Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27302
2026-09-17
Civiel recht
12253604 \ RL VERZ 26-11460
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ABP heeft de pensioenuitkering van een gepensioneerde die pensioen heeft opgebouwd onder de Abp-wet verlaagd toen zijn AOW-status wijzigde van ongehuwd naar gehuwd. De kantonrechter oordeelt dat ABP daartoe bevoegd was. Voor de verlaging bestond een reglementaire grondslag en het is niet zo dat onder de Abp-wet al sprake is geweest van een lagere pensioenopbouw. De gepensioneerde kon en mocht er bovendien niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zijn pensioenuitkering bij een wijziging van zijn AOW-status hetzelfde zou blijven.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (40.141 tekens)
RECHTBANK
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Gravenhage
PV/d
Zaaknummer / rekestnummer: 12253604 \ RL VERZ 26-11460
Beschikking van 17 september 2026 op het verzoek ex artikel 96 Rv
in de zaak van
STICHTING PENSIOENFONDS ABP,
gevestigd te Heerlen,
verzoekende partij,
hierna te noemen: ABP,
gemachtigde: mr. E. Lutjens,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. J. Kaldenberg.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 23;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 6;
- de repliek met producties 24 tot en met 29;
- de dupliek;
- de akte nadere producties van ABP met producties 30 tot en met 34;
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 21 augustus 2026 en de tijdens die zitting namens partijen overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.
1.2.
Partijen hebben zich gezamenlijk tot de kantonrechter gewend met een verzoek om op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een beslissing te geven. Partijen hebben zich daarbij het recht op hoger beroep voorbehouden.
2De feiten
2.1.
[verweerder] heeft vanaf augustus 1975 pensioen opgebouwd bij ABP.
2.2.
Tot 1 januari 1996 heeft [verweerder] pensioen opgebouwd op grond van de Algemene burgerlijk pensioenwet (Abp-wet). De Abp-wet kende in de loop der jaren verschillende methoden van pensioenopbouw:
- Vóór 1 januari 1986 werd een inbouwmethodiek gebruikt. Dit hield in dat over het volledige salaris pensioen werd opgebouwd en eerst bij de toekenning van het pensioen (de uitkering) een bedrag in verband met de Algemene Ouderdomswet (AOW) op de pensioenuitkering in mindering werd gebracht.
- Van 1 januari 1986 tot 1 januari 1995 werd de franchisemethodiek gebruikt. De franchise is een drempelbedrag waarover geen pensioen wordt opgebouwd. Alleen over het loon boven dit drempelbedrag wordt pensioen opgebouwd (de pensioengrondslag). De Abp-wet kende in deze periode een gedifferentieerde franchise, met verschillende franchisebedragen voor alleenstaanden en gehuwden. Voor gehuwden gold een hogere franchise, waardoor de pensioengrondslag en daarmee de pensioenopbouw lager waren. Voor alleenstaanden gold een lagere franchise, waardoor de pensioengrondslag en daarmee de pensioenopbouw hoger waren. Deze franchisemethodiek was neergelegd in artikel F 7a van de Abp-wet. De tekst van dit artikel is in 1994 gewijzigd.
- Van 1 januari 1995 tot 1 januari 2006 werd eveneens de franchisemethodiek gebruikt, maar dan met een uniforme franchise: voor alle pensioendeelnemers gold hetzelfde franchisebedrag, ongeacht burgerlijke staat.
2.3.
[verweerder] is van [datum 1] 1987 tot [datum 2] 1994 gehuwd geweest.
2.4.
Met ingang van 1 januari 1996 is ABP geprivatiseerd met de Wet privatisering ABP (WPA). Met de privatisering van ABP is de Apb-wet vervallen. Voor de omzetting van de onder de Abp-wet opgebouwde pensioenaanspraken naar pensioenaanspraken op grond van het ABP-pensioenreglement, diende te worden uitgegaan van artikel 7 WPA. Dit artikel bepaalde dat met ingang van 1 januari 1996 de aanspraken op pensioen jegens ABP in totaliteit gelijkwaardig dienden te zijn aan de aanspraken die op 31 december 1995 aan de Abp-wet werden ontleend.
2.5.
In artikel 4 van de WPA is bepaald dat de pensioenaanspraken worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht. Hieraan is uitvoering gegeven met de pensioenovereenkomst die op 1 januari 1996 in werking is getreden. Het overgangsrecht in verband met de privatisering van ABP is neergelegd in artikel 18 van deze overeenkomst. Artikel 18.2 ziet op de omrekening van de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken, berekend op grond van de Abp-wet, naar gelijkwaardige aanspraken op grond van de pensioenovereenkomst. Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in artikel 18.2 van het eerste ABP-pensioenreglement van 1996.
2.6.
[verweerder] heeft zijn bij ABP opgebouwde pensioen vanaf 1 oktober 2018 laten ingaan. Sindsdien ontvangt hij een ouderdomspensioen van ABP. [verweerder] is gedeeltelijk blijven werken en heeft daardoor ook na deze datum nog pensioen bij ABP opgebouwd. Bij brief van 5 september 2018 heeft ABP [verweerder] geïnformeerd over de ingang en de berekening van zijn pensioen. In de bijlage bij deze brief, getiteld Uitgangspunten, zijn de uitgangspunten opgenomen die aan de pensioenberekening ten grondslag liggen. Een van deze uitgangspunten betreft dat [verweerder] op dat moment als alleenstaande stond geregistreerd. In de bijlage, getiteld Belangrijk, is aangegeven dat de pensioenbedragen kunnen wijzigen als gevolg van onder meer veranderingen in de persoonlijke situatie en wijzigingen in de AOW-sfeer.
2.7.
ABP heeft [verweerder] in maart 2020 het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) 2020 verstrekt. In het UPO is vermeld dat het is gebaseerd op de gegevens die op 5 maart 2020 bij ABP bekend waren. Onder het kopje “welk pensioen ontvangt u?” staat vermeld: “Uw uitkering kan nog veranderen door: (…) - wijziging van uw burgerlijke staat of AOW-recht”.
2.8.
ABP heeft [verweerder] bij brief van 21 februari 2022 (nader) geïnformeerd over de volledige ingang van zijn pensioen in verband met het bereiken van de AOW-leeftijd op [datum 3] 2022. In deze brief is een berekening opgenomen van zijn te ontvangen pensioen(uitkering). In de brief is vermeld dat de bedragen nog altijd kunnen wijzigen, bijvoorbeeld als “Uw burgerlijke staat wijzigt” en/of “U gaat samenwonen”.
2.9.
Bij het bereiken van de AOW-leeftijd is het pensioen van [verweerder] bij ABP volledig ingegaan. Aanvankelijk ontving [verweerder] van de SVB een AOW-uitkering voor alleenstaanden.
2.10.
ABP heeft [verweerder] in maart 2023 het UPO 2023 verstrekt. In dit UPO is vermeld dat de pensioenuitkering kan wijzigen als gevolg van een wijziging in de burgerlijke staat of het AOW-recht van [verweerder].
2.11.
Op 1 juli 2023 is een nieuw pensioenreglement van ABP in werking getreden. Bijlage 4, afdeling K, van dit reglement bevat overgangsbepalingen voor degenen die vóór 1 januari 1996 pensioen hebben opgebouwd onder de Abp-wet. In artikel K1 staat dat er bijzondere regels gelden voor hoe het pensioen opgebouwd vóór 1 januari 1996 wordt berekend. De artikelen K2 en K3 bevatten regels over kortingen en toeslagen voor belanghebbenden die vóór 1 januari 1986 respectievelijk tussen 1 januari 1986 en 1 januari 1996 pensioen hebben opgebouwd
2.12.
[verweerder] is in juli 2023 gaan samenwonen. Als gevolg daarvan ontvangt [verweerder] sinds 1 juli 2023 een AOW-uitkering voor gehuwden. De SVB heeft ABP in september 2023 geïnformeerd over de toekenning van deze uitkering aan [verweerder].
2.13.
ABP heeft [verweerder] bij brief van 23 oktober 2023 bericht dat door de wijziging van zijn AOW(-status) zijn ouderdomspensioen lager wordt. In de brief is vermeld dat bij de vaststelling van het pensioen dat [verweerder] vóór 1 januari 1995 heeft opgebouwd, rekening wordt gehouden met de wijziging in zijn AOW(-status). De pensioenuitkering van [verweerder] is aangepast van € 1.750,55 naar € 1.551,07 bruto per maand.
3Het geschil
3.1.
ABP verzoekt de kantonrechter om te bepalen dat ABP een juiste toepassing heeft gegeven aan het op [verweerder] van toepassing zijnde pensioenreglement door zijn pensioen te verlagen wegens zijn gewijzigde AOW-status, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.
3.2.
ABP legt aan haar verzoek – samengevat – ten grondslag dat de verlaging van het ouderdomspensioen van [verweerder] per 1 juli 2023 in overeenstemming is met de manier waarop zijn op grond van de Abp-wet opgebouwde pensioen, in de periode van 1 januari 1986 tot 1 januari 1995, onder die wet werd berekend. Die manier hield in dat de hoogte van het pensioen afhankelijk was van de AOW-situatie. Dit systeem is na de privatisering van ABP voortgezet in de overgangsbepalingen van de verschillende ABP-pensioenreglementen. Onder de Abp-wet zou het ouderdomspensioen van [verweerder] zijn verlaagd bij de wijziging van zijn AOW-situatie en datzelfde geldt op grond van de overgangsbepalingen van het ABP-pensioenreglement van 1 juli 2023.
