Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27534
2026-09-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.52747
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vreemdelingenbewaring, verzoek nader onderzoek, informatieplicht, gegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2024:2979 Raad van State 24-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:4180 Raad van State 15-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:2979 Raad van State 24-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.814 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52747
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De minister heeft niet voldaan aan zijn informatieplicht en de belangenafweging valt in het nadeel van de minister uit. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van deze maatregel en kent eiser een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Verzoek om nader onderzoek te doen
3. De rechtbank stelt vast dat in zowel de maatregel van bewaring (M109) als in het proces-verbaal van gehoor (M110) is vermeld dat aan eiser de informatiefolder ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’ in de Arabische taal is uitgereikt, maar dat dit stuk zich bij aanvang van de zitting niet in het rechtbankdossier bevond.
3.1.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister erkend dat de informatiefolder ontbreekt in het rechtbankdossier. De minister heeft daarom verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om nader uit te zoeken of deze folder aan eiser is uitgereikt en de rechtbank hierover na de zitting nader te informeren.
3.2.
De rechtbank ziet – mede gelet op de korte termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen – geen aanleiding om de gemachtigde van de minister een extra termijn te gunnen om uit te zoeken of de informatiefolder daadwerkelijk aan eiser is uitgereikt en verwijst in dat kader naar artikel 94, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hieruit volgt dat de rechtbank, behoudens uitzonderingen, binnen vijftien dagen na de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel uitspraak doet. Ook wijst de rechtbank op artikel 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht, waaruit volgt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk door de minister worden ingediend, uiterlijk op zodanig tijdstip dat de griffier deze op de eerstvolgende werkdag na ontvangst van de kennisgeving om 16:00 uur ontvangt. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de minister gezien de bestendige rechtspraak op dit punt op de hoogte is van het feit dat dit stuk onderdeel moet uitmaken van het procesdossier. De minister had dan ook ruim vóór de zitting kunnen onderkennen dat dit stuk ontbrak. Het had dan ook op de weg van de minister gelegen om ervoor te zorgen dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het dossier aanwezig waren. Daarin past het niet op om de zitting pas te erkennen dat het dossier niet compleet is en aan te bieden alsnog te onderzoeken of het ontbrekende stuk aan het dossier zou kunnen worden toegevoegd. De rechtbank wijst dit verzoek van de minister dan ook af.
De informatieplicht
4. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, omdat in het rechtbankdossier de informatiefolder in de Arabische taal ontbreekt. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat zij deze folder niet bij eiser heeft aangetroffen en dat een kopie van deze folder haar ook niet is toegezonden, terwijl dit normaliter wel gebeurt.
4.1.
Tijdens de zitting heeft de minister gesteld dat het gegeven dat de folder ontbreekt in het rechtbankdossier, niet zonder meer betekent dat deze niet aan eiser is uitgereikt. In de maatregel van bewaring staat immers dat de informatiefolder wel is uitgereikt. Dit volgt ook uit het proces-verbaal van gehoor. Als de rechtbank van oordeel is dat toch sprake is van een gebrek in de informatievoorziening, stelt de minister zich op het standpunt dat in dit geval de belangen om eiser in bewaring te houden groot zijn. Uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt namelijk een risico op onderduiken.
4.2.
Zoals onder 3 overwogen, staat vast dat de informatiefolder zich bij aanvang van de zitting niet in het rechtbankdossier bevond. Door de rechtbank is daarom niet te verifiëren of eiser schriftelijk (door middel van een informatiefolder), in een taal die hij verstaat, op de hoogte is gebracht van de redenen van bewaring, de rechtsmiddelen die tegen de bewaring openstaan en over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee niet aan zijn informatieplicht, zoals bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), heeft voldaan.
4.3.
Het niet voldoen aan de informatieplicht maakt de maatregel van bewaring niet zonder meer onrechtmatig. Daarvoor moet een belangenafweging plaatsvinden. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, geoordeeld dat een gebrek in de naleving van de informatieplicht niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de bewaring leidt. De Afdeling heeft daarbij van belang geacht dat de vreemdeling, ondanks het geconstateerde gebrek, in staat was effectief rechtsmiddelen tegen de vrijheidsontneming uit te oefenen. In die zaak stond vast dat de informatiefolder aan de vreemdeling was uitgereikt, dat de maatregel volledig was gemotiveerd, dat de vreemdeling voorafgaand aan de bewaring met behulp van een tolk was gehoord over de redenen van de bewaring en dat een rechtsbijstandverlener een afschrift van de maatregel had ontvangen.
