Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27213
2026-09-01
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.15130
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
regulier. mvv aanvraag 'verblijf bij familie- of gezinslid'. verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom aan het belang van het kind onvoldoende gewicht toekomt om de belangenafweging in het voordeel van eisers te laten uitvallen. Al tweemaal door de RB gesignaleerd dat belangen van het kind onvoldoende zijn betrokken in de belangenafweging. In de derde beslissing op bezwaar heeft verweerder nader onderzoek gedaan maar kan de rechtbank verweerder niet volgen in de uitkomst van dit onderzoek en de daarop gebaseerde standpunt over het belang van het kind. beroep gegrond. besluit vernietigt. verweerder dient nieuw besluit te nemen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2525 Rechtbank Den Haag 11-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23950 Rechtbank Den Haag 27-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:3046 Raad van State 27-05-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.349 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15130
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiseres 1,
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer 2] , eiser,
[eiseres 2]
, V-nummer: [v-nummer 3] , eiseres 2,tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. E.A.M. Verstelle),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing
van hun gezamenlijke aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de
beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’.
1.1
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 september 2022 afgewezen. Met het besluit van 1 augustus 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2
Met de uitspraak van 11 februari 2025 heeft deze rechtbank het besluit van 1 augustus 2024 vernietigd.
1.3
Op 19 mei 2025 heeft verweerder opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van eisers. Verweerder heeft het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 27 november 2025 heeft deze rechtbank het besluit van 19 mei 2025 vernietigd.
1.4
Op 19 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van eisers. Verweerder heeft het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
1.5
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.6 De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, A. Yasin als tolk en de
gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1] 2006, eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2] 2011 en eiser is geboren op [geboortedatum 3] 2008. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Niet in geschil is dat eisers weeskinderen zijn nadat hun ouders gevangen zijn genomen door het regime begin 2016 en waarschijnlijk zijn overleden. Eisers verblijven sindsdien bij familie in Syrië. Eisers hebben op 6 augustus 2021 een aanvraag ingediend voor een mvv met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij hun meerderjarige broer, [referent] (referent). Referent heeft de Syrische nationaliteit en heeft sinds 24 juni 2021 een asielvergunning.
2.1
Verweerder heeft de aanvraag op 21 september 2022 afgewezen, omdat er weliswaar sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen referent en eisers in de zin van artikel 8 van het EVRM, maar de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Ondanks de vastgestelde objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen, weegt het belang van de Nederlandse staat zwaarder dan dat van eisers. Bij besluit van 1 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2
De rechtbank heeft het besluit van 1 augustus 2024 vernietigd, omdat verweerder de belangen van de minderjarige eisers onvoldoende heeft betrokken in de gemaakte belangenafweging. Verweerder heeft namelijk niet meegenomen dat eisers naar voren
hebben gebracht dat zij bij hun oma slecht worden behandeld en daarnaast gevaar lopen op
uithuwelijking en de militaire dienstplicht. De rechtbank volgde niet dat het in het belang van de kinderen was om bij de familieleden in Syrië te blijven, zoals verweerder in het vernietigde besluit had gemotiveerd. Verweerder heeft hierop in het bestreden besluit van 19 mei 2025 het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, omdat de belangenafweging nog altijd in het nadeel van eisers uitvalt. Verweerder heeft weer gemotiveerd dat het in het belang van de kinderen is dat eisers bij hun oma in Syrië blijven nu zij sinds februari 2016 hun primaire verzorger is. Dat de situatie van eisers bij hun oma schrijnend is, is niet gebleken nu eisers en referent dit niet hebben onderbouwd.
2.3
De rechtbank heeft het besluit van 19 mei 2025 opnieuw vernietigd, omdat verweerder niet heeft voldaan aan de eerdere opdracht van de rechtbank om het belang van het kind deugdelijk mee te wegen. De rechtbank heeft verweerder opgedragen op basis van een nader onderzoek te beoordelen in hoeverre eisers gevaar lopen. Ook heeft de rechtbank verweerder opgedragen referent opnieuw te horen om zijn financiële situatie op dit moment in kaart te brengen.