3.3.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat dit moet worden afgewezen. Hij verzoekt op zijn beurt om – verkort weergegeven – voor recht te verklaren dat de per 1 juli 2023 doorgevoerde verlaging van zijn pensioenuitkering niet rechtsgeldig is, ABP te veroordelen die verlaging ongedaan te maken en voor recht te verklaren dat ABP gehouden is de schade te vergoeden die [verweerder] lijdt als gevolg van een eventuele nabetaling ineens van het achterstallige pensioen. [verweerder] betoogt – samengevat – dat (1) geen aanleiding tot verlaging bestaat, omdat de vóór 1 januari 1995 opgebouwde en per 1 januari 1996 omgerekende pensioenaanspraak al is gebaseerd op een AOW voor gehuwden, (2) in het toepasselijke pensioenreglement van 1 juli 2023 een bevoegdheid tot aanpassing van het pensioen ontbreekt, (3) het rechtsgevolg van de door [verweerder] voorgestane uitleg niet onaannemelijk en evenmin onaanvaardbaar is en (4) hij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat zijn pensioenuitkering bij wijziging van zijn AOW-status niet zou veranderen.
4De beoordeling
Rechtsvraag
4.1.
Centraal staat de vraag of ABP de pensioenuitkering van [verweerder] mocht verlagen toen zijn AOW-status wijzigde van ongehuwd naar gehuwd.
Reglementaire grondslag
4.2.
Aanleiding wordt gezien om eerst te beoordelen of ABP reglementair bevoegd is tot het verlagen van de pensioenuitkering van [verweerder] voor het tijdens het tijdvak van de gedifferentieerde franchise onder de Abp-wet opgebouwde pensioen. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van uitleg van het pensioenreglement dat van toepassing is op het moment waarop de AOW-status van [verweerder] wijzigt. Dit is het pensioenreglement dat op 1 juli 2023 in werking is getreden. Meer in het bijzonder gaat het om uitleg van overgangsbepaling K1 in afdeling K van Bijlage 4 bij dat reglement.
4.3.
Voor de uitleg van een bepaling in het pensioenreglement geldt de cao-norm. Deze houdt in dat aan de bepaling in kwestie een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. Daarbij zijn in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van het reglement, van doorslaggevende betekenis. Het komt daarom niet aan op de bedoelingen van de partij die het reglement tot stand heeft gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij de uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in het reglement gehanteerde formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, mogelijke tekstinterpretaties kunnen leiden. Ook de tekst van eerdere pensioenreglementen kan een objectief aanknopingspunt zijn bij de uitleg van de bepaling in kwestie.
4.4.
Overgangsbepaling K1 in afdeling K van Bijlage 4 bij het pensioenreglement van 1 juli 2023 luidt als volgt:
Heeft u vóór 1 januari 1996 bij ABP pensioen opgebouwd?
Dan gelden er bijzondere regels voor hoe wij uw pensioen over die periode berekenen. Want tot 1 januari 1996 golden andere regels voor de pensioenberekening. Die regels stonden in de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet).
Vanaf 1 januari 1996 geldt voor de berekening van het pensioen het pensioenreglement van ABP. Het pensioen dat u tot 1996 had opgebouwd is omgerekend om ervoor te zorgen dat u op grond van het pensioenreglement hetzelfde pensioen krijgt als u had op grond van de Abp-wet. Het omrekenen van uw pensioen gebeurde volgens de regels uit hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 31 december 2005.
4.5.
Overgangsbepaling K1 gaat over de omrekening van het pensioen dat tot 1996 op grond van de Abp-wet is opgebouwd. Het doel van deze omrekening is ervoor te zorgen dat de pensioendeelnemer op grond van het ABP-pensioenreglement hetzelfde pensioen krijgt als waarop hij op grond van de Abp-wet recht had. Dit omrekenen gebeurde volgens de regels van hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 31 december 2005. Dit staat allemaal (woordelijk) in de tekst van deze bepaling.
4.6.
[verweerder] stelt dat het pensioenreglement dat op 1 januari 2006 in werking is getreden, het pensioenreglement van 31 december 2005 integraal heeft vervangen. Volgens hem heeft hoofdstuk 18 van dat reglement daardoor geen gelding meer. Daarmee gaat [verweerder] er echter aan voorbij dat artikel K1 uitdrukkelijk verwijst naar hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 31 december 2005. Door deze verwijzing is dit hoofdstuk 18 geïncorporeerd in artikel K1 (en daarmee in het pensioenreglement van 1 juli 2023), waardoor dit hoofdstuk zijn werking heeft behouden. De regels van dit hoofdstuk zijn daarmee dan ook nog altijd relevant voor de berekening van het pensioen opgebouwd over de periode vóór 1 januari 1996.
4.7.
Hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 31 december 2005 bevat overgangsrecht in verband met de privatisering van ABP en de als gevolg van deze privatisering benodigde omzetting van pensioenopbouw onder de Abp-wet naar pensioenaanspraken volgens het ABP-pensioenreglement. Artikel 18.2 uit dit hoofdstuk is, in de kern, gelijkluidend aan artikel 18.2 van zowel de pensioenovereenkomst die op 1 januari 1996 in werking is getreden als het pensioenreglement van 1996. De tekst van artikel 18.2 van het pensioenreglement van 31 december 2005 luidt, voor zover van belang, als volgt:
1. De op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraak van een deelnemer, berekend volgens de bepalingen van de Abp-wet, worden per die datum omgerekend naar gelijkwaardige aanspraken volgens de bepalingen van dit reglement.
(…)
3. Ten behoeve van de omrekening, bedoeld in het eerste lid, wordt een correctiefactor vastgesteld ten aanzien van de franchise op zodanige wijze dat, bij vermenigvuldiging van de voor pensioengeldige tijd voorzover gelegen voor 1 januari 1996 met de bedoelde correctiefactor, voor alle voor pensioen geldige diensttijd kan worden uitgegaan van de franchise, bedoeld in artikel 4.2.
4. Per deelnemer wordt de pensioenaanspraak per 31 december 1995 en de daarbij behorende correctiefactoren, bedoeld in het tweede en derde lid, vastgesteld zowel uitgaande van een deelnemer die voor de toepassing van de AOW als gehuwd wordt aangemerkt, als uitgaande van een deelnemer die voor de toepassing van de AOW als ongehuwd wordt aangemerkt. Vanaf de datum van ingang van het pensioen wordt de correctiefactor gehanteerd die van toepassing is op de situatie ten tijde van de uitbetaling van het pensioen.
4.8.
Deze bepaling maakt in het eerste lid duidelijk dat alle aanspraken die op 31 december 1995 op grond van de Abp-wet waren opgebouwd, moeten worden omgerekend. De leden 3 en 4 beschrijven, kort gezegd, dat en welke correctiefactoren (omrekenfactoren) worden toegepast voor een juiste omzetting van de aanspraken. Lid 3 bepaalt dat ten aanzien van de franchise een correctiefactor wordt toegepast en lid 4 bepaalt dat voor iedere deelnemer twee correctiefactoren worden vastgesteld: één op basis van de gehuwde AOW-status en één op basis van de ongehuwde AOW-status. Hiermee is de koppeling tussen de hoogte van het ouderdomspensioen en de AOW-status gegeven. De slotzin van lid 4 bepaalt vervolgens welke van deze twee correctiefactoren voor de omrekening moet worden gebruikt. Dat is de correctiefactor die hoort bij de situatie op het moment waarop het pensioen wordt uitbetaald.
4.9.
Het is dus juist, zoals ook in het hiervoor geciteerde artikel K1 wordt vermeld, dat het pensioen is omgerekend en dat dit gebeurde volgens het hiervoor geciteerde artikel 18.2. Er zijn immers twee berekeningen gemaakt, op basis van de twee verschillende correctiefactoren. In zoverre heeft [verweerder] gelijk met zijn stelling dat (deze bewoordingen erop wijzen dat) de omrekening een voltooid feit betreft. Anders dan [verweerder] veronderstelt, heeft de feitelijke omrekening echter niet al bij die omrekening geleid tot een definitief pensioenbedrag op basis van ofwel de gehuwde ofwel de ongehuwde situatie. Pas bij de ingang van het pensioen kan immers worden bepaald welke van de twee correctiefactoren moet worden toegepast, omdat de AOW-status pas op dat moment bekend is.
4.10.
Volgens ABP moet de slotzin van artikel 18.2 zo worden uitgelegd dat (1) vanaf de ingang van het pensioen de correctiefactor wordt toegepast die hoort bij de op dat moment actuele AOW-status en dat (2) als de AOW-status tijdens de uitbetaling van het pensioen wijzigt het pensioen met de dan juiste correctiefactor moet worden herberekend en aangepast. Omdat dit laatste in het geval van [verweerder] is gebeurd, is zijn pensioenuitkering aangepast, aldus ABP. [verweerder] stelt daarentegen dat de correctiefactor die bij de ingang van het pensioen is toegepast, niet meer kan worden gewijzigd als de AOW-status daarna verandert.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat artikel 18.2 moet worden uitgelegd op de wijze die ABP voorstaat. Er staat immers dat vanaf de datum van ingang van het pensioen de correctiefactor wordt gehanteerd die hoort bij de AOW-status die op het moment van uitbetaling geldt. Uit deze bewoordingen volgt dat de AOW-status op de datum van ingang van het pensioen niet bepalend blijft. De bepaling koppelt de toe te passen correctiefactor uitdrukkelijk aan de AOW-status die geldt op het moment waarop het pensioen wordt uitbetaald. Het gebruik van het woord ‘vanaf’ markeert het begin van een periode die voortduurt vanaf de datum van ingang van het pensioen. Het ligt daarom voor de hand dat voor iedere uitbetaling van het pensioen (dus de maandelijkse pensioenuitkering) binnen die periode wordt gekeken naar de AOW-status die op dat moment geldt. Indien uitsluitend de correctiefactor op de datum van pensioeningang relevant zou zijn, had kunnen worden volstaan met een verwijzing daarnaar, maar dat is niet gebeurd.
