur per week met regelmatige werktijden heeft gehandhaafd, zijn er meer beperkingen aangenomen dan in de FML van 7 oktober 2020 die ten grondslag ligt aan het toekenningsbesluit. Op basis van deze gewijzigde belastbaarheid heeft de arbeidsdeskundige eiser niet geschikt geacht voor zijn maatgevende arbeid, maar wel voor drie geselecteerde functies. Het hiermee te verdienen loon resulteert, afgezet tegen het maatmanloon, in een verlies aan verdiencapaciteit van 54,76%.
Het bestreden besluit
4.2.
Het bestreden besluit berust op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juni 2023 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 juni 2023. Op basis van de hoorzitting, eigen onderzoek en informatie van de behandelend sector heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende beperkingen opgenomen in een nieuwe FML van 1 juni 2023, waaronder een arbeidsduur van twintig uur per week en vier uur per dag. Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 augustus 2022 nader vastgesteld op 71,15%.
Standpunten van partijen
Standpunt van eiser
5.
5.1.
Eiser vindt dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft, dan wel dat in de FML meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Volgens hem zijn er ten onrechte geen beperkingen opgenomen onder de rubriek ‘Persoonlijk functioneren’ (items 1.1 tot en met 1.7) voor zijn concentratieproblemen en snelle ontregeling. Het medisch onderzoek is volgens hem onzorgvuldig omdat het Uwv geen informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector. Over de arbeidsdeskundige beoordeling voert eiser aan dat de geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschrijden en daarom ongeschikt zijn. Voor de functie huishoudelijk medewerker met SBC-code 372060 geldt dat contact met patiënten te belastend is. Daarnaast mag de functie met SBC-code 111180 niet worden meegenomen, omdat de actualisatiedatum, 12 oktober 2020, te ver in het verleden ligt. Tot slot verzoekt hij om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van het Uwv
5.2.
Het Uwv handhaaft het bestreden besluit en verwijst naar de overgelegde rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Het Uwv stelt dat de medische informatie geen aanleiding vormt voor een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Met de psychische klachten van eiser en diens persoonlijkheidsstoornis is preventief voldoende rekening gehouden door het aannemen van een urenbeperking en het aannemen van beperkingen ten aanzien van stress en externe druk. Wat betreft de knieklachten is de belasting in de geduide functies (zoals het staan) passend en is er geen medische grond voor aanvullende beperkingen. Het Uwv weerspreekt dat de geduide functies de belastbaarheid overschrijden. Nu in de FML geen beperkingen zijn opgenomen voor het vasthouden of verdelen van de aandacht (items 1.1 en 1.2), vormen de concentratie-eisen in de functies geen overschrijding. Specifiek over de functie huishoudelijk medewerker (SBC-code 372060) voert het Uwv aan dat er geen sprake is van een hectische werkomgeving; het contact met patiënten is louter oppervlakkig en vereist geen hantering van emotionele problemen. Tot slot is de functie binnen SBC-code 111180 in september 2022 heronderzocht en daarmee voldoende actueel.
Deskundigenonderzoeken
De deskundige psychiater
6.
6.1.
Uit het rapport van de deskundige psychiater, dr. [naam 1], van 12 december 2024 blijkt dat hij eiser heeft onderzocht, een heteroanamnese heeft afgenomen en aanvullende informatie heeft opgevraagd bij behandelaren en de huisarts. Hij heeft vastgesteld dat bij eiser sprake is van schizotypische persoonlijkheidsproblematiek. De persoonlijkheidsstoornis is ernstig en wordt gekenmerkt door een vermindering van de realiteitstoetsing, sociale onthechting, verward denken en spreken en het ervaren van spanning en somberheid. Rondom de datum in geding, 9 augustus 2022 dan wel 12 november 2022, moet sprake zijn geweest van een gelijksoortig toestandsbeeld. Eiser vertoont een overmatige gerichtheid op de eigen binnenwereld, met formele denkstoornissen die leiden tot een verstoorde en enigszins chaotische gedachtegang. Daarnaast is er sprake van afwijkende waarnemingen en inhoudelijke denkstoornissen die het handelen in sterke mate beïnvloeden, wat wijst op een verminderd vermogen tot realiteitstoetsing. Deze kenmerken zijn passend bij schizotypie en waren waarschijnlijk ook aanwezig op de relevante data. Eiser lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis, gekenmerkt door een aanzienlijk verminderd vermogen tot realiteitstoetsing, wat kan fluctueren en afneemt onder druk. Dit leidt tot ernstige beperkingen in het sociale functioneren.
