Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27655
2026-09-04
Bestuursrecht
SGR 24/9798
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOO - gegrond
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:1066 Raad van State 13-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.506 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9798 Woo
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), verweerder
(gemachtigden: mr. W.E. Pors en [gemachtigde]).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 1 oktober 2024 een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Verweerder heeft op 30 oktober 2024 op het Woo-verzoek beslist en daarbij abusievelijk vermeld dat eiser beroep kan instellen bij de rechtbank.
1.2.
Op 26 november 2024 heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft op 31 december 2024 een verweerschrift ingediend.
1.3.
Verder heeft verweerder eisers beroep als bezwaarschrift in behandeling genomen. Bij bestreden besluit van 5 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Dit besluit maakt van rechtswege deel uit van de procedure.
1.4.
Op 9 april 2025 heeft eiser hierop gereageerd met beroepsgronden. Op 23 april 2025 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
1.6.
Op 30 juli 2026 heeft eiser een nadere reactie ingediend. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Aanleiding voor het Woo-verzoek van eiser is dat de begroting van de stichting Kwaliteitsfonds Notariaat niet de structuur van de Wna volgt. Eiser mist behoorlijke specificaties en duidelijke omschrijvingen van de kostenposten. In de kern vraagt eiser alle onderliggende documenten van het jaarverslag en de jaarrekening van 2023.
Wat heeft verweerder beslist?
3. Bij bestreden besluit van 5 maart 2025 stelt verweerder zich op het standpunt dat bij het besluit van 30 oktober 2024 alle gevraagde en beschikbare documenten zijn meegestuurd. Verweerder heeft het bezwaar daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat aan dat verweerder niet alle beschikbare documenten openbaar heeft gemaakt. Eiser vraagt om onderliggende stukken van het jaarverslag en de jaarrekening over 2023. Ook vraagt eiser om uitsplitsingen, precisering en uitleg van een aantal posten op de jaarrekening.
Wat vindt verweerder?
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alle gevraagde documenten openbaar zijn gemaakt. Verder vraagt eiser om toelichtingen en om documenten op te stellen, maar hiertoe is verweerder niet gehouden volgens de Woo. Voor zover eiser zijn verzoek heeft uitgebreid, wijst verweerder er op dat dit niet mogelijk is in bezwaar en beroep. Verder zijn veel argumenten van eiser in wezen commentaar op het beleid van verweerder. De Woo is geen kapstop om die discussie aan te gaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Eiser heeft op zitting aangegeven dat hij alleen documenten vraagt over de jaarrekening van 2023. Daarbij heeft eiser in hoofdstuk IV van zijn Woo-verzoek een uitsplitsing gemaakt. Op zitting heeft eiser aangegeven dat hij onder paragrafen IV-5 tot en met IV-7 en IV-12 tot en met IV-13 niet om documenten heeft verzocht. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat wat onder IV-16 wordt gevraagd, al eerder in het Woo-verzoek is gevraagd. De rechtbank zal daarom op deze paragrafen verder niet ingaan.
Samenvatting van eisers verzoeken
6.1.
Onder IV-1 verzoekt eiser om een inzichtelijke opstelling van alle baten en lasten. De rechtbank stelt vast dat eiser inmiddels de jaarrekening over 2023 ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aan dit punt voldaan.
6.2.
Onder IV-2 verzoekt eiser naar een verschil van 3050 euro. Onder de post “Baten, akten kwaliteitsfonds” staat een bedrag van 14.263.204. Volgens eisers eigen berekening van 1.734.812 akten maal 8,22 euro per akte, zou hier een bedrag van 14.260.154 moeten staan. Eiser verzoekt om documenten die ten grondslag liggen aan dit verschil van 3050 euro.
6.3.
Onder IV-3 verzoekt eiser om een uitsplitsing van de posten “Baten en lasten voorzieningen” en “Kosten tucht en toezicht” op de jaarrekening van de SKN. Van de “Kosten tucht en toezicht” verzoekt eiser om een specificatie van de kosten voor toezicht en uitoefening van het toezicht.
6.4.
Onder IV-4 verzoekt eiser ten aanzien van de post Algemene kosten om een volledige specificatie van de onder die post genoemde (17 in aantal) posten.
6.5.
