Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27471
2026-08-21
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/710504 / FA RK 26-8092
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wzd; toewijzing eerste rechterlijke machtiging voor de duur van zes maanden, twee jaar verzocht
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2021:227 Hoge Raad 12-02-2021
- ECLI:NL:HR:2021:227 Hoge Raad 12-02-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.930 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/710504 / FA RK 26-8092
Datum beschikking: 21 augustus 2026
Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf
Beschikking naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van twee jaar als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[client] ,
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1940 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de [accommodatie] te [plaats] ,
advocaat: mr. D.G.M. van den Hoogen te Leiden.
ProcesverloopHet procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 5 augustus 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 6 augustus 2024;
- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 5 juli 2026;
- de op 30 juli 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [arts] , die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- het zorgplan van 15 juli 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de specialist ouderengeneeskunde, [specialist] ;
- de contactverzorgende, [contactverzorgende] .
Standpunten ter zitting
Cliënt heeft naar voren gebracht dat de opname te lang duurt en dat zij weg wil.
De advocaat heeft bepleit dat het verzoek wordt toegewezen, maar dat daarbij de machtiging dient in duur te worden beperkt omdat het verzoek te laat is ingediend. De vorige machtiging liep tot en met 12 juni 2026; een maand later is de artikel 21-procedure in gang gezet en weer een maand later de procedure voor de rechterlijke machtiging. Het CIZ heeft verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:227) maar deze zag op een beperking in duur van twee dagen. Het is niet in het belang van cliënt om de machtiging voor zes maanden af te geven.
De specialist ouderengeneeskunde heeft naar voren gebracht dat het veel beter gaat dan in het begin. Cliënt is meer ontspannen en er zijn momenten van plezier. Het verzet doet zich nog wel dagelijks voor. Er wordt een algehele achteruitgang waargenomen, zowel cognitief als lichamelijk. Dit zorgt dat er minder sprake is van onrust.Binnen de instelling is men zich ervan bewust dat de aanvraag te laat is ingediend.
Beoordeling
Op 12 juni 2025 is door de rechtbank een opvolgende rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend tot en met 12 juni 2026.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten een uitgebreide neurocognitieve stoornis door waarschijnlijke vasculaire ziekte, met gedragsstoornissen (onrust bij onbegrip t.a.v. verblijf afdeling), matig van ernst.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
Bij cliënt is sprake van een uitgebreide neurocognitieve stoornis, met gedragsproblematiek en beperkt ziekte-inzicht. Er is sprake van psychische ontregeling, fysieke uitputting ten gevolge van dwalen en momenten van paniek, evenals belasting van de zorgomgeving. Cliënt is gedesoriënteerd in tijd, plaats en situatie en niet in staat haar verblijf te overzien. Er is sprake van een noodzaak tot verblijf binnen een beschermde setting om ernstig nadeel te voorkomen. Onderdeel hiervan is het krijgen van persoonlijke verzorging, voeding, drinken en medicatie voor haar diabetes mellitus. Cliënt is niet meer in staat om regie over haar dag te hebben, waardoor zij zonder zorg niet zou eten, drinken en geen medicatie zou innemen, wat voor haar tot een gevaarlijke situatie leidt. Ook is cliënt niet veilig buiten het verpleeghuis, zij is niet verkeersveilig, bij beoordeling hiervan steekt cliënt de straat meermaals over zonder te kijken.
De voortzetting van het verblijf in een accommodatie is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. Zij uit met regelmaat de wens om naar huis te gaan en kan hierbij angstig en ontregeld raken. Hoewel de onrust in frequentie is afgenomen en cliënt minder gericht is op vertrekgedrag, mede door een verminderde lichamelijke conditie, blijft sprake van een noodzaak tot verblijf binnen een beschermde setting om ernstig nadeel te voorkomen. In gesprek geeft cliënt aan het niet naar haar zin te hebben op de afdeling en hier liever niet te zijn. De omstandigheid dat feitelijke grondslag ontbrak voor opname en verblijf op grond van artikel 21 Wzd onderstreept dat er sprake is van verzet.
