Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27649

2026-09-16 Civiel recht C/09/697221 / HA ZA 26-40
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/697221 / HA ZA 26-40
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gedaagde is tekortgeschoten in de uitvoering van haar taak als executeur en moet de daardoor geleden schade van de erfgenamen voldoen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (48.726 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel



Zaak-/rolnummer: C/09/697221 / HA ZA 26-40




Vonnis van 16 september 2026




in de zaak van





1. [eiser 1] te [woonplaats 1] ,2. [eiser 2] te [woonplaats 2] ,

eisers,
hierna samen te noemen: [eisers] c.s.,
advocaat: mr. G.S.A.J. Kuis,



tegen





[gedaagde] te [woonplaats 1] ,
in persoon en in hoedanigheid van executeur/afwikkelingsbewindvoerder over de nalatenschap van [erflater] te [woonplaats 1] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. B.D.W. Martens.






1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit:
- de dagvaarding van 24 december 2025 met producties 1 tot en met 21;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele conclusie van onbevoegdheid, met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie tot afwijzing van de incidentele vordering tot onbevoegdheid;
- het vonnis van deze rechtbank van 1 april 2026 waarin de incidentele vordering tot onbevoegdheid is afgewezen;
- de akte wijziging van eis, tevens overlegging producties 22 en 23;
- de akte overlegging producties 13 tot en met 17;
- de spreekaantekeningen van mr. Kuis; en
- de spreekaantekeningen van mr. Martens.



1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 11 augustus 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.






2De feiten


2.1.

[eisers] c.s. zijn de kinderen van [erflater] (hierna: erflater). Erflater was ooit gehuwd, maar dat huwelijk is in 1985 ontbonden.



2.2.
Bij testament van 7 augustus 2019 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. In het testament is tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder benoemd “ieder van de advocaten verbonden aan het [advocatenkantoor] ”. Verder is hierin, voor zover relevant, het volgende opgenomen:



Taak executeur-afwikkelingsbewindvoerder/bevoegdheid




(…)



“De executeur-afwikkelingsbewindvoerder behoeft over de keuze en de te gelde making niet in overleg te treden met de erfgenamen en hun toestemming daarvoor is ook niet vereist.
De executeur-afwikkelingsbewindvoerder is in afwijking van het bepaalde in artikel 4:170 van het Burgerlijk Wetboek zelfstandig bevoegd de verdeling van mijn nalatenschap naar eigen inzicht tot stand te brengen, dus zonder medewerking/toestemming/machtiging/ goedkeuring van welke aard dan ook.”



(…)




Rekening en verantwoording

De rekening en verantwoording aan mijn erfgenamen dient door de executeur -
afwikkelingsbewindvoerder te worden afgelegd bij het einde van het bewind bij en door middel van een notariële akte van verdeling van de nalatenschap. Periodiek behoeft de executeur-afwikkelingsbewindvoerder geen rekening en verantwoording af te leggen.
Hij geeft jaarlijks aan de erfgenamen een overzicht van de voor de belastingheffing van belang zijnde inkomsten en kosten.

Loon

De executeur-afwikkelingsbewindvoerder heeft recht op een loon en op vergoeding van de door hem gemaakte onkosten. De executeur-afwikkelingsbewindvoerder kan ook voordat de afwikkeling van de nalatenschap is voltooid terzake een declaratie indienen.
Het loon is hem toegekend zowel voor zijn werkzaamheden als executeur als voor zijn werkzaamheden als afwikkelingsbewindvoerder.
De executeur-afwikkelingsbewindvoerder komt als loon toe het uurloon dat in zijn bedrijf of beroepsgroep gebruikelijk is. De executeur-afwikkelingsbewindvoerder dient een urenspecificatie te overleggen.




2.3.
Erflater is op 15 juli 2020 verhuisd van zijn eigen woning aan de Sir Winston Churchilllaan 722 te Rijswijk (hierna: de woning) naar een verzorgingshuis in Den Haag, waar hij op 10 februari 2021 is overleden. [eisers] c.s. zijn de enige erfgenamen van erflater en hebben de erfenis beneficiair aanvaard.



2.4.

[gedaagde] heeft de opdracht voor executeur en afwikkelingsbewindvoerder aanvaard.



2.5.

[gedaagde] heeft in haar hoedanigheid van executeur diverse werkzaamheden verricht. Zo heeft zij de muntenverzameling van erflater en (een deel van) de inboedel van erflater via een veiling verkocht. Ook heeft zij de woning voor een bedrag van € 240.000 verkocht aan, naar wat later bleek, haar dochter. Rond die verkoop heeft [gedaagde] asbest in de woning op kosten van de nalatenschap laten verwijderen.



2.6.

[gedaagde] heeft voor haar werkzaamheden middels zeven (tussen)facturen (gedateerd 16 juli 2021, 21 oktober 2021, 1 november 2021, 23 december 2021, 31 januari 2022, 2 maart 2022 en 6 mei 2022) voor een totaalbedrag van € 62.264,66.



2.7.
Op 18 december 2023 heeft [gedaagde] aangifte erfbelasting gedaan, waarin zij een WOZ-waarde van € 213.000 opgevoerd heeft voor de woning.



2.8.
Bij mondelinge uitspraak van 5 maart 2024 heeft de kantonrechter van deze rechtbank [gedaagde] per direct ontslagen als executeur/ afwikkelingsbewindvoerder (hierna: de ontslagprocedure). Daarbij is geen nieuwe executeur benoemd omdat erflater in zijn testament geen opvolger heeft benoemd en ook geen van partijen de kantonrechter heeft verzocht een opvolger te benoemen.



