Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27150
2026-08-18
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/698932 / FA RK 26-1102
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bijdrage levensonderhoud staande huwelijk en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, IPR.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.479 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 26-742 (bodemprocedure) FA RK 26-1102 (223 Rv)
Zaaknummers: C/09/698347 (bodemprocedure) en C/09/698932 (223 Rv)
Datum beschikking: 18 augustus 2026
Bijdrage levensonderhoud staande huwelijk en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
Beschikking op de op 22 januari 2026 en 5 februari 2026 ingekomen verzoekschriften van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Sett in Rotterdam (voorheen: mr. K.A. Boshouwers in Utrecht).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen in Den Haag.
Procedure
Op 8 april 2026 heeft bij deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel de onderhavige verzoeken als het verzoek tot het vaststellen van een voorlopige voorziening in het kader van artikel 822 Rv, bekend onder het zaaknummer C/09/695179. In die laatste zaak heeft de rechtbank een afzonderlijke beschikking gegeven.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen;
het F3-formulier van de man van 20 februari 2026 met verweerschrift en bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 29 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de man van 30 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 30 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 31 maart 2026 met bijlage;
Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk.
Zowel van de zijde van de man als van de vrouw is een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
het F9-formulier van de man van 24 april 2026 met bijlage;
het F2-formulier van de voormalige advocaat van de vrouw van 13 mei 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 25 juni 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de man van 2 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 3 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de man van 6 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 8 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de man van 24 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 10 augustus 2026 met bijlage.
Feiten
De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2001 in [plaats] , Frankrijk.
Partijen hebben beiden de Franse nationaliteit.
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.
Partijen wonen vanaf april 2022 gescheiden.
Bij beschikking van 7 januari 2026 van deze rechtbank is het verzoek tot echtscheiding afgewezen omdat het pensioenverweer van de vrouw is geslaagd.
Tegen de beschikking van 7 januari 2026 is geen hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 3 april 2026 is de man op de hoogte gesteld van de echtscheiding die de vrouw bij de Franse rechter heeft verzocht.
Verzoek en verweer
In de bodemprocedure
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man te veroordelen om met ingang van de dag van indiening van dit verzoekschrift met een bedrag van € 13.038,- (bruto) per maand bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2027 jaarlijks wordt geïndexeerd, voor zover de vrouw geen aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op basis van voorlopige voorzieningen in het kader van een aanhangige echtscheidingsprocedure;
de man te veroordelen in de proceskosten van de vrouw van € 5.880,-
De man voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
De vrouw verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens de man met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift tot het treffen van de voorlopige voorzieningen in de echtscheidingsprocedure op 26 november 2026 te veroordelen om met een bedrag van € 13.038,00 (bruto), danwel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag per maand bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2027 jaarlijks wordt geïndexeerd.
Beoordeling
Aanvullende stukken
De man heeft bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw ingediende akte en stukken van 31 maart 2026 omdat de stukken minder dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend en daarmee de termijn voor indiening is overschreden. Daarnaast betreft het een dermate omvangrijk pakket aan stukken dat het volgens de man in strijd is met de goede procesorde om deze stukken te betrekken in de beoordeling.
De rechtbank zal de stukken wel betrekken in haar beoordeling. Tijdens de mondelinge behandeling van 8 april 2026 is namelijk gebleken dat de man voldoende in staat was om adequaat op de stukken te reageren en zijn ook een deel van de stukken uitgebreid besproken geweest. De man is daarnaast in de gelegenheid gesteld om op de overige overgelegde stukken te reageren. Dat heeft de man op 24 juli 2026 gedaan.
De vrouw heeft vervolgens op 10 augustus 2026 gereageerd in een nieuwe akte van uitlating. Aan de vrouw was alleen geen gelegenheid gegeven door de rechtbank om de akte in te dienen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan deze akte.
