Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27257

2026-08-28 Bestuursrecht SGR 26/5991
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
SGR 26/5991
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening afgewezen. Voorlopige maatregel tegen weigering VOG heeft een verstrekkend karakter. Niet evident onrechtmatig.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.900 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 26/5991


uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),


en




de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).




Inleidende opmerkingen


1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering tot afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) op grond van artikel 35 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).



1.1.
De VOG is bij besluit van 7 april 2026 geweigerd. Daartegen heeft verzoeker op 21 mei 2026 bezwaar gemaakt.



1.2.
Hangende het bezwaar heeft verzoeker zich op 29 juli 2026 tot de voorzieningenrechter gewend. Zijn verzoek om een voorlopige voorziening is mondeling behandeld op de zitting van 27 augustus 2026. Daarbij was verzoeker aanwezig, vergezeld door mr. M. Hamidi, terwijl zijn gemachtigde per beeldverbinding verscheen. Verweerder werd door zijn gemachtigde vertegenwoordigd.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter stelt voorop, dat het oordeel in deze uitspraak een voorlopig karakter heeft en de rechtbank niet bindt in een eventuele latere bodemprocedure.



Waar gaat deze zaak over?



3. Verzoeker heeft op 20 januari 2026 een VOG aangevraagd voor een chauffeurskaart bij [bedrijfsnaam] B.V. Verzoeker heeft de VOG nodig om in dienst te treden als taxichauffeur bij een taxivervoerbedrijf. Hij heeft zijn chauffeursdiploma behaald en zou op korte termijn worden aangenomen als een VOG wordt afgegeven.

4. Verweerder heeft op 2 april 2026 een informatieverzoek gedaan aan het Openbaar Ministerie, dat het verzoek vervolgens heeft uitgezet bij de Justitiële Informatiedienst. Op 3 april 2026 heeft de Justitiële Informatiedienst een uittreksel aan verweerder verstrekt van de gegevens die over verzoeker zijn gevonden in het Justitieel Documentatie Systeem.
5. Uit het onderzoek in het Justitieel Documentatie Systeem is gebleken, dat zowel op 7 februari 2024 als op 3 april 2024 een strafbeschikking aan verzoeker is opgelegd wegens het rijden zonder te beschikken over een in Nederland geldig rijbewijs. Verder is gebleken dat verzoeker ervan wordt verdacht de plaatselijke snelheidslimiet op 18 november 2025 met meer dan vijftig kilometer per uur te hebben overschreden, door ongeveer 132 kilometer per uur te rijden op een trajectdeel van de N207, waar maximaal 80 kilometer per uur is toegestaan. Hiervoor loopt nog een strafrechtelijke procedure.

6. Op basis van de voornoemde strafbare feiten is verweerder van oordeel, dat aan verzoeker geen VOG kan worden verstrekt vanwege het risico voor de samenleving.

7. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorziening te treffen die ertoe strekt, dat hij door verweerder voorlopig wordt aangemerkt als in het bezit van de aangevraagde VOG.



Wat brengt verzoeker bij de voorzieningenrechter naar voren?



8. Verzoeker voert aan dat verweerder in strijd handelt met artikel 8 van het Europees Verdrag inzake de Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Hij wordt belemmerd in zijn persoonlijke ontplooiing en zijn privéleven. Deze inmenging is onvoldoende voorzienbaar; het is vooraf immers niet duidelijk onder welke omstandigheden een begane snelheidsovertreding tot een weigering zal leiden. Verweerder hanteert bij het toetsen van de aanvraag bovendien een disproportioneel lange terugkijktermijn voor strafbare feiten uit het verleden.

9. Daarnaast betoogt verzoeker dat het risico voor de samenleving ondeugdelijk is onderbouwd en de weigering niet op een zorgvuldige feitenvaststelling berust. Verweerder gaat eraan voorbij dat de snelheidsovertreding een eenmalig incident is. Ook laat verweerder onvoldoende blijken dat hij de aard van de aangehaalde strafbare feiten heeft afgezet tegen de relevante kenmerken van het chauffeurswerk. Evenmin geeft verweerder ervan blijk de belangen van verzoeker voldoende te hebben meegewogen. De twee strafbeschikkingen uit 2024 leggen teveel gewicht in de schaal en de overtredingen waarvoor die zijn opgelegd zullen zich niet herhalen, omdat verzoeker inmiddels over een in Nederland geldige rijbevoegdheid beschikt. Daarmee is de weigering dus ook onevenredig.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Ambtshalve toetsing: spoedeisend belang



10. Uit de stukken is op te maken dat verzoeker momenteel geen werk heeft, aan de slag wil als chauffeur bij een taxibedrijf, een baan aangeboden heeft kregen als taxichauffeur onder de voorwaarde dat hij een VOG kan overleggen, maar dat het aanbod na 31 augustus 2026 vervalt. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.




