Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27552
2026-06-04
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
SGR 25/2069 en 25/2073
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Einduitspraak na tussenuitspraak. Het college heeft het geconstateerde gebrek hersteld door het inwinnen van het advies van de gemeenteraad over de toepasselijkheid van het verzwaard adviesrecht. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning mogen verlenen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 Raad van State 24-08-2011
- ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 Raad van State 15-08-2012
- ECLI:NL:RVS:2024:4624 Raad van State 13-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2020:2706 Raad van State 11-11-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.726 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/2069 en 25/2073
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaken tussen
de vereniging Glastuinbouw Nederland, uit Zoetermeer, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en mr. D. McLean).
Als derde-partijen nemen aan het geding deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [woonplaats 1],
vergunninghouders I
(gemachtigde: mr. T. Pothast),
en
[derde-partij 3] uit [woonplaats 2], vergunninghouder II
(gemachtigde: [gemachtigde 3]).
(Gezamenlijk: vergunninghouders).
Procesverloop
De rechtbank verwijst voor het procesverloop naar de tussenuitspraak van 17 december 2025 (hierna: de tussenuitspraak).
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in de bestreden besluiten te herstellen.
In de tweede tussenuitspraak van 13 januari 2026 (de verlengingsuitspraak) heeft de rechtbank de termijn die zij het college heeft gegeven om het gebrek te herstellen, verlengd tot uiterlijk 12 maart 2026.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd.
Vergunninghouders I hebben schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 24 april 2026.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de bestreden besluiten niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en dat daaraan geen daadkrachtige motivering ten grondslag ligt. Daartoe heeft zij overwogen dat artikel 3.7.1 van het omgevingsplan het college de bevoegdheid gaf om de bestemming van een agrarische bedrijfswoning te wijzigen in die van een burgerwoning. Deze wijzigingsbevoegdheid was gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Nu de Wro per 1 januari 2024 is vervangen door de Omgevingswet (Ow) en de Ow geen vergelijkbare wijzigingsbevoegdheid kent, is de wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan komen te vervallen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 19 van de Beleidsregel een verzwaard adviesrecht van de gemeenteraad geldt indien een aanvraag betrekking heeft op het gebruik van gronden voor andere functies dan glastuinbouw en het betrokken oppervlakte meer dan 250 m² bedraagt. De betrokken percelen hebben beiden een oppervlakte van meer dan 250 m². De uitzondering van artikel 23 van de Beleidsregel is gebaseerd op de toepasselijkheid van de – inmiddels vervallen – wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan. Uit de Beleidsregel en de toelichting daarop blijkt echter niet of de gemeenteraad heeft beoogd deze uitzondering en het verzwaard adviesrecht ook na het vervallen van de wijzigingsbevoegdheid in dergelijke gevallen te handhaven.
3. Het college heeft in zijn aanvullende motivering aangevoerd dat het verzwaard adviesrecht zoals bedoeld in de Beleidsregel niet van toepassing is. Daarbij heeft het college aansluiting gezocht bij artikel 19 van de Beleidsregel en de toelichting daarop. Volgens het college volgt hieruit dat, indien zonder toepassing van het verzwaard adviesrecht een woning met omliggende gronden tot een oppervlakte van 1000 m² mag worden gerealiseerd, deze oppervlakte eveneens als uitgangspunt geldt voor het toegestane gebruik. Het perceel van vergunninghouders I heeft een oppervlakte van 793 m². Hoewel het perceel van vergunninghouder II een oppervlakte heeft van 1865 m² en daarmee de toegestane 1000 m² overschrijdt, wordt deze overschrijding volgens het college gecompenseerd door een extra aangekocht woonrecht. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat hij bevoegd was om de bestemming van de woningen te wijzigen zonder daarvoor een verzwaard advies van de gemeenteraad in te winnen. Desondanks heeft het college zekerheidshalve advies gevraagd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft in beide zaken een negatief advies uitgebracht en het college opgedragen eerst nieuwe beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de vervallen wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan. Volgens het college laat het ontbreken van deze beleidsregels onverlet dat hij bevoegd is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen, mits aan de relevante beoordelingsregels wordt voldaan. Nu de gevraagde bestemmingswijzigingen in overeenstemming zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mocht het college de gevraagde omgevingsvergunningen verlenen. Volgens het college is het door de rechtbank geconstateerde gebrek met de aanvullende motivering hersteld.
4. Eiseres voert aan dat het college het geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Volgens eiseres heeft de gemeenteraad in artikel 19 van de Beleidsregel expliciet bepaald dat voor het gebruik van gronden ten behoeve van andere functies dan glastuinbouw, bij een oppervlakte van meer dan 250 m², een verzwaard advies van de gemeenteraad is vereist. Dat de gemeenteraad een verzwaard advies nodig acht bij de bouw van een woning op percelen groter dan 1000 m², doet daar volgens eiseres niet aan af. Uit de Beleidsregel noch uit de toelichting daarop blijkt immers dat de gemeenteraad heeft beoogd een uitzondering te maken voor het wijzigen van een woonbestemming. Nu beide percelen een oppervlakte hebben van meer dan 250 m², is volgens eiseres het verzwaard adviesrecht van toepassing. Eiseres meent bovendien dat de uitzondering van artikel 23 van de Beleidsregel niet van toepassing is. Verder stelt eiseres dat het college de gemeenteraad niet om een nadere reactie heeft gevraagd over de toepassing van artikel 23 van de Beleidsregel en evenmin een aanvullende motivering met betrekking tot dit artikel heeft verstrekt. Volgens eiseres bevestigt het negatieve advies van de gemeenteraad het door de rechtbank geconstateerde gebrek. Daarbij wijst eiseres erop dat de gemeenteraad expliciet heeft aangegeven dat een nieuw beleidskader nodig is dat vergelijkbaar is met de regeling die gold voor de inwerkingtreding van de Ow. Nu vaststaat dat de aanvragen niet aan die eerdere regeling voldeden, is volgens eiseres geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. Vergunninghouders I betogen dat de beoordeling van de vraag of een verzwaard advies van de gemeenteraad is vereist, ten onrechte is geplaatst in het kader van de bevoegdheid van het college om de gevraagde omgevingsvergunningen te verlenen. Volgens vergunninghouders I is de Beleidsregel in het geheel niet van toepassing, omdat hun perceel kleiner is dan 1000 m². Voorts stellen zij dat een redelijke uitleg en interpretatie van de Beleidsregel met zich brengt dat onder ‘bouwen’ tevens ‘gebruiken’ moet worden verstaan. Het uitgebrachte raadsadvies is naar hun mening gebaseerd op beleidsmatige en bestuurlijke overwegingen, maar niet op de aanvraag en de relevante beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), zoals bedoeld in artikel 16.15b van de Ow. Het raadsadvies is daarom geen advies in de zin van artikel 16.15b van de Ow, zodat het college niet is gehouden dit advies te volgen.