De deskundige verzekeringsarts
6.2.
De deskundige verzekeringsarts, drs. [naam 2], heeft zijn onderzoek gebaseerd op dossiergegevens en een onderzoek van eiser. In zijn rapport van 22 juli 2025 heeft de deskundige verzekeringsarts geconcludeerd dat eiser op 9 augustus 2022 dan wel 12 november 2022 wel benutbare mogelijkheden had. De reeds gestelde urenbeperking van 4 uur per dag, 20 uur per week acht de deskundige verzekeringsarts adequaat voor de ernst van de klachten. Wel ziet de deskundige verzekeringsarts aanleiding om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML van 1 juni 2023 is gedaan. Eiser is beperkt op de items 1.4 (inzicht in eigen kunnen in het dagelijkse leven) en 2.7 (eigen gevoelens uiten). Tot slot is eiser sterk beperkt op item 2.6 (emotionele problemen van anderen hanteren). Een belangrijk deel van de huidige beperkingen vloeit voort uit een tijdelijke toename van klachten bij een onderliggende persoonlijkheidsstoornis.
Oordeel van de rechtbank
7. De vraag die in deze zaak centraal staat is of het Uwv per de datum in geding de beperkingen van eiser voor het verrichten van arbeid juist heeft vastgesteld.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dat oordeel af te wijken. Het is namelijk bij uitstek de taak van de deskundige om bij verschil van inzicht tussen partijen over de medische beperkingen een (in principe) beslissend advies te geven.
7.2.
De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op het rapport van de deskundige verzekeringsarts heeft aangevoerd dat een beperking op item 1.4 niet aan de orde is, omdat bij eiser sprake is van fluctuerende randpsychotische kenmerken. De rechtbank ziet in hetgeen het Uwv heeft aangevoerd echter geen aanleiding om af te wijken van het medische oordeel van de benoemde deskundige. De deskundige verzekeringsarts heeft immers, in navolging van de deskundige psychiater, inzichtelijk gemotiveerd dat de schizotypische persoonlijkheidsstoornis van eiser als (zeer) ernstig moet worden gekwalificeerd. De deskundige heeft daarbij inzichtelijk uiteengezet dat voor het aannemen van deze beperking volgens het medisch beoordelingskader een verminderde realiteitstoetsing volstaat, en dat een volledige afwezigheid daarvan niet is vereist. De rechtbank kan deze medische motivering van de deskundige volgen. Dat eiser in zijn gedrag corrigeerbaar is en dat het Uwv in navolging van de deskundige verzekeringsarts in beroep nu wel beperkingen heeft opgenomen onder de items 2.6 en 2.7, doet niet af aan de door de deskundige vastgestelde verminderde realiteitstoetsing en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot het aannemen van een beperking op item 1.4.
7.3.
Voor zover de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat item 1.4 niet kan worden gescoord omdat dit een voor functieduiding ‘blokkerende’ beperking zou zijn, slaagt dit argument niet. De deskundige verzekeringsarts heeft er terecht op gewezen dat een dergelijke uitkomst volgens de systematiek van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) niet leidend mag zijn bij de verzekeringsgeneeskundige vaststelling van beperkingen. Het is vaste rechtspraak dat het de uitsluitende taak van de verzekeringsarts van het Uwv is om de beperkingen van verzekerden in kaart te brengen en vast te leggen in een FML. De daaruit voortvloeiende vraag of er nog functies kunnen worden geduid, is een arbeidsdeskundige beoordeling. Overigens sluit het CBBS het duiden van functies bij een beperking op item 1.4 ook niet categorisch uit. Nu de deskundige verzekeringsarts de medische noodzaak voor de beperking op item 1.4 deugdelijk heeft onderbouwd, mocht de eventuele arbeidsdeskundige consequentie voor de functieduiding voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden zijn om deze beperking achterwege te laten of anders in te vullen.