Het CIZ en de behandelaars hebben verzocht de machtiging te verlenen voor de duur van twee jaar met aftrek van de periode waarin cliënt zonder machtiging in de accommodatie heeft verbleven, onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:227. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
In de onderhavige zaak is op 12 juni 2025 een rechterlijke machtiging verleend, die liep tot en met 12 juni 2026. Het voorliggende verzoek is bijna twee maanden na expiratie ter griffie van de rechtbank ontvangen, namelijk op 5 augustus 2026. De voorbereiding van het nu voorliggende verzoek was bij expiratie van voorgaande machtiging nog niet aangevangen. Integendeel, eerst is gepoogd om het verblijf van cliënt voort te zetten op grond van een artikel 21-procedure. Op dat moment ging men er dus nog niet van uit dat aan de criteria voor het onderhavige verzoek was voldaan. Pas nadat bleek dat aan de voorwaarden voor een besluit tot opname en verblijf op grond van artikel 21 Wzd niet werd voldaan, is de procedure voor de rechterlijke machtiging in gang gezet.
Daarmee is sprake van een andere situatie dan die waarover de Hoge Raad oordeelde in het aangehaalde arrest. In de onderhavige zaak is, gelet op de hiervoor besproken gang van zaken, na de gefnuikte procedure ex artikel 21 Wzd een eerste machtiging verzocht en is geen sprake meer van een opvolgende machtiging. Anders dan het door het CIZ betoogd geldt in deze zaak dus het uitgangspunt van artikel 39 lid 4 Wzd: de machtiging kan niet langer worden verleend dan voor de duur van ten hoogste zes maanden. Het aangedragen betoog dat het in het belang van cliënt meer gewenst zou zijn de machtiging voor langere periode te verlenen is begrijpelijk en sympathiek, maar de gang van zaken zoals die heeft plaatsgevonden kan niet anders dan leiden tot de vaststelling dat geen sprake meer is van een opvolgende machtiging en biedt geen ruimte voor een andere uitleg of de mogelijkheid af te wijken van hetgeen in de wet is bepaald.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een eerste machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes maanden.
Beslissing
De rechtbank:
verleent een eerste rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie ten aanzien van:
[client] ,
geboren op [geboortedatum] 1940 te [geboorteplaats] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 21 februari 2027.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Rochat, rechter, bijgestaan door mr. F.H. Lüchinger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 augustus 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 7 september 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/710504 / FA RK 26-8092
Datum beschikking: 21 augustus 2026
Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf
Beschikking naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van twee jaar als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[client] ,
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1940 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de [accommodatie] te [plaats] ,
advocaat: mr. D.G.M. van den Hoogen te Leiden.
ProcesverloopHet procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 5 augustus 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 6 augustus 2024;
- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 5 juli 2026;
- de op 30 juli 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [arts] , die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- het zorgplan van 15 juli 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de specialist ouderengeneeskunde, [specialist] ;
- de contactverzorgende, [contactverzorgende] .
Standpunten ter zitting
Cliënt heeft naar voren gebracht dat de opname te lang duurt en dat zij weg wil.
De advocaat heeft bepleit dat het verzoek wordt toegewezen, maar dat daarbij de machtiging dient in duur te worden beperkt omdat het verzoek te laat is ingediend. De vorige machtiging liep tot en met 12 juni 2026; een maand later is de artikel 21-procedure in gang gezet en weer een maand later de procedure voor de rechterlijke machtiging. Het CIZ heeft verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:227) maar deze zag op een beperking in duur van twee dagen. Het is niet in het belang van cliënt om de machtiging voor zes maanden af te geven.
De specialist ouderengeneeskunde heeft naar voren gebracht dat het veel beter gaat dan in het begin. Cliënt is meer ontspannen en er zijn momenten van plezier. Het verzet doet zich nog wel dagelijks voor. Er wordt een algehele achteruitgang waargenomen, zowel cognitief als lichamelijk. Dit zorgt dat er minder sprake is van onrust.Binnen de instelling is men zich ervan bewust dat de aanvraag te laat is ingediend.