Uitgangspunt bij de beoordeling



11. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen die ertoe strekt, dat hij gedurende de bezwaarperiode mag handelen en door verweerder behandeld moet worden, alsof hij in het bezit is van de door hem aangevraagde VOG. Het treffen van een dergelijke voorziening is verstrekkend, te meer omdat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, een chauffeurskaart 5 jaar geldig is en een voorwaardelijke of tijdelijke VOG geen verschijnsel is waarin de wet voorziet. Voor het treffen van de gevraagde voorziening is dus alleen aanleiding als de voorzieningenrechter tot het oordeel komt, dat de weigering evident onrechtmatig is.



De toetsing volgens wetgeving en beleid



12. Verweerder weigert de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring wordt gevraagd, in de weg zal staan. Bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de VOG van een natuurlijk persoon kan verweerder kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens. Bij de beoordeling van een aanvraag van een VOG handelt verweerder volgens het beleid, zoals neergelegd in de Beleidsregels 2025 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een Verklaring Omtrent het Gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen (het Beleid). De screening van een aanvraag van een VOG vindt plaats op basis van het op het aanvraagformulier aangegeven screeningsprofiel. In de toetsing zijn op grond van het Beleid twee toetsingsmomenten te onderscheiden: eerst wordt bij de objectieve toets bekeken of sprake is van een relevant strafbaar feit met een risico voor de samenleving, waarna bij de subjectieve toets de vraag voorligt of het belang van de aanvrager bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico.



Het oordeel



13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende gebleken dat het bestreden besluit geen stand zou kunnen houden, zodat er geen basis bestaat om het besluit aan te merken als evident onrechtmatig. Hieraan legt de voorzieningenrechter de volgende overwegingen ten grondslag.

14. In de eerste plaats is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd, dat het privéleven van verzoeker wordt aangetast op een wijze die zo moeilijk valt te voorzien of zo zwaar is, dat artikel 8 van het EVRM wordt geschonden.


14.1.
De bescherming van het privéleven in artikel 8, eerste lid van het EVRM, vindt op grond van het tweede lid zijn begrenzing in de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Een VOG en de uit artikel 35 Wjsg voortvloeiende bevoegdheid tot weigering daarvan, dient een doel dat daarmee overeenstemt, namelijk het beperken van risico’s voor de samenleving. Het screeningsprofiel dat in deze zaak van toepassing is, betreft het profiel “Taxibranche; chauffeurskaart”. Daarin heeft verweerder een beleidsmatige verduidelijking gegeven van de risico’s die bij de screening in aanmerking worden genomen. Hieruit komt expliciet naar voren dat de verantwoordelijkheid voor het welzijn en de veiligheid van passagiers in de screening een hoofdrol speelt is. Het is in dit licht dan ook redelijkerwijs te voorzien, dat een snelheidsovertreding zoals hier aan de orde, nadelig kan uitpakken voor de persoon die aan het werk zou willen als taxichauffeur en daarvoor een VOG nodig heeft. De voorzieningenrechter ziet geen grond om te eisen, dat op het niveau van regelgeving of beleid wordt aangescherpt – en veralgemeniseerd – hoe zwaar een verkeersovertreding zou moeten zijn om gevolgen te kunnen sorteren voor een eventuele VOG-aanvraag. Dat zou verweerder te veel beoordelingsruimte ontnemen.



14.2.
Weigering van een VOG dient een redelijk, preventief doel, beschermt een maatschappelijk belang van gewicht en laat de mogelijkheid bestaan, dat de VOG op een later moment alsnog wordt verstrekt. Verder is de terugkijktermijn van 5 jaar in het toepasselijke screeningsprofiel in het algemeen niet onredelijk. Voor het aannemen van een buitenproportionele inmenging in verzoekers privéleven vindt de voorzieningenrechter dus onvoldoende steun.


