Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27431

2026-08-21 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/688881 / FA RK 25-5540
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-21
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/688881 / FA RK 25-5540
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.451 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 25-5540
Zaaknummer: C/09/688881
Datum beschikking: 21 augustus 2026


Kinderalimentatie



Beschikking op het op 21 augustus 2024 ingekomen verzoek van:




[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.C.J.L Huurman-Ip Vai Ching in Rotterdam.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.J. Hasselaar-Veltkamp in Den Haag.




Procedure
Bij beschikking van 6 januari 2025 van de rechtbank Rotterdam heeft de rechter zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, doorverwezen naar de rechtbank Den Haag.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:



het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;


het verweerschrift met bijlagen, namens de man;


de brief van 15 juni 2026, met bijlagen, namens de man;


het bericht van 15 juni 2026, met bijlagen, namens de vrouw;


de brief van 22 juni 2026, met bijlagen, namens de man.




Op 25 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.




Feiten


De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad.


Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:



- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 2] .



De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit, blijkens een aantekening in het gezagsregister van respectievelijk 27 februari 2017 en 9 juni 2023.


De kinderen verblijven bij de vrouw.






Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt de rechtbank:
- te bepalen dat de man in de periode van 1 mei 2023 tot de datum van indiening van het verzoek, dan wel in een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen periode,
€ 117,- per maand per kind dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen;
- te bepalen dat de man € 218,- per maand per kind dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, dan wel een bijdrage te stellen op een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, met ingang van de datum van indiening van het verzoek, dan wel met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.




Beoordeling
Tussen de ouders is in geschil of zij eerder een bedrag aan kinderalimentatie zijn overeengekomen. De vrouw stelt dat zij met de man in een mediationtraject een bedrag van € 234,- per maand voor beide kinderen is overeengekomen, te weten € 117,- per maand per kind. Volgens de vrouw heeft de man dit bedrag op 5 juni, 1 juli, 2 oktober, 18 november en 28 december 2023 betaald. Het eerste verzoek van de vrouw vindt zijn grondslag in deze afspraak. De man betwist dat partijen een bedrag aan kinderalimentatie zijn overeengekomen. Hij heeft wel enkele keren een bedrag overgemaakt, maar dat was onderdeel van een meer omvattend pakket aan afspraken over de financiële afwikkeling van de relatie. De man is daarmee opgehouden, omdat de vrouw volgens hem niet bereid bleek nader te spreken over haar financiële verplichtingen.


De rechtbank oordeelt als volgt. Alhoewel de vrouw betalingsbewijzen heeft overgelegd waaruit volgt dat de man een bedrag van respectievelijk € 231,-, € 234,- en € 235,- heeft betaald in de maanden juni, juli, oktober, november en december van 2023, is de rechtbank niet gebleken dat tijdens het mediationtraject definitieve afspraken tot stand zijn gekomen over de kinderalimentatie. Zij zal hierom het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man over de periode van 1 mei 2023 tot de datum van indiening van het verzoek een kinderalimentatie van € 117,- per maand per kind moet betalen, afwijzen.



Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.




Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van de indiening van het (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.



De moeder verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van de indiening van het verzoek, te weten 21 augustus 2024. Op de zitting heeft de man hiertegen verweer gevoerd. Doordat het lange tijd heeft geduurd voordat deze zaak op zitting is gekomen zou het hanteren van de indieningsdatum van het verzoekschrift leiden tot een te grote terugbetalingsverplichting. Hierom verzoekt de man om kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van de beschikking.



De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van de indiening van het verzoek. Niet alleen omdat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een te betalen bedragen aan kinderalimentatie maar ook omdat als de rechtbank het standpunt van de man zou volgen dat tot gevolg zou hebben dat de kosten voor de kinderen over de periode vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot de datum van de beschikking volledig voor rekening van de vrouw zouden komen. Dat is alleszins onredelijk.




Behoefte

Voor het bepalen van de behoefte dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van het uiteengaan te worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De man heeft zich in de eerste helft van 2023 uitgeschreven uit de gezamenlijke woning, de samenleving is toen beëindigd. Op de zitting is gebleken dat de ouders overeenstemming hebben over het berekenen van de behoefte op basis van 2022, nu dit het laatste volledige jaar is dat zij als gezin hebben samengeleefd.



De ouders zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen, op basis van een NBGI van € 4.867,- per maand, € 605,- per maand per kind bedroeg in 2022. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.328,- per maand, te weten € 664,- per maand per kind.




Draagkracht

Aangezien de ingangsdatum van het vaststellen van de kinderalimentatie op de indieningsdatum van het verzoekschrift is bepaald, te weten 21 augustus 2024, zal de rechtbank de draagkracht van de ouders over 2024 berekenen en vervolgens indexeren. De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2024 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,-)].




Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen uit loon van € 42.552,- per jaar, zoals blijkt uit zijn jaaropgave 2024. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.864,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.



De man verzoekt rekening te houden met een aflossing van € 84,- per maand op zijn studieschuld. De vrouw heeft verweer gevoerd. De vrouw betwist niet dat de man een studieschuld heeft en dat hij hierop aflost, maar geeft aan dat de aflossing op de studieschuld niet ten laste van de kinderen moet komen. De rechtbank gaat daar niet in mee. De vrouw heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de studieschuld van de man verwijtbaar of vermijdbaar is. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om aan te nemen dat de studieschuld van de man verwijtbaar of vermijdbaar is en zal hierom rekening houden met de maandelijkse aflossing van de man op zijn studieschuld.



De draagkracht van de man bedraagt dan volgens de formule € 456,- per maand, te weten 70% x [2.864 – (0,3 x 2.864 + 1.270 + 84)].




Draagkracht vrouw

Tussen de ouders is de draagkracht van de vrouw in geschil. Op de zitting is gebleken dat het inkomen van de vrouw uit 2024 niet representatief is. De vrouw had in 2022 en 2023 een hoger inkomen en gebleken is dat de vrouw inmiddels ook weer een hoger inkomen heeft dan in 2024. De rechtbank overweegt dat het redelijk is om uit te gaan van een verdiencapaciteit gebaseerd op haar eerdere inkomen, te weten € 34.907,- per jaar op basis van haar aanslag IB 2022. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.405,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.



De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 779,- per maand, te weten
70% x [3.405– (0,3 x 3.405 + 1.270)].




Zorgkorting

Aangezien de gezamenlijke draagkracht van de ouders (€ 456,- + € 779,- = € 1.235,-) de behoefte van de kinderen niet overstijgt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het maken van een draagkrachtvergelijking.



Op de door de man te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkorting van 25%. Het bedrag aan zorgkorting bedraagt € 332,- per maand (25% van € 1.328,-).



Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de man vermindert wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Indien er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting. In dit geval leidt dit tot de volgende conclusie. Het tekort aan draagkracht bedraagt € 93,- per maand (€ 1.328,- minus € 1.235,-). De helft van dit tekort, te weten € 47,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de man. De man kan dus nog € 285,- per maand aan zorgkorting verzilveren (€ 332,- minus € 47,-).




Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie voor de kinderen vaststellen op € 171,- per maand, te weten € 85,- per maand per kind.



De rechtbank zal de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vaststellen. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2025 tot een bedrag van € 91,- per maand per kind en met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 95,- per maand per kind. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.






Beslissing
De rechtbank:


*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 21 augustus 2024 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige:




[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ;



[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 2] ;


van € 85,- per maand per kind, en met ingang van 1 januari 2025 € 91,- per maand per kind, en met ingang van 1 januari 2026 € 95,- per maand per kind, zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



*
wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 21 augustus 2026.