6. Vergunninghouder II heeft geen nadere toelichting aan de rechtbank toegestuurd.
Is het gebrek hersteld?
7. De rechtbank stelt voorop dat, hoewel het verzwaard adviesrecht in formele zin geen bevoegdheidskwestie is, er wel een dusdanige procedurele verwevenheid bestaat met de uitoefening van de bevoegdheid van het college om een omgevingsvergunning te verlenen, dat sprake is van een voldoende aanknopingspunt om beide aspecten gezamenlijk te bespreken. De bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning ligt bij het college en niet bij de gemeenteraad. Een advies van de gemeenteraad heeft in de regel echter een zwaarwegend en veelal doorslaggevend effect op de besluitvorming, waardoor het verzwaard adviesrecht de ruimte beïnvloedt waarbinnen het college de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning kan aanwenden. Het ontbreken van een verzwaard advies raakt weliswaar niet aan de wettelijke bevoegdheidsgrondslag van het college om een omgevingsvergunning te verlenen, maar kan naar het oordeel van de rechtbank wel in dit kader worden besproken. Van strijd met de goede procesorde is dan ook geen sprake.
7.1.
Met de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college verzocht om duidelijkheid te verschaffen met betrekking tot de toepasbaarheid van het verzwaard adviesrecht zoals bedoeld in artikelen 19 en 23 van de Beleidsregel. Het college heeft bij zijn aanvullende motivering de raadsbesluiten van 25 februari 2026 overgelegd. Uit de daarbij behorende amendementen blijkt dat de gemeenteraad het niet wenselijk acht dat het college, als gevolg van het ontbreken van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, frequent de gemeenteraad moet raadplegen voor wijzigingen die vóór de invoering van de Ow door het college zelf doorgevoerd konden worden. Om deze reden heeft de gemeenteraad het college in de adviezen opgedragen om eerst een nieuwe beleidsregel vast te stellen waarin de afwijkingsmogelijkheid voor bestemmingswijzigingen wordt gedefinieerd en benoemd, vergelijkbaar met de inmiddels vervallen wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de uitgebrachte adviezen niet kunnen worden aangemerkt als een advies in de zin van de Beleidsregel. In deze adviezen wordt niet ingegaan op de vraag of hier sprake is van een situatie waarin het verzwaard adviesrecht geldt en evenmin op enigerlei wijze toegelicht hoe dat dan in beide gevallen zou uitvallen en op grond van welke overwegingen. Om die reden is evenmin sprake van een advies als bedoeld in artikel 16.15b van de Ow. Uit de bij de raadsbesluiten behorende aangenomen motie leidt de rechtbank af dat de gemeenteraad niet wenst vast te houden aan het verzwaard adviesrecht voor dit soort gevallen, vanwege het belastende effect daarvan op de werkzaamheden van de gemeenteraad. Gelet daarop behoeft de vraag of artikel 23 van de Beleidsregel van toepassing is geen verdere bespreking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeenteraad voorts met de in de adviezen aan het college gegeven opdracht tot beleidsvorming tot uitdrukking gebracht dat bestemmingswijzigingen zoals hier aan de orde binnen de beleidsruimte van het college vallen. Nu het college met het inwinnen van het advies van de gemeenteraad duidelijkheid heeft verschaft over de toepasselijkheid van het verzwaard adviesrecht, heeft het college voldaan aan de opdracht uit de tussenuitspraak. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het eerder geconstateerde gebrek in de bestreden besluiten hersteld. De rechtbank zal daarom de beroepsgronden van eiseres inhoudelijk beoordelen.
Is het college bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunningen te verlenen?
8. Voor zover eiseres betoogt dat het college de gevraagde omgevingsvergunningen onbevoegd heeft verleend, omdat hij in strijd met artikel 1, eerste lid, van het delegatiebesluit niet alle voorwaarden van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan in acht heeft genomen, overweegt de rechtbank het volgende. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, maakt het delegatiebesluit geen onderdeel uit van het relevante toetsingskader, omdat dit is gebaseerd op de vervallen wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan. Artikel 1, aanhef en onder 1, van het delegatiebesluit staat dus niet aan de bevoegdheid van het college in de weg om te beslissen op de gevraagde omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
9. Eiseres betoogt dat de voorwaarden van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan leidend zijn voor de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat deze voorwaarden voortvloeien uit het door de gemeenteraad vastgestelde Raamplan voor woningen in het Buitengebied van de Gemeente Westland. Omdat niet is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan, had het college de gevraagde omgevingsvergunningen moeten weigeren.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat hij de beoordelingsregels van het omgevingsplan in acht heeft genomen bij de verlening van de gevraagde omgevingsvergunningen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat artikel 3.7.1 van het omgevingsplan is meegenomen in de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, maar dat dit artikel, nu het is vervallen, geen zelfstandig afdwingbare eisen bevat.
9.2.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
9.3.
Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
9.4.
De aangevraagde omgevingsvergunning betreft in beide gevallen een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ingevolge artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl dient het college daarom te beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ter invulling van dit criterium heeft het college aansluiting gezocht bij de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.7.1 van het omgevingsplan. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat, hoewel artikel 3.7.1 is vervallen, de daarin opgenomen voorwaarden richtinggevend kunnen zijn bij de beoordeling of aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is voldaan.
