Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27261
2026-09-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.44919
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AMBV Oostenrijk. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren ten aanzien van een overdracht naar Oostenrijk naar voren te brengen. Dit levert een zorgvuldigheidsgebrek op. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te houden, omdat eiser in beroep enkel heeft gesteld dat hij bezwaren heeft maar hij heeft deze niet geconcretiseerd. Dit had wel op zijn weg gelegen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.941 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.44919 (beroep) en NL26.44920 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna eiser)
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op zijn beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening(AMBV). In deze zaak dateert de aanvraag van voor 12 juni 2026 en ook heeft Oostenrijk het terugnameverzoek op 11 juni 2026 volgens artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening geaccepteerd. Het bestreden besluit is echter van na 12 juni 2026 en verweerder heeft dit besluit dus ook genomen met toepassing van de AMBV. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit daarom op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV.
3. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt hiertoe als volgt. Eiser is op 13 mei 2026 gehoord over een overdracht aan Duitsland en heeft daar zijn bezwaren daarover naar voren kunnen brengen. Op 25 mei 2026 is een claim gelegd op Duitsland. Op 27 mei 2026 heeft Duitsland laten weten niet akkoord te gaan, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Op 10 juni 2026 is er vervolgens een claim gelegd op Oostenrijk, waar Oostenrijk op 11 juni 2026 akkoord mee is gegaan.
4. Op 17 juni 2026 heeft verweerder een brief gestuurd naar eisers gemachtigde over het Migratiepact. Hierin staat dat eiser vanaf 12 juni 2026 verplicht is om volledige medewerking te verlenen. En dat hij zo spoedig mogelijk alle elementen en informatie moet verstrekken en bekendmaken die relevant zijn om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is. Verder staat in die brief dat eiser vrij is om zelf nog aanvullende informatie in te brengen. In deze brief is eiser er niet expliciet op gewezen dat verweerder niet langer van Duitsland uitgaat als verantwoordelijke lidstaat, maar dat verweerder Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat heeft aangemerkt. Ook is eiser in die brief niet expliciet gevraagd om zijn bezwaren ten aanzien van Oostenrijk naar voren te brengen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank valt het horen van eiser op bezwaren van een overdracht naar Oostenrijk onder de reikwijdte van artikel 43 van de AMBV, omdat overdracht een schending van artikel 4 van het Handvest zou kunnen opleveren in bepaalde gevallen. Door eiser niet in de gelegenheid te stellen om zijn bezwaren naar voren te brengen over de overdracht naar Oostenrijk is niet voldaan aan de verplichting van artikel 22 van de AMBV. Eiser had in de gelegenheid moeten worden gesteld om de bevoegde autoriteiten naar behoren gemotiveerde redenen voor te leggen om hen te doen te overwegen om artikel 35 van de AMBV toe te passen. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld leest de rechtbank in artikel 22 van de AMBV niet dat deze verplichting niet zou gelden voor terugnameverzoeken. Eiser is niet gehoord noch op andere wijze in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren ten aanzien van Oostenrijk naar voren te brengen. Er is dus sprake van een onzorgvuldige voorbereiding. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals door verweerder subsidiair is verzocht ter zitting. Het hoorrecht is namelijk een fundamenteel recht. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Eiser heeft namelijk in beroep ook niet aangegeven welke bezwaren hij heeft tegen een overdracht aan Oostenrijk. Hij heeft enkel gesteld ze te hebben. Het had dan op zijn weg gelegen om deze bezwaren ook te concretiseren. Zoals verweerder ook op zitting heeft gesteld kan ten aanzien van Oostenrijk van het vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Dit is door eiser ook niet betwist.
6. Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op indirect refoulement, merkt de rechtbank het volgende op. Omdat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Oostenrijk een reëel risico loopt op indirect refoulement. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat indien niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van systeemfouten, het risico op indirect refoulement niet beoordeeld kan worden.
7. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026 door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met rectificatie 2025/90929.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.44919 (beroep) en NL26.44920 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna eiser)
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op zijn beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening(AMBV). In deze zaak dateert de aanvraag van voor 12 juni 2026 en ook heeft Oostenrijk het terugnameverzoek op 11 juni 2026 volgens artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening geaccepteerd. Het bestreden besluit is echter van na 12 juni 2026 en verweerder heeft dit besluit dus ook genomen met toepassing van de AMBV. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit daarom op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV.
3. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt hiertoe als volgt. Eiser is op 13 mei 2026 gehoord over een overdracht aan Duitsland en heeft daar zijn bezwaren daarover naar voren kunnen brengen. Op 25 mei 2026 is een claim gelegd op Duitsland. Op 27 mei 2026 heeft Duitsland laten weten niet akkoord te gaan, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Op 10 juni 2026 is er vervolgens een claim gelegd op Oostenrijk, waar Oostenrijk op 11 juni 2026 akkoord mee is gegaan.
4. Op 17 juni 2026 heeft verweerder een brief gestuurd naar eisers gemachtigde over het Migratiepact. Hierin staat dat eiser vanaf 12 juni 2026 verplicht is om volledige medewerking te verlenen. En dat hij zo spoedig mogelijk alle elementen en informatie moet verstrekken en bekendmaken die relevant zijn om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is. Verder staat in die brief dat eiser vrij is om zelf nog aanvullende informatie in te brengen. In deze brief is eiser er niet expliciet op gewezen dat verweerder niet langer van Duitsland uitgaat als verantwoordelijke lidstaat, maar dat verweerder Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat heeft aangemerkt. Ook is eiser in die brief niet expliciet gevraagd om zijn bezwaren ten aanzien van Oostenrijk naar voren te brengen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank valt het horen van eiser op bezwaren van een overdracht naar Oostenrijk onder de reikwijdte van artikel 43 van de AMBV, omdat overdracht een schending van artikel 4 van het Handvest zou kunnen opleveren in bepaalde gevallen. Door eiser niet in de gelegenheid te stellen om zijn bezwaren naar voren te brengen over de overdracht naar Oostenrijk is niet voldaan aan de verplichting van artikel 22 van de AMBV. Eiser had in de gelegenheid moeten worden gesteld om de bevoegde autoriteiten naar behoren gemotiveerde redenen voor te leggen om hen te doen te overwegen om artikel 35 van de AMBV toe te passen. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld leest de rechtbank in artikel 22 van de AMBV niet dat deze verplichting niet zou gelden voor terugnameverzoeken. Eiser is niet gehoord noch op andere wijze in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren ten aanzien van Oostenrijk naar voren te brengen. Er is dus sprake van een onzorgvuldige voorbereiding. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals door verweerder subsidiair is verzocht ter zitting. Het hoorrecht is namelijk een fundamenteel recht. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Eiser heeft namelijk in beroep ook niet aangegeven welke bezwaren hij heeft tegen een overdracht aan Oostenrijk. Hij heeft enkel gesteld ze te hebben. Het had dan op zijn weg gelegen om deze bezwaren ook te concretiseren. Zoals verweerder ook op zitting heeft gesteld kan ten aanzien van Oostenrijk van het vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Dit is door eiser ook niet betwist.
6. Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op indirect refoulement, merkt de rechtbank het volgende op. Omdat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Oostenrijk een reëel risico loopt op indirect refoulement. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat indien niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van systeemfouten, het risico op indirect refoulement niet beoordeeld kan worden.
7. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026 door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met rectificatie 2025/90929.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.