2.9.
De Raad van Discipline in het ressort Den Haag heeft bij uitspraak van 14 maart 2024 [gedaagde] voor de duur van zes weken geschorst omdat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de woning voor een te laag bedrag aan haar dochter te verkopen en die verkoop weg te houden bij [eisers] c.s.. In die procedure heeft [gedaagde] een urenspecificatie van de door haar verrichte werkzaamheden ingebracht die uitkomt op 380,57 bestede uren tot en met 23 februari 2023.



2.10.
Op 27 maart 2024 heeft [gedaagde] het dossier van de nalatenschap overgedragen aan de gemachtigde van [eisers] c.s. en hier een tweede concept van de akte van verdeling, tevens rekening en verantwoording bij gevoegd. Bij eindfactuur en urendeclaratie van 26 maart 2024 is voor een totaal van 286,17 bestede, declarabele uren tot en met 26 maart 2024 een bedrag van € 62.327,83 in rekening gebracht.



2.11.

[gedaagde] heeft op 7 april 2026 een bedrag van € 14.659 betaald aan [eiser 1] onder de omschrijving “Afwikkeling verschil verkoopprijs en asbest nalatenschap [erflater] ”.






3Het geschil


3.1.

[eisers] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. a. primair de door [gedaagde] (in haar hoedanigheid als executeur/afwikkelingsbewindvoerder) tot dusver afgelegde administratieve rekening en verantwoording van haar kosten van executele en afwikkelingsbewind afkeurt;

b. subsidiair [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis opnieuw rekening en verantwoording af te leggen aan een door de rechtbank aan te wijzen deskundige;

II. voor recht verklaart dat [gedaagde] in persoon haar bevoegdheden heeft misbruikt en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens de nalatenschap c.q. hen en/of de aan haar uitbetaalde declaratiebedragen onverschuldigd heeft betaald en/of ontvangen, omdat deze bedragen zonder rechtsgrond door en/of aan haar zijn voldaan, en zij aansprakelijk is voor de door de nalatenschap c.q. hen geleden schade en de schade die zij zal c.q. zullen lijden;
III. de schade c.q. het totaal door [gedaagde] aan hen te betalen bedrag vaststelt op € 113.092,65, dan wel een ander door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
IV. [gedaagde] veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan de nalatenschap c.q. hen het hiervoor onder III bedoelde en vastgestelde bedrag te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de betreffende onrechtmatige daad/gedraging en/of onverschuldigde betaling of vanaf de datum van enige andere rechtsgrond en – onder meer – berekend als volgt:



ter zake de onrechtmatige daad: vanaf de respectieve data waarop de afzonderlijke schadeposten zijn ontstaan, zijnde – voor zover het de declaraties betreft – de data van uitbetaling van de afzonderlijke facturen en de diverse andere data van uitbetaling zoals onder meer de courtagenota, boeterente erfbelasting en uitbetaling overige facturen;


ter zake de onverschuldigde betaling: primair vanaf de respectieve data van uitbetaling van de declaraties aan [gedaagde] wegens haar kwade trouw; subsidiair vanaf 7 april 2025 (datum van verzuim na ingebrekestelling van 24 maart 2025);


ter zake de schade door de te lage verkoopprijs woning: vanaf 24 januari 2022 (datum koopovereenkomst), althans 21 januari 2022 (datum levering);


ter zake de asbestverwijdering: vanaf 2 maart 2022;



een en ander tot de dag der algehele voldoening;
V. [gedaagde] primair veroordeelt tot betaling van de daadwerkelijke gemaakte advocaat- en proceskosten en subsidiair veroordeelt tot betaling van de proceskosten conform het liquidatietarief, met inbegrip van de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente;
VI. [gedaagde] veroordeelt om binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis aan [eisers] c.s. een bedrag van € 293,50 aan aanvullende schade te vergoeden als gevolg van de deurwaarderskosten – dan wel, indien de daadwerkelijke kosten hoger zijn, dat hogere bedrag – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening; en
VII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.496 aan buitengerechtelijke incassokosten dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.




3.2.

[eisers] c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid als executeur/afwikkelingsbewindvoerder in de zin van artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (BW), door – onder meer – de woning voor een te laag bedrag aan haar dochter te verkopen en excessief te declareren. Deze omstandigheden maken ook dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de nalatenschap (artikel 6:162 BW) en zij ongerechtvaardigd is verrijkt (artikel 6:212 BW).



3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] c.s., dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure.



3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.







4De beoordeling



Inleiding




4.1.
In deze zaak staat centraal of [gedaagde] tekortgeschoten is in haar taak als executeur / afwikkelingsbewindvoerder. Voordat de rechtbank die vraag kan beantwoorden, zal zij eerste ingaan op twee voorliggende vragen: (i) staat het gezag van gewijsde van de beschikking van de kantonrechter in de ontslagprocedure de mogelijkheid om [gedaagde] aansprakelijk te stellen in de weg; en (ii) moet de rekening en verantwoording worden afgekeurd, dan wel dient [gedaagde] opnieuw rekening en verantwoording af te leggen?



