Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27254

2026-08-31 Bestuursrecht SGR 26/6711
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-31
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 26/6711
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker heeft zich volgens de rector schuldig gemaakt aan fraude tijdens het afleggen van het centrale examen havo. De rector heeft daarom vier examens ongeldig verklaard en verzoeker is uitgesloten van verdere deelname aan het examen. Het administratief beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard. De ongeldigverklaring van twee examens en de uitsluiting van verdere deelname aan het examen blijft door verweerder echter gehandhaafd. Verzoeker is het hiermee niet eens en wil op 1 september 2026 starten met een bacheloropleiding aan De Haagse Hogeschool. Met het verzoek dat hij doet, kan hij in deze procedure niet bereiken wat hij ermee wil, namelijk dat hij feitelijk al met een hbo-opleiding kan starten en aan het onderwijs kan deelnemen. Verzoek niet-ontvankelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.431 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 26/6711


uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2026 in de zaak tussen



[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. J.R. Ali),


en




de commissie van beroep voor de eindexamens van de Stichting Voortgezet Onderwijs Haaglanden, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Lindeboom).





Inleiding


1.1.
De rector van [schoolnaam 1] heeft bij besluit van 8 juni 2026 de door verzoeker afgelegde centrale havo-examens aardrijkskunde, filosofie, Nederlands en wiskunde A ongeldig verklaard omdat verzoeker zich tijdens het afleggen van de centrale examens voor die vakken schuldig heeft gemaakt aan fraude. Verzoeker is uitgesloten van verdere deelname aan het examen.


1.2.
Bij beroepschrift van 15 juni 2026 heeft verzoeker administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de rector van 8 juni 2026. Het beroep is op 25 juni 2026 behandeld tijdens een hoorzitting van verweerder.


1.3.
Bij besluit van 19 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft de resultaten van de examenvakken Nederlands en wiskunde A alsnog geldig verklaard. Daarmee heeft verzoeker deze examenvakken behaald. Voor wat betreft de examens aardrijkskunde en filosofie is het beroep ongegrond verklaard. De beslissing om verzoeker voor het vervolg uit te sluiten van het examen blijft daarom gehandhaafd.



1.4.
Verzoeker heeft op 25 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om het treffen van een voorlopige voorziening.



1.5.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Nu verzoeker uiterlijk op 31 augustus 2026 een havodiploma moet hebben behaald om te mogen starten met de hbo-opleiding Accountancy dan wel Social Work aan [schoolnaam 2], en er voor die tijd geen zitting meer kan worden gepland, maakt de voorzieningenrechter van voormelde bevoegdheid gebruik.





Beoordeling door de voorzieningenrechter



Waar gaat deze zaak over?



2. Verzoeker heeft zich aangemeld voor de twee hbo-bacheloropleidingen Accountancy en Social Work aan [schoolnaam 2] voor het collegejaar 2026/2027. Het collegejaar start op 1 september 2026. Op 19 augustus 2026 heeft verzoeker bericht ontvangen van [schoolnaam 2] dat hij op 1 september 2026 ingeschreven moet staan om de opleiding te kunnen volgen. Dit betekent dat verzoeker op uiterlijk 31 augustus 2026 zijn havodiploma moet hebben behaald. Omdat twee van de door hem afgelegde centrale examens ongeldig zijn verklaard en verzoeker is uitgesloten van verdere deelname aan het examen is geen havodiploma aan hem uitgereikt. Dit betekent dat verzoeker niet voldoet aan de vooropleidingseisen en niet kan starten met een bacheloropleiding aan [schoolnaam 2]. Deze uitspraak gaat uitsluitend over de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.



Wat vindt verzoeker?



3. Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van zijn verzoek. Hij wijst erop dat een tussentijdse toelating tot de studie niet mogelijk is. De eerstvolgende mogelijkheid om met deze studies te kunnen starten is pas op 1 september 2027. Verzoeker is het niet eens met de beslissing van verweerder. Hij wijst erop dat buiten redelijke twijfel moet komen vast te staan dat hij gefraudeerd zou hebben, verzoeker betwist dat dit het geval is. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om het College van Bestuur van [schoolnaam 2] op te dragen om hem hangende de beroepsprocedure te behandelen alsof hij over een geldig havodiploma beschikt, voor zover dat noodzakelijk is voor de inschrijving en deelname aan de hbo-opleiding Accountancy en/of Social Work.