4.12.
De uitleg van ABP sluit bovendien aan bij de tekst van artikel F 7a van de Abp-wet en de toepassing onder die wet van de franchise in het geval van wijziging van de AOW-status na pensionering. Deze bepaling luidde vanaf 1 januari 1986, voor zover van belang, als volgt:
“1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekening over diensttijd na 31 december 1985.
2. Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De pensioengrondslag wordt gevormd door de middelsom van berekeningsgrondslagen bedoeld in artikel F 6 te verminderen met een bedrag als omschreven in het derde lid (de franchise).
3. De franchise bedoeld in het tweede lid is gelijk aan:
a. twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag genoemd in artikel 9, zesde lid, onder a, vermeerderd met de bruto vakantie-uitkering ingevolge artikel 29 van de Algemene Ouderdomswet, indien de pensioengerechtigde recht heeft op dat bedrag, of op dat bedrag recht zou hebben gehad, indien geen toepassing zou zijn gegeven aan artikel 13 van die wet; franchise voor gehuwden, toev. ktr.]
b. tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag genoemd in artikel 9, zesde lid, onder b, vermeerderd met de bruto vakantie-uitkering ingevolge artikel 29 van de Algemene Ouderdomswet, indien de pensioengerechtigde recht heeft op dat bedrag, of op dat bedrag recht zou hebben gehad, indien geen toepassing zou zijn gegeven aan artikel 13 van die wet. franchise voor alleenstaanden, toev. ktr.]
4. Wanneer ten aanzien van de gepensioneerde ambtenaar wijziging optreedt in de toepassing van artikel 9, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet, wordt zijn pensioengrondslag herberekend. Het dienovereenkomstig herberekende pensioen gaat in op dezelfde dag als die wijziging.”
4.13.
In lid 3 was uitdrukkelijk bepaald dat de berekening in verband met de toepassing van de gedifferentieerde franchise betrekking had op de pensioengerechtigde (en later de gepensioneerde ambtenaar). Uit lid 4 (en later lid 5), gelezen in samenhang met de overige leden van artikel F 7a, volgde dat de berekening van het pensioen met de geldende franchise vervolgens eerst plaatsvond bij de ingang van het pensioen. Lid 4 (en later lid 5) sprak immers over de herberekening van het pensioen bij wijzing in de AOW-status van de pensioengerechtigde (en later de gepensioneerde ambtenaar) en daarmee de toepasselijke franchise. Daarnaast veronderstelt het gebruik van het begrip ‘herberekening’ dat het pensioen al eerder was berekend en het kan niet anders dan dit eerst plaatsvond bij de ingang van het pensioen op basis van de toen geldende AOW-status en franchise. Tot slot stond er dat het herberekende pensioen ingaat op dezelfde dag van de wijziging in de AOW-status. Tegen deze achtergrond kan lid 4 (en later lid 5) niet anders worden begrepen dan als een regeling voor de herberekening van het pensioen dat bij pensionering was vastgesteld aan de hand van de toen geldende AOW-status en franchise en waarin na pensionering een wijziging in die AOW-status optrad en daardoor een andere franchise van toepassing werd.
4.14.
Zoals ABP stelt, kende de Abp-wet aldus zelf een dynamisch systeem waarbij het pensioen opnieuw aan de hand van de juiste franchise werd berekend als de AOW-status van de gepensioneerde tijdens dat pensioen wijzigde van alleenstaand naar gehuwd, zoals bij [verweerder], of omgekeerd. ABP heeft toegelicht dat dit voortvloeit uit de wijze waarop in het Abp-wet pensioen met het AOW-pensioen rekening werd gehouden. Voor de gehuwde gold een hogere franchise, omdat ervan werd uitgegaan dat een gehuwde (samen met zijn partner) een hogere (want dubbele) AOW-uitkering zou ontvangen dan een ongehuwde. Met deze hogere franchise werd beoogd ervoor te zorgen dat een gehuwde en ongehuwde, waarvoor een lagere franchise gold, uiteindelijk op eenzelfde totaalpensioen uitkwamen.
4.15.
Met de verwijzing in overgangsbepaling K1 van pensioenreglement van 1 juli 2023 naar het pensioenreglement van 31 december 2005 is deze systematiek voor het vóór 1 januari 1996 onder de Abp-wet opgebouwde pensioen in feite voortgezet in dit ABP-pensioenreglement. Dit is in lijn met de bedoeling van de wetgever. In de memorie van toelichting bij de WPA is er uitdrukkelijk voor gekozen om ‘bijzondere elementen van de pensioentoezegging zoals neergelegd in de Abp-wet’ in materiële zin een rol te laten blijven spelen in het ABP-pensioenreglement. [verweerder] voert terecht aan dat in dit verband in de memorie van toelichting wordt verwezen naar andere bepalingen dan artikel F 7a van de Abp-wet, maar daaruit volgt niet dat artikel F 7a van die dynamische werking zou zijn uitgesloten. Ook artikel F 7a heeft immers, evenals de in de memorie van toelichting genoemde bepalingen, betrekking op de pensioenopbouw over diensttijd van vóór 1 januari 1996.
4.16.
Door voor iedere deelnemer zowel een correctiefactor voor de gehuwde als voor de ongehuwde AOW-status vast te stellen die wordt toegepast bij de ingang van het pensioen en eventueel wordt aangepast na ingang van het pensioen bij wijziging van de AOW-status, wordt gewaarborgd dat de pensioenaanspraken jegens ABP gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die over de diensttijd doorgebracht onder de Abp-wet zijn opgebouwd. De uitleg van [verweerder] zou hiermee onverenigbaar zijn. Als de bij de ingang van het pensioen toegepaste correctiefactor daarna niet meer zou kunnen worden gewijzigd, zou bij een wijziging van de AOW-status tijdens de uitkeringsperiode immers niet langer de correctiefactor worden toegepast die bij de nieuwe situatie hoort. De gepensioneerde zou dan, afhankelijk van de wijziging van de AOW-status, een gunstiger of ongunstiger pensioen ontvangen dan waarop op grond van de Abp-wet recht zou hebben bestaan. Daarmee zou geen recht worden gedaan aan het uitgangspunt van gelijkwaardigheid tussen de op grond van de Abp-wet opgebouwde aanspraken en de daarvoor in de plaats gekomen ABP-pensioenaanspraken, zoals de wetgever dat voor ogen heeft gehad.
4.17.
[verweerder] heeft ter zitting voor het eerst aangevoerd dat artikel K1 van het pensioenreglement van 1 juli 2023 in het geheel niet op hem van toepassing is. Volgens [verweerder] heeft artikel K1 uitsluitend het karakter van een werkingssfeerbepaling en krijgt deze bepaling haar betekenis en uitwerking pas in (samenhang met) de daaropvolgende artikelen K2 en K3. Deze artikelen K2 en K3 hebben echter betrekking op de toepassing van kortingen en toeslagen, terwijl artikel K1 ziet op de omzetting van het vóór 1 januari 1996 opgebouwde pensioen. Hiervoor is uitvoerig uiteengezet hoe deze bepaling moet worden uitgelegd en die uitleg geldt voor iedere (gewezen) ambtenaar die vóór 1 januari 1996, derhalve onder de Abp-wet, pensioen heeft opgebouwd, onder wie dus [verweerder]. Het bepaalde in artikelen K2 en K3 doen aan die uitleg niet af, omdat die bepalingen andere onderwerpen regelen.
Aannemelijkheid en aanvaardbaarheid rechtsgevolg
4.18.
Zoals overwogen, sluit de uitleg die ABP aan overgangsbepaling K1 van het pensioenreglement van 1 juli 2023 geeft aan bij de wijze waarop [verweerder] gedurende de periode van 1986 tot 1995 pensioen heeft opgebouwd onder de Abp-wet en bij de systematiek van die wet. Ook sluit deze uitleg aan bij de dynamische methode zoals die door de wetgever is gekozen en het uitgangspunt van gelijkwaardigheid bij de omzetting van Abp-wetpensioenaanspraken naar ABP-pensioenreglementaanspraken.
4.19.
De door [verweerder] voorgestane uitleg leidt tot een rechtsgevolg die hier juist niet bij aansluit. Anders dan de uitleg van ABP zou de uitleg van [verweerder] er namelijk toe leiden dat het pensioen niet ook opwaarts zou kunnen worden aangepast indien de AOW-status van de pensioengerechtigde wijzigt van gehuwd naar alleenstaand, terwijl juist in die situatie onder de Abp-wet aanspraak zou hebben bestaan op een hoger pensioen. Bovendien zou die uitleg, zoals hiervoor al werd aangestipt, ertoe leiden dat [verweerder] in dat geval, als gevolg van de combinatie van de correctiefactor voor ongehuwden en een dubbele AOW voor gehuwden, een pensioen zou ontvangen dat voor hem gunstiger is dan het pensioen waarop hij over zijn diensttijd in de periode van 1 januari 1986 tot 1 januari 1995 onder de Abp-wet aanspraak zou hebben gehad. Een dergelijke uitwerking ligt niet voor de hand.
4.20.
