Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27309
2026-09-18
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.9307
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Terugkeerbesluiten na beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming (derdelanders Oekraïne). Eerste terugkeerbesluit ingetrokken, geen belang, beroep niet-ontvankelijk maar wel proceskosten. Tweede terugkeerbesluit blijft in stand, familieleven niet onderbouwd, beroep ongegrond.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2025:1829 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1827 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1836 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:EU:C:2024:1038
- ECLI:EU:C:2014:2336
- ECLI:EU:C:2014:2431
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.373 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9307
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 geen verblijfsrecht meer heeft en om die reden een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
2. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld.
3. Bij beschikking van 30 juli 2025 is het eerdere terugkeerbesluit ingetrokken en is een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
4. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking op dit nieuw genomen terugkeerbesluit.
5. De minister heeft op 11 november 2025 een verweerschrift uitgebracht.
6. Partijen hebben, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, niet verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarop is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser, van Turkmeense nationaliteit, had verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB).
2. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne, de groep waartoe eiser behoort, mocht beëindigen op 4 maart 2024. Dit betekent dat zij met ingang van 5 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de RTB.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024
3. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak geoordeeld dat uit het arrest Kaduna e.a. volgt dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit.
4. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 om die reden ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij dat belang toch heeft. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Wel bestaat er aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025
5. Eiser heeft aangevoerd dat hij een duurzame relatie heeft met een partner die de Oekraïense nationaliteit geniet en die daarom nog valt onder de RTB. In de beschikking wordt aan eiser tegengeworpen dat deze onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een duurzame relatie die in Oekraïne en tijdens het uitbreken van het conflict al bestond, maar eiser is daarover nooit bevraagd. Dat eiser een aanvraag in kan dienen voor een verblijfsrecht ontleend aan het recht op familie- en gezinsleven, laat onverlet dat de minister
dit ook moet betrekken bij de vraag of wel of niet een terugkeerbesluit moet worden opgelegd.
5.1
Uit de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie volgt dat het recht om te worden gehoord, het recht omvat om, voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Eiser heeft deze gelegenheid gehad doordat hij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Niet valt in te zien, en verder is ook niet onderbouwd, waarom hij in deze schriftelijke reactie niet alle relevante informatie over de vaststelling dat zijn verblijf illegaal is geworden en over zijn persoonlijke situatie naar voren heeft kunnen brengen. Het recht om gehoord te worden, verplicht niet tot een persoonlijk onderhoud.
5.2
Eiser stelt terecht dat bij de vraag of een terugkeerbesluit moet worden opgelegd rekening moet worden gehouden met het familie- en gezinsleven, dat volgt immers uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit de gestelde relatie bij zijn beoordeling heeft betrokken en ook heeft beoordeeld of eiser vanwege die relatie nog tijdelijke bescherming op grond van de RTB zou moeten krijgen. De rechtbank stelt ook vast dat eiser zijn gestelde relatie met een Oekraïense op geen enkele wijze heeft onderbouwd in de bestuurlijke fase, maar ook niet in beroep. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde relatie geen aanleiding vormt om geen terugkeerbesluit op te leggen.
6. Ten aanzien van het beginsel van non-refoulement is de rechtbank ambtshalve van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 is ongegrond.
8. Omdat de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken moet de minister de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,00.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Algemene wet bestuursrecht.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
Hof van Justitie van de Europese Unie 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
Bijvoorbeeld de arresten Mukarubega (5 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2336) en Boudjlida (11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431).
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9307
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 geen verblijfsrecht meer heeft en om die reden een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
2. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld.
3. Bij beschikking van 30 juli 2025 is het eerdere terugkeerbesluit ingetrokken en is een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
4. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking op dit nieuw genomen terugkeerbesluit.
5. De minister heeft op 11 november 2025 een verweerschrift uitgebracht.
6. Partijen hebben, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, niet verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarop is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser, van Turkmeense nationaliteit, had verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB).
2. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne, de groep waartoe eiser behoort, mocht beëindigen op 4 maart 2024. Dit betekent dat zij met ingang van 5 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de RTB.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024
3. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak geoordeeld dat uit het arrest Kaduna e.a. volgt dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit.
4. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 om die reden ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij dat belang toch heeft. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Wel bestaat er aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025
5. Eiser heeft aangevoerd dat hij een duurzame relatie heeft met een partner die de Oekraïense nationaliteit geniet en die daarom nog valt onder de RTB. In de beschikking wordt aan eiser tegengeworpen dat deze onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een duurzame relatie die in Oekraïne en tijdens het uitbreken van het conflict al bestond, maar eiser is daarover nooit bevraagd. Dat eiser een aanvraag in kan dienen voor een verblijfsrecht ontleend aan het recht op familie- en gezinsleven, laat onverlet dat de minister
dit ook moet betrekken bij de vraag of wel of niet een terugkeerbesluit moet worden opgelegd.
5.1
Uit de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie volgt dat het recht om te worden gehoord, het recht omvat om, voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Eiser heeft deze gelegenheid gehad doordat hij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Niet valt in te zien, en verder is ook niet onderbouwd, waarom hij in deze schriftelijke reactie niet alle relevante informatie over de vaststelling dat zijn verblijf illegaal is geworden en over zijn persoonlijke situatie naar voren heeft kunnen brengen. Het recht om gehoord te worden, verplicht niet tot een persoonlijk onderhoud.
5.2
Eiser stelt terecht dat bij de vraag of een terugkeerbesluit moet worden opgelegd rekening moet worden gehouden met het familie- en gezinsleven, dat volgt immers uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit de gestelde relatie bij zijn beoordeling heeft betrokken en ook heeft beoordeeld of eiser vanwege die relatie nog tijdelijke bescherming op grond van de RTB zou moeten krijgen. De rechtbank stelt ook vast dat eiser zijn gestelde relatie met een Oekraïense op geen enkele wijze heeft onderbouwd in de bestuurlijke fase, maar ook niet in beroep. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde relatie geen aanleiding vormt om geen terugkeerbesluit op te leggen.
6. Ten aanzien van het beginsel van non-refoulement is de rechtbank ambtshalve van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 is ongegrond.
8. Omdat de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken moet de minister de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,00.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Algemene wet bestuursrecht.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
Hof van Justitie van de Europese Unie 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
Bijvoorbeeld de arresten Mukarubega (5 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2336) en Boudjlida (11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431).
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.