Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27502

2026-09-21 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.47019
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-21
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.47019
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

In 2023 heeft de Afdeling overwogen dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Daarbij heeft de Afdeling niet alleen betrokken dat Italië zelf heeft verzocht de overdrachten tijdelijk op te schorten. Ook heeft de Afdeling er bij betrokken dat uit berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten naar voren komt dat die opschorting te maken heeft met gebrek aan opvangfaciliteiten. Het is daarom aan de minister om aannemelijk te maken dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat overdracht aan Italië wel weer kan plaatsvinden. Daarbij moet de minister ook aannemelijk maken dat vreemdelingen bij overdracht reëel risico lopen dat zij terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water. De rechtbank oordeelt dat de minister daarin niet is geslaagd. De informatie waar de minister naar verwijst garandeert niet dat Italië zonder meer meewerkt aan overdrachten en dat de opvang weer op orde is. Uit die informatie komt veeleer het beeld naar voren dat de gestelde opvangproblematiek onveranderd blijft. Daarbij wijst de rechtbank onder andere op de AIDA-rapporten, maar ook op informatie van de Europese Commissie. De minister heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat eiser kan worden overgedragen aan Italië. Het beroep is gegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.898 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.47019


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: ).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de minister er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 17 augustus 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingediend. Hij stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2003] . De minister heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.








Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het besluit




3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening). Op grond van de AMB-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



3.1.
In dit geval is door Nederland vastgesteld dat Italië de verantwoordelijke lidstaat is. De minister heeft daarom de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.



Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?





Standpunt eiser


4. Eiser voert aan dat hij als gevolg van de overdracht naar Italië een reëel risico zal lopen op schending van zijn grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De minister heeft volgens hem namelijk geen onderzoek gedaan naar de vraag of er weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. Eiser wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 april 2023, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de minister geen vreemdelingen aan Italië meer mag overdragen, omdat vreemdelingen in Italië een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Het enkele feit dat voor de Europese lidstaten, waaronder ook Italië en Nederland, op 12 juni 2026 een nieuw Asiel- en Migratiepact is ingegaan, betekent nog niet dat deze regels in de praktijk ook worden uitgevoerd en dat daardoor plotseling extra opvangcapaciteit is ontstaan in Italië. Ook de goede wil van Italië om te zorgen voor voldoende opvang en een fatsoenlijke asielprocedure zegt hier niets over. Verder wijst de minister ten aanzien van de opvangcapaciteit naar landeninformatie over Italië, maar daaruit blijkt niet dat Italië heeft voorgesorteerd op de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact, door extra opvang te realiseren voor vreemdelingen. In de beschikking staat dat de minister geen informatie heeft dat eiser in Italië geen hulp kan krijgen. Maar de minister heeft dit verder niet onderzocht en gaat kennelijk alleen uit van de informatie die Italië heeft verstrekt in verband met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact. Informatie die op geen enkele manier wordt gesteund door informatie over de situatie voor vreemdelingen in Italië zelf. Ter onderbouwing van eisers standpunt verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 september 2026.



Standpunt van de minister


5. De minister stelt zich op het standpunt dat inmiddels weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat de situatie in Italië, sinds de opschorting van overdrachten aan Italië, wezenlijk is veranderd. Het is daarom aan eiser om dit vermoeden, dat uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, te weerleggen, door in ieder geval met objectieve informatie te komen of verklaringen over zijn ervaringen af te leggen.

6. De minister wijst erop dat hij een gesprek heeft gehad met de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken, waarbij onder andere is besproken dat Italië medewerking gaat verlenen aan het Asiel- en Migratiepact. Dit is schriftelijk neergelegd in een ‘declaration of intent’ tussen beide ministers. De minister verwijst in dit kader ook naar het openbare informatiebericht dat daarover is gepubliceerd. De brief van de Italiaanse autoriteiten van 5 december 2022 (circular letter), waarin andere lidstaten is gevraagd om Dublinoverdrachten op te schorten, is daarmee niet langer van kracht. Dat staat ook in een brief aan de Tweede Kamer van 22 juni 2026 (Verslag JBZ-Raad). In de praktijk wordt door Italië ook niet langer meer verwezen naar deze brief op het moment dat zij aangeven dat zij de verantwoordelijke lidstaat zijn om een verzoek te beoordelen. Op basis hiervan is gegarandeerd dat Italië de eenzijdige blokkade vanaf 12 juni 2026 heeft opgeheven. Volgens de minister betekent dit dat de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 dan ook geen beletsel meer vormt om vreemdelingen over te dragen aan Italië en dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan.