Dat sociale partners de bedoeling hebben gehad dat ABP niet langer bevoegd zou zijn om de pensioenuitkering aan te passen bij een wijziging van de AOW-status, zoals [verweerder] stelt, volgt niet uit het pensioenreglement. Zoals hiervoor is uiteengezet, is er nu juist voor gekozen om hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 2005 te incorporeren in het pensioenreglement dat met ingang van 1 juli 2023 geldt. Dat hoofdstuk heeft daarmee haar betekenis behouden. [verweerder] wijst er verder op dat vanaf 1995 een uniforme franchise is gaan gelden. Hoewel dat feit op zichzelf juist is, kan deze omstandigheid de door hem voorgestane uitleg niet dragen. De uniforme franchise is immers slechts relevant voor de pensioenopbouw vanaf 1995, terwijl het in deze procedure juist gaat om de omzetting en beoordeling van de aanspraken die [verweerder] vóór 1995 onder de Abp-wet heeft opgebouwd.
4.21.
De door ABP aan overgangsbepaling K1 gegeven uitleg is derhalve de enige uitleg die tot een aannemelijk rechtsgevolg leidt. Daarmee kan niet gezegd worden dat deze uitleg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wat van de inhoud van het transitieplan en implementatieplan die met het oog op de overgang naar een pensioenovereenkomst ingevolge de Wet toekomst pensioenen per 1 januari 2027 zijn opgesteld verder ook zij.
Lagere pensioenopbouw
4.22.
[verweerder] stelt, onder verwijzing naar artikel F 7a van de Abp-wet zoals dat met ingang van 1 januari 1986 luidde, dat gedurende de periode van zijn eerste huwelijk de hogere franchise voor gehuwden moet zijn toegepast. Volgens [verweerder] heeft dit ertoe geleid dat hij in die periode al een lagere pensioenopbouw heeft gehad. Hij stelt dat om die reden geen grond bestaat om zijn pensioen nog eens te herrekenen met toepassing van de correctiefactor voor gehuwden.
4.23.
Dit betoog berust op een onjuiste uitleg van artikel F 7a van de Abp-wet. In lid 3 daarvan was uitdrukkelijk bepaald dat de berekening in verband met de toepassing van de gedifferentieerde franchise betrekking had op de pensioengerechtigde (en later de gepensioneerde ambtenaar). Zij zag daarmee dus niet (ook) op de deelnemer die pensioen opbouwde. De inleg was immers voor een gehuwde en alleenstaande gelijk. Hiervoor is bovendien overwogen dat het in lid 4 (en later lid 5) van artikel F 7a van de Abp-wet bepaalde moet worden begrepen als een regeling voor de herberekening van een pensioen dat bij pensionering was vastgesteld aan de hand van de toen geldende AOW-status en franchise en waarin na pensionering een wijziging in die AOW-status optrad en daardoor een andere franchise van toepassing werd.
4.24.
De AOW-status van [verweerder] gedurende de opbouwfase is derhalve niet bepalend geweest voor de franchise die bij de berekening van zijn pensioen is toegepast toen dit in 2018 gedeeltelijk inging. Dat kan simpelweg ook niet vanuit het systeem van de regeling: vóór de pensioendatum en (daarmee) tijdens de pensioenopbouw staat immers niet vast welke AOW-status de deelnemer op het moment van pensionering zal hebben. De juiste franchise voor [verweerder] over zijn diensttijd tot 1995 kon eerst bij de ingang van het pensioen worden vastgesteld en is toen vastgesteld op basis van de op dat moment geldende AOW-status van [verweerder], te weten die van alleenstaande.
Berekening
4.25.
[verweerder] heeft zich verzet tegen de berekeningen die ABP aanvankelijk heeft overgelegd van het pensioen van [verweerder] per 1 oktober 2018 voor zowel de situatie waarin hij alleenstaand is als voor de situatie waarin hij gehuwd is. ABP heeft vervolgens bij repliek twee andere berekeningen overgelegd uitgaande van de ongehuwde respectievelijk gehuwde situatie. Tijdens de mondelinge behandeling zijn deze berekeningen nader geanalyseerd. Daarbij is onder andere vastgesteld (1) dat het enige verschil tussen de berekeningen betrekking heeft op de periode vóór 1986 (inbouw) en de periode van 1986 tot 1995 (gedifferentieerde franchise), (2) dat er tot 1995 rekening is gehouden met een inbouw-/franchisebedrag op grond van zowel de Abp-wet als het ABP-pensioenreglement en (3) dat als gevolg daarvan de omrekenfactor voor gehuwden hoger is dan die voor ongehuwden. In de berekeningen is daadwerkelijk met deze verschillende omrekenfactoren gerekend. [verweerder] heeft zich na deze analyse niet langer verzet tegen deze berekeningen van ABP. Er wordt daarom uitgegaan van de juistheid daarvan.
Gerechtvaardigd vertrouwen
4.26.
Partijen zijn het erover eens dat de pensioenaanspraken en -rechten van [verweerder] worden bepaald door het pensioenreglement van ABP. Hiervoor is geoordeeld dat overgangsbepaling K1 van het ABP-pensioenreglement van 1 juli 2023 zo moet worden uitgelegd dat ABP op grond daarvan bevoegd was de pensioenuitkering van [verweerder] te verlagen toen zijn AOW-status wijzigde.
4.27.
[verweerder] stelt dat een dergelijke bevoegdheid ontbrak in het pensioenreglement dat gold in 2018, het jaar waarin het (eerste gedeelte van het) pensioen werd toegekend. Ook als dat juist zou zijn, hetgeen volgens ABP niet het geval is, kan dit hem niet baten. Het is immers niet zo dat het op het moment van (eerste) toekenning van pensioen toepasselijke pensioenreglement gedurende de gehele verdere looptijd van het pensioen ongewijzigd van toepassing blijft. Voor de onderhavige beoordeling is van belang welke rechten en verplichtingen voortvloeien uit het pensioenreglement dat gold op het moment waarop de AOW-status van [verweerder] wijzigde. [verweerder] erkent dat ook met zoveel woorden. Nu uit dat pensioenreglement volgt dat ABP bevoegd was de pensioenuitkering naar aanleiding van die wijziging te verlagen, is niet van belang of een dergelijke bevoegdheid in het pensioenreglement van 2018 al dan niet ontbrak.
4.28.
[verweerder] kan op basis van de betalingen die tot 1 juli 2023 aan hem zijn gedaan en de hem verstrekte toekenningsbrieven en UPO’s bovendien niet gerechtvaardigd erop hebben vertrouwd dat zijn pensioenuitkering niet zou veranderen bij een wijziging van zijn AOW-situatie. De toekenningsbrieven van 5 september 2018 en 21 februari 2022 bevatten alleen feitelijke informatie over de hoogte en ingangsdatum van het pensioen van [verweerder] en in de UPO’s heeft ABP informatie verstrekt over de hoogte van de pensioenuitkeringen die hem in voorkomende gevallen zullen worden betaald. Dat in deze communicatie geen onderscheid is gemaakt tussen de pensioenopbouw vóór en na 1 januari 1996, betekent niet dat [verweerder] er geen rekening mee hoefde te houden dat een wijziging van zijn AOW-status tot een wijziging van zijn pensioenuitkering kon leiden. De pensioenuitkering betreft immers ook een enkel bedrag en in de toekenningsbrieven en UPO’s is steeds vermeld dat deze uitkering kan veranderen als gevolg van wijzigingen in de AOW-sfeer of de burgerlijke staat. Dat daarin niet concreet is omschreven welke wijziging tot welke verandering van de pensioenuitkering leidt en evenmin is verwezen naar de specifieke grondslag daarvoor in het van toepassing zijnde pensioenreglement, maakt dit niet anders. De toekenningsbrieven en UPO’s zijn immers bedoeld om [verweerder] over zijn pensioen te informeren en het kan niet van ABP worden verlangd dat het in dergelijke communicatie iedere mogelijke wijziging in de AOW-sfeer die tot een aanpassing van de pensioenuitkering kan leiden afzonderlijk beschrijft en daarbij telkens verwijst naar de relevante grondslagen en bepalingen van het toepasselijke pensioenreglement. Met het pensioenreglement zoals dat per 1 juli 2023 gold en de informatie die door ABP is verstrekt, heeft [verweerder] er redelijkerwijs niet van uit kunnen en mogen gaan dat zijn pensioenuitkering bij wijziging in AOW-status of burgerlijke staat hetzelfde zou blijven.
Conclusie
4.29.
Uit het voorgaande volgt dat ABP de pensioenuitkering van [verweerder] mocht verlagen. Het verzoek van ABP zal daarom worden toegewezen. Omdat de tegenverzoeken van [verweerder] alle berusten op de veronderstelling dat ABP deze verlaging niet had mogen doorvoeren, worden deze verzoeken afgewezen.
Eerdere uitspraken
4.30.
Partijen hebben beide verwezen naar en zich uitvoerig uitgelaten over een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 augustus 2017 en een uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen van 10 februari 2026, die betrekking hebben op vergelijkbare gevallen. Omdat de kantonrechter op basis van een eigen afweging tot het onderhavige oordeel is gekomen, worden deze uitspraken verder buiten beschouwing gelaten.
Proceskosten
4.31.
Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
bepaalt dat ABP een juiste toepassing heeft gegeven aan het op [verweerder] van toepassing zijnde pensioenreglement door zijn pensioen te verlagen wegens zijn gewijzigde AOW-status;
5.2.
wijst de tegenverzoeken van [verweerder] af;
5.3.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
Na wijziging in 1994 zijn het derde en vijfde lid van artikel F 7a van de Abp-wet komen te luiden:
“3. De franchise, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:
a. voor de gepensioneerde ambtenaar die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest;
b. voor de gepensioneerde ambtenaar die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop ingevolge die wet recht bestaat dan wel zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest;
(…)
5. Wanneer de in het derde lid bedoelde bedragen worden gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat, onverminderd artikel F 7d, tweede lid, in op dezelfde dag als waarop bedoelde wijzigingen zich hebben voorgedaan.”
