Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27495

2026-09-17 Strafrecht 09/280219-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
09/280219-24
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geen toepassing van het jeugdstrafrecht (ASR). Vrijspraak medeplegen van/medeplichtigheid aan oplichting en medeplegen van diefstal met valse sleutel. Bewezenverklaring medeplichtigheid aan diefstal door middel van een valse sleutel (artt. 48, 311 Sr). Overschrijding redelijke termijn. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.565 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Strafrecht



Meervoudige kamer



Parketnummer: 09/280219-24



Datum uitspraak: 17 september 2026



Tegenspraak



De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:






[verdachte]
(hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .






1Het onderzoek ter terechtzitting


Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 september 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. S.C. van Klaveren naar voren is gebracht.






2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich op 30 mei 2022 samen met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan:



Feit 1: oplichting, subsidiair dat zij daaraan medeplichtig is geweest;
Feit 2: diefstal door middel van een valse sleutel, subsidiair dat zij daaraan medeplichtig is geweest.



De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.






3De bewijsbeslissing


3.1.
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten.




3.2.
Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.




3.3.
Vrijspraak feit 1


Kort gezegd is aan de verdachte primair het medeplegen van oplichting door middel van bankhelpdeskfraude ten laste gelegd en subsidiair de medeplichtigheid daaraan.



Naar het oordeel van de rechtbank kan het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het dossier onvoldoende concreet blijkt van wetenschap voorafgaand aan of ten tijde van de oplichting of anderszins betrokkenheid van de verdachte om haar als medepleger of medeplichtige aan die oplichting aan te merken.



Op basis van het dossier kan weliswaar worden vastgesteld dat de verdachte die dag samen met de medeverdachte is opgetrokken, hem met de auto van haar ouders naar Wassenaar heeft gebracht en hem daar ook weer heeft opgehaald, maar niet kan worden vastgesteld dat zij op de hoogte was van waar de medeverdachte naartoe ging en met welk doel, of dat zij op enigerlei andere wijze bij de oplichting betrokken was.



Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte van zowel het primair tenlastegelegde medeplegen als van de subsidiair tenlastegelegde
medeplichtigheid vrijspreken.




3.4.
Vrijspraak feit 2 primair


De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het onder feit 2 primair tenlastegelegde medeplegen van diefstal met een valse sleutel niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.




3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen feit 2 subsidiair


De rechtbank heeft in bijlage 2 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.




3.6.
Bewijsoverwegingen


Anders dan de raadsman acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan diefstal met een valse sleutel.




Medeplichtigheid​

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het behulpzaam zijn of op het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen als bedoeld in artikel 48 Sr, maar ook dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict).





Feiten en omstandigheden

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 30 mei 2022 als chauffeuse voor de medeverdachte heeft opgetreden en hem naar verschillende locaties heeft vervoerd. De medeverdachte kon zich daardoor naar verschillende filialen van de Media Markt begeven, alwaar hij met de door oplichting verkregen pinpas van het slachtoffer [slachtoffer] vijf Apple MacBooks en een iPhone met een totale waarde van € 14.209,-, heeft aangeschaft.



De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij de medeverdachte weliswaar op verschillende locaties heeft afgezet, maar dat zij niet wist wat hij daar precies ging doen. Zij heeft verklaard dat zij wel wist dat de medeverdachte bij terugkomst iets in de auto neerlegde, maar dat zij niet heeft gezien wat dit precies was. Volgens de verdachte wist zij pas bij het laatste bezoek aan de MediaMarkt in Rijswijk dat er iets niet pluis was. Gelet op het voorgaande heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dubbel opzet voor medeplichtigheid op de diefstallen niet kan worden bewezen.



De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. In de telefoon van de medeverdachte zijn belastende berichten aangetroffen waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat de verdachte wel degelijk wetenschap had van de gedragingen van de medeverdachte. Zo blijkt uit de berichtgeving onder meer dat de verdachte wist dat de medeverdachte telkens ergens naar binnen ging. Uit de berichten die de verdachte om 18.29 uur aan de medeverdachte heeft gestuurd (“Ik ben naast je, in maccie” (de rechtbank begrijpt: de McDonald’s) leidt de rechtbank voorts af dat de verdachte ook wist in welke winkel de medeverdachte was nu de McDonald’s vrijwel direct naast de MediaMarkt waar de medeverdachte goederen heeft aangeschaft is gelegen. Uit de berichtgeving blijkt voorts dat de verdachte de medeverdachte waarschuwde op het moment dat zij de politie zag en dat zij hem instructies gaf over de route die hij moest lopen. Toen de medeverdachte haar berichtte dat hij was gepakt, reageerde zij bovendien dat hij haar een nummer moest geven van iemand die zij kon bellen “Voor die kanekr zooi” (de rechtbank begrijpt: ‘Voor die kanker zooi’.



Deze berichten hebben naar het oordeel van de rechtbank duidelijk betrekking op de diefstallen en kunnen, mede gelet op hun inhoud en de context waarin zij zijn verzonden, niet anders worden begrepen dan dat de verdachte wist waar de medeverdachte zich op dat moment mee bezighield. Uit de berichten blijkt dat de verdachte de medeverdachte bericht dat het ‘kanker heet’ is als zij net als de medeverdachte in hetzelfde winkelcentrum rondloopt. Zij heeft ook verklaard dat zij wist dat de medeverdachte daarvoor al spullen in de auto had neergelegd. De rechtbank acht het in dit verband niet aannemelijk dat de verdachte niet heeft gezien dat de medeverdachte tot tweemaal toe met meerdere grote dozen met Macbooks naar de auto terugkwam. De wetenschap van de verdachte van de criminele intenties van de medeverdachte is ook de meest logische verklaring gelet op wat de algemene ervaring leert. De algemene ervaring leert namelijk dat de dader van een reeks winkeldiefstallen er veel aan is gelegen om het risico op ontdekking door derden of de aanhouding door de autoriteiten uit te sluiten althans zoveel als mogelijk te beperken. Dat belang van risicobeperking wordt gediend wanneer gebruik wordt gemaakt van een al gereedstaande auto voor het veiligstellen van de gestolen goederen, waarbij de rol van de bij die auto betrokken persoon van wezenlijke betekenis is. Niet valt in te zien dat het evidente belang van risicobeperking wordt gediend met een onwetende chauffeur.