Gezag van gewijsde ontslagbeschikking





4.2.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] , zo begrijpt de rechtbank, is dat zij bij de kantonrechter rekening en verantwoording heeft afgelegd en dat de beslissing van de kantonrechter hierover gezag van gewijsde heeft. Hiermee staan volgens [gedaagde] tussen partijen het aantal gedeclareerde uren en de andere opgevoerde kosten vast en deze kunnen in deze procedure niet opnieuw onderwerp van debat worden gemaakt. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat zij bij haar verweerschrift in de ontslagprocedure bij de kantonrechter van 1 maart 2024 een concept rekening en verantwoording heeft gevoegd. Vervolgens is zij bij mondelinge uitspraak van 5 maart 2024, welke is vastgelegd in een proces-verbaal van 14 maart 2024, ontslagen als executeur en afwikkelingsbewindvoerder (hierna: de ontslagbeschikking). De kantonrechter heeft geen nieuwe executeur en afwikkelingsbewindvoerder aangesteld. Tegen de ontslagbeschikking heeft geen van partijen een rechtsmiddel ingesteld.



4.3.
De rechtbank gaat niet mee in dit verweer van [gedaagde] . De kantonrechter heeft, conform verzoek van [eisers] c.s., in zijn ontslagbeschikking uitsluitend een beslissing genomen over het ontslag van [gedaagde] . De omstandigheid dat [gedaagde] bij haar verweerschrift een conceptversie van een rekening en verantwoording heeft gevoegd, maakt niet dat zij ten overstaan van de kantonrechter rekening en verantwoording heeft afgelegd. Bovendien geldt dat [gedaagde] bij testament als executeur / afwikkelingsbewindvoerder is aangesteld en niet door de kantonrechter is benoemd, zodat de verplichting van art. 4:161, laatste zin, eerste lid BW niet opgaat. De kantonrechter heeft overigens ook geen oordeel gegeven over de rekening en verantwoording en in de ontslagbeschikking wordt hieraan op geen enkele wijze gerefereerd. Daar bij laat de rechtbank meewegen dat [eisers] c.s. in randnummer 4.10 van het verzoekschrift waarmee zij de ontslagprocedure hebben ingeleid, expliciet bezwaar hebben gemaakt tegen hoogte van het aantal gedeclareerde uren. Nu de kantonrechter niet geoordeeld heeft over de (concept) rekening en verantwoording, voor zover hij daartoe bevoegd zou zijn, heeft de ontslagbeschikking in ieder geval geen gezag van gewijsde ten aanzien van die rekening en verantwoording. Daarbij is verder niet van belang of de kantonrechter geen nieuwe executeur/afwikkelingsbewindvoerder heeft aangewezen.



4.4.
Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog het volgende. Na haar ontslag heeft [gedaagde] het dossier op 26 maart 2024 overgedragen aan de gemachtigde van [eisers] c.s. en bij die gelegenheid een (tweede) concept rekening en verantwoording meegestuurd. [eisers] c.s. hebben die concept rekening en verantwoording ontvangen en zij hebben op 24 maart 2025 te kennen gegeven niet akkoord te gaan. Uit die omstandigheid volgt niet dat [gedaagde] een voor partijen bindende rekening en verantwoording heeft opgesteld. Weliswaar is een executeur / afwikkelingsbewindvoerder verplicht om rekening en verantwoording af te leggen aan zijn opvolger (zie artikel 4:151 jo 4:161 BW), maar daarmee kan de executeur / afwikkelingsbewindvoerder niet de mogelijkheid beperken om aansprakelijkheid gehouden te worden voor zijn handelen. Zeker niet als de erfgenamen op geen enkele wijze hebben ingestemd met de rekening en verantwoording.



Afkeuren respectievelijk opnieuw afleggen rekening en verantwoording





4.5.

[eisers] c.s. vorderen onder I. dat de rechtbank (primair) de tot dusver afgelegde rekening en verantwoording afkeurt en (subsidiair) bepaalt dat [gedaagde] opnieuw rekening en verantwoording moet afleggen. Deze vordering is ingesteld jegens [gedaagde] in haar hoedanigheid van executeur/afwikkelingsbewindvoerder, uit welke functie zij inmiddels is ontslagen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] c.s. verklaard dat het in deze procedure gaat om compensatie van de door hen geleden schade als gevolg van een tekortschietend handelen van [gedaagde] . Die schade dient zij te vergoeden uit haar privévermogen en dus niet uit de nalatenschap, aldus [eisers] c.s.



4.6.

[eisers] c.s. hebben echter niet duidelijk gemaakt welk belang zij hebben bij vordering I. De rechtbank overweegt dat de door [gedaagde] opgestelde rekening en verantwoording, waarvan de door [gedaagde] ingediende en vanuit de nalatenschap betaalde facturen onderdeel zijn, [eisers] c.s. in deze procedure niet beperkt in de mogelijkheid om een vordering in te stellen tegen [gedaagde] wegens tekortkomingen in haar handelen als executeur. Uit de ingestelde procedure volgt dat [eisers] c.s. over voldoende informatie beschikken om een vordering te kunnen instellen en dat om die reden (een nadere) rekening en verantwoording nodig is. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat [eisers] c.s. de enige erfgenamen zijn en dat zij beiden tevens eisers in deze procedure zijn. Dat betekent dat een veroordelend vonnis in deze procedure [eisers] c.s. een titel geeft om de door hen geleden schade te kunnen verhalen op [gedaagde] . Onder die omstandigheid hebben [eisers] c.s. geen belang bij het afkeuren van de afgelegde rekening en verantwoording dan wel het opnieuw opstellen van een rekening en verantwoording is dus niet gebleken. Het onder I. gevorderde wordt dan ook afgewezen.




