Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27591

2026-09-16 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.13191
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.13191
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bnt – regulier - niet-ontvankelijk - pkv.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.768 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.13191


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , eisers,

V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] ,
(gemachtigde: mr. B.W.C. van Geet),




Procesverloop


Eisers hebben op 12 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit
op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van
nareis.



Bij uitspraak van 17 oktober 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van
eisers gegrond verklaard.



Op 27 maart 2025 hebben eisers opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van
een besluit op de hierboven genoemde aanvraag. Bij uitspraak van 8 december 2025 is dit beroep gegrond verklaard door deze rechtbank en zittingsplaats. Daarbij is aan verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van desbetreffende uitspraak een besluit bekend te maken.



Op 9 maart 2026 is wederom beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de genoemde aanvraag.



De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) uitspraak zonder zitting.




Overwegingen

1. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.

2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.

3. In haar uitspraak van 8 december 2025, heeft de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 200 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.

4. Verweerder heeft niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van eiser beslist, maar nu verweerder op 7 mei 2026 alsnog een besluit heeft genomen, is hij geheel aan het beroep van eiser tegemoetgekomen. Eiser heeft, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, in zoverre geen procesbelang meer zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5. Ook wanneer een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, is een proceskostenveroordeling mogelijk. Dit is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, doet deze situatie zich hier voor.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen beslissing op de aanvraag van eiser heeft genomen voordat de nadere beslistermijn op 23 december 2025 was verlopen. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep van 9 maart 2026 is dan ook niet ten onrechte ingesteld. Daarom ziet de rechtbank reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser.

7. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van het besluit.


Beslissing


De rechtbank:



 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,- (vierhonderdzevenenzestig euro).




Deze uitspraak is gedaan op 16 september 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



Deze uitspraak is bekendgemaakt op:





Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.








Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.