Beoordeling
Op 12 juni 2025 is door de rechtbank een opvolgende rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend tot en met 12 juni 2026.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten een uitgebreide neurocognitieve stoornis door waarschijnlijke vasculaire ziekte, met gedragsstoornissen (onrust bij onbegrip t.a.v. verblijf afdeling), matig van ernst.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
Bij cliënt is sprake van een uitgebreide neurocognitieve stoornis, met gedragsproblematiek en beperkt ziekte-inzicht. Er is sprake van psychische ontregeling, fysieke uitputting ten gevolge van dwalen en momenten van paniek, evenals belasting van de zorgomgeving. Cliënt is gedesoriënteerd in tijd, plaats en situatie en niet in staat haar verblijf te overzien. Er is sprake van een noodzaak tot verblijf binnen een beschermde setting om ernstig nadeel te voorkomen. Onderdeel hiervan is het krijgen van persoonlijke verzorging, voeding, drinken en medicatie voor haar diabetes mellitus. Cliënt is niet meer in staat om regie over haar dag te hebben, waardoor zij zonder zorg niet zou eten, drinken en geen medicatie zou innemen, wat voor haar tot een gevaarlijke situatie leidt. Ook is cliënt niet veilig buiten het verpleeghuis, zij is niet verkeersveilig, bij beoordeling hiervan steekt cliënt de straat meermaals over zonder te kijken.
De voortzetting van het verblijf in een accommodatie is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. Zij uit met regelmaat de wens om naar huis te gaan en kan hierbij angstig en ontregeld raken. Hoewel de onrust in frequentie is afgenomen en cliënt minder gericht is op vertrekgedrag, mede door een verminderde lichamelijke conditie, blijft sprake van een noodzaak tot verblijf binnen een beschermde setting om ernstig nadeel te voorkomen. In gesprek geeft cliënt aan het niet naar haar zin te hebben op de afdeling en hier liever niet te zijn. De omstandigheid dat feitelijke grondslag ontbrak voor opname en verblijf op grond van artikel 21 Wzd onderstreept dat er sprake is van verzet.
Het CIZ en de behandelaars hebben verzocht de machtiging te verlenen voor de duur van twee jaar met aftrek van de periode waarin cliënt zonder machtiging in de accommodatie heeft verbleven, onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:227. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
In de onderhavige zaak is op 12 juni 2025 een rechterlijke machtiging verleend, die liep tot en met 12 juni 2026. Het voorliggende verzoek is bijna twee maanden na expiratie ter griffie van de rechtbank ontvangen, namelijk op 5 augustus 2026. De voorbereiding van het nu voorliggende verzoek was bij expiratie van voorgaande machtiging nog niet aangevangen. Integendeel, eerst is gepoogd om het verblijf van cliënt voort te zetten op grond van een artikel 21-procedure. Op dat moment ging men er dus nog niet van uit dat aan de criteria voor het onderhavige verzoek was voldaan. Pas nadat bleek dat aan de voorwaarden voor een besluit tot opname en verblijf op grond van artikel 21 Wzd niet werd voldaan, is de procedure voor de rechterlijke machtiging in gang gezet.
Daarmee is sprake van een andere situatie dan die waarover de Hoge Raad oordeelde in het aangehaalde arrest. In de onderhavige zaak is, gelet op de hiervoor besproken gang van zaken, na de gefnuikte procedure ex artikel 21 Wzd een eerste machtiging verzocht en is geen sprake meer van een opvolgende machtiging. Anders dan het door het CIZ betoogd geldt in deze zaak dus het uitgangspunt van artikel 39 lid 4 Wzd: de machtiging kan niet langer worden verleend dan voor de duur van ten hoogste zes maanden. Het aangedragen betoog dat het in het belang van cliënt meer gewenst zou zijn de machtiging voor langere periode te verlenen is begrijpelijk en sympathiek, maar de gang van zaken zoals die heeft plaatsgevonden kan niet anders dan leiden tot de vaststelling dat geen sprake meer is van een opvolgende machtiging en biedt geen ruimte voor een andere uitleg of de mogelijkheid af te wijken van hetgeen in de wet is bepaald.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een eerste machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes maanden.
Beslissing
De rechtbank:
verleent een eerste rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie ten aanzien van:
[client] ,
geboren op [geboortedatum] 1940 te [geboorteplaats] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 21 februari 2027.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Rochat, rechter, bijgestaan door mr. F.H. Lüchinger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 augustus 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 7 september 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.