[gedaagde] is tekortgeschoten in de uitvoering van haar taken als executeur





4.7.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde] bij testament is aangesteld als executeur en afwikkelingsbewindvoerder. De verwijten die haar in deze zaak gemaakt worden betreffen echter enkel haar verantwoordelijkheid als executeur. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] ook werkzaamheden als afwikkelingsbewindvoerder heeft verricht. De beoordeling beperkt zich dan ook tot het functioneren van [gedaagde] als executeur



4.8.
Een executeur moet bij de uitoefening van zijn taak de zorg van een goed executeur betrachten. Voor het vaststellen van de omvang van deze zorgplicht moet rekening gehouden worden met het gegeven dat de executeur, voor zover hij bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, in beginsel een ruime mate van vrijheid toekomt. Ook dient rekening gehouden te worden met het gegeven dat de executeur bij de uitoefening van zijn taak zich gesteld kan zien voor de opgave van het behartigen van verschillende, soms tegengestelde belangen. Het is in beginsel aan het inzicht van de executeur overgelaten op welke wijze en langs welke weg die (tegengestelde) belangen het beste kunnen worden gediend.



4.9.
Om vast te stellen of een executeur, in weerwil van die vrijheid, persoonlijk aansprakelijk is wegens een onjuiste taakuitoefening, moet de vraag worden beantwoord of, uitgaande van die vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende executeur die zijn taak nauwgezet en met inzet verricht, in de gegeven omstandigheden mede gelet op diens (al dan niet professionele) achtergrond en ervaring in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is namelijk vereist dat de executeur ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen.



4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en bekwaam executeur in de gegeven omstandigheden verwacht had mogen worden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.



4.11.
Ten eerste heeft [gedaagde] de woning aan haar dochter verkocht, terwijl zij niet het hoogste bod had uitgebracht. Dit heeft zij gedaan zonder instemming van [eisers] c.s. Sterker nog: toen [eisers] c.s. hierover vragen hebben gesteld heeft [gedaagde] geen openheid van zaken gegeven en geprobeerd te verhullen dat de woning aan haar eigen dochter is verkocht. Verder heeft [gedaagde] op kosten van de nalatenschap asbest laten verwijderen uit de woning, zonder dat hiervoor een economische of juridische grondslag noodzaak was. [gedaagde] heeft deze fouten en haar aansprakelijkheid daarvoor erkend.



4.12.
Ten tweede heeft [gedaagde] meer tijd en kosten voor haar werkzaamheden gedeclareerd dan redelijkerwijs verwacht had mogen worden. Zij heeft - omgerekend - in totaal ruim zeven volledige werkweken gedeclareerd voor de afwikkeling van de nalatenschap. [gedaagde] is er niet in geslaagd om te onderbouwen waarom een dergelijke tijdsbesteding in dit geval noodzakelijk was. Van de door [gedaagde] gestelde complexiteit van de afwikkeling van de nalatenschap is niet gebleken. De complexiteit volgt in ieder geval niet uit de omvang van de nalatenschap (een drie-kamer-appartement, een vijftal bankrekeningen, een muntencollectie en inboedel en daarnaast nauwelijks schulden). Ook de omstandigheid dat erflater een eenmanszaak had, maakt niet dat gesproken kan worden van een complexe nalatenschap. In dat kader heeft [gedaagde] verklaard dat de afwikkeling van de eenmanszaak van erflater ongeveer tien uur in beslag heeft genomen.



4.13.
Ook het argument dat de omvang van de werkzaamheden verklaard kan worden door de moeizame communicatie met [eisers] c.s. en veel tijd besteed moest worden aan het beantwoorden van vragen, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Van de zeven facturen die zijn genoemd in 2.6 van dit vonnis zijn vier facturen (voor 255,2 uren en een bedrag van € 49.048,56) reeds in het jaar 2021 verzonden. Tot dat moment hebben [eisers] c.s. zich nauwelijks met de afwikkeling van de nalatenschap bemoeid. Dat het aantal vragen van [eisers] c.s. nadien is toegenomen is deels te herleiden tot het eigen handelen van [gedaagde] rondom de verkoop van de woning. De stelling van [gedaagde] is in dezen dan ook onvoldoende onderbouwd.



4.14.
Verder maken het (laten) ontruimen van de kamer van erflater in het verzorgingshuis en de (eigen) woning en het opzeggen van abonnementen van erflater ook niet dat van een complexe nalatenschap gesproken kan worden. Ook deze werkzaamheden bieden geen rechtvaardiging voor het totale aantal gedeclareerde uren.



4.15.
De rechtbank concludeert daarom dat sprake is van een eenvoudige nalatenschap van geringe omvang. [gedaagde] heeft voor de werkzaamheden haar gebruikelijke uurtarief als advocaat gehanteerd. Daartoe was zij op grond van het testament weliswaar gerechtigd, maar dit uurtarief maakt ook dat zij als professional beoordeeld moet worden bij haar werkzaamheden als executeur en dat van haar mag worden verlangd dat zij haar werkzaamheden uitvoert met de voortvarendheid en doortastendheid die van een professional mag worden verwacht. En dat heeft [gedaagde] niet gedaan. In dat licht bezien staat het aantal gedeclareerde uren niet in verhouding tot de omvang van de nalatenschap. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] bovenmatig heeft gedeclareerd en op dat onderdeel niet als een zorgvuldig handelend bewindvoerder heeft gehandeld.