9.5.
Ten aanzien van vergunninghouders I heeft het college gemotiveerd dat de woning aan [adres 1] gunstiger is gesitueerd dan de woning aan [adres 2], omdat langs de laatstgenoemde woning vrachtverkeer rijdt ten behoeve van het achterliggende glastuinbouwbedrijf. Hierdoor kan geen goed woon- en leefklimaat gerealiseerd worden. De woning aan [adres 1] ligt in het woonlint van [straatnaam 1], dat is aangewezen als vast structuurlint. De achterliggende woning aan [adres 3] maakt geen onderdeel uit van het glastuinbouwbedrijf van vergunninghouders I en is reeds bestemd als woning, waardoor de bestemmingswijziging beperkte gevolgen heeft voor de glastuinbouw. Omdat de woning en omliggende gronden een oppervlakte hebben van 793 m², is sprake van een ruimtelijk logische en efficiënte verkaveling van het glastuinbouwareaal. De aanwezige bebouwing voldoet aan de relevante regelgeving met betrekking tot de woning en bijgebouwen. Daarnaast heeft het college overwogen dat de omzetting van glastuinbouw naar wonen leidt tot een afname van de uitstoot van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, waardoor de waterkwaliteit kan verbeteren. Verder heeft het college overwogen dat bedrijfswoningen wat betreft geluidhinder in beginsel gelijkgesteld worden aan burgerwoningen, met dien verstande dat zij niet worden beschermd tegen geluid afkomstig van het eigen bedrijf. Voor overige bedrijven en bedrijfsactiviteiten geldt dat een bedrijfswoning als burgerwoning wordt beschermd. Het college ziet geen aanleiding om de geluidsbelasting van de aanwezige WKK-installatie te beoordelen, omdat deze installatie ook in de bestaande situatie aan de geldende geluidsnormen moet voldoen.
9.6.
Ten aanzien van vergunninghouder II heeft het college gemotiveerd dat de woning aan [adres 4] gunstiger is gesitueerd dan de woning aan [adres 5], omdat de laatstgenoemde woning dichter bij de bedrijfsruimte en technische installaties van het glastuinbouwbedrijf ligt. De woning aan [adres 4] is gelegen in het woonlint van [straatnaam 2], zodat de functiewijziging geen nadelige gevolgen heeft voor de glastuinbouw. Hoewel het perceel een oppervlakte heeft van meer dan 1000 m², kan deze overschrijding volgens het college worden gecompenseerd met het aangekochte woonrecht aan [adres 6] in [plaats]. De aanwezige woning en bijgebouwen voldoen aan de hiervoor geldende regelgeving. Verder heeft het college aan de omgevingsvergunning als voorschrift verbonden dat de uitweg dient te worden versmald tot een maximale breedte van 5 meter, omdat de bestaande uitweg van 21 meter is afgestemd op agrarisch gebruik. Op basis van het milieukundig bodemonderzoek van 28 mei 2024 heeft het college vastgesteld dat in het grondwater geen overschrijdingen boven de interventiewaarden zijn aangetroffen en dat het totaal gehalte aan asbest onder de toepasselijke norm blijft. Deze onderzoeksresultaten vormen daarom geen belemmering voor de vergunningverlening. Ook in het geval van vergunninghouder II heeft het college overwogen dat de omzetting van glastuinbouw naar wonen leidt tot een afname van de uitstoot van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, hetgeen de waterkwaliteit ten goede kan komen.
9.7.
Gelet op hetgeen hiervoor overwogen, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de omzetting van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen in beide gevallen ruimtelijk aanvaardbaar is. Eiseres heeft daartegen geen inhoudelijke gronden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De enkele stelling dat niet is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan, is daartoe onvoldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat in beide gevallen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Is artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan van toepassing?
10. Voor zover eiseres betoogt dat het college de gevraagde omgevingsvergunningen in strijd met artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan heeft verleend, overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan verwijst naar artikel 22.270 van het omgevingsplan. Dit laatstgenoemde artikel ziet op gevallen waarin in het tijdelijke deel van het omgevingsplan is bepaald dat in bepaalde gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de daarbij aangegeven planregels. Dit artikel ziet dan ook uitsluitend op binnenplanse omgevingsplanactiviteiten. Nu de gevraagde omgevingsvergunningen betrekking hebben op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan niet van toepassing. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Is sprake van strijd met de Zuid – Hollandse Omgevingsverordening?
11. Eiseres heeft de beroepsgrond dat de bestreden besluiten in strijd met de Zuid – Hollandse Omgevingsverordening zijn genomen, ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal daarom over deze beroepsgrond geen oordeel geven.
Is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat?
12. Eiseres betoogt dat het college niet heeft onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [adres 1]. Daartoe voert zij aan dat het college en de bezwaarschriftencommissie er ten onrechte van zijn uitgegaan dat de woning aan [adres 1] verder van het bedrijfsgebouw en de bedrijfsinstallaties is gelegen dan de woning aan [adres 7]. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het realiseren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten koste kan gaan van de bedrijfsvrijheid van de tuinder, omdat er maatregelen moeten worden getroffen om potentiële hinder van het glastuinbouwbedrijf te voorkomen.
12.1.
Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
12.2.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, ook de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf beschermt. Degene die een bedrijf uitoefent kan, omdat hij geconfronteerd wordt met klachten van bewoners van een woning over de milieugevolgen van het bedrijf, betogen dat in het plangebied vanwege die milieugevolgen van zijn bedrijf geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre niet in de weg aan vernietiging van een besluit op die grond.
12.3.