7. De minister heeft daarbij benadrukt dat het eenzijdig beslissen tot het opschorten van overdrachten door een verantwoordelijke lidstaat ook niet betekent dat er sprake is van structurele tekortkomingen. Dit volgt uit het arrest van RL en QS en het arrest Daraa van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Op de zitting heeft de minister daarbij uiteengezet dat – anders dan de Afdeling in de uitspraak van 26 april 2023 heeft geconcludeerd – de ‘circular letter’ van de Italiaanse autoriteiten in zoverre ook niet tot de conclusie kan leiden dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan.

8. Ten aanzien van de opvang stelt de minister dat een asielzoeker die terugkeert naar Italië toegang zal hebben tot de belangrijkste voorzieningen. Op 15 juli 2026 heeft de Europese Commissie ook in een rapport opgemerkt dat het nationale opvangsysteem van Italië toereikend lijkt om de vreemdelingen, die op grond van de AMBV worden overgedragen, onder te brengen in het landelijke netwerk voor opvangvoorzieningen. Verder volgt uit landeninformatie - uit het AIDA-rapport van juli 2025, het rapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA) van juni 2026 en een Asylum and Migration Overview over 2025 van het European Migration Network (EMN) – niet dat eiser na overdracht aan Italië geen opvang krijgt of dat daar serieuze problemen zijn met de asielprocedure. Voor de meest recente cijfers over de aanwezige vreemdelingen in de opvang in Italië, verwijst de minister naar de wekelijkse rapporten van het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken hierover. De minister heeft daarnaast gekeken naar informatie van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) over de situatie in Italië, maar ook daaruit volgt niet dat eiser geen opvang zal krijgen na zijn overdracht aan Italië of dat daar serieuze problemen zijn met de asielprocedure. Bovendien heeft de UNHCR de Europese lidstaten niet gevraagd om mensen níet over te dragen aan Italië, terwijl zij dat soms wel doen als er grote problemen in een land zijn.




Oordeel van de rechtbank



Het toetsingskader en wat van de minister wordt verwacht


9. Bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria verantwoordelijk is, voor de behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek, gaat de minister uit van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest. Dat vermoeden, dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, is weerlegbaar. In dit geval heeft de Afdeling in een uitspraak van 26 april 2023 geoordeeld dat de minister, onder de in die uitspraak genoemde omstandigheden, niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië mag uitgaan. De minister mag geen vreemdelingen aan Italië meer overdragen, omdat vreemdelingen in Italië een reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest.



10. Deze uitspraak van de Afdeling is gedaan onder verwijzing naar de voorheen geldende Dublinverordening. Maar ook uit de nieuwe, in het kader van het Asiel- en Migratiepact, vastgestelde AMBV volgt dat niet wordt overgedragen naar die verantwoordelijke lidstaat als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling als gevolg van de overdracht aan die lidstaat een reëel risico zou lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

11. Gelet op deze regels in de AMBV en gelet op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, is het aan de minister om aannemelijk te maken dat op dit moment weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan en vreemdelingen bij overdracht aan Italië geen reëel risico meer lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.
12. De rechtbank merkt op dat de aanleiding van het oordeel van de Afdeling de ‘circular letter’ van de Italiaanse autoriteiten van december 2022 betrof, waarin de Italiaanse autoriteiten Europese lidstaten hebben gevraagd de overdrachten tijdelijk aan hen op te schorten.



13. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister zo dat, nu is gegarandeerd dat Italië de eenzijdige blokkade vanaf 12 juni 2026 heeft opgeheven, aannemelijk is gemaakt dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. Maar met dit standpunt gaat de minister eraan voorbij dat de Afdeling niet alleen vanwege de opschorting van de overdrachten tot het oordeel is gekomen dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van Italië.



14. De Afdeling heeft erop gewezen dat in de ‘circular letter’ is verzocht om de overdrachten aan Italië tijdelijk op te schorten, wegens plotseling gebleken technische redenen die verband houden met een gebrek aan opvangfaciliteiten. Uit deze en andere berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten volgde dat de hoge asielinstroom het noodzakelijk maakt om de overdrachten op te schorten en dat het tekort aan opvangfaciliteiten aanhoudt. Uit deze berichtgeving volgde naar het oordeel van de Afdeling dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten. Bovendien leidt de Afdeling uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten af dat er voor Dublinclaimanten in Italië helemaal geen opvangfaciliteiten beschikbaar zijn. De Afdeling overweegt vervolgens dat er een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, als bedoeld in punt 92 van het arrest Jawo, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water.