Kamerstukken II 1994/95, 25 205, 3, p. 9-10. Hiermee is gekozen voor een dynamische methode, in plaats van voor een gesloten methode waarbij de pensioentoezegging met ingang van 1 januari 1996 volledig zou worden beheerst door het ABP-pensioenreglement en de aanspraken ingevolge de Abp-wet een ‘gesloten boek’ zouden vormen, aldus de memorie van toelichting.
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Gravenhage
PV/d
Zaaknummer / rekestnummer: 12253604 \ RL VERZ 26-11460
Beschikking van 17 september 2026 op het verzoek ex artikel 96 Rv
in de zaak van
STICHTING PENSIOENFONDS ABP,
gevestigd te Heerlen,
verzoekende partij,
hierna te noemen: ABP,
gemachtigde: mr. E. Lutjens,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. J. Kaldenberg.
1De procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 23;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 6;
- de repliek met producties 24 tot en met 29;
- de dupliek;
- de akte nadere producties van ABP met producties 30 tot en met 34;
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 21 augustus 2026 en de tijdens die zitting namens partijen overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.
1.2.
Partijen hebben zich gezamenlijk tot de kantonrechter gewend met een verzoek om op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een beslissing te geven. Partijen hebben zich daarbij het recht op hoger beroep voorbehouden.
2De feiten
2.1.
[verweerder] heeft vanaf augustus 1975 pensioen opgebouwd bij ABP.
2.2.
Tot 1 januari 1996 heeft [verweerder] pensioen opgebouwd op grond van de Algemene burgerlijk pensioenwet (Abp-wet). De Abp-wet kende in de loop der jaren verschillende methoden van pensioenopbouw:
- Vóór 1 januari 1986 werd een inbouwmethodiek gebruikt. Dit hield in dat over het volledige salaris pensioen werd opgebouwd en eerst bij de toekenning van het pensioen (de uitkering) een bedrag in verband met de Algemene Ouderdomswet (AOW) op de pensioenuitkering in mindering werd gebracht.
- Van 1 januari 1986 tot 1 januari 1995 werd de franchisemethodiek gebruikt. De franchise is een drempelbedrag waarover geen pensioen wordt opgebouwd. Alleen over het loon boven dit drempelbedrag wordt pensioen opgebouwd (de pensioengrondslag). De Abp-wet kende in deze periode een gedifferentieerde franchise, met verschillende franchisebedragen voor alleenstaanden en gehuwden. Voor gehuwden gold een hogere franchise, waardoor de pensioengrondslag en daarmee de pensioenopbouw lager waren. Voor alleenstaanden gold een lagere franchise, waardoor de pensioengrondslag en daarmee de pensioenopbouw hoger waren. Deze franchisemethodiek was neergelegd in artikel F 7a van de Abp-wet. De tekst van dit artikel is in 1994 gewijzigd.
- Van 1 januari 1995 tot 1 januari 2006 werd eveneens de franchisemethodiek gebruikt, maar dan met een uniforme franchise: voor alle pensioendeelnemers gold hetzelfde franchisebedrag, ongeacht burgerlijke staat.
2.3.
[verweerder] is van [datum 1] 1987 tot [datum 2] 1994 gehuwd geweest.
2.4.
Met ingang van 1 januari 1996 is ABP geprivatiseerd met de Wet privatisering ABP (WPA). Met de privatisering van ABP is de Apb-wet vervallen. Voor de omzetting van de onder de Abp-wet opgebouwde pensioenaanspraken naar pensioenaanspraken op grond van het ABP-pensioenreglement, diende te worden uitgegaan van artikel 7 WPA. Dit artikel bepaalde dat met ingang van 1 januari 1996 de aanspraken op pensioen jegens ABP in totaliteit gelijkwaardig dienden te zijn aan de aanspraken die op 31 december 1995 aan de Abp-wet werden ontleend.
2.5.
In artikel 4 van de WPA is bepaald dat de pensioenaanspraken worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht. Hieraan is uitvoering gegeven met de pensioenovereenkomst die op 1 januari 1996 in werking is getreden. Het overgangsrecht in verband met de privatisering van ABP is neergelegd in artikel 18 van deze overeenkomst. Artikel 18.2 ziet op de omrekening van de op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraken, berekend op grond van de Abp-wet, naar gelijkwaardige aanspraken op grond van de pensioenovereenkomst. Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in artikel 18.2 van het eerste ABP-pensioenreglement van 1996.
2.6.
[verweerder] heeft zijn bij ABP opgebouwde pensioen vanaf 1 oktober 2018 laten ingaan. Sindsdien ontvangt hij een ouderdomspensioen van ABP. [verweerder] is gedeeltelijk blijven werken en heeft daardoor ook na deze datum nog pensioen bij ABP opgebouwd. Bij brief van 5 september 2018 heeft ABP [verweerder] geïnformeerd over de ingang en de berekening van zijn pensioen. In de bijlage bij deze brief, getiteld Uitgangspunten, zijn de uitgangspunten opgenomen die aan de pensioenberekening ten grondslag liggen. Een van deze uitgangspunten betreft dat [verweerder] op dat moment als alleenstaande stond geregistreerd. In de bijlage, getiteld Belangrijk, is aangegeven dat de pensioenbedragen kunnen wijzigen als gevolg van onder meer veranderingen in de persoonlijke situatie en wijzigingen in de AOW-sfeer.
2.7.
ABP heeft [verweerder] in maart 2020 het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) 2020 verstrekt. In het UPO is vermeld dat het is gebaseerd op de gegevens die op 5 maart 2020 bij ABP bekend waren. Onder het kopje “welk pensioen ontvangt u?” staat vermeld: “Uw uitkering kan nog veranderen door: (…) - wijziging van uw burgerlijke staat of AOW-recht”.
2.8.
ABP heeft [verweerder] bij brief van 21 februari 2022 (nader) geïnformeerd over de volledige ingang van zijn pensioen in verband met het bereiken van de AOW-leeftijd op [datum 3] 2022. In deze brief is een berekening opgenomen van zijn te ontvangen pensioen(uitkering). In de brief is vermeld dat de bedragen nog altijd kunnen wijzigen, bijvoorbeeld als “Uw burgerlijke staat wijzigt” en/of “U gaat samenwonen”.
2.9.
Bij het bereiken van de AOW-leeftijd is het pensioen van [verweerder] bij ABP volledig ingegaan. Aanvankelijk ontving [verweerder] van de SVB een AOW-uitkering voor alleenstaanden.
2.10.
ABP heeft [verweerder] in maart 2023 het UPO 2023 verstrekt. In dit UPO is vermeld dat de pensioenuitkering kan wijzigen als gevolg van een wijziging in de burgerlijke staat of het AOW-recht van [verweerder].
2.11.
Op 1 juli 2023 is een nieuw pensioenreglement van ABP in werking getreden. Bijlage 4, afdeling K, van dit reglement bevat overgangsbepalingen voor degenen die vóór 1 januari 1996 pensioen hebben opgebouwd onder de Abp-wet. In artikel K1 staat dat er bijzondere regels gelden voor hoe het pensioen opgebouwd vóór 1 januari 1996 wordt berekend. De artikelen K2 en K3 bevatten regels over kortingen en toeslagen voor belanghebbenden die vóór 1 januari 1986 respectievelijk tussen 1 januari 1986 en 1 januari 1996 pensioen hebben opgebouwd
2.12.
[verweerder] is in juli 2023 gaan samenwonen. Als gevolg daarvan ontvangt [verweerder] sinds 1 juli 2023 een AOW-uitkering voor gehuwden. De SVB heeft ABP in september 2023 geïnformeerd over de toekenning van deze uitkering aan [verweerder].
2.13.
ABP heeft [verweerder] bij brief van 23 oktober 2023 bericht dat door de wijziging van zijn AOW(-status) zijn ouderdomspensioen lager wordt. In de brief is vermeld dat bij de vaststelling van het pensioen dat [verweerder] vóór 1 januari 1995 heeft opgebouwd, rekening wordt gehouden met de wijziging in zijn AOW(-status). De pensioenuitkering van [verweerder] is aangepast van € 1.750,55 naar € 1.551,07 bruto per maand.
3Het geschil
3.1.
ABP verzoekt de kantonrechter om te bepalen dat ABP een juiste toepassing heeft gegeven aan het op [verweerder] van toepassing zijnde pensioenreglement door zijn pensioen te verlagen wegens zijn gewijzigde AOW-status, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.
3.2.
ABP legt aan haar verzoek – samengevat – ten grondslag dat de verlaging van het ouderdomspensioen van [verweerder] per 1 juli 2023 in overeenstemming is met de manier waarop zijn op grond van de Abp-wet opgebouwde pensioen, in de periode van 1 januari 1986 tot 1 januari 1995, onder die wet werd berekend. Die manier hield in dat de hoogte van het pensioen afhankelijk was van de AOW-situatie. Dit systeem is na de privatisering van ABP voortgezet in de overgangsbepalingen van de verschillende ABP-pensioenreglementen. Onder de Abp-wet zou het ouderdomspensioen van [verweerder] zijn verlaagd bij de wijziging van zijn AOW-situatie en datzelfde geldt op grond van de overgangsbepalingen van het ABP-pensioenreglement van 1 juli 2023.
