Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27182

2026-08-18 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/710615 / JE RK 26-1418
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/710615 / JE RK 26-1418
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

voorlopige ondertoezichtstelling 1:257 BW en machtiging tot uithuisplaatsing 1:265b, eerste lid, BW

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.312 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Jeugd- en Zorgrecht



Zaaknummer: C/09/710615 / JE RK 26-1418
Datum uitspraak: 18 augustus 2026




Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats]
hierna te noemen [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.



De kinderrechter merkt als informant aan:




Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.

Op 6 augustus 2026 heeft mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter in
deze rechtbank, mondeling en buiten kantooruren beslist dat:



de pasgeboren baby voorlopig onder toezicht wordt gesteld van 6 augustus 2026 tot 7 augustus 2026 om 17:00 uur;


de pasgeboren baby dag en nacht uit huis wordt geplaatst in het ziekenhuis en aansluitend


in een voorziening voor pleegzorg van 6 augustus 2026 tot 7 augustus 2026 om 17:00 uur en


deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad is;


de behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.





1.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 augustus 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 augustus 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 augustus 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.



1.3.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 7 augustus 2026 en de daarin genoemde stukken.




1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.


De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.






2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.






3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De Raad maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] als zij bij de moeder zou verblijven. De huisarts van de moeder, het Haga Ziekenhuis en Veilig Thuis maken zich grote zorgen over de psychische gezondheid van de moeder. De moeder is tijdens haar zwangerschap zelfstandig gestopt met de medicatie die zij voorgeschreven kreeg voor haar psychische problematiek en maakt een verwarde indruk. [minderjarige] is volledig afhankelijk van haar verzorger en stabiliteit, voorspelbaarheid en sensitieve responsiviteit zijn van groot belang. Wanneer een ouder door psychische problematiek beperkt beschikbaar is, kan dit leiden tot onvoldoende afstemming op de behoeften van het kind. Het lijkt bij de moeder niet te beklijven welke zorg [minderjarige] nodig heeft en het medisch personeel in het ziekenhuis heeft zorgen geuit over of de moeder dit kan inschatten. De Raad vraagt zich af of de moeder begrijpt wat passend is voor een baby. Zo heeft zij lipgloss bij de baby aangebracht. Bovendien beschikt de moeder over onvoldoende essentiële benodigdheden om voor een baby thuis te kunnen zorgen en is er sprake van een vervuilde woning. Daarnaast zijn er zorgen over de fysieke veiligheid van de baby indien de moeder door psychotische symptomen, desorganisatie of ernstige ontregeling onvoldoende toezicht kan houden of beslissingen neemt die niet aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van het kind. Toen de spoedmaatregelen bij de moeder werden aangekondigd, heeft zij met [minderjarige] in haar armen een mes gepakt en geprobeerd om op een medewerker van het Crisis Interventie Team in te steken. Er is geen steunend sociaal netwerk dat zowel een ondersteunende als een toezichthoudende taak op zich kan nemen. De moeder staat niet open voor hulpverlening of een plaatsing in een moeder-kindhuis. Een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin zijn noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen. De komende periode moet de jeugdbeschermer onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van de moeder om haar dochter een veilige opvoedingsomgeving te kunnen bieden en welke vormen van hulpverlening nodig zijn hierbij. De Raad acht het van belang dat de jeugdbeschermer goed onderzoekt wat de mogelijkheden zijn voor een veilige omgang tussen de moeder en de baby.





4De standpunten


4.1.
Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat het een paar dagen na de spoedmaatregelen is gelukt om contact te krijgen met de moeder. De moeder komt wat verward over op de jeugdbeschermer. Op 19 augustus 2026 staat het eerste omgangsmoment tussen de moeder en [minderjarige] gepland. Het is nog onzeker of dit moment doorgaat. De moeder belde namelijk kort voor de zitting met de vraag of de vader van [minderjarige] mee mag naar het omgangsmoment, maar werd boos toen de jeugdbeschermer daar na de zitting over in gesprek wilde gaan. Het was voor de gecertificeerde instelling niet bekend dat de vader van [minderjarige] in beeld is. De jeugdbeschermer zal proberen om de moeder te motiveren voor behandeling of hulp voor haar psychiatrische problematiek, zoals voor een plaatsing bij een moederkindhuis.





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.2.

[minderjarige] is als pasgeboren baby afhankelijk van haar verzorgers om haar veiligheid te waarborgen en aan haar behoeften te kunnen voldoen. Een baby heeft een grote behoefte aan stabiliteit, sensitiviteit en responsiviteit. Vanwege de psychische problematiek van de moeder lijkt zij dit momenteel niet aan [minderjarige] te kunnen bieden. De moeder had onder meer geen babyvoeding voor [minderjarige] gekocht en haar woning is sterk vervuild. Het medisch personeel in het ziekenhuis heeft zorgen geuit over in hoeverre de moeder in staat is om de behoeften van haar pasgeboren baby te begrijpen en haar bijvoorbeeld voldoende te voeden. Daarnaast heeft de moeder lipgloss bij de baby aangebracht en haar alleen op een commode achtergelaten. Adviezen over de verzorging lijken niet bij de moeder te beklijven. Hoewel de moeder veel van [minderjarige] houdt en voor haar wil zorgen, zijn er gelet op het bovenstaande grote zorgen over haar mogelijkheden om zelfstandig voor [minderjarige] te zorgen. De moeder staat niet open voor hulpverlening en behandeling, zoals een plaatsing in een moeder-kindhuis. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht tot 6 november 2026. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen tot 6 november 2026. Het is belangrijk dat de Raad en de gecertificeerde instelling de komende periode onderzoek doen naar mogelijkheden van de moeder en proberen om haar te motiveren voor behandeling. Daarnaast is het noodzakelijk om te onderzoeken hoe de moeder en [minderjarige] op een veilige manier contact kunnen hebben. Gekeken moet worden welke rol de vader in het leven van [minderjarige] wil spelen en wat zijn mogelijkheden zijn.


5.3.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 20 augustus 2026 tot 6 november 2026;



6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 augustus 2026 tot 6 november 2026;


6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 9 september 2026.


Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.




Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.





Artikel 1:257 BW.


Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.


Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).