De rechtbank overweegt dat eiseres zich blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel inzet voor de behartiging van de sociale en economische belangen van haar leden, bestaande uit exploitanten van glastuinbouwbedrijven. De norm van de bescherming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van (toekomstige) bewoners van een burgerwoning strekt daarmee niet tot de bescherming van de belangen van eiseres. Eiseres kan zich hier daarom niet op beroepen. Dat exploitanten van glastuinbouwbedrijven mogelijk maatregelen moeten treffen ter voorkoming van hinder en dat dit gevolgen kan hebben voor hun bedrijfsvoering, maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat in de huidige situatie sprake is van concrete hinder van het glastuinbouwbedrijf van vergunninghouders I, noch van concrete aanwijzingen voor toekomstige overlast. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het relativiteitsvereiste aan de behandeling van deze beroepsgrond van eiseres in de weg staat.
Is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?
13. Eiseres betoogt dat het college de bezwaargrond inhoudende dat de woningen aan [adres 1] en [adres 2] beiden bedrijfswoningen zijn die behoren bij het achterliggende glastuinbouwbedrijf, onbehandeld heeft gelaten, waardoor het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.
13.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende is ingegaan op het bezwaar van eiseres en heeft onderbouwd dat de woningen beide bedrijfswoningen zijn. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. Het betoog van eiseres slaat niet.
Slotsom
14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunningen mocht verlenen. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Met de inwerkingtreding van de Ow op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse van de locaties waarop de aanvragen zien geldt het bestemmingsplan ‘Glastuinbouwgebied Westland.’ Dit bestemmingsplan maakt dan ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Westland.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ingevolge artikel 16.15b van de Ow worden, in een geval als bedoeld in artikel 16.15a, onder b, de bij of krachtens deze wet gestelde regels over het beslissen op de aanvraag om de omgevingsvergunning of het verlenen of onthouden van instemming met inachtneming van het advies van de gemeenteraad toegepast.
Ingevolge artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan: het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit de besluiten, zoals bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Ingevolge artikel 8.0a van het Bkl geldt dat:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder f, van het omgevingsplan zijn de voor ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ bestemde gronden bestemd voor het wonen in een bij een volwaardig en doelmatig glastuinbedrijf behorende bestaande bedrijfswoning.
Ingevolge artikel 3.7.1 van het omgevingsplan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch-Glastuinbouw” in de bestemming ‘Wonen’ met als doel een bedrijfswoning van bestemming te doen wijzigen naar een burgerwoning, waarbij vast dient te staan dat:
de bedrijfsvoering ter plaatse is beëindigd, waarbij alle ter plaatse bedrijfsmatig te gebruiken, bij het bedrijf bijbehorende, gronden zijn verkocht en alle bedrijfsmatig te gebruiken, bij het bedrijf bijbehorende, kassen, bedrijfsgebouwen en overige bedrijfsbouwwerken zijn verkocht of gesloopt ten behoeve van een schaalvergroting en/of herstructurering van de glastuinbouw;
per bedrijf ten minste één bedrijfswoning aanwezig blijft;
de woning zodanig gesitueerd is dat hierdoor de glastuinbouw nu en in de toekomst niet wordt belemmerd, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige;
na de bestemmingswijziging geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zal zijn dan maximaal 1.000 m², waarbij leidend is een logische en efficiënte verkaveling van het glasareaal, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige;
de van bestemming te wijzigen kavel op een ruimtelijk logische en efficiënte wijze verkaveld is;
voldaan wordt aan de regels voor een woning als genoemd in de bestemming "Wonen", met dien verstande dat de regels met betrekking tot de inhoud van een woning en alle regels met betrekking tot bijgebouwen niet van toepassing zijn op de bestaande bebouwing, mits de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen bij de te wijzigen kavel is teruggebracht tot 100 m² of de inhoud van alle bestaande bijgebouwen is teruggebracht tot 300 m3;
advies is ingewonnen bij de waterbeheerder en de glastuinbouwdeskundige;
dit niet op ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige, waterstaatkundige, milieu hygiënische of akoestische bezwaren stuit;
indien het nieuwe woonvlak is gelegen binnen de dubbelbestemming "Leiding - ...", is schriftelijk advies van de betreffende leidingbeheerder vereist;
indien het nieuwe woonvlak is gelegen binnen 25 meter van de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduidingen "(sb-gos)" of "(sb-mr)", is schriftelijk advies van de betreffende leidingbeheerder vereist.
Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a. van het omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4.
Ingevolge artikel 22.32, eerste lid, van de het omgevingsplan kan, in afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Ow.
Ingevolge artikel 22.270 van het omgevingsplan geldt dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Ingevolge artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan geldt het volgende:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 22.270 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.
Uit artikel 1, aanhef en onder 1, van het Delegatiebesluit omgevingsplan Westland 2022 (het delegatiebesluit) volgt dat de gemeenteraad de bevoegdheid tot vaststelling van (delen van) het omgevingsplan delegeert aan het college in, onder meer, het volgende geval:
Delen van het omgevingsplan waarvoor in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (dat deel dat krachtens overgangsrecht als omgevingsplan geldt) een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening) is opgenomen. Hierbij neemt het college van burgemeester en wethouders de voorwaarden van de desbetreffende wijzigings- of uitwerkingsbevoegdheid in acht.
Ingevolge artikel 19 van de Beleidsregel verzwaard adviesrecht 2022 (de Beleidsregel) is het verzwaard adviesrecht van de gemeenteraad vereist voor het bouwen van nieuw op te richten bouwwerken, het uitbreiden van bestaande bouwwerken, het gebruiken van bouwwerken dan wel gronden, het aanleggen van werken of het oprichten van werkzaamheden ten behoeve van andere functies dan glastuinbouw, vanaf een oppervlak van meer dan 250 m². Bij het bouwen van woningen geldt dit vanaf een perceeloppervlakte van meer dan 1000 m².
Ingevolge artikel 23 van de Beleidsregel is, indien sprake is van (één van de) gevallen zoals genoemd in hoofdstukken 1 tot en met 5, het verzwaard advies van de gemeenteraad niet vereist als het, voor zover relevant, gaat om gevallen:
waarvoor in het tijdelijke deel van het omgevingsplan een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is opgenomen;
waarvoor in het nieuwe deel van het omgevingsplan een delegatiebevoegdheid zoals bedoeld in artikel 2.8 van de Ow is opgenomen;
[…]
Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).
Uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4624 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/2069 en 25/2073
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaken tussen
de vereniging Glastuinbouw Nederland, uit Zoetermeer, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en mr. D. McLean).
Als derde-partijen nemen aan het geding deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [woonplaats 1],
vergunninghouders I
(gemachtigde: mr. T. Pothast),
en
[derde-partij 3] uit [woonplaats 2], vergunninghouder II
(gemachtigde: [gemachtigde 3]).
(Gezamenlijk: vergunninghouders).
Procesverloop
De rechtbank verwijst voor het procesverloop naar de tussenuitspraak van 17 december 2025 (hierna: de tussenuitspraak).
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in de bestreden besluiten te herstellen.
In de tweede tussenuitspraak van 13 januari 2026 (de verlengingsuitspraak) heeft de rechtbank de termijn die zij het college heeft gegeven om het gebrek te herstellen, verlengd tot uiterlijk 12 maart 2026.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd.
Vergunninghouders I hebben schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 24 april 2026.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de bestreden besluiten niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en dat daaraan geen daadkrachtige motivering ten grondslag ligt. Daartoe heeft zij overwogen dat artikel 3.7.1 van het omgevingsplan het college de bevoegdheid gaf om de bestemming van een agrarische bedrijfswoning te wijzigen in die van een burgerwoning. Deze wijzigingsbevoegdheid was gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Nu de Wro per 1 januari 2024 is vervangen door de Omgevingswet (Ow) en de Ow geen vergelijkbare wijzigingsbevoegdheid kent, is de wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan komen te vervallen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 19 van de Beleidsregel een verzwaard adviesrecht van de gemeenteraad geldt indien een aanvraag betrekking heeft op het gebruik van gronden voor andere functies dan glastuinbouw en het betrokken oppervlakte meer dan 250 m² bedraagt. De betrokken percelen hebben beiden een oppervlakte van meer dan 250 m². De uitzondering van artikel 23 van de Beleidsregel is gebaseerd op de toepasselijkheid van de – inmiddels vervallen – wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan. Uit de Beleidsregel en de toelichting daarop blijkt echter niet of de gemeenteraad heeft beoogd deze uitzondering en het verzwaard adviesrecht ook na het vervallen van de wijzigingsbevoegdheid in dergelijke gevallen te handhaven.
3. Het college heeft in zijn aanvullende motivering aangevoerd dat het verzwaard adviesrecht zoals bedoeld in de Beleidsregel niet van toepassing is. Daarbij heeft het college aansluiting gezocht bij artikel 19 van de Beleidsregel en de toelichting daarop. Volgens het college volgt hieruit dat, indien zonder toepassing van het verzwaard adviesrecht een woning met omliggende gronden tot een oppervlakte van 1000 m² mag worden gerealiseerd, deze oppervlakte eveneens als uitgangspunt geldt voor het toegestane gebruik. Het perceel van vergunninghouders I heeft een oppervlakte van 793 m². Hoewel het perceel van vergunninghouder II een oppervlakte heeft van 1865 m² en daarmee de toegestane 1000 m² overschrijdt, wordt deze overschrijding volgens het college gecompenseerd door een extra aangekocht woonrecht. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat hij bevoegd was om de bestemming van de woningen te wijzigen zonder daarvoor een verzwaard advies van de gemeenteraad in te winnen. Desondanks heeft het college zekerheidshalve advies gevraagd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft in beide zaken een negatief advies uitgebracht en het college opgedragen eerst nieuwe beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de vervallen wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan. Volgens het college laat het ontbreken van deze beleidsregels onverlet dat hij bevoegd is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen, mits aan de relevante beoordelingsregels wordt voldaan. Nu de gevraagde bestemmingswijzigingen in overeenstemming zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mocht het college de gevraagde omgevingsvergunningen verlenen. Volgens het college is het door de rechtbank geconstateerde gebrek met de aanvullende motivering hersteld.
4. Eiseres voert aan dat het college het geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Volgens eiseres heeft de gemeenteraad in artikel 19 van de Beleidsregel expliciet bepaald dat voor het gebruik van gronden ten behoeve van andere functies dan glastuinbouw, bij een oppervlakte van meer dan 250 m², een verzwaard advies van de gemeenteraad is vereist. Dat de gemeenteraad een verzwaard advies nodig acht bij de bouw van een woning op percelen groter dan 1000 m², doet daar volgens eiseres niet aan af. Uit de Beleidsregel noch uit de toelichting daarop blijkt immers dat de gemeenteraad heeft beoogd een uitzondering te maken voor het wijzigen van een woonbestemming. Nu beide percelen een oppervlakte hebben van meer dan 250 m², is volgens eiseres het verzwaard adviesrecht van toepassing. Eiseres meent bovendien dat de uitzondering van artikel 23 van de Beleidsregel niet van toepassing is. Verder stelt eiseres dat het college de gemeenteraad niet om een nadere reactie heeft gevraagd over de toepassing van artikel 23 van de Beleidsregel en evenmin een aanvullende motivering met betrekking tot dit artikel heeft verstrekt. Volgens eiseres bevestigt het negatieve advies van de gemeenteraad het door de rechtbank geconstateerde gebrek. Daarbij wijst eiseres erop dat de gemeenteraad expliciet heeft aangegeven dat een nieuw beleidskader nodig is dat vergelijkbaar is met de regeling die gold voor de inwerkingtreding van de Ow. Nu vaststaat dat de aanvragen niet aan die eerdere regeling voldeden, is volgens eiseres geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. Vergunninghouders I betogen dat de beoordeling van de vraag of een verzwaard advies van de gemeenteraad is vereist, ten onrechte is geplaatst in het kader van de bevoegdheid van het college om de gevraagde omgevingsvergunningen te verlenen. Volgens vergunninghouders I is de Beleidsregel in het geheel niet van toepassing, omdat hun perceel kleiner is dan 1000 m². Voorts stellen zij dat een redelijke uitleg en interpretatie van de Beleidsregel met zich brengt dat onder ‘bouwen’ tevens ‘gebruiken’ moet worden verstaan. Het uitgebrachte raadsadvies is naar hun mening gebaseerd op beleidsmatige en bestuurlijke overwegingen, maar niet op de aanvraag en de relevante beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), zoals bedoeld in artikel 16.15b van de Ow. Het raadsadvies is daarom geen advies in de zin van artikel 16.15b van de Ow, zodat het college niet is gehouden dit advies te volgen.