Bodemprocedure
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank dient eerst te beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud staande huwelijk. Het verzoek is gegrond op de artikelen 1:81 en 1:84 van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert dit verzoek zich als een verzoek inzake de onderhoudsverplichting staande huwelijk. De Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna: Alimentatieverordening) is op grond van artikel 1, lid 1 van toepassing.
Op grond van artikel 3, aanhef en onder a en b van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd, nu zowel de man als verweerder, als de vrouw als onderhoudsgerechtigde hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. De rechtbank is derhalve bevoegd van het verzoek kennis te nemen.
Omdat sprake is van een onderhoudsverplichting tussen echtgenoten, wordt op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening het toepasselijke recht bepaald aan de hand van het Haags Alimentatieprotocol 2007 (HAP). Op grond van artikel 3 HAP is in beginsel het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, zou dat Nederlands recht zijn.
De man heeft zich echter tegen toepassing van artikel 3 HAP verzet. Nu artikel 5 HAP ook van toepassing is op onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten gedurende een nog niet ontbonden huwelijk, dient de rechtbank te beoordelen of het recht van een andere staat nauwer met het huwelijk van partijen is verbonden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. Partijen hebben beiden de Franse nationaliteit, zij zijn in Frankrijk gehuwd en hebben daar Franse huwelijkse voorwaarden gemaakt en hun voorlaatste gewone verblijfplaats was in Frankrijk. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken naar het oordeel van de rechtbank dat het huwelijk nauwer met Frankrijk dan met Nederland is verbonden.
De uitzondering van artikel 5 HAP is daarom van toepassing. Op het verzoek van de vrouw is daarom Frans recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Na de mondelinge behandeling van 8 april 2026 heeft de man namelijk de rechtbank bericht dat hij op 3 april 2026 op de hoogte is gesteld dat de vrouw in Frankrijk een echtscheidingsprocedure aanhangig heeft gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens aan partijen gevraagd wat dit betekent voor onderhavige procedure. De vrouw heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het aanhangig maken van de Franse echtscheiding geen invloed heeft op onderhavige procedure. De man stelt dat door de Franse echtscheiding de voorwaarde van het verzoek van de vrouw niet is vervuld en de verzoeken van de vrouwen daarom moeten worden afgewezen.
De rechtbank volgt de man in zijn standpunt en overweegt daartoe het volgende. De vrouw heeft verzocht om een bijdrage in haar levensonderhoud, voor zover de vrouw geen aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op basis van voorlopige voorzieningen in het kader van een aanhangige echtscheidingsprocedure. Uit het bericht van de Tribunal Judiciaire de Lyon van 3 april 2026 blijkt onder het kopje “PARTIE 3 MESURES PROVISOIRES” dat de vrouw op grond van de artikelen 254 en 255 Code Civil gedurende de echtscheidingsprocedure een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud heeft verzocht. Doordat de vrouw in de Franse procedure aanspraak maakt op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op basis van voorlopige voorzieningen is de voorwaarde bij het verzoek in deze procedure dus niet vervuld. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Voorlopige voorzieningen hebben het karakter van een ordemaatregel en worden daarom in beginsel beheerst door de lex fori, oftewel het recht van de rechter die de zaak beoordeelt. Om die reden is Nederlands recht van toepassing en valt de voorlopige voorziening buiten het materiële toepassingsgebied van het Alimentatieverordening en het HAP.
Inhoudelijke beoordeling
Omdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als waarin in de voorlopige voorzieningenprocedure om is verzocht, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Proceskosten
De vrouw heeft verzocht om een proceskosten veroordeling van € 5.880,- nu de man geen volledig inzicht in zijn vermogenspositie en de hieruit te genereren inkomsten heeft gegeven. In een familierechtelijke aangelegenheden geldt als hoofdregel dat de proceskosten worden gecompenseerd. Anders kan dat zijn als sprake is van misbruik van recht of nodeloos procederen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing in de voorlopige voorziening en de bodemprocedure
De rechtbank:
*
wijst de verzoeken van de vrouw af;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.D. Somer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 augustus 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 26-742 (bodemprocedure) FA RK 26-1102 (223 Rv)
Zaaknummers: C/09/698347 (bodemprocedure) en C/09/698932 (223 Rv)
Datum beschikking: 18 augustus 2026
Bijdrage levensonderhoud staande huwelijk en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
Beschikking op de op 22 januari 2026 en 5 februari 2026 ingekomen verzoekschriften van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Sett in Rotterdam (voorheen: mr. K.A. Boshouwers in Utrecht).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen in Den Haag.