4.16.
Ten derde heeft [gedaagde] een tweetal fouten gemaakt bij de aangifte erfbelasting. Zij heeft een te hoge WOZ-waarde gehanteerd voor de waardering van het appartement van erflater. Daarnaast heeft de Belastingdienst boeterente opgelegd omdat te laat aangifte erfbelasting is gedaan. [gedaagde] is er niet in geslaagd duidelijk te maken waardoor deze vertraging is ontstaan, laat staan dat die vertraging haar niet te verwijten valt.



4.17.
De hiervoor genoemde omstandigheden (verkoop woning, bovenmatig declareren, fouten bij de aangifte erfbelasting) in samenhang bezien, maken dat [gedaagde] tekort is geschoten in de uitvoering van haar taken als executeur. Dit is verwijtbaar aan [gedaagde] en heeft tot schade geleid aan de zijde van [eisers] c.s. De hoogte van die schade wordt hierna besproken.



4.18.
Nu de rechtbank hierna een oordeel gaat geven over de hoogte van de schade en [gedaagde] zal veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding, hebben [eisers] c.s. geen belang meer bij een separate verklaring voor recht dat [gedaagde] – kort gezegd – onrechtmatig heeft gehandeld. De onder II. gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook afgewezen bij gebrek aan voldoende belang.



De door [eisers] c.s. geleden schade





4.19.

[eisers] c.s. vorderen een schadevergoeding van € 113.092,65, welk bedrag als volgt is opgebouwd:


Declaraties € 62.264,66
Te lage verkoopprijs woning € 20.000,00
Courtage verkoop woning € 2.880,00
Kosten asbestsanering € 4.537,00
Juridische bijstand tuchtprocedure € 8.521,43
Advocaatkosten ontslagprocedure € 7.233,56
Boete te late erfbelasting € 5.114,00
Te hoge WOZ-waarde € 2.000,00
Proceskosten ontslagprocedure € 542,00
Totaal € 113.092,65



De rechtbank zal hierna de verschillende kostenposten afzonderlijk bespreken. Indien sprake is van schade waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is, zal de rechtbank ook vaststellen vanaf welke datum zij wettelijke rente verschuldigd is.




- declaraties





4.20.
De gedeclareerde kosten zijn schulden van de nalatenschap en komen voor rekening van de erfgenamen (artikel 4:7, eerste lid, sub d BW). Indien een executeur in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van deze kosten, kan er aanleiding zijn te oordelen dat de executeur deze kosten geheel of gedeeltelijk zelf moet dragen. Daarbij zijn in elk geval van belang de aard van deze kosten, de reden voor het ontstaan daarvan, de verwijtbaarheid en de vermijdbaarheid daarvan en de omvang van de nalatenschap.



4.21.

[eisers] c.s. vorderen primair terugbetaling van het totale bedrag van € 62.264,66 dat met de zeven facturen in de periode juli 2021 tot en met mei 2022 is gedeclareerd. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats. [gedaagde] heeft werkzaamheden verricht die ten goede zijn gekomen aan de nalatenschap. Daar dient een redelijke vergoeding tegenover te staan. Dat [gedaagde] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelende en redelijk bekwaam executeur verwacht had mogen worden, rechtvaardigt niet dat zij in het geheel geen kosten zou mogen declareren.



4.22.
Subsidiair sluiten [eisers] c.s. aan bij het bepaalde in artikel 4:144 lid 2 BW. Die bepaling komt er op neer dat een executeur 1% van de waarde van het vermogen van de erflater toekomt. In dit geval zou dat gaan om 1% van € 416.411,70, ofwel € 4.164, zodat er een terugbetalingsverplichting van € 58.100,66 ontstaat. Deze wetsbepaling geldt echter niet als bij uiterste wil anders is beslist. Dat is hier het geval: erflater heeft in zijn testament beslist dat de executeur het uurloon toekomt dat in zijn bedrijf of beroepsgroep gebruikelijk is.



4.23.
Meer subsidiair hebben [eisers] c.s. een berekening gemaakt die uitkomt op een maximale declaratie van € 5.771,70, wat neerkomt op een terugbetaling van € 56.492,96. Die berekening is gebaseerd op een tijdsbesteding van 53 uren en een halvering van het uurtarief dat [gedaagde] heeft gehanteerd. Ter onderbouwing wordt verwezen naar een kosteninschatting van een professioneel executeur. Ook die berekening wordt door de rechtbank niet gevolgd. Een tijdsbesteding van 53 uren voor de afwikkeling van deze specifieke nalatenschap is door [eisers] c.s. onvoldoende onderbouwd. Daarnaast heeft te gelden dat [gedaagde] op basis van het testament het door haar gebruikelijk gehanteerde tarief mag opvoeren.



4.24.
Uiterst subsidiair hebben [eisers] c.s. (vanaf randnummer 4.20.17 e.v. in de dagvaarding) een alternatieve berekening gemaakt, die uiteindelijk leidt tot een redelijk bedrag van € 29.110,63. In deze berekening zijn de zeven facturen met een totaalbedrag van € 62.264,66 als uitgangspunt genomen. Daarbij hebben [eisers] c.s. de in rekening gebrachte uren van die zeven facturen vergeleken met de urenstaat die is gevoegd bij de factuur van 26 maart 2024. De uren die wel via de zeven facturen zijn gedeclareerd, maar niet meer terugkomen op de urenspecificatie van 26 maart 2024 zijn door [eisers] c.s. hierbij in mindering gebracht. Deze vergelijking leidt tot een verlaging van het aantal bestede uren per factuur. In totaal gaat dit om een verlaging ter waarde van € 19.521,66, zodat door [gedaagde] € 42.743,00 (€ 62.264,66 -/- € 19.521,66) in rekening gebracht had mogen worden.