De situatie in deze zaak verschilt daarvan. Hier kan niet worden vastgesteld dat de informatiefolder daadwerkelijk aan eiser is uitgereikt. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld dat eiser schriftelijk is geïnformeerd over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand en het instellen van rechtsmiddelen. Dat de maatregel van bewaring volledig is gemotiveerd en dat eiser voorafgaand aan de bewaring is gehoord, neemt dat niet weg. De informatieplicht strekt er immers juist toe de vreemdeling bij de uitreiking van de maatregel schriftelijk en in een voor hem begrijpelijke taal over deze onderwerpen te informeren.
Daar komt bij dat de minister, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024 en de sindsdien verstreken tijd, voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn werkwijze met betrekking tot de informatieplicht in overeenstemming te brengen met artikel 5.3, derde lid, van het Vb 2000. Het gaat hier bovendien niet om een folder die wel is uitgereikt maar inhoudelijk tekortschiet, maar om een situatie waarin de uitreiking van de folder niet kan worden vastgesteld.
Bij de belangenafweging komt daarom minder gewicht toe aan het algemeen belang dat is gediend met de inbewaringstelling in verhouding tot het belang van eiser bij naleving van de informatieplicht. Voorop staat dat eiser rechtens zijn vrijheid is ontnomen en dat hij in dat kader het recht heeft om de grondslag en de redenen voor die vrijheidsontneming te kennen en daartegen rechtsbescherming te kunnen inroepen. Het belang van eiser bij daadwerkelijke naleving van deze fundamentele waarborg weegt zwaar.
Daartegenover staat het belang van de minister bij de inbewaringstelling, gelet op het risico op onderduiken dat uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt. Gelet op de aard van het geconstateerde gebrek en de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld dat eiser de voorgeschreven schriftelijke informatie heeft ontvangen, weegt dit belang onvoldoende zwaar om het gebrek te rechtvaardigen. De belangenafweging valt daarom in het nadeel van de minister uit.
5. Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig is. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
6.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 1 dag onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160 (verblijf politiecel) en 10 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.360.
6.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.360 aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Zoals is vereist volgens de uitspraken van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180 en 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, rechtsoverweging 3.2.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52747
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De minister heeft niet voldaan aan zijn informatieplicht en de belangenafweging valt in het nadeel van de minister uit. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van deze maatregel en kent eiser een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Verzoek om nader onderzoek te doen
3. De rechtbank stelt vast dat in zowel de maatregel van bewaring (M109) als in het proces-verbaal van gehoor (M110) is vermeld dat aan eiser de informatiefolder ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’ in de Arabische taal is uitgereikt, maar dat dit stuk zich bij aanvang van de zitting niet in het rechtbankdossier bevond.
3.1.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister erkend dat de informatiefolder ontbreekt in het rechtbankdossier. De minister heeft daarom verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om nader uit te zoeken of deze folder aan eiser is uitgereikt en de rechtbank hierover na de zitting nader te informeren.
3.2.
De rechtbank ziet – mede gelet op de korte termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen – geen aanleiding om de gemachtigde van de minister een extra termijn te gunnen om uit te zoeken of de informatiefolder daadwerkelijk aan eiser is uitgereikt en verwijst in dat kader naar artikel 94, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hieruit volgt dat de rechtbank, behoudens uitzonderingen, binnen vijftien dagen na de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel uitspraak doet. Ook wijst de rechtbank op artikel 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht, waaruit volgt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk door de minister worden ingediend, uiterlijk op zodanig tijdstip dat de griffier deze op de eerstvolgende werkdag na ontvangst van de kennisgeving om 16:00 uur ontvangt. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de minister gezien de bestendige rechtspraak op dit punt op de hoogte is van het feit dat dit stuk onderdeel moet uitmaken van het procesdossier. De minister had dan ook ruim vóór de zitting kunnen onderkennen dat dit stuk ontbrak. Het had dan ook op de weg van de minister gelegen om ervoor te zorgen dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het dossier aanwezig waren. Daarin past het niet op om de zitting pas te erkennen dat het dossier niet compleet is en aan te bieden alsnog te onderzoeken of het ontbrekende stuk aan het dossier zou kunnen worden toegevoegd. De rechtbank wijst dit verzoek van de minister dan ook af.