2.4
Op 15 januari 2026 heeft verweerder referent opnieuw gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder heeft de belangenafweging opnieuw in het nadeel van eisers laten uitvallen. Over het belang van het kind heeft verweerder gesteld dat opa en oma van vaderskant na het overlijden van hun ouders de primaire verzorgers van eisers en referent waren. Na het vertrek van referent in 2017 naar Turkije bleven eisers bij deze opa en oma in Syrië. Inmiddels wonen eisers bij oma van moederskant, die ook de primaire verzorger is. Verweerder weegt dit in het nadeel van eisers mee, omdat het in het belang van eisers is om bij hun primaire verzorger te blijven. Daarnaast is volgens verweerder de tante van eisers weliswaar meer op afstand komen te staan, maar nog wel een verzorger dan wel belangrijk persoon bij wie zij een uitvalbasis hebben. De gestelde mishandeling en onveilige situatie bij hun primaire verzorgers hebben eisers volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft volgens eisers niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank zoals neergelegd in de uitspraak van 27 november 2025 en verweerder is niet tot een fair balance gekomen tussen enerzijds de belangen van eisers en referent en anderzijds de belangen van de Nederlandse staat. Zo heeft verweerder het economisch belang, de belangen van het kind, de aard en intensiteit van het gezinsleven, de bijzondere omstandigheden, de asielgerelateerde aspecten en de binding met Syrië en Nederland onvoldoende en onjuist meegewogen in de belangenafweging.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De belangenafweging
5. Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, heeft deze rechtbank verweerder in de uitspraak van 27 november 2025 opgedragen om op basis van een nader onderzoek te beoordelen in hoeverre eisers gevaar lopen. Ook heeft de rechtbank verweerder opgedragen referent opnieuw te horen om zijn financiële situatie op dit moment in kaart te brengen.
Economisch belang
5.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van de beoordeling van het economisch belang heeft voldaan aan de opdracht van deze rechtbank. Verweerder heeft referent immers gehoord en heeft niet tegengeworpen dat hij over onvoldoende middelen beschikt. Zoals de hoogste bestuursrechter in de uitspraak van 27 mei 2026 heeft geoordeeld, moet verweerder een geïndividualiseerde belangenafweging maken, waarin hij het economisch belang van Nederland weegt en afzet tegen alle overige omstandigheden van het concrete geval. Hierbij mag verweerder aan het economisch belang in elk afzonderlijk geval niet steeds evenveel gewicht toekennen in die zin dat het altijd van doorslaggevend gewicht is. Het economisch belang is namelijk slechts één relevant element in de belangenafweging als geheel.
5.2
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, in lijn met deze jurisprudentie, voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging op dit punt in het nadeel van eisers uitvalt. Daarbij is van belang dat verweerder, anders dat eisers stellen, niet enkel heeft gesteld dat het een onzekere toekomstige gebeurtenis is dat eisers een bijdrage zullen leveren aan de Nederlandse economie. Verweerder heeft er ook op gewezen dat eisers hun stelling, dat zij een bijdrage zullen leveren aan de Nederlandse economie, niet nader hebben geconcretiseerd. Ook heeft verweerder erkend dat referent zich heeft ingespannen en wordt hem het middelenvereiste daarom niet tegengeworpen. De keerzijde hiervan is dat daarmee vaststaat dat eisers – in ieder geval aan het begin – een beroep zullen doen op de openbare kas, waaronder onderwijs, huisvesting en zorg. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat referent momenteel in een studio woont en dat dit geen geschikte woonruimte is voor eisers en referent samen.
Belangen van het kind
5.3 De rechtbank stelt vast dat verweerder nader onderzoek heeft gedaan naar de situatie van eisers in Syrië. Verweerder heeft referent hierover (opnieuw) gehoord. Ook blijkt uit het besluit dat verweerder het volledige dossier en alle eerder afgelegde verklaringen over de situatie van eisers in Syrië nog een keer heeft beoordeeld. In zoverre heeft verweerder aan de opdracht van de rechtbank voldaan. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij tot de uitkomst is gekomen dat het in het belang van eisers is om bij hun oma in Syrië te blijven en dat de totale belangenafweging die hij heeft verricht mede daardoor in het nadeel van eisers uitvalt.