Onder IV-8 verzoekt eiser een uitsplitsing van de kosten die worden gemaakt in het kader van toezicht en in het kader van de uitoefening van tuchtrecht.
6.6.
Onder IV-9 verzoekt eiser om openbaarmaking van een heldere, gespecificeerde beantwoording van kosten inzake 1) probleemprotocollen, 2) compensatie van tekorten op derdengelden, 3) de kosten van toezicht en 4) de kosten van uitoefening van het tuchtrecht.
6.7.
Onder IV-10 verzoekt eiser om een “uiteenrafeling” van de algemene kosten. Eiser heeft de gevraagde kostenposten uiteengezet in een opsomming a.) tot en met h.).
6.8.
Onder IV-11 verzoekt eiser om een specificatie van de overheadkosten. Ook wordt gevraagd welke externe kosten van juridisch advies en/of bijstand zijn gemaakt.
6.9.
Onder IV-14 vraagt eiser welke informatieve documentatie ten grondslag ligt aan de kostenpost “Begeleidingskosten KNB.”
6.10.
Onder IV-15 verzoekt eiser om overlegging van documenten over een algehele herordening van de kostenposten.
6.11.
Onder IV-17 verzoekt eiser om een toelichting en/of specificatie van de post “Debiteuren”.
6.12.
Onder IV-18 doet eiser de suggestie aan verweerder om een meerjarig overzicht samen te stellen. Voor zover zo’n overzicht al bestaat, verzoekt eiser om openbaarmaking daarvan.
6.13.
Aan het eind van het Woo-verzoek staat dat bij elk in het verzoek aangesneden onderdeel om overlegging van vastgelegde gegevens wordt verzocht.
Beoordeling door de rechtbank.
7. De rechtbank stelt voorop dat een verzoek op grond van de Woo gaat over openbaarmaking van reeds bestaande documenten. Daarbij is een bestuursorgaan niet verplicht tot het genereren van nieuwe documenten. Er geldt in zoverre geen vervaardigingsplicht voor het bestuursorgaan. Er geldt ook geen bewerkingsplicht.
7.1.
Ten aanzien van IV-1 oordeelt de rechtbank dat eiser inmiddels de jaarrekening over 2023 heeft ontvangen. Daarmee heeft verweerder aan dit verzoek voldaan. Voor zover eiser wil dat verweerder nieuwe documenten vervaardigt, valt dit verzoek buiten de omvang van de Woo. Daarnaast vallen ook de verzoeken om uitleg buiten het kader van de Woo. De Woo gaat immers over openbaarmaking van bestaande documenten.
8. Eiser heeft in beroep verduidelijkt dat het verzoek om specificatie en uitsplitsing ook moet worden begrepen als een verzoek om de onderliggende facturen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit pas in beroep voor het eerst wordt aangevoerd. Eiser heeft op zitting verwezen naar punt IV-3, onder c, van het Woo-verzoek, waarbij wordt verzocht om specificatie per kostenpost. Ook staat er dat:
“Hier wordt gevraagd naar opgaaf van welke bedragen door het Ministerie van JenV inzake 2023 in rekening zijn gebracht en welke daarvan in de jaarrekening 2023 van het K-fonds zijn verwerkt, afzonderlijk te benoemen: […]”
8.1.
Daar komt bij dat aan het eind van het Woo-verzoek staat dat bij elk in het verzoek aangesneden onderdeel om overlegging van vastgelegde gegevens wordt verzocht.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder het verzoek ten onrechte slechts heeft opgevat als een verzoek onder IV-1. Daarmee kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal daarom het besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. Daarin zal verweerder een nieuwe beslissing moeten nemen waarin hij uitlegt wat hij verstaat onder uitsplitsingen en specificaties. Ook voor zover uitdrukkelijk verzocht is om facturen en overlegging van vastgelegde gegevens zal verweerder dit in een nieuw besluit moeten betrekken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd vanwege strijd met het motiveringsbeginsel, artikel 3:46 in samenhang met artikel 7:12 van de Algemene wet Bestuursrecht. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden. De reiskosten van eiser hoeft verweerder niet te vergoeden, omdat verweerder al is veroordeeld die te vergoeden bij uitspraak in de zaak met zaaknummer SGR 24/9284.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 187,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1066 r.o. 9.