6. Vergunninghouder II heeft geen nadere toelichting aan de rechtbank toegestuurd.
Is het gebrek hersteld?
7. De rechtbank stelt voorop dat, hoewel het verzwaard adviesrecht in formele zin geen bevoegdheidskwestie is, er wel een dusdanige procedurele verwevenheid bestaat met de uitoefening van de bevoegdheid van het college om een omgevingsvergunning te verlenen, dat sprake is van een voldoende aanknopingspunt om beide aspecten gezamenlijk te bespreken. De bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning ligt bij het college en niet bij de gemeenteraad. Een advies van de gemeenteraad heeft in de regel echter een zwaarwegend en veelal doorslaggevend effect op de besluitvorming, waardoor het verzwaard adviesrecht de ruimte beïnvloedt waarbinnen het college de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning kan aanwenden. Het ontbreken van een verzwaard advies raakt weliswaar niet aan de wettelijke bevoegdheidsgrondslag van het college om een omgevingsvergunning te verlenen, maar kan naar het oordeel van de rechtbank wel in dit kader worden besproken. Van strijd met de goede procesorde is dan ook geen sprake.
7.1.
Met de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college verzocht om duidelijkheid te verschaffen met betrekking tot de toepasbaarheid van het verzwaard adviesrecht zoals bedoeld in artikelen 19 en 23 van de Beleidsregel. Het college heeft bij zijn aanvullende motivering de raadsbesluiten van 25 februari 2026 overgelegd. Uit de daarbij behorende amendementen blijkt dat de gemeenteraad het niet wenselijk acht dat het college, als gevolg van het ontbreken van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, frequent de gemeenteraad moet raadplegen voor wijzigingen die vóór de invoering van de Ow door het college zelf doorgevoerd konden worden. Om deze reden heeft de gemeenteraad het college in de adviezen opgedragen om eerst een nieuwe beleidsregel vast te stellen waarin de afwijkingsmogelijkheid voor bestemmingswijzigingen wordt gedefinieerd en benoemd, vergelijkbaar met de inmiddels vervallen wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de uitgebrachte adviezen niet kunnen worden aangemerkt als een advies in de zin van de Beleidsregel. In deze adviezen wordt niet ingegaan op de vraag of hier sprake is van een situatie waarin het verzwaard adviesrecht geldt en evenmin op enigerlei wijze toegelicht hoe dat dan in beide gevallen zou uitvallen en op grond van welke overwegingen. Om die reden is evenmin sprake van een advies als bedoeld in artikel 16.15b van de Ow. Uit de bij de raadsbesluiten behorende aangenomen motie leidt de rechtbank af dat de gemeenteraad niet wenst vast te houden aan het verzwaard adviesrecht voor dit soort gevallen, vanwege het belastende effect daarvan op de werkzaamheden van de gemeenteraad. Gelet daarop behoeft de vraag of artikel 23 van de Beleidsregel van toepassing is geen verdere bespreking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeenteraad voorts met de in de adviezen aan het college gegeven opdracht tot beleidsvorming tot uitdrukking gebracht dat bestemmingswijzigingen zoals hier aan de orde binnen de beleidsruimte van het college vallen. Nu het college met het inwinnen van het advies van de gemeenteraad duidelijkheid heeft verschaft over de toepasselijkheid van het verzwaard adviesrecht, heeft het college voldaan aan de opdracht uit de tussenuitspraak. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het eerder geconstateerde gebrek in de bestreden besluiten hersteld. De rechtbank zal daarom de beroepsgronden van eiseres inhoudelijk beoordelen.
Is het college bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunningen te verlenen?
8. Voor zover eiseres betoogt dat het college de gevraagde omgevingsvergunningen onbevoegd heeft verleend, omdat hij in strijd met artikel 1, eerste lid, van het delegatiebesluit niet alle voorwaarden van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan in acht heeft genomen, overweegt de rechtbank het volgende. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, maakt het delegatiebesluit geen onderdeel uit van het relevante toetsingskader, omdat dit is gebaseerd op de vervallen wijzigingsbevoegdheid van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan. Artikel 1, aanhef en onder 1, van het delegatiebesluit staat dus niet aan de bevoegdheid van het college in de weg om te beslissen op de gevraagde omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
9. Eiseres betoogt dat de voorwaarden van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan leidend zijn voor de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat deze voorwaarden voortvloeien uit het door de gemeenteraad vastgestelde Raamplan voor woningen in het Buitengebied van de Gemeente Westland. Omdat niet is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan, had het college de gevraagde omgevingsvergunningen moeten weigeren.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat hij de beoordelingsregels van het omgevingsplan in acht heeft genomen bij de verlening van de gevraagde omgevingsvergunningen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat artikel 3.7.1 van het omgevingsplan is meegenomen in de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, maar dat dit artikel, nu het is vervallen, geen zelfstandig afdwingbare eisen bevat.
9.2.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
9.3.
Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
9.4.
De aangevraagde omgevingsvergunning betreft in beide gevallen een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ingevolge artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl dient het college daarom te beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ter invulling van dit criterium heeft het college aansluiting gezocht bij de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.7.1 van het omgevingsplan. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat, hoewel artikel 3.7.1 is vervallen, de daarin opgenomen voorwaarden richtinggevend kunnen zijn bij de beoordeling of aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is voldaan.
9.5.