5.4
De rechtbank overweegt hiertoe dat referent, anders dan verweerder stelt, wel een verklaring heeft gegeven waarom eisers minder vaak bij de tante terecht kunnen waar zij voorheen graag verbleven en waar zij een veilige uitvalsbasis hadden. Referent heeft immers verklaard dat dit komt door de oorlog en het gebrek aan voedsel. Dit is ook de reden waarom eisers inmiddels minder contact met referent hebben. Referent heeft hierover tijdens het gehoor van 19 februari 2026 verklaard dat er geen internet is en dat ze dan niet kunnen bellen. Dat ze geen mobiele telefoons hebben en dat ze moeten wachten op hun tante. Als hun tante hun oma bezoekt kunnen ze contact krijgen. Verder vindt de rechtbank de verklaringen die referent heeft gegeven over de reden waarom eisers af en toe naar die tante gaan niet tegenstrijdig. Zo staat in de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 22 augustus 2022 dat eisers soms verhuizen tussen de huizen van hun tantes om stress en spanning van hun oma te verlichten en dat dit hun gevoel van instabiliteit verhoogt. Tijdens het gehoor van 9 juli 2024 heeft referent verklaard dat een tante die inmiddels vanwege een scheiding bij de oma van eisers woont, niet altijd goed met eisers omgaat, dat zij schreeuwt en hen slaat en dat zij soms naar het huis van de andere tante gaan om even weg te zijn van de ellendige thuissituatie. Zoals eisers stellen zijn dit twee situaties die naast elkaar kunnen bestaan. De rechtbank acht deze verklaringen niet onaannemelijk en stelt vast dat deze situatie al in het eerste beroep, in de nadere gronden van 28 augustus 2024, is aangedragen.
5.5
De rechtbank is verder van oordeel dat voor wat betreft de gestelde mishandeling en verwaarlozing van eisers sprake is van bewijsnood. De gemachtigde van eisers heeft zowel in de beroepsgronden als ter zitting betoogd dat zij niet weten op wat voor manier zij de mishandeling en verwaarlozing zouden kunnen aantonen. De gemachtigde van eisers heeft onder andere gedacht aan het laten opstellen van medische verklaringen, maar heeft aangevoerd dat ziekenhuizen gelet op de humanitaire omstandigheden in Syrië vaak gesloten zijn en dat er ook geen geld beschikbaar is. Ook heeft de gemachtigde aangevoerd dat het de vraag is of een arts over de reden van bijvoorbeeld ondervoeding zou kunnen verklaren en of verweerder hier genoegen mee zou nemen. Voor zover verweerder heeft gesteld dat dit eventueel met foto’s zou kunnen, heeft de gemachtigde van eisers erop gewezen dat verweerder in dat geval naar alle waarschijnlijkheid zal tegenwerpen dat op grond van foto’s niet duidelijk is waardoor eventuele verwondingen of ondervoeding zou zijn ontstaan. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd geen concrete voorbeelden kunnen noemen waarmee eisers de gestelde mishandeling en verwaarlozing in hun thuissituatie zouden kunnen aantonen. Daarbij is ook van belang dat de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel is dat de begeleidende brief bij de aanvraag van VWN van 3 augustus 2021 wel een begin van bewijst levert dat sprake is van verwaarlozing en dat eisers in een onveilige en onstabiele situatie leven. Zo is aangegeven dat eisers zwerven tussen het huis van hun opa en tantes en dat hun tantes niet definitief voor hen kunnen zorgen omdat zij zelf nauwelijks beschikking hebben tot bestaansmiddelen zoals eten. Hiermee is verwaarlozing ten tijde van de aanvraag in ieder geval, anders dan verweerder stelt, wel degelijk aangekaart. Ook heeft referent uitgelegd dat de thuissituatie is verslechterd, nu de gezondheid van de oma van eisers achteruit is gegaan, zij steeds ouder wordt en de humanitaire omstandigheden in Syrië ook zorgwekkend zijn. De rechtbank stelt vast dat verweerder de concrete humanitaire omstandigheden in het gebied waar eisers wonen niet kenbaar in kaart heeft gebracht en in de belangenafweging heeft betrokken, terwijl dit gelet op deze verklaringen wel voor de hand had gelegen en nu deze van invloed kan zijn op de bewijsmogelijkheden van eisers.
5.3
Gelet op al het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom aan het belang van het kind bij deze stand van zaken onvoldoende gewicht toekomt om de belangenafweging in het voordeel van eisers te laten uitvallen. De rechtbank stelt vast nu al tweemaal te hebben gesignaleerd dat de belangen van het kind onvoldoende zijn onderzocht en betrokken in de belangenafweging. In deze derde beslissing op bezwaar heeft verweerder weliswaar nader onderzoek gedaan, maar kan de rechtbank verweerder niet volgen in de uitkomst van dit onderzoek en het daarop gebaseerde standpunt over het belang van het kind.
