Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27590

2026-09-17 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 26/5212
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 26/5212
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vovo tegen verleende omgevingsvergunning voor onder meer (1) het opzettelijk verstoren van en (2) het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis afgewezen. Het college heeft mogen aannemen dat het project slechts een beperkt effect zal hebben op de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis. In wat eisers hebben aangevoerd heeft het college geen aanknopingspunten hoeven vinden om aan te nemen dat dit beperkte effect, zowel op zichzelf beschouwd als in combinatie met andere projecten in de omgeving van het perceel, een negatieve invloed zal hebben op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat is voldaan aan artikel 8.74k, eerste lid, van het Bkl, zodat de gevraagde omgevingsvergunning kon worden verleend. Kortsluiting.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.400 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummers: SGR 26/5212 en SGR 26/5213


Uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen




[eiseres] en [eiser] , te [woonplaats] , eisers


en


het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, het college
(gemachtigde: mr. A. van Duijkeren).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Rotterdam, vergunninghoudster
(gemachtigden: I.L.P. Sak, J.E. Kant en I.K. Beijeman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de door het college verleende omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de voorzieningenrechter of de vergunning in rechte stand kan houden.



1.1.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij niet alleen op het verzoek om een voorlopige voorziening maar ook op het ingestelde beroep van eisers. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend, omdat is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Procesverloop


2. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor (1) het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis, (2) het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis en (3) het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de steenmarter. Deze vergunning is aangevraagd in verband met de voorgenomen sloop van een schoolgebouw en de nieuwbouw van woningen voor beschermd wonen op het perceel aan de [adres] .



2.1.
Met het besluit van 6 januari 2026 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Aan deze vergunning zijn diverse voorschriften verbonden. Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 op het bezwaar van eisers is het college bij dit besluit gebleven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 26/5213) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26/5212).



2.2.
Eisers hebben nadere stukken overgelegd.



2.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd en een nader stuk overgelegd.



2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres [eiseres] , de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] , en de gemachtigden van vergunninghoudster.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Toetsingskader


3. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.



3.1.
Uit artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder b en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving – gelezen in samenhang met bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn – volgt dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is vereist voor het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en voor het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.



3.2.
In artikel 8.74k, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als hier aan de orde, alleen wordt verleend als:
a. er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;
b. de activiteit nodig is:

(..)
3° in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
(..)

c. de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.



Het bestreden besluit



4. Met het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning van 6 januari 2026 in stand gelaten. Volgens het college dient het project een dwingende reden van groot openbaar belang van sociale en maatschappelijke aard, zoals bedoeld in artikel 8.74k, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl, omdat er woningen voor beschermd wonen zijn voorzien op het perceel. Het belang van de voorgenomen werkzaamheden is toegelicht in het document ‘Activiteitenplan [adres] ’ van 20 maart 2025 (het activiteitenplan).

Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat voor het project geen andere bevredigende oplossing voorhanden is.
Voorts heeft het college toegelicht waarom volgens hem de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis als gevolg van het project niet in het geding is. Het college heeft erop gewezen dat voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen die worden beschreven in het activiteitenplan. De werkzaamheden betreffen volgens het college slechts een beperkt deel van de lokale populatie van gewone dwergvleermuizen en zullen leiden tot het verlies van 14 rust- en verblijfplaatsen van deze diersoort. Volgens het college wordt dit verlies gecompenseerd doordat tijdens de sloop- en bouwfase wordt voorzien in 56 alternatieve verblijfplaatsen en nu ook in de nieuwbouw voldoende permanente rust- en verblijfplaatsen zullen worden gerealiseerd. Verder zal de groene buffer rond het projectgebied behouden blijven en gaan geen essentiële vliegroutes verloren. Het college wijst er voorts op dat bij de planning van de werkzaamheden rekening is gehouden met de kwetsbare periode(n) van de gewone dwergvleermuis. Met de gekozen werkwijze, planning en periode van uitvoering, wordt schade aan de gewone dwergvleermuis zoveel mogelijk voorkomen. De door eisers gevreesde cumulatie van effecten doordat in de omgeving meerdere projecten worden uitgevoerd, doet zich volgens het college niet voor.