De informatieplicht
4. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, omdat in het rechtbankdossier de informatiefolder in de Arabische taal ontbreekt. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat zij deze folder niet bij eiser heeft aangetroffen en dat een kopie van deze folder haar ook niet is toegezonden, terwijl dit normaliter wel gebeurt.
4.1.
Tijdens de zitting heeft de minister gesteld dat het gegeven dat de folder ontbreekt in het rechtbankdossier, niet zonder meer betekent dat deze niet aan eiser is uitgereikt. In de maatregel van bewaring staat immers dat de informatiefolder wel is uitgereikt. Dit volgt ook uit het proces-verbaal van gehoor. Als de rechtbank van oordeel is dat toch sprake is van een gebrek in de informatievoorziening, stelt de minister zich op het standpunt dat in dit geval de belangen om eiser in bewaring te houden groot zijn. Uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt namelijk een risico op onderduiken.
4.2.
Zoals onder 3 overwogen, staat vast dat de informatiefolder zich bij aanvang van de zitting niet in het rechtbankdossier bevond. Door de rechtbank is daarom niet te verifiëren of eiser schriftelijk (door middel van een informatiefolder), in een taal die hij verstaat, op de hoogte is gebracht van de redenen van bewaring, de rechtsmiddelen die tegen de bewaring openstaan en over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee niet aan zijn informatieplicht, zoals bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), heeft voldaan.
4.3.
Het niet voldoen aan de informatieplicht maakt de maatregel van bewaring niet zonder meer onrechtmatig. Daarvoor moet een belangenafweging plaatsvinden. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, geoordeeld dat een gebrek in de naleving van de informatieplicht niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de bewaring leidt. De Afdeling heeft daarbij van belang geacht dat de vreemdeling, ondanks het geconstateerde gebrek, in staat was effectief rechtsmiddelen tegen de vrijheidsontneming uit te oefenen. In die zaak stond vast dat de informatiefolder aan de vreemdeling was uitgereikt, dat de maatregel volledig was gemotiveerd, dat de vreemdeling voorafgaand aan de bewaring met behulp van een tolk was gehoord over de redenen van de bewaring en dat een rechtsbijstandverlener een afschrift van de maatregel had ontvangen.
De situatie in deze zaak verschilt daarvan. Hier kan niet worden vastgesteld dat de informatiefolder daadwerkelijk aan eiser is uitgereikt. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld dat eiser schriftelijk is geïnformeerd over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand en het instellen van rechtsmiddelen. Dat de maatregel van bewaring volledig is gemotiveerd en dat eiser voorafgaand aan de bewaring is gehoord, neemt dat niet weg. De informatieplicht strekt er immers juist toe de vreemdeling bij de uitreiking van de maatregel schriftelijk en in een voor hem begrijpelijke taal over deze onderwerpen te informeren.
Daar komt bij dat de minister, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024 en de sindsdien verstreken tijd, voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn werkwijze met betrekking tot de informatieplicht in overeenstemming te brengen met artikel 5.3, derde lid, van het Vb 2000. Het gaat hier bovendien niet om een folder die wel is uitgereikt maar inhoudelijk tekortschiet, maar om een situatie waarin de uitreiking van de folder niet kan worden vastgesteld.
Bij de belangenafweging komt daarom minder gewicht toe aan het algemeen belang dat is gediend met de inbewaringstelling in verhouding tot het belang van eiser bij naleving van de informatieplicht. Voorop staat dat eiser rechtens zijn vrijheid is ontnomen en dat hij in dat kader het recht heeft om de grondslag en de redenen voor die vrijheidsontneming te kennen en daartegen rechtsbescherming te kunnen inroepen. Het belang van eiser bij daadwerkelijke naleving van deze fundamentele waarborg weegt zwaar.
Daartegenover staat het belang van de minister bij de inbewaringstelling, gelet op het risico op onderduiken dat uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt. Gelet op de aard van het geconstateerde gebrek en de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld dat eiser de voorgeschreven schriftelijke informatie heeft ontvangen, weegt dit belang onvoldoende zwaar om het gebrek te rechtvaardigen. De belangenafweging valt daarom in het nadeel van de minister uit.
5. Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het moment van oplegging onrechtmatig is. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
6.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 1 dag onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160 (verblijf politiecel) en 10 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.360.
6.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.360 aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Zoals is vereist volgens de uitspraken van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180 en 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, rechtsoverweging 3.2.