4.25.
Vervolgens hebben [eisers] c.s. een tweede matiging toegepast door van een aantal specifieke werkzaamheden uit de urenstaat van 26 maart 2024 (die ook al voorkwamen op de zeven eerdere facturen) een berekening te maken van wat redelijkerwijs verwacht had mogen worden. Deze matigingen zijn toegelicht in randnummers 4.20.30 tot en met 4.20.41 van de dagvaarding. Volgens die berekening is er meer tijd besteed dan redelijkerwijs verwacht had mogen worden aan het leegruimen van de kamer in het verzorgingshuis (6,17 uur te veel), het zoeken naar documenten en het doornemen van administratie (12 uur), het ophalen van de muntencollectie (2,83 uur), een mondelinge overeenkomst (2,5 uur), contact met de makelaar voor de – onrechtmatige – verkoop van de woning aan de dochter van [gedaagde] (19,73 uur), de asbestverwijdering (2 uur), de levering van de woning (8,7 uur), het beantwoorden van vragen van [eiser 1] en zijn advocaat (4,41 uur) en de ontslagprocedure (1,83 uur). Volgens deze weergave zou [gedaagde] 60,17 uur te veel hebben gedeclareerd voor de genoemde werkzaamheden. Uitgaande van het door [gedaagde] gehanteerde uurtarief van € 217,80 inclusief btw zou dit betekenen dat zij € 13.105,03 te veel in rekening heeft gebracht. [eisers] c.s. gaan in hun berekening echter uit van een bedrag van € 9.530,92. Daarmee had in totaal € 33.212,08 (€ 42.743,00 -/- € 9.530,92) gefactureerd mogen worden.



4.26.
De derde stap in de alternatieve berekening van [eisers] c.s. (vanaf randnummer 4.20.44 in de dagvaarding) is een verlaging van het aantal uren dat [gedaagde] met de factuur van 26 maart 2024 in rekening heeft gebracht en die nog niet in de eerdere zeven facturen voorkwamen. Dit gaat volgens [eisers] c.s. om te veel in rekening gebrachte tijd die is besteed aan het opstellen van een akte van verdeling met behulp van mr. Roes (8,11 uur) en notaris Ohrman (7,55 uur) en correspondentie daaromtrent met [eiser 1] (3,17 uur). Dit is een totaal van 18,83 uur, ofwel een bedrag van € 4.101,45. [gedaagde] had volgens deze alternatieve berekening daarom in totaal € 29.110,63 (€ 33.212,08 -/- € 4.101,45) in rekening mogen brengen.



4.27.

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de verschillende hiervoor genoemde posten, maar stelt hier in algemene zin tegenover dat de door haar gedeclareerde tijdsbesteding redelijk is. Ter onderbouwing van dat standpunt beroept [gedaagde] zich op een door AI-tool Zeno vervaardigd document, waarin volgens de toelichting de tussen partijen openstaande discussiepunten zijn geanalyseerd. Volgens deze analyse zouden de gedeclareerde uren in meerderheid ‘plausibel’ zijn. [gedaagde] heeft verder aangeboden de 548 documenten waarop de analyse gebaseerd is, in het geding te brengen, of anders verzocht een deskundige te benoemen die de tijdsbesteding kan beoordelen.



4.28.
De rechtbank oordeelt als volgt. [eisers] c.s. hebben in de alternatieve berekening gedetailleerd aangegeven welke uren [gedaagde] volgens hen te veel heeft gedeclareerd, gelet op de aard van een aantal specifieke werkzaamheden. [gedaagde] heeft dit onvoldoende weerlegd. De algemene stelling dat de bestede uren redelijk zijn is daarvoor niet voldoende. Ook de analyse van de AI-tool kan [gedaagde] niet baten. Er is in die analyse geen koppeling gemaakt tussen de specifieke stellingen van [eisers] c.s. over bepaalde werkzaamheden en de conclusie van de analyse dat de tijdsbesteding voor (andere) werkzaamheden plausibel is. In de analyse van de AI-tool wordt niet ingegaan op de door [eisers] c.s. aangehaalde werkzaamheden van [gedaagde] , maar worden werkzaamheden besproken die – voor zover de rechtbank kan overzien – niet in geschil zijn tussen partijen. [gedaagde] had ten minste duidelijk moeten maken op welke stellingen van [eisers] c.s. zij reageert. Dat heeft zij niet gedaan, zodat een onderbouwing van de betwisting ten aanzien van de specifieke stellingen van [eisers] c.s. ontbreekt. Om die reden wordt het bewijsaanbod van [gedaagde] om de 548 documenten in het geding te brengen gepasseerd en zal de rechtbank ook geen deskundige benoemen.



4.29.
Het voorgaande houdt in dat de alternatieve berekening van [eisers] c.s. onvoldoende is betwist en daarom door de rechtbank wordt gevolgd. Dit betekent dat [gedaagde] voor haar werkzaamheden redelijkerwijs € 29.110,63 in rekening had mogen brengen. De schade die [eisers] c.s. hebben geleden en die door [gedaagde] vergoed moet worden bedraagt derhalve € 33.154,03 (€ 62.264,66 -/- € 29.110,63). [gedaagde] had met de eindfactuur van 26 maart 2024 de uren in rekening moeten brengen die zij als een redelijk handelend en bekwaam executeur in dit geval had kunnen declareren. Nu zij dat heeft nagelaten, is zij rente verschuldigd over de door [eisers] c.s. geleden schade vanaf die factuurdatum.



