Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27271

2026-09-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.52221
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.52221
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kennisgeving artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De minister heeft de ophouding terecht gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vw. Verder is de rechtbank van oordeel dat gelet op de tegenstrijdigheid in de M105-A, het onduidelijk is of de verschillende mededelingen aan eiser zijn gedaan en of dit in de juiste taal is gedaan. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Ten aanzien van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling (M110) ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser daar in zijn belangen is geschaad. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft voldaan aan zijn informatieplicht. Beroep ongegrond, wel pkv.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.870 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.52221


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 6 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1974, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft een afstandsverklaring ondertekend waarin hij te kennen geeft dat hij niet ter zitting wenst te verschijnen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



2.3.
Wegens het ontbreken van de informatiefolder in het digitale dossier heeft de rechtbank op 11 september 2026 het onderzoek heropend om de minister de gelegenheid te geven om het digitale dossier met de ontbrekende stukken aan te vullen. De minister heeft de ontbrekende informatiefolder tijdig aan het dossier toegevoegd. De gemachtigde van eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en heeft daarvan tijdig gebruikgemaakt. Heden is het onderzoek, met toestemming van partijen, zonder nadere zitting gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



Het voortraject




3. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, maar dit had op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw moeten zijn. Hij heeft tijdens zijn aanhouding namelijk geen identiteitsdocument overgelegd en dat is noodzakelijk, omdat zijn identiteit in dit geval niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Dit leidt tot een gebrek in het voortraject, aldus eiser.



3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht de ophouding gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vw. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de minister in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling als uitgangspunt mag nemen, maar daartoe niet verplicht is. Vaststaat dat eiser ten tijde van zijn ophouding niet beschikte over een identificerend document. Anders dan eiser betoogt, is een dergelijke ophouding niet enkel mogelijk indien de betrokkene op het moment van de ophouding over een identiteitsdocument beschikt. Het ontbreken van een identiteitsdocument betekent niet dat de identiteit van eiser niet op een andere wijze kan worden vastgesteld. De minister mocht in dit geval dan ook kiezen voor artikel 50, derde lid, van de Vw, nu eiser al voor de zevende keer dit jaar is overgedragen door AVIM. Daarmee bestond voor de minister geen aanleiding te om te twijfelen over de identiteit van eiser. Eiser is dus op een juiste grondslag opgehouden. Van een gebrek in het voortraject is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.


4. Verder stelt eiser dat in het voortraject ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk. Dit is in strijd met artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). Uit het proces-verbaal ophouding en onderzoek (M105-A) blijkt dat de verschillende mededelingen aan eiser in de Nederlandse taal zijn gedaan, terwijl eiser deze taal niet spreekt. In hetzelfde proces-verbaal staat echter dat eiser niet is gehoord, omdat hij zijn cel niet uit wilde komen en zijn rechten niet aan hem zijn medegedeeld. Het is dan ook onduidelijk of de mededelingen zijn gedaan zonder beëdigde tolk (in een onjuiste taal) of dat de mededelingen helemaal niet zijn gedaan. Ook dit leidt tot een gebrek in het voortraject, aldus eiser.




4.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de M105-A volgt dat aan eiser verschillende mededelingen zijn gedaan in de Nederlandse taal, die de vreemdeling in voldoende mate beheerst. Verder staat in de M105-A:



“5. HET VERHOOR


De opgehouden persoon is niet gehoord, omdat





Betrokkene weigerde zijn cel uit te komen. Betrokkene maakte een wuivend gebaar met zijn handen, draaide zich om en trok een deken over zijn hoofd. Derhalve zijn de rechten niet aan hem medegedeeld.”