7.4.
De rapporten van de deskundige psychiater en de deskundige verzekeringsarts geven naar het oordeel van de rechtbank blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn consistent en inzichtelijk gemotiveerd. Beide deskundigen hebben eiser persoonlijk onderzocht. De deskundige psychiater heeft bovendien medische informatie bij de behandelende sector ingewonnen, en de deskundige verzekeringsarts heeft deze bevindingen kenbaar betrokken bij de vertaalslag naar de FML. Nu ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van het medische oordeel van de benoemde deskundigen af te wijken, volgt de rechtbank de conclusies uit de deskundigenrapporten. Dit betekent dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust.
7.5.
Nu het medische oordeel van de deskundige verzekeringsarts wordt gevolgd, staat vast dat het Uwv ten onrechte geen beperking heeft opgenomen op item 1.4 van de FML. Omdat de geduide functies zijn geselecteerd op basis van een FML waarin deze beperking ontbreekt, kan de huidige arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit evenmin standhouden. Het Uwv zal een nieuwe FML moeten opstellen met inachtneming van de door de deskundige vastgestelde beperking op item 1.4. Vervolgens dient een arbeidsdeskundige opnieuw te beoordelen of de eerder geduide functies, dan wel andere functies, met deze gewijzigde FML nog voor eiser passend zijn en wat dit betekent voor de mate van arbeidsongeschiktheid per de datum in geding.
Overschrijding van de redelijke termijn
8. Eiser verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
8.1.
De behandeling door de rechtbank is niet binnen een redelijke termijn geweest, als de uitspraak niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Als de redelijke termijn is overschreden, dan moet deze in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien de behandeling in beroep langer dan anderhalf jaar heeft geduurd, dan komt de periode waarmee de behandelingsduur in beroep is overschreden voor rekening van de Staat. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden passend.
8.2.
Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 16 januari 2023 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure, afgerond naar boven, in totaal 45 maanden geduurd. In de zaak zelf en in de opstelling van eiser zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met 21 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000,-.
8.3.
De behandeling van het bezwaar heeft van de ontvangst van het bezwaarschrift op 16 januari 2023 tot het besluit op bezwaar van 19 juni 2023, ruim vijf maanden geduurd. De redelijke termijn in bezwaar van zes maanden is dus niet overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig toe te rekenen aan de Staat.
8.4.
Omdat het bedrag aan schadevergoeding onder de € 5.000,- blijft, bestaat er gelet op de beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 geen aanleiding om de Staat in de gelegenheid te stellen verweer te voeren.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, nu dit op een onjuiste medische en arbeidsdeskundige grondslag berust.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat het Uwv de FML dient aan te passen conform het oordeel van de deskundige verzekeringsarts en vervolgens een nieuwe arbeidsdeskundige beoordeling moet verrichten. De rechtbank geeft het Uwv hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.269,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 × 0,5 punt voor het kenbaar maken van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
9.3.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) wordt daarom veroordeeld tot betaling aan eiser van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,-.
9.4.
Eiser heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor 0,5 (licht) en een waarde per punt van € 934,-). Aangezien de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, moet de Staat deze vergoeding geheel aan eiser betalen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het Uwv op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) om aan eiser een schadevergoeding van € 2.000,- te betalen;
bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 50,- aan eiser vergoedt;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.269,-;
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3822.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1530.
Zie de uitspraak van de CRvB van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1924.
Zie de uitspraak van de CRvB van 30 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1276.
Staatscourant 2014, 20210.