15. De minister stelt zich weliswaar terecht op het standpunt dat met een opschorting van overdrachten niet direct is aangetoond dat vreemdelingen een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest, maar uit het voorgaande volgt dat de Afdeling haar oordeel ook niet alleen op de opschorting van overdrachten heeft gebaseerd. De Afdeling heeft daar ook het ontbreken van (duidelijkheid over) opvangfaciliteiten voor Dublinclaimanten bij betrokken.


16. Nu de minister ervoor heeft gekozen de overdrachten na 12 juni 2026 weer voor het eerst te hervatten, is het vooralsnog aan hem om deugdelijk te motiveren dat hij nog altijd van het vermoeden mag uitgaan dat Italië zal voldoen aan zijn internationale verplichtingen, door nader onderzoek te doen naar de situatie in Italië. Die motivering en dat onderzoek moet, gelet op de overwegingen van de Afdeling, niet alleen gaan over de opschorting van de overdrachten, maar ook over de gebreken in de opvangfaciliteiten. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hier niet in geslaagd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.



Het interstatelijk vertrouwensbeginsel


17. De rechtbank overweegt dat zij het standpunt van de minister - dat de ‘declaration of intent’ garandeert dat de eenzijdige blokkade vanaf 12 juni 2026 wordt opgeheven en dat vreemdelingen toegang hebben tot de belangrijkste voorzieningen – niet volgt. Uit deze ‘declaration of intent’ volgt namelijk alleen het voornemen van de minister en de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken om nauw samen te werken op operationeel niveau, in het licht van de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni, om maatregelen voor implementatie te verzekeren, zoals het zorgen voor voldoende ontvangstcapaciteit. Uit deze ‘declaration of intent’ blijkt weliswaar dat Italië voornemens is om medewerking te verlenen aan het Asiel- en Migratiepact, maar hieruit volgen geen concrete aanknopingspunten dat de Italiaanse autoriteiten weer mee zullen werken aan de overdrachten naar Italië en evenmin dat zij momenteel voldoende capaciteit hebben om vreemdelingen, die op grond van de AMBV terugkeren, op te vangen. Weliswaar staat in het verslag van de JBZ-raad onder meer vermeld dat de Italiaanse minister heeft aangegeven dat Italië het Asiel- en Migratiepact, waaronder de AMBV, volledig zal implementeren en dat de Italiaanse minister expliciet heeft aangegeven dat Italië asielzoekers adequate opvang zal bieden, maar deze toezegging komt niet terug in de ‘declaration of intent’. In dat kader wijst de rechtbank erop dat een gespreksverslag of andere informatie waarin meer concrete afspraken staan over de medewerking aan overdrachten, de beschikbaarheid van opvangvoorzieningen voor terugkeerders en het laten vervallen van de ‘circular letter’ ontbreekt. De minister kan zich daarom niet zonder meer op het standpunt stellen dat de ‘declaration of intent’ garandeert dat Italië meewerkt en dat vreemdelingen toegang hebben tot de belangrijkste voorzieningen.

18. Bovendien constateert de rechtbank dat concrete aanwijzingen ontbreken dat de situatie inmiddels, dan wel sinds de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026, wezenlijk is gewijzigd. Integendeel, er zijn juist aanknopingspunten dat de situatie ongewijzigd is gebleven. In het EU-rapport van juli 2026, waarnaar de minister in het verweerschrift verwijst, heeft de Europese Commissie de eerste drie weken van de toepassing van de nieuwe verantwoordelijkheidsregels van het Asiel- en Migratiepact in Italië beoordeeld. De Europese Commissie vermeldt dat in Italië weliswaar voorbereidingen zijn getroffen voor de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact en het opvangsysteem toereikend lijkt, maar dat overdrachten vanuit andere lidstaten nog steeds niet plaatsvinden.
19. In de eerste drie weken werden de twaalf, bij Italie, aangevraagde overdrachten allemaal door de Italiaanse autoriteiten geweigerd. De Europese Commissie concludeert dat er vooralsnog geen concrete aanwijzingen zijn dat de eerdere praktijk, sinds de brief van 2022 wordt toegepast, is beëindigd. Volgens de Europese Commissie moet Italië de resterende belemmeringen voor overdrachten met voorrang wegnemen:“The measures taken by Italy so far show significant efforts in preparing for the implementation of Part III of the AMMR. At this stage however, no concrete indications could be observed that the practices under the Dublin III Regulation, and notably with regard to the suspension of the reception of transfers, except for cases of family reunification of unaccompanied minors, no longer persist. Furthermore, there are, at present, no indications that the Italian authorities have actively engaged with other MemberStates on the practical and logistical steps to resume transfers. Italy needs to remove all the remaining impediments as a matter of priority, including by discontinuing the practices that have so far prevented transfers from taking place, and to ensure the necessary engagement and operational cooperation with other Member States on all practical and logistical arrangements, so that transfers are effectively carried out in compliance with the AMMR.”