6. Het beroep is alleen hierom al gegrond. De rechtbank zal de overige gronden daarom niet meer bespreken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 19 februari 2026. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eisers hebben gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Đukić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 11 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2525.
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 27 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23950.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2026:3046.
Zie het nader gehoor van 15 januari 2026, p. 8.
Zie pagina 7 van het gehoor.
Zie pagina 6 van het gehoor.
Zie het nader gehoor van 15 januari 2026, p. 6-8.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15130
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiseres 1,
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer 2] , eiser,
[eiseres 2]
, V-nummer: [v-nummer 3] , eiseres 2,tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. E.A.M. Verstelle),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing
van hun gezamenlijke aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de
beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’.
1.1
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 september 2022 afgewezen. Met het besluit van 1 augustus 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2
Met de uitspraak van 11 februari 2025 heeft deze rechtbank het besluit van 1 augustus 2024 vernietigd.
1.3
Op 19 mei 2025 heeft verweerder opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van eisers. Verweerder heeft het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 27 november 2025 heeft deze rechtbank het besluit van 19 mei 2025 vernietigd.
1.4
Op 19 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van eisers. Verweerder heeft het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
1.5
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.6 De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, A. Yasin als tolk en de
gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1] 2006, eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2] 2011 en eiser is geboren op [geboortedatum 3] 2008. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Niet in geschil is dat eisers weeskinderen zijn nadat hun ouders gevangen zijn genomen door het regime begin 2016 en waarschijnlijk zijn overleden. Eisers verblijven sindsdien bij familie in Syrië. Eisers hebben op 6 augustus 2021 een aanvraag ingediend voor een mvv met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij hun meerderjarige broer, [referent] (referent). Referent heeft de Syrische nationaliteit en heeft sinds 24 juni 2021 een asielvergunning.
2.1
Verweerder heeft de aanvraag op 21 september 2022 afgewezen, omdat er weliswaar sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen referent en eisers in de zin van artikel 8 van het EVRM, maar de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Ondanks de vastgestelde objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen, weegt het belang van de Nederlandse staat zwaarder dan dat van eisers. Bij besluit van 1 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2
De rechtbank heeft het besluit van 1 augustus 2024 vernietigd, omdat verweerder de belangen van de minderjarige eisers onvoldoende heeft betrokken in de gemaakte belangenafweging. Verweerder heeft namelijk niet meegenomen dat eisers naar voren
hebben gebracht dat zij bij hun oma slecht worden behandeld en daarnaast gevaar lopen op
uithuwelijking en de militaire dienstplicht. De rechtbank volgde niet dat het in het belang van de kinderen was om bij de familieleden in Syrië te blijven, zoals verweerder in het vernietigde besluit had gemotiveerd. Verweerder heeft hierop in het bestreden besluit van 19 mei 2025 het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, omdat de belangenafweging nog altijd in het nadeel van eisers uitvalt. Verweerder heeft weer gemotiveerd dat het in het belang van de kinderen is dat eisers bij hun oma in Syrië blijven nu zij sinds februari 2016 hun primaire verzorger is. Dat de situatie van eisers bij hun oma schrijnend is, is niet gebleken nu eisers en referent dit niet hebben onderbouwd.
2.3
De rechtbank heeft het besluit van 19 mei 2025 opnieuw vernietigd, omdat verweerder niet heeft voldaan aan de eerdere opdracht van de rechtbank om het belang van het kind deugdelijk mee te wegen. De rechtbank heeft verweerder opgedragen op basis van een nader onderzoek te beoordelen in hoeverre eisers gevaar lopen. Ook heeft de rechtbank verweerder opgedragen referent opnieuw te horen om zijn financiële situatie op dit moment in kaart te brengen.