Ten aanzien van vergunninghouders I heeft het college gemotiveerd dat de woning aan [adres 1] gunstiger is gesitueerd dan de woning aan [adres 2], omdat langs de laatstgenoemde woning vrachtverkeer rijdt ten behoeve van het achterliggende glastuinbouwbedrijf. Hierdoor kan geen goed woon- en leefklimaat gerealiseerd worden. De woning aan [adres 1] ligt in het woonlint van [straatnaam 1], dat is aangewezen als vast structuurlint. De achterliggende woning aan [adres 3] maakt geen onderdeel uit van het glastuinbouwbedrijf van vergunninghouders I en is reeds bestemd als woning, waardoor de bestemmingswijziging beperkte gevolgen heeft voor de glastuinbouw. Omdat de woning en omliggende gronden een oppervlakte hebben van 793 m², is sprake van een ruimtelijk logische en efficiënte verkaveling van het glastuinbouwareaal. De aanwezige bebouwing voldoet aan de relevante regelgeving met betrekking tot de woning en bijgebouwen. Daarnaast heeft het college overwogen dat de omzetting van glastuinbouw naar wonen leidt tot een afname van de uitstoot van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, waardoor de waterkwaliteit kan verbeteren. Verder heeft het college overwogen dat bedrijfswoningen wat betreft geluidhinder in beginsel gelijkgesteld worden aan burgerwoningen, met dien verstande dat zij niet worden beschermd tegen geluid afkomstig van het eigen bedrijf. Voor overige bedrijven en bedrijfsactiviteiten geldt dat een bedrijfswoning als burgerwoning wordt beschermd. Het college ziet geen aanleiding om de geluidsbelasting van de aanwezige WKK-installatie te beoordelen, omdat deze installatie ook in de bestaande situatie aan de geldende geluidsnormen moet voldoen.
9.6.
Ten aanzien van vergunninghouder II heeft het college gemotiveerd dat de woning aan [adres 4] gunstiger is gesitueerd dan de woning aan [adres 5], omdat de laatstgenoemde woning dichter bij de bedrijfsruimte en technische installaties van het glastuinbouwbedrijf ligt. De woning aan [adres 4] is gelegen in het woonlint van [straatnaam 2], zodat de functiewijziging geen nadelige gevolgen heeft voor de glastuinbouw. Hoewel het perceel een oppervlakte heeft van meer dan 1000 m², kan deze overschrijding volgens het college worden gecompenseerd met het aangekochte woonrecht aan [adres 6] in [plaats]. De aanwezige woning en bijgebouwen voldoen aan de hiervoor geldende regelgeving. Verder heeft het college aan de omgevingsvergunning als voorschrift verbonden dat de uitweg dient te worden versmald tot een maximale breedte van 5 meter, omdat de bestaande uitweg van 21 meter is afgestemd op agrarisch gebruik. Op basis van het milieukundig bodemonderzoek van 28 mei 2024 heeft het college vastgesteld dat in het grondwater geen overschrijdingen boven de interventiewaarden zijn aangetroffen en dat het totaal gehalte aan asbest onder de toepasselijke norm blijft. Deze onderzoeksresultaten vormen daarom geen belemmering voor de vergunningverlening. Ook in het geval van vergunninghouder II heeft het college overwogen dat de omzetting van glastuinbouw naar wonen leidt tot een afname van de uitstoot van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, hetgeen de waterkwaliteit ten goede kan komen.
9.7.
Gelet op hetgeen hiervoor overwogen, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de omzetting van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen in beide gevallen ruimtelijk aanvaardbaar is. Eiseres heeft daartegen geen inhoudelijke gronden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De enkele stelling dat niet is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 3.7.1 van het omgevingsplan, is daartoe onvoldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat in beide gevallen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Is artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan van toepassing?
10. Voor zover eiseres betoogt dat het college de gevraagde omgevingsvergunningen in strijd met artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan heeft verleend, overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan verwijst naar artikel 22.270 van het omgevingsplan. Dit laatstgenoemde artikel ziet op gevallen waarin in het tijdelijke deel van het omgevingsplan is bepaald dat in bepaalde gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de daarbij aangegeven planregels. Dit artikel ziet dan ook uitsluitend op binnenplanse omgevingsplanactiviteiten. Nu de gevraagde omgevingsvergunningen betrekking hebben op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan niet van toepassing. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Is sprake van strijd met de Zuid – Hollandse Omgevingsverordening?
11. Eiseres heeft de beroepsgrond dat de bestreden besluiten in strijd met de Zuid – Hollandse Omgevingsverordening zijn genomen, ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal daarom over deze beroepsgrond geen oordeel geven.
Is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat?
12. Eiseres betoogt dat het college niet heeft onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [adres 1]. Daartoe voert zij aan dat het college en de bezwaarschriftencommissie er ten onrechte van zijn uitgegaan dat de woning aan [adres 1] verder van het bedrijfsgebouw en de bedrijfsinstallaties is gelegen dan de woning aan [adres 7]. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het realiseren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten koste kan gaan van de bedrijfsvrijheid van de tuinder, omdat er maatregelen moeten worden getroffen om potentiële hinder van het glastuinbouwbedrijf te voorkomen.
12.1.
Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
12.2.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, ook de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf beschermt. Degene die een bedrijf uitoefent kan, omdat hij geconfronteerd wordt met klachten van bewoners van een woning over de milieugevolgen van het bedrijf, betogen dat in het plangebied vanwege die milieugevolgen van zijn bedrijf geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre niet in de weg aan vernietiging van een besluit op die grond.
12.3.
De rechtbank overweegt dat eiseres zich blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel inzet voor de behartiging van de sociale en economische belangen van haar leden, bestaande uit exploitanten van glastuinbouwbedrijven. De norm van de bescherming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van (toekomstige) bewoners van een burgerwoning strekt daarmee niet tot de bescherming van de belangen van eiseres. Eiseres kan zich hier daarom niet op beroepen. Dat exploitanten van glastuinbouwbedrijven mogelijk maatregelen moeten treffen ter voorkoming van hinder en dat dit gevolgen kan hebben voor hun bedrijfsvoering, maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat in de huidige situatie sprake is van concrete hinder van het glastuinbouwbedrijf van vergunninghouders I, noch van concrete aanwijzingen voor toekomstige overlast. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het relativiteitsvereiste aan de behandeling van deze beroepsgrond van eiseres in de weg staat.