3.3.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat dit moet worden afgewezen. Hij verzoekt op zijn beurt om – verkort weergegeven – voor recht te verklaren dat de per 1 juli 2023 doorgevoerde verlaging van zijn pensioenuitkering niet rechtsgeldig is, ABP te veroordelen die verlaging ongedaan te maken en voor recht te verklaren dat ABP gehouden is de schade te vergoeden die [verweerder] lijdt als gevolg van een eventuele nabetaling ineens van het achterstallige pensioen. [verweerder] betoogt – samengevat – dat (1) geen aanleiding tot verlaging bestaat, omdat de vóór 1 januari 1995 opgebouwde en per 1 januari 1996 omgerekende pensioenaanspraak al is gebaseerd op een AOW voor gehuwden, (2) in het toepasselijke pensioenreglement van 1 juli 2023 een bevoegdheid tot aanpassing van het pensioen ontbreekt, (3) het rechtsgevolg van de door [verweerder] voorgestane uitleg niet onaannemelijk en evenmin onaanvaardbaar is en (4) hij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat zijn pensioenuitkering bij wijziging van zijn AOW-status niet zou veranderen.
4De beoordeling
Rechtsvraag
4.1.
Centraal staat de vraag of ABP de pensioenuitkering van [verweerder] mocht verlagen toen zijn AOW-status wijzigde van ongehuwd naar gehuwd.
Reglementaire grondslag
4.2.
Aanleiding wordt gezien om eerst te beoordelen of ABP reglementair bevoegd is tot het verlagen van de pensioenuitkering van [verweerder] voor het tijdens het tijdvak van de gedifferentieerde franchise onder de Abp-wet opgebouwde pensioen. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van uitleg van het pensioenreglement dat van toepassing is op het moment waarop de AOW-status van [verweerder] wijzigt. Dit is het pensioenreglement dat op 1 juli 2023 in werking is getreden. Meer in het bijzonder gaat het om uitleg van overgangsbepaling K1 in afdeling K van Bijlage 4 bij dat reglement.
4.3.
Voor de uitleg van een bepaling in het pensioenreglement geldt de cao-norm. Deze houdt in dat aan de bepaling in kwestie een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. Daarbij zijn in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van het reglement, van doorslaggevende betekenis. Het komt daarom niet aan op de bedoelingen van de partij die het reglement tot stand heeft gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij de uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in het reglement gehanteerde formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, mogelijke tekstinterpretaties kunnen leiden. Ook de tekst van eerdere pensioenreglementen kan een objectief aanknopingspunt zijn bij de uitleg van de bepaling in kwestie.
4.4.
Overgangsbepaling K1 in afdeling K van Bijlage 4 bij het pensioenreglement van 1 juli 2023 luidt als volgt:
Heeft u vóór 1 januari 1996 bij ABP pensioen opgebouwd?
Dan gelden er bijzondere regels voor hoe wij uw pensioen over die periode berekenen. Want tot 1 januari 1996 golden andere regels voor de pensioenberekening. Die regels stonden in de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet).
Vanaf 1 januari 1996 geldt voor de berekening van het pensioen het pensioenreglement van ABP. Het pensioen dat u tot 1996 had opgebouwd is omgerekend om ervoor te zorgen dat u op grond van het pensioenreglement hetzelfde pensioen krijgt als u had op grond van de Abp-wet. Het omrekenen van uw pensioen gebeurde volgens de regels uit hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 31 december 2005.
4.5.
Overgangsbepaling K1 gaat over de omrekening van het pensioen dat tot 1996 op grond van de Abp-wet is opgebouwd. Het doel van deze omrekening is ervoor te zorgen dat de pensioendeelnemer op grond van het ABP-pensioenreglement hetzelfde pensioen krijgt als waarop hij op grond van de Abp-wet recht had. Dit omrekenen gebeurde volgens de regels van hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 31 december 2005. Dit staat allemaal (woordelijk) in de tekst van deze bepaling.
4.6.
[verweerder] stelt dat het pensioenreglement dat op 1 januari 2006 in werking is getreden, het pensioenreglement van 31 december 2005 integraal heeft vervangen. Volgens hem heeft hoofdstuk 18 van dat reglement daardoor geen gelding meer. Daarmee gaat [verweerder] er echter aan voorbij dat artikel K1 uitdrukkelijk verwijst naar hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 31 december 2005. Door deze verwijzing is dit hoofdstuk 18 geïncorporeerd in artikel K1 (en daarmee in het pensioenreglement van 1 juli 2023), waardoor dit hoofdstuk zijn werking heeft behouden. De regels van dit hoofdstuk zijn daarmee dan ook nog altijd relevant voor de berekening van het pensioen opgebouwd over de periode vóór 1 januari 1996.
4.7.
Hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 31 december 2005 bevat overgangsrecht in verband met de privatisering van ABP en de als gevolg van deze privatisering benodigde omzetting van pensioenopbouw onder de Abp-wet naar pensioenaanspraken volgens het ABP-pensioenreglement. Artikel 18.2 uit dit hoofdstuk is, in de kern, gelijkluidend aan artikel 18.2 van zowel de pensioenovereenkomst die op 1 januari 1996 in werking is getreden als het pensioenreglement van 1996. De tekst van artikel 18.2 van het pensioenreglement van 31 december 2005 luidt, voor zover van belang, als volgt:
1. De op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraak van een deelnemer, berekend volgens de bepalingen van de Abp-wet, worden per die datum omgerekend naar gelijkwaardige aanspraken volgens de bepalingen van dit reglement.
(…)
3. Ten behoeve van de omrekening, bedoeld in het eerste lid, wordt een correctiefactor vastgesteld ten aanzien van de franchise op zodanige wijze dat, bij vermenigvuldiging van de voor pensioengeldige tijd voorzover gelegen voor 1 januari 1996 met de bedoelde correctiefactor, voor alle voor pensioen geldige diensttijd kan worden uitgegaan van de franchise, bedoeld in artikel 4.2.
4. Per deelnemer wordt de pensioenaanspraak per 31 december 1995 en de daarbij behorende correctiefactoren, bedoeld in het tweede en derde lid, vastgesteld zowel uitgaande van een deelnemer die voor de toepassing van de AOW als gehuwd wordt aangemerkt, als uitgaande van een deelnemer die voor de toepassing van de AOW als ongehuwd wordt aangemerkt. Vanaf de datum van ingang van het pensioen wordt de correctiefactor gehanteerd die van toepassing is op de situatie ten tijde van de uitbetaling van het pensioen.
4.8.
Deze bepaling maakt in het eerste lid duidelijk dat alle aanspraken die op 31 december 1995 op grond van de Abp-wet waren opgebouwd, moeten worden omgerekend. De leden 3 en 4 beschrijven, kort gezegd, dat en welke correctiefactoren (omrekenfactoren) worden toegepast voor een juiste omzetting van de aanspraken. Lid 3 bepaalt dat ten aanzien van de franchise een correctiefactor wordt toegepast en lid 4 bepaalt dat voor iedere deelnemer twee correctiefactoren worden vastgesteld: één op basis van de gehuwde AOW-status en één op basis van de ongehuwde AOW-status. Hiermee is de koppeling tussen de hoogte van het ouderdomspensioen en de AOW-status gegeven. De slotzin van lid 4 bepaalt vervolgens welke van deze twee correctiefactoren voor de omrekening moet worden gebruikt. Dat is de correctiefactor die hoort bij de situatie op het moment waarop het pensioen wordt uitbetaald.
4.9.
Het is dus juist, zoals ook in het hiervoor geciteerde artikel K1 wordt vermeld, dat het pensioen is omgerekend en dat dit gebeurde volgens het hiervoor geciteerde artikel 18.2. Er zijn immers twee berekeningen gemaakt, op basis van de twee verschillende correctiefactoren. In zoverre heeft [verweerder] gelijk met zijn stelling dat (deze bewoordingen erop wijzen dat) de omrekening een voltooid feit betreft. Anders dan [verweerder] veronderstelt, heeft de feitelijke omrekening echter niet al bij die omrekening geleid tot een definitief pensioenbedrag op basis van ofwel de gehuwde ofwel de ongehuwde situatie. Pas bij de ingang van het pensioen kan immers worden bepaald welke van de twee correctiefactoren moet worden toegepast, omdat de AOW-status pas op dat moment bekend is.
4.10.
Volgens ABP moet de slotzin van artikel 18.2 zo worden uitgelegd dat (1) vanaf de ingang van het pensioen de correctiefactor wordt toegepast die hoort bij de op dat moment actuele AOW-status en dat (2) als de AOW-status tijdens de uitbetaling van het pensioen wijzigt het pensioen met de dan juiste correctiefactor moet worden herberekend en aangepast. Omdat dit laatste in het geval van [verweerder] is gebeurd, is zijn pensioenuitkering aangepast, aldus ABP. [verweerder] stelt daarentegen dat de correctiefactor die bij de ingang van het pensioen is toegepast, niet meer kan worden gewijzigd als de AOW-status daarna verandert.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat artikel 18.2 moet worden uitgelegd op de wijze die ABP voorstaat. Er staat immers dat vanaf de datum van ingang van het pensioen de correctiefactor wordt gehanteerd die hoort bij de AOW-status die op het moment van uitbetaling geldt. Uit deze bewoordingen volgt dat de AOW-status op de datum van ingang van het pensioen niet bepalend blijft. De bepaling koppelt de toe te passen correctiefactor uitdrukkelijk aan de AOW-status die geldt op het moment waarop het pensioen wordt uitbetaald. Het gebruik van het woord ‘vanaf’ markeert het begin van een periode die voortduurt vanaf de datum van ingang van het pensioen. Het ligt daarom voor de hand dat voor iedere uitbetaling van het pensioen (dus de maandelijkse pensioenuitkering) binnen die periode wordt gekeken naar de AOW-status die op dat moment geldt. Indien uitsluitend de correctiefactor op de datum van pensioeningang relevant zou zijn, had kunnen worden volstaan met een verwijzing daarnaar, maar dat is niet gebeurd.
4.12.
De uitleg van ABP sluit bovendien aan bij de tekst van artikel F 7a van de Abp-wet en de toepassing onder die wet van de franchise in het geval van wijziging van de AOW-status na pensionering. Deze bepaling luidde vanaf 1 januari 1986, voor zover van belang, als volgt:
“1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekening over diensttijd na 31 december 1985.
2. Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De pensioengrondslag wordt gevormd door de middelsom van berekeningsgrondslagen bedoeld in artikel F 6 te verminderen met een bedrag als omschreven in het derde lid (de franchise).
3. De franchise bedoeld in het tweede lid is gelijk aan:
a. twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag genoemd in artikel 9, zesde lid, onder a, vermeerderd met de bruto vakantie-uitkering ingevolge artikel 29 van de Algemene Ouderdomswet, indien de pensioengerechtigde recht heeft op dat bedrag, of op dat bedrag recht zou hebben gehad, indien geen toepassing zou zijn gegeven aan artikel 13 van die wet; franchise voor gehuwden, toev. ktr.]
b. tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag genoemd in artikel 9, zesde lid, onder b, vermeerderd met de bruto vakantie-uitkering ingevolge artikel 29 van de Algemene Ouderdomswet, indien de pensioengerechtigde recht heeft op dat bedrag, of op dat bedrag recht zou hebben gehad, indien geen toepassing zou zijn gegeven aan artikel 13 van die wet. franchise voor alleenstaanden, toev. ktr.]
4. Wanneer ten aanzien van de gepensioneerde ambtenaar wijziging optreedt in de toepassing van artikel 9, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet, wordt zijn pensioengrondslag herberekend. Het dienovereenkomstig herberekende pensioen gaat in op dezelfde dag als die wijziging.”
4.13.
In lid 3 was uitdrukkelijk bepaald dat de berekening in verband met de toepassing van de gedifferentieerde franchise betrekking had op de pensioengerechtigde (en later de gepensioneerde ambtenaar). Uit lid 4 (en later lid 5), gelezen in samenhang met de overige leden van artikel F 7a, volgde dat de berekening van het pensioen met de geldende franchise vervolgens eerst plaatsvond bij de ingang van het pensioen. Lid 4 (en later lid 5) sprak immers over de herberekening van het pensioen bij wijzing in de AOW-status van de pensioengerechtigde (en later de gepensioneerde ambtenaar) en daarmee de toepasselijke franchise. Daarnaast veronderstelt het gebruik van het begrip ‘herberekening’ dat het pensioen al eerder was berekend en het kan niet anders dan dit eerst plaatsvond bij de ingang van het pensioen op basis van de toen geldende AOW-status en franchise. Tot slot stond er dat het herberekende pensioen ingaat op dezelfde dag van de wijziging in de AOW-status. Tegen deze achtergrond kan lid 4 (en later lid 5) niet anders worden begrepen dan als een regeling voor de herberekening van het pensioen dat bij pensionering was vastgesteld aan de hand van de toen geldende AOW-status en franchise en waarin na pensionering een wijziging in die AOW-status optrad en daardoor een andere franchise van toepassing werd.
4.14.
Zoals ABP stelt, kende de Abp-wet aldus zelf een dynamisch systeem waarbij het pensioen opnieuw aan de hand van de juiste franchise werd berekend als de AOW-status van de gepensioneerde tijdens dat pensioen wijzigde van alleenstaand naar gehuwd, zoals bij [verweerder], of omgekeerd. ABP heeft toegelicht dat dit voortvloeit uit de wijze waarop in het Abp-wet pensioen met het AOW-pensioen rekening werd gehouden. Voor de gehuwde gold een hogere franchise, omdat ervan werd uitgegaan dat een gehuwde (samen met zijn partner) een hogere (want dubbele) AOW-uitkering zou ontvangen dan een ongehuwde. Met deze hogere franchise werd beoogd ervoor te zorgen dat een gehuwde en ongehuwde, waarvoor een lagere franchise gold, uiteindelijk op eenzelfde totaalpensioen uitkwamen.
4.15.
Met de verwijzing in overgangsbepaling K1 van pensioenreglement van 1 juli 2023 naar het pensioenreglement van 31 december 2005 is deze systematiek voor het vóór 1 januari 1996 onder de Abp-wet opgebouwde pensioen in feite voortgezet in dit ABP-pensioenreglement. Dit is in lijn met de bedoeling van de wetgever. In de memorie van toelichting bij de WPA is er uitdrukkelijk voor gekozen om ‘bijzondere elementen van de pensioentoezegging zoals neergelegd in de Abp-wet’ in materiële zin een rol te laten blijven spelen in het ABP-pensioenreglement. [verweerder] voert terecht aan dat in dit verband in de memorie van toelichting wordt verwezen naar andere bepalingen dan artikel F 7a van de Abp-wet, maar daaruit volgt niet dat artikel F 7a van die dynamische werking zou zijn uitgesloten. Ook artikel F 7a heeft immers, evenals de in de memorie van toelichting genoemde bepalingen, betrekking op de pensioenopbouw over diensttijd van vóór 1 januari 1996.
4.16.
Door voor iedere deelnemer zowel een correctiefactor voor de gehuwde als voor de ongehuwde AOW-status vast te stellen die wordt toegepast bij de ingang van het pensioen en eventueel wordt aangepast na ingang van het pensioen bij wijziging van de AOW-status, wordt gewaarborgd dat de pensioenaanspraken jegens ABP gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die over de diensttijd doorgebracht onder de Abp-wet zijn opgebouwd. De uitleg van [verweerder] zou hiermee onverenigbaar zijn. Als de bij de ingang van het pensioen toegepaste correctiefactor daarna niet meer zou kunnen worden gewijzigd, zou bij een wijziging van de AOW-status tijdens de uitkeringsperiode immers niet langer de correctiefactor worden toegepast die bij de nieuwe situatie hoort. De gepensioneerde zou dan, afhankelijk van de wijziging van de AOW-status, een gunstiger of ongunstiger pensioen ontvangen dan waarop op grond van de Abp-wet recht zou hebben bestaan. Daarmee zou geen recht worden gedaan aan het uitgangspunt van gelijkwaardigheid tussen de op grond van de Abp-wet opgebouwde aanspraken en de daarvoor in de plaats gekomen ABP-pensioenaanspraken, zoals de wetgever dat voor ogen heeft gehad.
4.17.
[verweerder] heeft ter zitting voor het eerst aangevoerd dat artikel K1 van het pensioenreglement van 1 juli 2023 in het geheel niet op hem van toepassing is. Volgens [verweerder] heeft artikel K1 uitsluitend het karakter van een werkingssfeerbepaling en krijgt deze bepaling haar betekenis en uitwerking pas in (samenhang met) de daaropvolgende artikelen K2 en K3. Deze artikelen K2 en K3 hebben echter betrekking op de toepassing van kortingen en toeslagen, terwijl artikel K1 ziet op de omzetting van het vóór 1 januari 1996 opgebouwde pensioen. Hiervoor is uitvoerig uiteengezet hoe deze bepaling moet worden uitgelegd en die uitleg geldt voor iedere (gewezen) ambtenaar die vóór 1 januari 1996, derhalve onder de Abp-wet, pensioen heeft opgebouwd, onder wie dus [verweerder]. Het bepaalde in artikelen K2 en K3 doen aan die uitleg niet af, omdat die bepalingen andere onderwerpen regelen.
Aannemelijkheid en aanvaardbaarheid rechtsgevolg
4.18.
Zoals overwogen, sluit de uitleg die ABP aan overgangsbepaling K1 van het pensioenreglement van 1 juli 2023 geeft aan bij de wijze waarop [verweerder] gedurende de periode van 1986 tot 1995 pensioen heeft opgebouwd onder de Abp-wet en bij de systematiek van die wet. Ook sluit deze uitleg aan bij de dynamische methode zoals die door de wetgever is gekozen en het uitgangspunt van gelijkwaardigheid bij de omzetting van Abp-wetpensioenaanspraken naar ABP-pensioenreglementaanspraken.
4.19.
De door [verweerder] voorgestane uitleg leidt tot een rechtsgevolg die hier juist niet bij aansluit. Anders dan de uitleg van ABP zou de uitleg van [verweerder] er namelijk toe leiden dat het pensioen niet ook opwaarts zou kunnen worden aangepast indien de AOW-status van de pensioengerechtigde wijzigt van gehuwd naar alleenstaand, terwijl juist in die situatie onder de Abp-wet aanspraak zou hebben bestaan op een hoger pensioen. Bovendien zou die uitleg, zoals hiervoor al werd aangestipt, ertoe leiden dat [verweerder] in dat geval, als gevolg van de combinatie van de correctiefactor voor ongehuwden en een dubbele AOW voor gehuwden, een pensioen zou ontvangen dat voor hem gunstiger is dan het pensioen waarop hij over zijn diensttijd in de periode van 1 januari 1986 tot 1 januari 1995 onder de Abp-wet aanspraak zou hebben gehad. Een dergelijke uitwerking ligt niet voor de hand.
4.20.
Dat sociale partners de bedoeling hebben gehad dat ABP niet langer bevoegd zou zijn om de pensioenuitkering aan te passen bij een wijziging van de AOW-status, zoals [verweerder] stelt, volgt niet uit het pensioenreglement. Zoals hiervoor is uiteengezet, is er nu juist voor gekozen om hoofdstuk 18 van het pensioenreglement van 2005 te incorporeren in het pensioenreglement dat met ingang van 1 juli 2023 geldt. Dat hoofdstuk heeft daarmee haar betekenis behouden. [verweerder] wijst er verder op dat vanaf 1995 een uniforme franchise is gaan gelden. Hoewel dat feit op zichzelf juist is, kan deze omstandigheid de door hem voorgestane uitleg niet dragen. De uniforme franchise is immers slechts relevant voor de pensioenopbouw vanaf 1995, terwijl het in deze procedure juist gaat om de omzetting en beoordeling van de aanspraken die [verweerder] vóór 1995 onder de Abp-wet heeft opgebouwd.