2.4
Op 15 januari 2026 heeft verweerder referent opnieuw gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder heeft de belangenafweging opnieuw in het nadeel van eisers laten uitvallen. Over het belang van het kind heeft verweerder gesteld dat opa en oma van vaderskant na het overlijden van hun ouders de primaire verzorgers van eisers en referent waren. Na het vertrek van referent in 2017 naar Turkije bleven eisers bij deze opa en oma in Syrië. Inmiddels wonen eisers bij oma van moederskant, die ook de primaire verzorger is. Verweerder weegt dit in het nadeel van eisers mee, omdat het in het belang van eisers is om bij hun primaire verzorger te blijven. Daarnaast is volgens verweerder de tante van eisers weliswaar meer op afstand komen te staan, maar nog wel een verzorger dan wel belangrijk persoon bij wie zij een uitvalbasis hebben. De gestelde mishandeling en onveilige situatie bij hun primaire verzorgers hebben eisers volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft volgens eisers niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank zoals neergelegd in de uitspraak van 27 november 2025 en verweerder is niet tot een fair balance gekomen tussen enerzijds de belangen van eisers en referent en anderzijds de belangen van de Nederlandse staat. Zo heeft verweerder het economisch belang, de belangen van het kind, de aard en intensiteit van het gezinsleven, de bijzondere omstandigheden, de asielgerelateerde aspecten en de binding met Syrië en Nederland onvoldoende en onjuist meegewogen in de belangenafweging.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De belangenafweging
5. Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, heeft deze rechtbank verweerder in de uitspraak van 27 november 2025 opgedragen om op basis van een nader onderzoek te beoordelen in hoeverre eisers gevaar lopen. Ook heeft de rechtbank verweerder opgedragen referent opnieuw te horen om zijn financiële situatie op dit moment in kaart te brengen.
Economisch belang
5.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van de beoordeling van het economisch belang heeft voldaan aan de opdracht van deze rechtbank. Verweerder heeft referent immers gehoord en heeft niet tegengeworpen dat hij over onvoldoende middelen beschikt. Zoals de hoogste bestuursrechter in de uitspraak van 27 mei 2026 heeft geoordeeld, moet verweerder een geïndividualiseerde belangenafweging maken, waarin hij het economisch belang van Nederland weegt en afzet tegen alle overige omstandigheden van het concrete geval. Hierbij mag verweerder aan het economisch belang in elk afzonderlijk geval niet steeds evenveel gewicht toekennen in die zin dat het altijd van doorslaggevend gewicht is. Het economisch belang is namelijk slechts één relevant element in de belangenafweging als geheel.
5.2
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, in lijn met deze jurisprudentie, voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging op dit punt in het nadeel van eisers uitvalt. Daarbij is van belang dat verweerder, anders dat eisers stellen, niet enkel heeft gesteld dat het een onzekere toekomstige gebeurtenis is dat eisers een bijdrage zullen leveren aan de Nederlandse economie. Verweerder heeft er ook op gewezen dat eisers hun stelling, dat zij een bijdrage zullen leveren aan de Nederlandse economie, niet nader hebben geconcretiseerd. Ook heeft verweerder erkend dat referent zich heeft ingespannen en wordt hem het middelenvereiste daarom niet tegengeworpen. De keerzijde hiervan is dat daarmee vaststaat dat eisers – in ieder geval aan het begin – een beroep zullen doen op de openbare kas, waaronder onderwijs, huisvesting en zorg. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat referent momenteel in een studio woont en dat dit geen geschikte woonruimte is voor eisers en referent samen.
Belangen van het kind
5.3 De rechtbank stelt vast dat verweerder nader onderzoek heeft gedaan naar de situatie van eisers in Syrië. Verweerder heeft referent hierover (opnieuw) gehoord. Ook blijkt uit het besluit dat verweerder het volledige dossier en alle eerder afgelegde verklaringen over de situatie van eisers in Syrië nog een keer heeft beoordeeld. In zoverre heeft verweerder aan de opdracht van de rechtbank voldaan. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij tot de uitkomst is gekomen dat het in het belang van eisers is om bij hun oma in Syrië te blijven en dat de totale belangenafweging die hij heeft verricht mede daardoor in het nadeel van eisers uitvalt.
5.4
De rechtbank overweegt hiertoe dat referent, anders dan verweerder stelt, wel een verklaring heeft gegeven waarom eisers minder vaak bij de tante terecht kunnen waar zij voorheen graag verbleven en waar zij een veilige uitvalsbasis hadden. Referent heeft immers verklaard dat dit komt door de oorlog en het gebrek aan voedsel. Dit is ook de reden waarom eisers inmiddels minder contact met referent hebben. Referent heeft hierover tijdens het gehoor van 19 februari 2026 verklaard dat er geen internet is en dat ze dan niet kunnen bellen. Dat ze geen mobiele telefoons hebben en dat ze moeten wachten op hun tante. Als hun tante hun oma bezoekt kunnen ze contact krijgen. Verder vindt de rechtbank de verklaringen die referent heeft gegeven over de reden waarom eisers af en toe naar die tante gaan niet tegenstrijdig. Zo staat in de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 22 augustus 2022 dat eisers soms verhuizen tussen de huizen van hun tantes om stress en spanning van hun oma te verlichten en dat dit hun gevoel van instabiliteit verhoogt. Tijdens het gehoor van 9 juli 2024 heeft referent verklaard dat een tante die inmiddels vanwege een scheiding bij de oma van eisers woont, niet altijd goed met eisers omgaat, dat zij schreeuwt en hen slaat en dat zij soms naar het huis van de andere tante gaan om even weg te zijn van de ellendige thuissituatie. Zoals eisers stellen zijn dit twee situaties die naast elkaar kunnen bestaan. De rechtbank acht deze verklaringen niet onaannemelijk en stelt vast dat deze situatie al in het eerste beroep, in de nadere gronden van 28 augustus 2024, is aangedragen.