15. Verweerders onderbouwing van de toetsing aan het objectieve- en het subjectieve criterium en de uitkomst daarvan in dit geval, kan de voorzieningenrechter bovendien goed volgen.




15.1.
Bij de toetsing aan het objectieve criterium wordt niet gekeken naar de persoon en de omstandigheden van verzoeker. Er moet in dit geval alleen worden bekeken of de strafbare feiten die binnen de terugkijktermijn vallen, een risico opleveren voor de samenleving als die door een willekeurig persoon zouden worden begaan in de uitoefening van het werk als taxichauffeur. Anders dan verzoeker wil betogen, draait de beoordeling van het objectieve criterium dus niet om de vraag, in hoeverre het aannemelijk is dat de overtreding nog een keer zal worden gepleegd. Binnen de terugkijkperiode zijn over verzoeker drie strafbare feiten vermeld in het Justitieel Documentatie Systeem. Dat gaat allereerst om rijden zonder de daarvoor vereiste rijbevoegdheid; dit is in strijd met een elementaire regel in het belang van de verkeersveiligheid en het is dus begrijpelijk dat verweerder dit relevant vindt. Daarnaast is goed voorstelbaar, dat een snelheidsovertreding van meer dan 50 km per uur boven de toegestane snelheid, waarvan verzoeker wordt verdacht, een ernstig risico meebrengt voor de inzittenden van een voertuig. Verder heeft verweerder aandacht getoond voor de relevante kenmerken van het chauffeurswerk en ziet de voorzieningenrechter ook daarin dus geen evident motiveringsgebrek.



15.2.
Bij het subjectieve criterium wordt bezien of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving. Hierbij zijn de omstandigheden van het geval beslissend. In elk geval komt hierbij betekenis toe aan het aantal strafbare feiten, de afdoening daarvan en het tijdverloop. Ook de persoonlijke omstandigheden van verzoeker zijn in de afweging van belang. Kenmerkend voor het werk van een taxichauffeur is de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van zijn klanten, die daarvoor van de chauffeur afhankelijk zijn en daar blind op moeten kunnen vertrouwen. De verkeersovertreding waarvan verzoeker wordt verdacht betreft een ruime overschrijding van de snelheidslimiet. Het is begrijpelijk en niet evident onredelijk, dat verweerder dit onverenigbaar acht met het werk van een taxichauffeur. De enkele verdenking van een dergelijk strafbaar feit, zou op kan op zich al voldoende grondslag bieden om een VOG te weigeren. Dat verweerder ook de feiten uit 2024 in zijn afweging heeft betrokken, komt de voorzieningenrechter niet ongeoorloofd voor, omdat strafbare feiten in beginsel alleen buiten beschouwing moeten blijven ingeval van vrijspraak, terwijl het meewegen van dergelijke antecedenten strookt met het Beleid. Tegen deze achtergrond kan niet worden geoordeeld, dat de belangen van verzoeker evident zwaarder wegen en een belangenafweging onmiskenbaar in zijn voordeel zou moeten uitvallen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de weigering van de VOG belemmerend werkt en dat verzoeker inkomsten nodig heeft. Die persoonlijke belangen kunnen bij de heroverweging in bezwaar indringender en uitvoeriger worden afgewogen tegen het algemeen belang dan in deze voorlopige voorzieningenprocedure mogelijk is.




Conclusie en gevolgen


16. Er is onvoldoende grond om vooruit te lopen op de uitkomst van de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
De beslissing is per e-mail bekendgemaakt aan partijen op 28 augustus 2026 omstreeks 13:00 uur.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet.


Met overtreding van artikel 62 jo. A1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.


Artikel 35, eerste lid van de Wjsg.


Artikel 36, eerste lid van de Wjsg.


Het Beleid, paragraaf 4.2.


Gepubliceerd op de website www.justis.nl.


Afdeling Bestuursrechtspraak, uitspraak van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:445, r.o. 5.


Vergelijk: Afdeling bestuursrechtspraak, uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:205, r.o. 4.1.


Afdeling bestuursrechtspraak, uitspraak van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2347, r.o. 3.1.


Onder paragraaf 3.1.4.1