Procedure
Op 8 april 2026 heeft bij deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel de onderhavige verzoeken als het verzoek tot het vaststellen van een voorlopige voorziening in het kader van artikel 822 Rv, bekend onder het zaaknummer C/09/695179. In die laatste zaak heeft de rechtbank een afzonderlijke beschikking gegeven.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen;
het F3-formulier van de man van 20 februari 2026 met verweerschrift en bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 29 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de man van 30 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 30 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 31 maart 2026 met bijlage;
Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk.
Zowel van de zijde van de man als van de vrouw is een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
het F9-formulier van de man van 24 april 2026 met bijlage;
het F2-formulier van de voormalige advocaat van de vrouw van 13 mei 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 25 juni 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de man van 2 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 3 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de man van 6 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 8 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de man van 24 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 10 augustus 2026 met bijlage.
Feiten
De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2001 in [plaats] , Frankrijk.
Partijen hebben beiden de Franse nationaliteit.
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.
Partijen wonen vanaf april 2022 gescheiden.
Bij beschikking van 7 januari 2026 van deze rechtbank is het verzoek tot echtscheiding afgewezen omdat het pensioenverweer van de vrouw is geslaagd.
Tegen de beschikking van 7 januari 2026 is geen hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 3 april 2026 is de man op de hoogte gesteld van de echtscheiding die de vrouw bij de Franse rechter heeft verzocht.
Verzoek en verweer
In de bodemprocedure
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man te veroordelen om met ingang van de dag van indiening van dit verzoekschrift met een bedrag van € 13.038,- (bruto) per maand bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2027 jaarlijks wordt geïndexeerd, voor zover de vrouw geen aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op basis van voorlopige voorzieningen in het kader van een aanhangige echtscheidingsprocedure;
de man te veroordelen in de proceskosten van de vrouw van € 5.880,-
De man voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
De vrouw verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens de man met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift tot het treffen van de voorlopige voorzieningen in de echtscheidingsprocedure op 26 november 2026 te veroordelen om met een bedrag van € 13.038,00 (bruto), danwel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag per maand bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2027 jaarlijks wordt geïndexeerd.
Beoordeling
Aanvullende stukken
De man heeft bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw ingediende akte en stukken van 31 maart 2026 omdat de stukken minder dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend en daarmee de termijn voor indiening is overschreden. Daarnaast betreft het een dermate omvangrijk pakket aan stukken dat het volgens de man in strijd is met de goede procesorde om deze stukken te betrekken in de beoordeling.
De rechtbank zal de stukken wel betrekken in haar beoordeling. Tijdens de mondelinge behandeling van 8 april 2026 is namelijk gebleken dat de man voldoende in staat was om adequaat op de stukken te reageren en zijn ook een deel van de stukken uitgebreid besproken geweest. De man is daarnaast in de gelegenheid gesteld om op de overige overgelegde stukken te reageren. Dat heeft de man op 24 juli 2026 gedaan.
De vrouw heeft vervolgens op 10 augustus 2026 gereageerd in een nieuwe akte van uitlating. Aan de vrouw was alleen geen gelegenheid gegeven door de rechtbank om de akte in te dienen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan deze akte.
Bodemprocedure
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank dient eerst te beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud staande huwelijk. Het verzoek is gegrond op de artikelen 1:81 en 1:84 van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert dit verzoek zich als een verzoek inzake de onderhoudsverplichting staande huwelijk. De Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna: Alimentatieverordening) is op grond van artikel 1, lid 1 van toepassing.