4.2.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de tegenstrijdigheid in de M105-A, het onduidelijk is of de verschillende mededelingen aan eiser zijn gedaan en of dit in de juiste taal is gedaan. De minister heeft desgevraagd op zitting geen duidelijkheid kunnen geven of de verschillende mededelingen aan eiser in de Nederlandse taal zijn gedaan, dan wel dat deze niet zijn gedaan. De onduidelijkheid die hieruit is ontstaan komt in dit geval voor rekening van de minister. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser zelf niet heeft meegewerkt aan het horen door in zijn cel te blijven. De rechtbank overweegt daarom dat dit gebrek de maatregel van bewaring niet onrechtmatig maakt, nu niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten.



De maatregel van vreemdelingenbewaring




5. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat
vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover
geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de
vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling
kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare
orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de
vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of
belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een
onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid,
van het Vb zich voordoen.




5.1.

De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In
de maatregel overweegt de minister dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.




5.2.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.




5.3.
Eiser betwist grond t, omdat deze grond geen verband houdt met het onderduikrisico.



5.4.
De minister heeft ter zitting grond t laten vallen.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen.

7. Ook voert eiser aan dat onvoldoende duidelijk is of de verschillende mededelingen voorafgaand aan het gehoor van de inbewaringstelling aan hem zijn gedaan. Uit het proces-verbaal voorafgaand aan de inbewaringstelling (M110) volgt dat eiser gehoord zou worden met behulp van een beëdigde tolk in de Poolse taal, maar blijkt niet of de verschillende mededelingen aan eiser zijn gedaan omdat het gehoor uiteindelijk niet is aangevangen.



7.1.
In de M110 staat het volgende vermeld:



“Nadat ik de vreemdeling in de taal Poolse, met behulp van de tolk 14135 medegedeeld had dat de vreemdeling zich bij het gehoor van de inbewaringstelling kosteloos kon doen bijstaan door een raadsman, verklaarde de vreemdeling





Betrokkene weigerde zijn cel uit te komen om in gesprek te gaan met verbalisant. Betrokkene wilde niet meewerken en wilde slapen.”





7.2.
Verder blijkt uit hetzelfde proces-verbaal dat de verbalisant heeft geprobeerd om met eiser in gesprek te gaan over het voornemen om hem in bewaring te stellen. Ook hierbij was de tolk aanwezig. Daarbij is van belang dat eiser namelijk zelf heeft verklaard dat hij de tolk vanwege het galmende geluid in de celruimte moeilijk kon verstaan, hetgeen erop wijst dat de tolk bij deze poging aanwezig was. De omstandigheid dat eiser en de tolk elkaar niet goed konden verstaan, maakt dit niet anders. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser is gewezen op het recht op bijstand door een advocaat. Eiser heeft zelf geweigerd om mee te komen op het moment dat de verbalisant het gehoor wilden afnemen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.


8. Tot slot voert eiser aan dat de informatiefolder ontbreekt in het dossier. Uit de maatregel van vreemdelingenbewaring blijkt dat de informatiefolder is uitgereikt in de Poolse taal, maar dit is niet te controleren. Aangezien eiser niet is gehoord voorafgaand aan de inbewaringstelling is de informatiefolder ook niet toegelicht met behulp van een tolk. Dat levert een schending op van de informatieplicht, aldus eiser.




8.1.
De rechtbank stelt vast dat de informatiefolder, die door de minister desgevraagd is toegevoegd aan het digitale dossier, correspondeert met de daarin vermelde bewaringsgrondslag en bewaringsgronden. Hoewel de rechtbank het met eiser eens is dat het wenselijk zou zijn als een informatiefolder gedateerd zou zijn, omdat het bij eenzelfde bewaringsgrondslag niet altijd (even) duidelijk is wat de meest recente versie is, heeft de rechtbank nu geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de informatiefolder niet is uitgereikt. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze informatiefolder juist is geïnformeerd over de redenen van vreemdelingenbewaring, zodat de minister heeft voldaan aan zijn informatieplicht. De beroepsgrond slaagt niet.


9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen

10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Gelet op het geconstateerde gebrek krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt
€ 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.



Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134, van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4662 en van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3719.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.