3.1.
Op 25 augustus 2026 heeft de gemachtigde van verzoeker het verzoek gewijzigd. Primair vraagt hij de voorzieningenrechter nu om de uitspraak van verweerder van 19 juli 2026 te schorsen voor zover daarbij de ongeldigverklaring van de door verzoeker afgelegde havo-eindexamens filosofie en aardrijkskunde in stand is gelaten, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure (onder I). Daarnaast vraagt hij aan de voorzieningenrechter om verweerder en de rector van [schoolnaam 1] op te dragen aan het College van Bestuur van [schoolnaam 2] schriftelijk te bevestigen dat de definitieve rechtsgevolgen van het havo-eindexamenbesluit nog onderwerp zijn van beroep en dat verzoeker hangende de behandeling van het beroep niet uitsluitend op grond van dat besluit van deelname aan het onderwijs of aanmelding bij de hbo-opleiding Accountancy en Social Work wordt uitgesloten (onder II). Subsidiair vraagt verzoeker om een zodanige voorziening te treffen dat de ongeldigverklaring van de examenresultaten niet verhinderen dat verzoeker deelneemt aan het onderwijs aan [schoolnaam 2], met behoud van zijn opleidingsplaats en onder de voorwaarde dat hij aan de overige toelatings- en inschrijvingsvoorwaarden voldoet (onder III). Meer subsidiair doet hij het verzoek om te bepalen dat de rector van [schoolnaam 1] een verklaring verstrekt over de stand van het beroep, de behaalde examenresultaten en de voorlopige werking van de uitspraak van de voorzieningenrechter (onder IV).



Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?



4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een (eventueel) bodemgeding.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat de rector op grond van de definitieve uitslag van het eindexamen aan elke examenkandidaat een cijferlijst uitreikt. Aan de examenkandidaat die met goed gevolg het havo-eindexamen heeft afgelegd, wordt door de rector een diploma uitgereikt. De rector en de examensecretaris tekenen de cijferlijst en het diploma. Indien een examenkandidaat zich bij een onderdeel van het eindexamen aan een onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan de rector van de school maatregelen nemen. De maatregelen die de rector jegens een examenkandidaat kan nemen zijn het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen of het centraal examen, het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het schoolexamen of het centraal examen, het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het al afgelegde deel van het schoolexamen of het centraal examen en/of bepalen dat het diploma en de cijferlijst alleen kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in door de rector aan te wijzen onderdelen.

6. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is niet alleen nodig dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit). Ook moet wat verzoeker met zijn verzoek wil bereiken betrekking hebben op de inhoud van het besluit en ook via dat besluit kunnen worden bereikt (materiële connexiteit).

7. Het besluit dat in deze procedure voorligt, is de beslissing op het administratief beroep door verweerder, waarmee twee van de vier examens alsnog geldig zijn verklaard en de ongeldigverklaring van de twee andere examens in stand is gelaten. De voorzieningenrechter overweegt dat het schorsen van het bestreden besluit nog niet maakt dat verzoeker zijn havodiploma heeft behaald. Het ongeldig verklaren van de twee examens door de rector blijft met een schorsing in stand. Bovendien maakt het schorsen van het bestreden besluit en daarmee van de ongeldigverklaring van de examens nog niet dat daarmee het havodiploma aan verzoeker is uitgereikt. De gevraagde voorziening gaat daarom verder dan wat verzoeker in de bodemprocedure over het administratief beroep kan bereiken. Voor zover verzoeker de voorzieningenrechter vraagt om een opdracht te geven aan de rector van [schoolnaam 1] of aan het College van Bestuur van [schoolnaam 2], merkt de voorzieningenrechter op dat het treffen van een dergelijke voorziening binnen deze procedure niet tot de mogelijkheden behoort. Zij zijn geen verwerende partij in deze procedure, omdat het bestreden besluit niet door hen is genomen. Dit tezamen maakt dat verzoeker met zijn verzoek in deze procedure niet kan bereiken wat hij ermee bereiken wil, namelijk dat hij feitelijk al met een hbo-opleiding kan starten en aan het onderwijs kan deelnemen.





Conclusie en gevolgen


8. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Of het bestreden besluit op goede gronden is genomen en of de ongeldigverklaring van de twee examens terecht in stand is gelaten, zal inhoudelijk worden beoordeeld in de bodemprocedure. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing




De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.





Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
De beslissing is per e-mail bekendgemaakt aan partijen op 31 augustus 2026 omstreeks 12.15 uur.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

De commissie van beroep voor de eindexamens van de Stichting Voortgezet Onderwijs Haaglanden is ingesteld ingevolge artikel 2.63 van de WVO 2020.


Beroep met zaaknummer SGR 26/6739.


Verzoeker verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1831.


Verzoeker noemt dat hij bij het College van Bestuur van [schoolnaam 2] een verzoek om uitstel kan indienen van het vereiste dat hij voldoet aan de vooropleidingseisen en nadere vooropleidingseisen, artikel 4.9, derde lid, van de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs.


Artikel 2.58, eerste lid, van de WVO 2020.


Artikel 2.58, tweede lid, aanhef en onder a, van de WVO 2020.


Artikel 2.58, vierde lid, van de WVO 2020.


Artikel 2.61 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020), artikel 3.58 van Uitvoeringsbesluit WVO 2020, artikel 9 Fraude en artikel 10 Onregelmatigheden van het Examenreglement van [schoolnaam 1].


Als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, aanhef en onder a, van de WVO 2020.