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte wetenschap had dat de medeverdachte zich bezighield met het aanschaffen van goederen met een door oplichting c.q. misdrijf verkregen pinpas en dat zij de medeverdachte opzettelijk behulpzaam wilde zijn door hem van vervoer te voorzien en hem op de hoogte te houden van wat er gebeurde.



De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen de verdachte als medeplichtige betrokken is geweest bij de diefstal door middel van een valse sleutel.




3.7.
De bewezenverklaring


De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:




[medeverdachte] op 30 mei 2022 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, en 's-Gravenhage, in totaal een geldbedrag van 14.209 euro (8.193 euro en 6.016 euro), dat aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zich de toegang tot de die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door een pinpas en (bijbehorende) pincode (ter betaling van in totaal vijf laptops en een telefoon) te gebruiken die niet aan verdachte toebehoren, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 30 mei 2022 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg en 's-Gravenhage opzettelijk behulpzaam is geweest, door telefonisch in contact te blijven met die [medeverdachte] (over wat er gebeurt) en in het vervoer te voorzien.



Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.







4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde


Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.






5De strafbaarheid van de verdachte


De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.






6De strafoplegging


6.1.
De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - met toepassing van het volwassenenstrafrecht en rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn - wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, met een proeftijd van één jaar.







6.2.
Het standpunt van de verdediging


Indien de rechtbank tot een veroordeling komt, heeft de verdediging primair verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en geen straf aan de verdachte op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een korte, voorwaardelijke taakstraf aan de verdachte op te leggen, met een proeftijd van één jaar.




6.3.
Het oordeel van de rechtbank


Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.




Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een diefstal door middel van een valse sleutel. Zij is de medeverdachte daarbij behulpzaam geweest door tijdens die diefstal contact met hem te onderhouden, hem van vervoer te voorzien en hem te waarschuwen dat er politie in de buurt was. De medeverdachte heeft hierdoor met een door oplichting verkregen pinpas verschillende kostbare aankopen kunnen doen. Als gevolg hiervan is het slachtoffer voor aanzienlijke bedragen benadeeld.



De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zij door haar handelen heeft bijgedragen aan de benadeling van het slachtoffer. De gevolgen van het feit hebben zich bovendien niet beperkt tot financiële schade. Het slachtoffer heeft ook overlast en hinder ervaren van (de nasleep van) dit feit.




Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld. Dit betekent dat het strafblad niet in strafverzwarende zin zal worden meegewogen bij de straftoemeting.




Geen toepassing van het jeugdstrafrecht

De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte was 19 jaar oud toen zij het bewezen verklaarde feit pleegde. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. De vraag is of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen.



De rechtbank ziet, gelet op het wegingskader adolescentenstrafrecht, geen aanknopingspunten voor de toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het volwassenenstrafrecht.




Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgedaan is 24 maanden.
In deze zaak is die termijn aangevangen op 11 november 2022, de dag dat de verdachte is verhoord door de politie, omdat de verdachte vanaf dat moment in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De termijn tussen het verhoor en dit eindvonnis is 46 maanden. Daarmee is de redelijke termijn in ernstige mate, te weten met ruim 21 maanden overschreden.



Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen, zoals hierna zal worden uitgelegd.




Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting.



In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte en met de omstandigheid dat zij niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte haar leven op orde heeft. Zo volgt zij een opleiding, heeft zij een bijbaan en geeft zij op positieve wijze invulling aan haar vrije tijd.



Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een taakstraf voor de duur van 100 uren passend en geboden. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn en de positieve ontwikkelingen die de verdachte sindsdien heeft doorgemaakt, ziet de rechtbank aanleiding om de duur van de op te leggen taakstraf aanzienlijk te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met toepassing van artikel 9a Sr, zoals is bepleit door de raadsman. De rechtbank vindt het van belang dat de verdachte de directe gevolgen van haar handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid.



Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf voor de duur van 30 uren passend en geboden.



Anders dan door de officier van justitie gevorderd zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel aan de verdachte opleggen. Nu er geen zorgen bestaan over de verdachte, ziet de rechtbank daarin geen meerwaarde.







7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel



[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 5.916,- , te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling verzocht.



7.1
Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




7.2
Het standpunt van de verdediging


De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in die onderdelen van de vordering waarvan niet kan worden vastgesteld dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte.




7.3
Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij ‘rechtstreeks’ heeft geleden door een strafbaar feit. Daarvoor is vereist dat voldoende verband bestaat tussen enerzijds het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, en anderzijds de schade.



De rechtbank is van oordeel dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.



Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.







8De toepasselijke wetsartikelen


De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:



- 22c, 22d, 48, 49, 311 van het Wetboek van Strafrecht.



Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.





9De beslissing


De rechtbank:




vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;




bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:



ten aanzien van feit 2 subsidiair:

medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;




verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;



verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot:



een taakstraf voor de tijd van DERTIG (30) UREN;



beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van VIJFTIEN (15) DAGEN;




de vordering van de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;



veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

















Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. M. de Kleine, kinderrechter,
mr. B.J. de Groot, rechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,



en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.