Beroepsgronden



5. Eisers hebben op de zitting bevestigd dat hun beroepsgronden zich beperken tot de gewone dwergvleermuis. Voor zover het bestreden besluit ook betrekking heeft op de steenmarter, wordt dit door eisers niet aangevochten.
Eisers betogen in de kern dat zij op zichzelf geen bezwaar hebben tegen het project en ook niet uitsluiten dat de conclusies van de rapporten die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit juist zijn, maar dat zij die conclusies niet kunnen controleren. Eisers vragen zich met name af of voldoende is gekeken naar de cumulatieve effecten van het project met vergunde projecten in de directe omgeving. Zij hebben een overzicht gemaakt van alle vergunde projecten binnen een straal van 1 km van het betrokken perceel en onderzocht hoeveel verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis als gevolg van die projecten in totaal verloren gaan. Volgens eisers heeft het college deze beoordeling ten onrechte niet zelf gemaakt. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, aldus eisers.



Beoordeling van de beroepsgronden



6. Uit artikel 8.74k, eerste lid, van het Bkl volgt dat een omgevingsvergunning als hier aan de orde kan worden verleend als er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor het verrichten van de activiteit, de activiteit nodig is in verband met één van de genoemde belangen en als de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.



6.1.
Niet in geschil dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor het vergunde project en dat dit project nodig is in verband met de belangen die worden genoemd in artikel 8.74k, eerste lid, onder b, onder 3°, van het Bkl. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis als gevolg van het project verslechtert. In dat kader speelt met name de vraag of het college voldoende acht heeft geslagen op de mogelijke cumulatieve effecten van andere projecten in de omgeving. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is gebleken dat bij de gewone dwergvleermuis mogelijke effecten zijn beperkt tot projecten binnen een afstand van 1 km rond het perceel.



6.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning onderzoek is gedaan naar de populatie gewone dwergvleermuizen in het betrokken gebied en naar de maatregelen die nodig zijn om de effecten van het project te beperken.
Uit een quickscan van Ecoresult B.V. van 17 juni 2023 is naar voren gekomen dat negatieve effecten als gevolg van de beoogde sloop- en nieuwbouwplannen op onder meer de gewone dwergvleermuis niet op voorhand zijn uit te sluiten. Geadviseerd is om aanvullend onderzoek uit te voeren.
Het nader onderzoek is eveneens uitgevoerd door Ecoresult B.V. en heeft geresulteerd in het rapport ‘Nader onderzoek vleermuizen, steenmarter en muurvegetatie’ (het nader onderzoek) van januari 2025. Uit het nader onderzoek volgt dat de gewone dwergvleermuis is aangetroffen op het perceel en dat hier ook 14 rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn. Verder is vastgesteld dat er geen sprake is van een essentiële vliegroute, maar dat het perceel en de groenstructuur die hier omheen ligt een essentieel functioneel leefgebied vormen. De conclusie van het nader onderzoek is dat negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis niet zijn uit te sluiten. In het nader onderzoek worden daarom mitigerende maatregelen voorgesteld, waaronder het voorzien in vier alternatieve rust- en verblijfplaatsen per rust- en verblijfplaats die als gevolg van het project verloren gaat. Dat betekent dat tijdens de bouwfase voorzien moet worden in 56 tijdelijke voorzieningen voor de gewone dwergvleermuis en dat na afronding van de bouwfase 56 permanente voorzieningen dienen te worden gerealiseerd.
In het activiteitenplan zijn de voorgestelde maatregelen uitgewerkt. Het activiteitenplan vermeldt dat binnen Hoogvliet naar schatting 700 tot 800 gewone dwergvleermuizen voorkomen en dat zij 150 tot 250 verblijfplaatsen hebben. De ruime verspreiding, het hoge aantal waarnemingen en de aangetroffen verblijfplaatsen duiden volgens het activiteitenplan op een duurzame en levensvatbare populatie van gewone dwergvleermuizen. In het activiteitenplan is toegelicht dat ten behoeve van het project 56 tijdelijke vleermuiskasten zijn geplaatst binnen 100 tot 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats en dat voor deze alternatieve voorzieningen is voorzien in een gewenningsperiode van drie maanden. Verder vermeldt het activiteitenplan dat de te slopen bebouwing ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen en dat een begeleidend ecoloog bepaalt wanneer de werkzaamheden mogen starten. Ook is toegelicht dat het groen rondom de bebouwing is aangemerkt als essentieel foerageergebied en dat de werkzaamheden in het actieve seizoen van de gewone dwergvleermuis niet worden uitgevoerd tussen zonsondergang en zonsopgang. Het essentieel foerageergebied zal behouden blijven. In het activiteitenplan is verder toegelicht dat cumulatieve effecten op grote schaal worden uitgesloten. Hierbij wordt gewezen op de brede verspreiding van de gewone dwergvleermuis, de beschikbaarheid van geschikte foerageergebieden en verblijfplaatsen in Hoogvliet en de omstandigheid dat nieuwbouw in Hoogvliet altijd natuurinclusief dient te zijn. Twee nader genoemde projecten in de nabije omgeving zullen volgens het activiteitenplan geen cumulatieve effecten hebben, onder meer omdat ook bij deze projecten moet zijn voorzien in voldoende tijdelijke en permanente voorzieningen voor de gewone dwergvleermuis.