- te lage verkoopprijs woning





4.30.
Tussen partijen is niet in geschil dat de woning voor € 240.000 aan de dochter van [gedaagde] is verkocht, terwijl er ook biedingen van € 260.000 en € 250.122 waren. [eisers] c.s. vorderen het verschil met het hoogste bod (€ 20.000), volgens [gedaagde] is zij het verschil met het een na hoogste bod (€ 10.122) verschuldigd. [gedaagde] heeft verklaard dat niet uitgegaan kan worden van het verschil met het hoogste bod van € 260.000 omdat dat aanbod van een investeerder kwam die de woning wilde verhuren, terwijl onduidelijk was of er een bewoningplicht gold en erflater had gewild dat de woning door een gezin bewoond zou worden.



4.31.

[gedaagde] heeft haar verweer onvoldoende onderbouwd. De zelfbewoningsplicht had zij aan de hand van stukken kunnen onderbouwen en de wens van de erflater om de woning aan een particulier te verkopen aan de hand van het testament. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, zodat haar verweer onvoldoende onderbouwd is. De rechtbank gaat daarom uit van het verschil met het hoogste bod, zodat het door [gedaagde] te vergoeden bedrag € 20.000 is. Zij is rente verschuldigd over dit bedrag vanaf de datum van de levering van de woning, dat is 21 januari 2022.



- courtage verkoop woning





4.32.

[eisers] c.s. vorderen een bedrag van € 2.880 dat [gedaagde] in rekening heeft gebracht als de courtagekosten ten behoeve van de verkoop van de woning. De rechtbank wijst die vordering af. Het inschakelen van een makelaar heeft geleid tot biedingen, waaronder het bod van € 260.000, dat is gebruikt om het verschil met de werkelijke verkoopprijs van € 240.000 te bepalen. [eisers] c.s. hebben daarom belang gehad bij het inschakelen van een makelaar, zodat de kosten daarvoor niet als schade kan worden aangemerkt.




- asbestsanering





4.33.

[gedaagde] heeft erkend dat zij de kosten voor de asbestsanering niet uit de nalatenschap had mogen voldoen. Daarbij is [gedaagde] rente verschuldigd vanaf de datum van betaling van dit bedrag vanuit de ervenrekening, ofwel 2 maart 2022.



- juridische bijstand tuchtprocedure





4.34.

[eisers] c.s. hebben € 8.521,43 uitgegeven aan juridische bijstand in de tuchtprocedure. Vanwege de ernst van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] vorderen zij dit bedrag als gevolgschade in deze procedure. De tuchtprocedure was onder meer noodzakelijk omdat [gedaagde] weigerde openheid van zaken te geven omtrent de verkoop van de woning en om verdere schade te voorkomen. [gedaagde] betwist dat deze kosten voor toewijzing in aanmerking komen.



4.35.
De rechtbank wijst deze vordering af. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen ‘de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid’ voor vergoeding in aanmerking. Daarbij dient beoordeeld te worden of de gemaakte kosten in redelijkheid zijn gemaakt en strekken ter vaststelling van schade of aansprakelijkheid. Een tuchtrechtelijke procedure kan in het algemeen niet worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid, zodat niet kan worden gezegd dat de kosten daarvan redelijke kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Dit geldt ook voor de kosten die worden gemaakt in een tuchtprocedure ter voorkoming of beperking van schade (artikel 6:96 lid 2 sub a BW), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die toewijzing van de gevorderde kosten rechtvaardigt. Daarbij speelt mee dat de tuchtprocedure niet noodzakelijk was om duidelijkheid te verkrijgen over de partij die de woning heeft gekocht. Dat de dochter van [gedaagde] de woning had gekocht was bij [eisers] c.s. reeds bekend toen zij de akte van levering van het Kadaster hebben ontvangen (zie ook randnummer 3.16 van de dagvaarding).



- advocaatkosten ontslagprocedure





4.36.
Daarnaast vorderen [eisers] c.s. € 7.233,56 aan advocaatkosten die zij hebben moeten maken in de ontslagprocedure. Dit zijn, volgens [eisers] c.s., de werkelijke kosten die uitstijgen boven de proceskostenveroordeling die de kantonrechter heeft uitgesproken.



4.37.
Voor zover de rechtbank hier al over kan oordelen, vanwege het gezag van gewijsde van de beslissing over het ontslag en de daarmee samenhangende proceskosten, wijst zij deze vordering af. Uitgangspunt in het Nederlandse procesrecht is dat de proceskosten forfaitair worden berekend. [eisers] c.s. hebben niet onderbouwd waarom in dit geval van dat uitgangspunt afgeweken zou moeten worden. De omstandigheid dat [gedaagde] tekortgeschoten is bij haar werkzaamheden als executeur is onvoldoende.




- boete te late erfbelasting





4.38.

[eisers] c.s. hebben boeterente opgelegd gekregen van € 5.114 vanwege de te late aangifte van de erfbelasting. [gedaagde] voert op dit punt aan dat zij om uitstel heeft verzocht voor het doen van de aangifte en dit ook heeft gekregen. Er is uitstel verleend tot 1 januari 2024, zodat de aangifte van 18 december 2023 tijdig is gedaan. De aanslag is op 5 maart 2024 opgelegd, op welk moment zij reeds was ontslagen als executeur.