4.21.
De door ABP aan overgangsbepaling K1 gegeven uitleg is derhalve de enige uitleg die tot een aannemelijk rechtsgevolg leidt. Daarmee kan niet gezegd worden dat deze uitleg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wat van de inhoud van het transitieplan en implementatieplan die met het oog op de overgang naar een pensioenovereenkomst ingevolge de Wet toekomst pensioenen per 1 januari 2027 zijn opgesteld verder ook zij.
Lagere pensioenopbouw
4.22.
[verweerder] stelt, onder verwijzing naar artikel F 7a van de Abp-wet zoals dat met ingang van 1 januari 1986 luidde, dat gedurende de periode van zijn eerste huwelijk de hogere franchise voor gehuwden moet zijn toegepast. Volgens [verweerder] heeft dit ertoe geleid dat hij in die periode al een lagere pensioenopbouw heeft gehad. Hij stelt dat om die reden geen grond bestaat om zijn pensioen nog eens te herrekenen met toepassing van de correctiefactor voor gehuwden.
4.23.
Dit betoog berust op een onjuiste uitleg van artikel F 7a van de Abp-wet. In lid 3 daarvan was uitdrukkelijk bepaald dat de berekening in verband met de toepassing van de gedifferentieerde franchise betrekking had op de pensioengerechtigde (en later de gepensioneerde ambtenaar). Zij zag daarmee dus niet (ook) op de deelnemer die pensioen opbouwde. De inleg was immers voor een gehuwde en alleenstaande gelijk. Hiervoor is bovendien overwogen dat het in lid 4 (en later lid 5) van artikel F 7a van de Abp-wet bepaalde moet worden begrepen als een regeling voor de herberekening van een pensioen dat bij pensionering was vastgesteld aan de hand van de toen geldende AOW-status en franchise en waarin na pensionering een wijziging in die AOW-status optrad en daardoor een andere franchise van toepassing werd.
4.24.
De AOW-status van [verweerder] gedurende de opbouwfase is derhalve niet bepalend geweest voor de franchise die bij de berekening van zijn pensioen is toegepast toen dit in 2018 gedeeltelijk inging. Dat kan simpelweg ook niet vanuit het systeem van de regeling: vóór de pensioendatum en (daarmee) tijdens de pensioenopbouw staat immers niet vast welke AOW-status de deelnemer op het moment van pensionering zal hebben. De juiste franchise voor [verweerder] over zijn diensttijd tot 1995 kon eerst bij de ingang van het pensioen worden vastgesteld en is toen vastgesteld op basis van de op dat moment geldende AOW-status van [verweerder], te weten die van alleenstaande.
Berekening
4.25.
[verweerder] heeft zich verzet tegen de berekeningen die ABP aanvankelijk heeft overgelegd van het pensioen van [verweerder] per 1 oktober 2018 voor zowel de situatie waarin hij alleenstaand is als voor de situatie waarin hij gehuwd is. ABP heeft vervolgens bij repliek twee andere berekeningen overgelegd uitgaande van de ongehuwde respectievelijk gehuwde situatie. Tijdens de mondelinge behandeling zijn deze berekeningen nader geanalyseerd. Daarbij is onder andere vastgesteld (1) dat het enige verschil tussen de berekeningen betrekking heeft op de periode vóór 1986 (inbouw) en de periode van 1986 tot 1995 (gedifferentieerde franchise), (2) dat er tot 1995 rekening is gehouden met een inbouw-/franchisebedrag op grond van zowel de Abp-wet als het ABP-pensioenreglement en (3) dat als gevolg daarvan de omrekenfactor voor gehuwden hoger is dan die voor ongehuwden. In de berekeningen is daadwerkelijk met deze verschillende omrekenfactoren gerekend. [verweerder] heeft zich na deze analyse niet langer verzet tegen deze berekeningen van ABP. Er wordt daarom uitgegaan van de juistheid daarvan.
Gerechtvaardigd vertrouwen
4.26.
Partijen zijn het erover eens dat de pensioenaanspraken en -rechten van [verweerder] worden bepaald door het pensioenreglement van ABP. Hiervoor is geoordeeld dat overgangsbepaling K1 van het ABP-pensioenreglement van 1 juli 2023 zo moet worden uitgelegd dat ABP op grond daarvan bevoegd was de pensioenuitkering van [verweerder] te verlagen toen zijn AOW-status wijzigde.
4.27.
[verweerder] stelt dat een dergelijke bevoegdheid ontbrak in het pensioenreglement dat gold in 2018, het jaar waarin het (eerste gedeelte van het) pensioen werd toegekend. Ook als dat juist zou zijn, hetgeen volgens ABP niet het geval is, kan dit hem niet baten. Het is immers niet zo dat het op het moment van (eerste) toekenning van pensioen toepasselijke pensioenreglement gedurende de gehele verdere looptijd van het pensioen ongewijzigd van toepassing blijft. Voor de onderhavige beoordeling is van belang welke rechten en verplichtingen voortvloeien uit het pensioenreglement dat gold op het moment waarop de AOW-status van [verweerder] wijzigde. [verweerder] erkent dat ook met zoveel woorden. Nu uit dat pensioenreglement volgt dat ABP bevoegd was de pensioenuitkering naar aanleiding van die wijziging te verlagen, is niet van belang of een dergelijke bevoegdheid in het pensioenreglement van 2018 al dan niet ontbrak.
4.28.
[verweerder] kan op basis van de betalingen die tot 1 juli 2023 aan hem zijn gedaan en de hem verstrekte toekenningsbrieven en UPO’s bovendien niet gerechtvaardigd erop hebben vertrouwd dat zijn pensioenuitkering niet zou veranderen bij een wijziging van zijn AOW-situatie. De toekenningsbrieven van 5 september 2018 en 21 februari 2022 bevatten alleen feitelijke informatie over de hoogte en ingangsdatum van het pensioen van [verweerder] en in de UPO’s heeft ABP informatie verstrekt over de hoogte van de pensioenuitkeringen die hem in voorkomende gevallen zullen worden betaald. Dat in deze communicatie geen onderscheid is gemaakt tussen de pensioenopbouw vóór en na 1 januari 1996, betekent niet dat [verweerder] er geen rekening mee hoefde te houden dat een wijziging van zijn AOW-status tot een wijziging van zijn pensioenuitkering kon leiden. De pensioenuitkering betreft immers ook een enkel bedrag en in de toekenningsbrieven en UPO’s is steeds vermeld dat deze uitkering kan veranderen als gevolg van wijzigingen in de AOW-sfeer of de burgerlijke staat. Dat daarin niet concreet is omschreven welke wijziging tot welke verandering van de pensioenuitkering leidt en evenmin is verwezen naar de specifieke grondslag daarvoor in het van toepassing zijnde pensioenreglement, maakt dit niet anders. De toekenningsbrieven en UPO’s zijn immers bedoeld om [verweerder] over zijn pensioen te informeren en het kan niet van ABP worden verlangd dat het in dergelijke communicatie iedere mogelijke wijziging in de AOW-sfeer die tot een aanpassing van de pensioenuitkering kan leiden afzonderlijk beschrijft en daarbij telkens verwijst naar de relevante grondslagen en bepalingen van het toepasselijke pensioenreglement. Met het pensioenreglement zoals dat per 1 juli 2023 gold en de informatie die door ABP is verstrekt, heeft [verweerder] er redelijkerwijs niet van uit kunnen en mogen gaan dat zijn pensioenuitkering bij wijziging in AOW-status of burgerlijke staat hetzelfde zou blijven.
Conclusie
4.29.
Uit het voorgaande volgt dat ABP de pensioenuitkering van [verweerder] mocht verlagen. Het verzoek van ABP zal daarom worden toegewezen. Omdat de tegenverzoeken van [verweerder] alle berusten op de veronderstelling dat ABP deze verlaging niet had mogen doorvoeren, worden deze verzoeken afgewezen.
Eerdere uitspraken
4.30.
Partijen hebben beide verwezen naar en zich uitvoerig uitgelaten over een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 augustus 2017 en een uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen van 10 februari 2026, die betrekking hebben op vergelijkbare gevallen. Omdat de kantonrechter op basis van een eigen afweging tot het onderhavige oordeel is gekomen, worden deze uitspraken verder buiten beschouwing gelaten.
Proceskosten
4.31.
Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
bepaalt dat ABP een juiste toepassing heeft gegeven aan het op [verweerder] van toepassing zijnde pensioenreglement door zijn pensioen te verlagen wegens zijn gewijzigde AOW-status;
5.2.
wijst de tegenverzoeken van [verweerder] af;
5.3.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
Na wijziging in 1994 zijn het derde en vijfde lid van artikel F 7a van de Abp-wet komen te luiden:
“3. De franchise, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:
a. voor de gepensioneerde ambtenaar die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest;
b. voor de gepensioneerde ambtenaar die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop ingevolge die wet recht bestaat dan wel zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest;
(…)
5. Wanneer de in het derde lid bedoelde bedragen worden gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat, onverminderd artikel F 7d, tweede lid, in op dezelfde dag als waarop bedoelde wijzigingen zich hebben voorgedaan.”
Kamerstukken II 1994/95, 25 205, 3, p. 9-10. Hiermee is gekozen voor een dynamische methode, in plaats van voor een gesloten methode waarbij de pensioentoezegging met ingang van 1 januari 1996 volledig zou worden beheerst door het ABP-pensioenreglement en de aanspraken ingevolge de Abp-wet een ‘gesloten boek’ zouden vormen, aldus de memorie van toelichting.