6.3.
Het is vaste rechtspraak dat het college op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van het advies in beginsel geen nadere toelichting.



6.4.
In wat eisers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen reden voor het oordeel dat het college zich niet heeft mogen baseren op de ecologische rapporten en het activiteitenplan. Niet gebleken is dat deze rapporten niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. De quickscan is gebaseerd op een verkennend veldonderzoek en bureaustudie. Bij de totstandkoming van het nader onderzoek is het meest recente vleermuisprotocol gevolgd en hebben onder meer zeven veldbezoeken en onderzoek met een warmtecamera plaatsgevonden. Dit onderzoek is verricht door meerdere ecologen, die hun onderzoeksmethoden en conclusies hebben toegelicht. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die twijfel zaaien over de zorgvuldigheid van de totstandkoming van deze onderzoeken of over de hierin neergelegde conclusies.



6.5.
Met betrekking tot het betoog van eisers over de cumulatie van de effecten van het project met projecten in de directe omgeving, overweegt de voorzieningenrechter dat cumulatie van effecten een rol kan spelen bij het bepalen van het effect van een project op de gunstige staat van instandhouding van een soort. De voorzieningenrechter ziet echter geen grond voor het oordeel dat het college onvoldoende onderzoek naar deze cumulatie van effecten heeft gedaan. In het activiteitenplan is ingegaan op de mogelijke cumulatieve effecten. Daarbij is concreet aandacht besteed aan twee nabijgelegen projecten. Aan eisers kan worden toegegeven dat het college in het kader van dit onderzoek geen uitputtende lijst heeft gemaakt van alle concrete projecten in de omgeving van het perceel, maar in het activiteitenplan is toegelicht dat de gewone dwergvleermuis een breed verspreidingsgebied heeft en geschikte foerageergebieden en verblijfplaatsen kent in Hoogvliet. Nu niet bestreden is dat sprake is van een gezonde, levensvatbare populatie en een gunstige staat van instandhouding en daarnaast voldoende foerageergebied en verblijfplaatsen in Hoogvliet aanwezig zijn, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college een uitgebreidere beoordeling van de mogelijke cumulatie met andere projecten had moeten maken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in overweging dat in de omgevingsvergunning is vermeld dat de verblijfplaatsen die door het project worden getroffen, deel uitmaken van een omvangrijker netwerk en dat de werkzaamheden slechts gevolgen hebben voor een klein deel van de lokale populatie. Verder is van belang dat met dit project een relatief beperkt aantal rust- en verblijfplaatsen verloren gaat, terwijl de vergunning ertoe verplicht dat ruimschoots wordt voorzien in alternatieve verblijfplaatsen, zowel tijdens de sloop- en bouwfase als na afronding van het project. Daarbij is voorzien in een gewenningsperiode, die moet waarborgen dat de alternatieve voorzieningen al geruime tijd beschikbaar zijn voordat met het project wordt begonnen en aanwezig blijven tot geruime tijd na afronding van het project. Aan het door eisers opgestelde overzicht van verleende vergunningen voor projecten in de omgeving van het perceel, heeft het college niet het door eisers gewenste gewicht hoeven toekennen. Hierbij is van belang dat in dit overzicht geen rekening is gehouden met de omstandigheden dat de vergunde projecten niet allemaal gelijktijdig worden uitgevoerd en dat ook bij deze vergunde projecten moet worden voorzien in voldoende tijdelijke en permanente alternatieve voorzieningen voor de gewone dwergvleermuis. Dat betekent dat de tijdelijke of permanente voorzieningen van andere projecten al in gebruik zijn op het moment dat een volgend project start.