4.39.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 45 lid 1 van de Successiewet 1965 bij een overlijden vóór 1 januari 2026 een termijn geldt van acht maanden na het overlijden, waarbinnen aangifte erfbelasting moet worden gedaan. Vast staat dat die termijn niet is gehaald en boeterente is opgelegd. Onder deze omstandigheden had het op de weg van [gedaagde] gelegen feiten en omstandigheden aan te voeren die verklaren waarom de vertraging heeft plaatsgevonden en boeterente in rekening is gebracht, te meer nu het een niet-complexe nalatenschap betreft. Daarin is zij niet geslaagd. Dat [eisers] c.s. bij [gedaagde] hebben geïnformeerd naar de aangifte erfbelasting en [gedaagde] meerdere deskundigen op dit gebied heeft geraadpleegd is daarvoor niet voldoende. Het gevorderde bedrag is daarom toewijsbaar. De gevorderde rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf de datum van de aanslag van 5 maart 2024.



- te hoge WOZ-waarde





4.40.

[eisers] c.s. stellen dat zij € 2.000 schade hebben geleden doordat [gedaagde] in de aangifte erfbelasting is uitgegaan van een WOZ-waarde voor de woning van € 213.000 terwijl de werkelijke WOZ-waarde € 195.000 bedroeg. [gedaagde] heeft verklaard dat in de akte van verdeling de overlijdenswaarde van de woning op € 213.000 is gesteld en voor de erfbelasting de waarde op de overlijdensdatum bepalend is. De aangifte heeft zij opgesteld in samenwerking met een belastingadviseur.



4.41.
Uit het aanslagbiljet dat als productie 12 bij dagvaarding in het geding is gebracht, blijkt dat de WOZ-waarde van de woning in het jaar 2021 (het jaar van overlijden van erflater) € 195.000 bedroeg. Met de hiervoor aangehaalde verklaring erkent [gedaagde] dat zij die waarde op had moeten geven, terwijl zij in werkelijkheid € 213.000 heeft opgegeven. Een inhoudelijke weerlegging van de vordering heeft [gedaagde] niet gegeven. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. [gedaagde] is het gevorderde bedrag verschuldigd, inclusief de wettelijke rente vanaf de datum van de aanslag (5 maart 2024).



- proceskosten ontslagprocedure





4.42.
In de ontslagprocedure bij de kantonrechter is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten van € 542. Met de betaling van dit bedrag aan de ervenrekening op 27 maart 2024 heeft [gedaagde] erkend dat ze dit bedrag verschuldigd was. De rechtbank neemt dit bedrag op in de totaaltelling en stelt de rente over dit bedrag vast vanaf de datum van de beschikking in de ontslagzaak, ofwel 5 maart 2024.




De schade van [eisers] c.s. wordt vastgesteld op € 65.347,03





4.43.
Het voorgaande leidt tot de vaststelling van onderstaande schade aan de zijde van [eisers] c.s., inclusief de datum waarop [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd is.



Omschrijving Bedrag Rentedatum

Declaraties € 33.154,03 26 maart 2024
Te lage verkoopprijs woning € 20.000,00 21 januari 2022
Kosten asbestsanering € 4.537,00 2 maart 2022
Boete te late erfbelasting € 5.114,00 5 maart 2024
Te hoge WOZ-waarde € 2.000,00 5 maart 2024
Proceskosten ontslagprocedure € 542,00 5 maart 2024
Totaal € 65.347,03




4.44.

[gedaagde] beroept zich op de matigingsbevoegdheid van artikel 6:109 lid 1 BW, omdat zij door haar werkzaamheden de waarde van de nalatenschap aanzienlijk heeft laten stijgen. De rechtbank wijst dat beroep af. De stelling dat de waarde van de nalatenschap door het handelen van [gedaagde] in waarde is gestegen is niet onderbouwd en blijkt ook verder nergens uit.



4.45.
Wel heeft [gedaagde] op 27 maart 2024 een bedrag betaald van € 542 aan de ervenrekening en op 7 april 2026 een bedrag van € 14.659 aan [eiser 1] . Op grond van artikel 6:44 eerste lid BW strekt betaling van een geldsom in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. In de beslissing zal naar deze betalingen en wetsbepaling worden verwezen.




De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen





4.46.

[eisers] c.s. vorderen vergoeding van € 1.496 aan buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Een onderbouwing van het bedrag en de daarvoor verrichte werkzaamheden ontbreekt. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





4.47.

[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten. [eisers] c.s. hebben verzocht [gedaagde] in de werkelijke proceskosten te veroordelen. Zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – is er voor de rechtbank geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten forfaitair worden berekend. Dit houdt in dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de (forfaitaire) proceskosten van [eisers] c.s., die worden begroot op:











- kosten van de dagvaarding


€


293,50







- griffierecht


€


2.803,00







- salaris advocaat


€


4.102,00


(2 punten × tarief V van € 2.051)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


7.387,50











4.48.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] c.s. te betalen een bedrag van € 65.347,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve data van de verschillende deelbedragen zoals opgenomen in 4.42 van dit vonnis tot aan de dag van voldoening, en te verminderen met de op 27 maart 2024 gedane betaling van € 542 en de op 7 april 2026 gedane betaling van € 14.659, overeenkomstig artikel 6:44 lid 1 BW;



5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.387,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;



5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; en



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.





3425



Hof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1587.


HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0690.


HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4097.