Op grond van artikel 3, aanhef en onder a en b van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd, nu zowel de man als verweerder, als de vrouw als onderhoudsgerechtigde hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. De rechtbank is derhalve bevoegd van het verzoek kennis te nemen.
Omdat sprake is van een onderhoudsverplichting tussen echtgenoten, wordt op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening het toepasselijke recht bepaald aan de hand van het Haags Alimentatieprotocol 2007 (HAP). Op grond van artikel 3 HAP is in beginsel het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, zou dat Nederlands recht zijn.
De man heeft zich echter tegen toepassing van artikel 3 HAP verzet. Nu artikel 5 HAP ook van toepassing is op onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten gedurende een nog niet ontbonden huwelijk, dient de rechtbank te beoordelen of het recht van een andere staat nauwer met het huwelijk van partijen is verbonden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. Partijen hebben beiden de Franse nationaliteit, zij zijn in Frankrijk gehuwd en hebben daar Franse huwelijkse voorwaarden gemaakt en hun voorlaatste gewone verblijfplaats was in Frankrijk. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken naar het oordeel van de rechtbank dat het huwelijk nauwer met Frankrijk dan met Nederland is verbonden.
De uitzondering van artikel 5 HAP is daarom van toepassing. Op het verzoek van de vrouw is daarom Frans recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Na de mondelinge behandeling van 8 april 2026 heeft de man namelijk de rechtbank bericht dat hij op 3 april 2026 op de hoogte is gesteld dat de vrouw in Frankrijk een echtscheidingsprocedure aanhangig heeft gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens aan partijen gevraagd wat dit betekent voor onderhavige procedure. De vrouw heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het aanhangig maken van de Franse echtscheiding geen invloed heeft op onderhavige procedure. De man stelt dat door de Franse echtscheiding de voorwaarde van het verzoek van de vrouw niet is vervuld en de verzoeken van de vrouwen daarom moeten worden afgewezen.
De rechtbank volgt de man in zijn standpunt en overweegt daartoe het volgende. De vrouw heeft verzocht om een bijdrage in haar levensonderhoud, voor zover de vrouw geen aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op basis van voorlopige voorzieningen in het kader van een aanhangige echtscheidingsprocedure. Uit het bericht van de Tribunal Judiciaire de Lyon van 3 april 2026 blijkt onder het kopje “PARTIE 3 MESURES PROVISOIRES” dat de vrouw op grond van de artikelen 254 en 255 Code Civil gedurende de echtscheidingsprocedure een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud heeft verzocht. Doordat de vrouw in de Franse procedure aanspraak maakt op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op basis van voorlopige voorzieningen is de voorwaarde bij het verzoek in deze procedure dus niet vervuld. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Voorlopige voorzieningen hebben het karakter van een ordemaatregel en worden daarom in beginsel beheerst door de lex fori, oftewel het recht van de rechter die de zaak beoordeelt. Om die reden is Nederlands recht van toepassing en valt de voorlopige voorziening buiten het materiële toepassingsgebied van het Alimentatieverordening en het HAP.
Inhoudelijke beoordeling
Omdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als waarin in de voorlopige voorzieningenprocedure om is verzocht, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Proceskosten
De vrouw heeft verzocht om een proceskosten veroordeling van € 5.880,- nu de man geen volledig inzicht in zijn vermogenspositie en de hieruit te genereren inkomsten heeft gegeven. In een familierechtelijke aangelegenheden geldt als hoofdregel dat de proceskosten worden gecompenseerd. Anders kan dat zijn als sprake is van misbruik van recht of nodeloos procederen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing in de voorlopige voorziening en de bodemprocedure
De rechtbank:
*
wijst de verzoeken van de vrouw af;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.D. Somer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 augustus 2026.