6.5.1.
De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun betoog dat onzeker is of de tijdelijke voorzieningen wel door de gewone dwergvleermuis gebruikt zullen worden. Het college heeft onweersproken toegelicht dat de gewone dwergvleermuis aangepast is aan een omgeving waarin af en toe verblijfplaatsen verloren gaan en dat diverse studies laten zien dat de gewone dwergvleermuis relatief snel vleermuiskasten ontdekt en in gebruik neemt. Bij dit project wordt gebruik gemaakt van de gebruikelijke vleermuiskasten, die bewezen effectief zijn. Ook monitoringsresultaten uit Zuid-Holland laten volgens het college zien dat de ingebruikname van (tijdelijke) voorzieningen relatief snel gaat. Verder is van belang dat de tijdelijke voorzieningen op verschillende locaties en in verschillende windrichtingen zijn aangebracht en dat per verloren rust- en verblijfplaats wordt voorzien in vier alternatieve verblijfplaatsen. Mocht een alternatieve verblijfplaats niet in gebruik genomen worden, dan resteren dus nog drie andere alternatieve verblijfplaatsen die als compensatie kunnen dienen. Het concreet monitoren van de ingebruikname van tijdelijke voorzieningen is volgens het college daarom pas nodig als binnen een straal van 1 kilometer 30% van de zomerverblijfplaatsen of 10% van de kraamverblijfplaatsen dreigt te verdwijnen. Die situatie doet zich hier echter niet voor. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond om aan de juistheid van deze toelichting door het college te twijfelen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het college zijn standpunten heeft geschraagd met verwijzingen naar ecologisch onderzoek, terwijl eisers hun standpunten niet met een ecologisch tegenonderzoek hebben onderbouwd.




6.6.
Voor zover eisers betwijfelen of door het project geen essentiële vliegroutes worden aangetast, overweegt de voorzieningenrechter dat ook hiernaar onderzoek is gedaan door het college. In het nader onderzoek is toegelicht dat bij de veldbezoeken overvliegende gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen, waarbij geen ruimtelijke structuren werden gevolgd. Er is volgens dit onderzoek geen sprake van essentiële vliegroutes in het gebied. Eisers hebben geen concrete gegevens aangedragen die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van deze conclusie.



6.7.
De voorzieningenrechter volgt eisers verder niet in hun stelling dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar het behoud van leefgebied van de gewone dwergvleermuis. Vaststaat dat de nieuwbouw wordt gerealiseerd op de fundering van het te slopen gebouw. Daarnaast blijft de groenstrook rond de bebouwing – die van belang is als foerageergebied – op wat struikgewas na behouden. Het college heeft daarom mogen aannemen dat als gevolg van het project geen essentieel leefgebied van de gewone dwergvleermuis verloren gaat.



6.8.

Gelet op het voorgaande heeft het college mogen aannemen het dat project slechts een beperkt effect zal hebben op de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis. In wat eisers hebben aangevoerd heeft het college geen aanknopingspunten hoeven vinden om aan te nemen dat dit beperkte effect, zowel op zichzelf beschouwd als in combinatie met andere projecten in de omgeving van het perceel, een negatieve invloed zal hebben op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis. Daarin heeft het college dus geen aanleiding hoeven te zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Dit standpunt van het college vindt voldoende steun in de ecologische onderzoeken die aan de omgevingsvergunning ten grondslag zijn gelegd.
Het betoog van eisers slaagt niet.





Conclusie en gevolgen

7. De conclusie van het voorgaande is dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat is voldaan aan artikel 8.74k, eerste lid, van het Bkl, zodat de gevraagde omgevingsvergunning kon worden verleend. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing


De voorzieningenrechter:


- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.














de griffier is verhinderd


voorzieningenrechter





mede te ondertekenen


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.



Artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.


Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet.


Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:481.


Uitgebracht door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160