20. Van belang is ook dat de omstandigheid, dat Italië voornemens is om te voldoen aan het Asiel- en Migratiepact, nog niet met zich brengt dat daadwerkelijk geen sprake (meer) is van gebreken in de opvang. Uit de landeninformatie over Italië waar de minister naar heeft verwezen blijkt ook niet dat de situatie is verbeterd. De pagina’s uit het EUAA-rapport waar de minister naar heeft verwezen, gaan helemaal niet in op de opvangsituatie in Italië. Overigens gaat dat rapport ook niet in op de situatie rondom Dublinclaimanten, terwijl dat wel de situatie is die de rechtbank moet beoordelen. Ook in de verwijzing naar de Asylum and migration overview 2025 van EMN wordt niet ingegaan op de opvangsituatie. Uit de wekelijkse rapporten van het Italiaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken, waar de minister naar verwijst, leidt de rechtbank verder alleen af hoeveel vreemdelingen er momenteel worden opgevangen, maar ook hierin staat niks vermeld over de totale opvangcapaciteit.




21. Uit de overige door de minister aangehaalde landeninformatie komt bovendien ook een ander beeld naar voren dan door de minister is geschetst. De eerder door Italië zelf gestelde opvangproblematiek lijkt namelijk onveranderd. Zowel uit het AIDA-rapport van juli 2025, als die van juli 2026 blijkt dat het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken heeft verklaard dat het opvangsysteem niet beschikt over plaatsen voor personen die in het kader van de Dublin-verordening worden overgedragen. Dit heeft het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken ook nog in april 2026 verklaard. Verder wordt in het AIDA-rapport van juli 2025 de weigerachtige houding van Italië ten aanzien van de Dublinoverdrachten bevestigd. Ook vermeldt het AIDA-rapport dat de aanzienlijke toename van het aantal asielzoekers het Italiaanse opvangstelsel onder druk heeft gezet en dat de Italiaanse autoriteiten in oktober 2024, in het kader van de verlengde noodtoestand, vasthielden aan de opschorting van inkomende overdrachten. De door de minister genoemde landeninformatie bevestigt daarmee juist de structurele opvang- en overdrachtsproblematiek. Andersluidende informatie waaruit volgt dat deze problematiek wezenlijk is verbeterd, ontbreekt.

22. Dat de UNHCR de Europese lidstaten niet heeft gevraagd om mensen niet over te dragen aan Italië, terwijl zij dat soms wel doen als er grote problemen in een land zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Dat maakt immers op zichzelf niet aannemelijk dat geen sprake (meer) is van structurele opvang- en overdrachtsproblematiek.

23. Kort samengevat blijkt uit de door de minister aangehaalde informatie wellicht dat Italië de intentie heeft om vreemdelingen in het kader van de AMBV weer op te nemen en op te vangen, maar over de vraag of Italië daartoe feitelijk ook weer in staat is, ontbreekt concrete informatie. Uit de beschikbare gegevens kan momenteel dan ook onvoldoende worden afgeleid dat de situatie voor vreemdelingen die worden overgedragen naar Italië, is verbeterd ten opzichte van de periode waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. De minister is er dus niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië en dat er geen sprake meer is van een reëel risico dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water. Het beroep is daarom gegrond.




Conclusie en gevolgen


24. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.



24.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van eiser en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.



24.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1).





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2026;
- draagt de minister op binnen N/A weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €934,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 september 2026





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Vreemdelingenwet 2000.


Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.


ECLI:NL:RVS:2023:1655.


ECLI:NL:RBDHA:2026:25113.


https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2026D31594


IB 2026/25: Hervatten overdrachten aan Italië in het kader van de Asiel en migratiebeheer Verordening.



Kamerstukken II 2025/26, 32 317, nr. 1014.


ECLI:EU:C:2024:1036 (RL en QS tegen Bundesrepublik Deutschland).


ECLI:EU:C:2026:146 (Daraa tegen Bundesrepublik Deutschland).


ECLI:NL:RVS:2023:1655.


Artikel 16, derde lid, van de AMBV.


ECLI:EU:C:2019:218.


Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, ECLI:NL:RBDHA:2026:25113


Communication from the Commission to the European Parliament and the Council, assessment pursuant to Article 4 of Commission Implementing Decision (EU) 2025/2323, p.5 e.v


Zie pagina 104 en 102 van het AIDA-rapport van juli 2025 onderscheidenlijk juli 2026.


Zie pagina 91 e.v. van het AIDA-rapport van juli 2025.


Zie pagina 104 van het AIDA-rapport van juli 2026.