Is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?
13. Eiseres betoogt dat het college de bezwaargrond inhoudende dat de woningen aan [adres 1] en [adres 2] beiden bedrijfswoningen zijn die behoren bij het achterliggende glastuinbouwbedrijf, onbehandeld heeft gelaten, waardoor het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.
13.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende is ingegaan op het bezwaar van eiseres en heeft onderbouwd dat de woningen beide bedrijfswoningen zijn. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. Het betoog van eiseres slaat niet.
Slotsom
14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunningen mocht verlenen. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Met de inwerkingtreding van de Ow op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse van de locaties waarop de aanvragen zien geldt het bestemmingsplan ‘Glastuinbouwgebied Westland.’ Dit bestemmingsplan maakt dan ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Westland.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ingevolge artikel 16.15b van de Ow worden, in een geval als bedoeld in artikel 16.15a, onder b, de bij of krachtens deze wet gestelde regels over het beslissen op de aanvraag om de omgevingsvergunning of het verlenen of onthouden van instemming met inachtneming van het advies van de gemeenteraad toegepast.
Ingevolge artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan: het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit de besluiten, zoals bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Ingevolge artikel 8.0a van het Bkl geldt dat:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder f, van het omgevingsplan zijn de voor ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ bestemde gronden bestemd voor het wonen in een bij een volwaardig en doelmatig glastuinbedrijf behorende bestaande bedrijfswoning.
Ingevolge artikel 3.7.1 van het omgevingsplan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch-Glastuinbouw” in de bestemming ‘Wonen’ met als doel een bedrijfswoning van bestemming te doen wijzigen naar een burgerwoning, waarbij vast dient te staan dat:
de bedrijfsvoering ter plaatse is beëindigd, waarbij alle ter plaatse bedrijfsmatig te gebruiken, bij het bedrijf bijbehorende, gronden zijn verkocht en alle bedrijfsmatig te gebruiken, bij het bedrijf bijbehorende, kassen, bedrijfsgebouwen en overige bedrijfsbouwwerken zijn verkocht of gesloopt ten behoeve van een schaalvergroting en/of herstructurering van de glastuinbouw;
per bedrijf ten minste één bedrijfswoning aanwezig blijft;
de woning zodanig gesitueerd is dat hierdoor de glastuinbouw nu en in de toekomst niet wordt belemmerd, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige;
na de bestemmingswijziging geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zal zijn dan maximaal 1.000 m², waarbij leidend is een logische en efficiënte verkaveling van het glasareaal, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige;
de van bestemming te wijzigen kavel op een ruimtelijk logische en efficiënte wijze verkaveld is;
voldaan wordt aan de regels voor een woning als genoemd in de bestemming "Wonen", met dien verstande dat de regels met betrekking tot de inhoud van een woning en alle regels met betrekking tot bijgebouwen niet van toepassing zijn op de bestaande bebouwing, mits de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen bij de te wijzigen kavel is teruggebracht tot 100 m² of de inhoud van alle bestaande bijgebouwen is teruggebracht tot 300 m3;
advies is ingewonnen bij de waterbeheerder en de glastuinbouwdeskundige;
dit niet op ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische, stedenbouwkundige, waterstaatkundige, milieu hygiënische of akoestische bezwaren stuit;
indien het nieuwe woonvlak is gelegen binnen de dubbelbestemming "Leiding - ...", is schriftelijk advies van de betreffende leidingbeheerder vereist;
indien het nieuwe woonvlak is gelegen binnen 25 meter van de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduidingen "(sb-gos)" of "(sb-mr)", is schriftelijk advies van de betreffende leidingbeheerder vereist.
Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a. van het omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4.
Ingevolge artikel 22.32, eerste lid, van de het omgevingsplan kan, in afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Ow.
Ingevolge artikel 22.270 van het omgevingsplan geldt dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Ingevolge artikel 22.272, eerste lid, van het omgevingsplan geldt het volgende:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 22.270 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.
Uit artikel 1, aanhef en onder 1, van het Delegatiebesluit omgevingsplan Westland 2022 (het delegatiebesluit) volgt dat de gemeenteraad de bevoegdheid tot vaststelling van (delen van) het omgevingsplan delegeert aan het college in, onder meer, het volgende geval:
Delen van het omgevingsplan waarvoor in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (dat deel dat krachtens overgangsrecht als omgevingsplan geldt) een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening) is opgenomen. Hierbij neemt het college van burgemeester en wethouders de voorwaarden van de desbetreffende wijzigings- of uitwerkingsbevoegdheid in acht.
Ingevolge artikel 19 van de Beleidsregel verzwaard adviesrecht 2022 (de Beleidsregel) is het verzwaard adviesrecht van de gemeenteraad vereist voor het bouwen van nieuw op te richten bouwwerken, het uitbreiden van bestaande bouwwerken, het gebruiken van bouwwerken dan wel gronden, het aanleggen van werken of het oprichten van werkzaamheden ten behoeve van andere functies dan glastuinbouw, vanaf een oppervlak van meer dan 250 m². Bij het bouwen van woningen geldt dit vanaf een perceeloppervlakte van meer dan 1000 m².
Ingevolge artikel 23 van de Beleidsregel is, indien sprake is van (één van de) gevallen zoals genoemd in hoofdstukken 1 tot en met 5, het verzwaard advies van de gemeenteraad niet vereist als het, voor zover relevant, gaat om gevallen:
waarvoor in het tijdelijke deel van het omgevingsplan een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is opgenomen;
waarvoor in het nieuwe deel van het omgevingsplan een delegatiebevoegdheid zoals bedoeld in artikel 2.8 van de Ow is opgenomen;
[…]
Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).
Uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4624 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).