5.5
De rechtbank is verder van oordeel dat voor wat betreft de gestelde mishandeling en verwaarlozing van eisers sprake is van bewijsnood. De gemachtigde van eisers heeft zowel in de beroepsgronden als ter zitting betoogd dat zij niet weten op wat voor manier zij de mishandeling en verwaarlozing zouden kunnen aantonen. De gemachtigde van eisers heeft onder andere gedacht aan het laten opstellen van medische verklaringen, maar heeft aangevoerd dat ziekenhuizen gelet op de humanitaire omstandigheden in Syrië vaak gesloten zijn en dat er ook geen geld beschikbaar is. Ook heeft de gemachtigde aangevoerd dat het de vraag is of een arts over de reden van bijvoorbeeld ondervoeding zou kunnen verklaren en of verweerder hier genoegen mee zou nemen. Voor zover verweerder heeft gesteld dat dit eventueel met foto’s zou kunnen, heeft de gemachtigde van eisers erop gewezen dat verweerder in dat geval naar alle waarschijnlijkheid zal tegenwerpen dat op grond van foto’s niet duidelijk is waardoor eventuele verwondingen of ondervoeding zou zijn ontstaan. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd geen concrete voorbeelden kunnen noemen waarmee eisers de gestelde mishandeling en verwaarlozing in hun thuissituatie zouden kunnen aantonen. Daarbij is ook van belang dat de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel is dat de begeleidende brief bij de aanvraag van VWN van 3 augustus 2021 wel een begin van bewijst levert dat sprake is van verwaarlozing en dat eisers in een onveilige en onstabiele situatie leven. Zo is aangegeven dat eisers zwerven tussen het huis van hun opa en tantes en dat hun tantes niet definitief voor hen kunnen zorgen omdat zij zelf nauwelijks beschikking hebben tot bestaansmiddelen zoals eten. Hiermee is verwaarlozing ten tijde van de aanvraag in ieder geval, anders dan verweerder stelt, wel degelijk aangekaart. Ook heeft referent uitgelegd dat de thuissituatie is verslechterd, nu de gezondheid van de oma van eisers achteruit is gegaan, zij steeds ouder wordt en de humanitaire omstandigheden in Syrië ook zorgwekkend zijn. De rechtbank stelt vast dat verweerder de concrete humanitaire omstandigheden in het gebied waar eisers wonen niet kenbaar in kaart heeft gebracht en in de belangenafweging heeft betrokken, terwijl dit gelet op deze verklaringen wel voor de hand had gelegen en nu deze van invloed kan zijn op de bewijsmogelijkheden van eisers.
5.3
Gelet op al het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom aan het belang van het kind bij deze stand van zaken onvoldoende gewicht toekomt om de belangenafweging in het voordeel van eisers te laten uitvallen. De rechtbank stelt vast nu al tweemaal te hebben gesignaleerd dat de belangen van het kind onvoldoende zijn onderzocht en betrokken in de belangenafweging. In deze derde beslissing op bezwaar heeft verweerder weliswaar nader onderzoek gedaan, maar kan de rechtbank verweerder niet volgen in de uitkomst van dit onderzoek en het daarop gebaseerde standpunt over het belang van het kind.
6. Het beroep is alleen hierom al gegrond. De rechtbank zal de overige gronden daarom niet meer bespreken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 19 februari 2026. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eisers hebben gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Đukić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 11 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2525.
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 27 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23950.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2026:3046.
Zie het nader gehoor van 15 januari 2026, p. 8.
Zie pagina 7 van het gehoor.
Zie pagina 6 van het gehoor.
Zie het nader gehoor van 15 januari 2026, p. 6-8.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.