Kamerstukken II 2013/14, 33 328, nr. 9, p. 69.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9798 Woo
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), verweerder
(gemachtigden: mr. W.E. Pors en [gemachtigde]).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 1 oktober 2024 een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Verweerder heeft op 30 oktober 2024 op het Woo-verzoek beslist en daarbij abusievelijk vermeld dat eiser beroep kan instellen bij de rechtbank.
1.2.
Op 26 november 2024 heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft op 31 december 2024 een verweerschrift ingediend.
1.3.
Verder heeft verweerder eisers beroep als bezwaarschrift in behandeling genomen. Bij bestreden besluit van 5 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Dit besluit maakt van rechtswege deel uit van de procedure.
1.4.
Op 9 april 2025 heeft eiser hierop gereageerd met beroepsgronden. Op 23 april 2025 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
1.6.
Op 30 juli 2026 heeft eiser een nadere reactie ingediend. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Aanleiding voor het Woo-verzoek van eiser is dat de begroting van de stichting Kwaliteitsfonds Notariaat niet de structuur van de Wna volgt. Eiser mist behoorlijke specificaties en duidelijke omschrijvingen van de kostenposten. In de kern vraagt eiser alle onderliggende documenten van het jaarverslag en de jaarrekening van 2023.
Wat heeft verweerder beslist?
3. Bij bestreden besluit van 5 maart 2025 stelt verweerder zich op het standpunt dat bij het besluit van 30 oktober 2024 alle gevraagde en beschikbare documenten zijn meegestuurd. Verweerder heeft het bezwaar daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat aan dat verweerder niet alle beschikbare documenten openbaar heeft gemaakt. Eiser vraagt om onderliggende stukken van het jaarverslag en de jaarrekening over 2023. Ook vraagt eiser om uitsplitsingen, precisering en uitleg van een aantal posten op de jaarrekening.
Wat vindt verweerder?
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alle gevraagde documenten openbaar zijn gemaakt. Verder vraagt eiser om toelichtingen en om documenten op te stellen, maar hiertoe is verweerder niet gehouden volgens de Woo. Voor zover eiser zijn verzoek heeft uitgebreid, wijst verweerder er op dat dit niet mogelijk is in bezwaar en beroep. Verder zijn veel argumenten van eiser in wezen commentaar op het beleid van verweerder. De Woo is geen kapstop om die discussie aan te gaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Eiser heeft op zitting aangegeven dat hij alleen documenten vraagt over de jaarrekening van 2023. Daarbij heeft eiser in hoofdstuk IV van zijn Woo-verzoek een uitsplitsing gemaakt. Op zitting heeft eiser aangegeven dat hij onder paragrafen IV-5 tot en met IV-7 en IV-12 tot en met IV-13 niet om documenten heeft verzocht. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat wat onder IV-16 wordt gevraagd, al eerder in het Woo-verzoek is gevraagd. De rechtbank zal daarom op deze paragrafen verder niet ingaan.
Samenvatting van eisers verzoeken
6.1.
Onder IV-1 verzoekt eiser om een inzichtelijke opstelling van alle baten en lasten. De rechtbank stelt vast dat eiser inmiddels de jaarrekening over 2023 ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aan dit punt voldaan.
6.2.
Onder IV-2 verzoekt eiser naar een verschil van 3050 euro. Onder de post “Baten, akten kwaliteitsfonds” staat een bedrag van 14.263.204. Volgens eisers eigen berekening van 1.734.812 akten maal 8,22 euro per akte, zou hier een bedrag van 14.260.154 moeten staan. Eiser verzoekt om documenten die ten grondslag liggen aan dit verschil van 3050 euro.
6.3.
Onder IV-3 verzoekt eiser om een uitsplitsing van de posten “Baten en lasten voorzieningen” en “Kosten tucht en toezicht” op de jaarrekening van de SKN. Van de “Kosten tucht en toezicht” verzoekt eiser om een specificatie van de kosten voor toezicht en uitoefening van het toezicht.
6.4.
Onder IV-4 verzoekt eiser ten aanzien van de post Algemene kosten om een volledige specificatie van de onder die post genoemde (17 in aantal) posten.
6.5.
Onder IV-8 verzoekt eiser een uitsplitsing van de kosten die worden gemaakt in het kader van toezicht en in het kader van de uitoefening van tuchtrecht.
6.6.
Onder IV-9 verzoekt eiser om openbaarmaking van een heldere, gespecificeerde beantwoording van kosten inzake 1) probleemprotocollen, 2) compensatie van tekorten op derdengelden, 3) de kosten van toezicht en 4) de kosten van uitoefening van het tuchtrecht.
6.7.
Onder IV-10 verzoekt eiser om een “uiteenrafeling” van de algemene kosten. Eiser heeft de gevraagde kostenposten uiteengezet in een opsomming a.) tot en met h.).
6.8.
Onder IV-11 verzoekt eiser om een specificatie van de overheadkosten. Ook wordt gevraagd welke externe kosten van juridisch advies en/of bijstand zijn gemaakt.
6.9.
Onder IV-14 vraagt eiser welke informatieve documentatie ten grondslag ligt aan de kostenpost “Begeleidingskosten KNB.”
6.10.
Onder IV-15 verzoekt eiser om overlegging van documenten over een algehele herordening van de kostenposten.
6.11.
Onder IV-17 verzoekt eiser om een toelichting en/of specificatie van de post “Debiteuren”.
6.12.
Onder IV-18 doet eiser de suggestie aan verweerder om een meerjarig overzicht samen te stellen. Voor zover zo’n overzicht al bestaat, verzoekt eiser om openbaarmaking daarvan.
6.13.
Aan het eind van het Woo-verzoek staat dat bij elk in het verzoek aangesneden onderdeel om overlegging van vastgelegde gegevens wordt verzocht.
Beoordeling door de rechtbank.
7. De rechtbank stelt voorop dat een verzoek op grond van de Woo gaat over openbaarmaking van reeds bestaande documenten. Daarbij is een bestuursorgaan niet verplicht tot het genereren van nieuwe documenten. Er geldt in zoverre geen vervaardigingsplicht voor het bestuursorgaan. Er geldt ook geen bewerkingsplicht.
7.1.
Ten aanzien van IV-1 oordeelt de rechtbank dat eiser inmiddels de jaarrekening over 2023 heeft ontvangen. Daarmee heeft verweerder aan dit verzoek voldaan. Voor zover eiser wil dat verweerder nieuwe documenten vervaardigt, valt dit verzoek buiten de omvang van de Woo. Daarnaast vallen ook de verzoeken om uitleg buiten het kader van de Woo. De Woo gaat immers over openbaarmaking van bestaande documenten.
8. Eiser heeft in beroep verduidelijkt dat het verzoek om specificatie en uitsplitsing ook moet worden begrepen als een verzoek om de onderliggende facturen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit pas in beroep voor het eerst wordt aangevoerd. Eiser heeft op zitting verwezen naar punt IV-3, onder c, van het Woo-verzoek, waarbij wordt verzocht om specificatie per kostenpost. Ook staat er dat:
“Hier wordt gevraagd naar opgaaf van welke bedragen door het Ministerie van JenV inzake 2023 in rekening zijn gebracht en welke daarvan in de jaarrekening 2023 van het K-fonds zijn verwerkt, afzonderlijk te benoemen: […]”
8.1.
Daar komt bij dat aan het eind van het Woo-verzoek staat dat bij elk in het verzoek aangesneden onderdeel om overlegging van vastgelegde gegevens wordt verzocht.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder het verzoek ten onrechte slechts heeft opgevat als een verzoek onder IV-1. Daarmee kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal daarom het besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. Daarin zal verweerder een nieuwe beslissing moeten nemen waarin hij uitlegt wat hij verstaat onder uitsplitsingen en specificaties. Ook voor zover uitdrukkelijk verzocht is om facturen en overlegging van vastgelegde gegevens zal verweerder dit in een nieuw besluit moeten betrekken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd vanwege strijd met het motiveringsbeginsel, artikel 3:46 in samenhang met artikel 7:12 van de Algemene wet Bestuursrecht. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden. De reiskosten van eiser hoeft verweerder niet te vergoeden, omdat verweerder al is veroordeeld die te vergoeden bij uitspraak in de zaak met zaaknummer SGR 24/9284.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 187,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1066 r.o. 9.
Kamerstukken II 2013/14, 33 328, nr. 9, p. 69.