Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27120

2026-07-23 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 25/9096
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/9096
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het college moet zijn standpunt dat de afwijking in de maatvoering van de dakkapel is gelegaliseerd nader onderbouwen. Indien uit onderzoek blijkt dat de gebouwde dakkapel voor wat betreft de maatvoering afwijkt van de omgevingsvergunning, zal het college nader moeten onderbouwen waarom in dat geval sprake is van concreet zicht op legalisatie.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.858 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/9096


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. R.H. de Kamper),


en


het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college
(gemachtigde: mr. S. Verouden).


Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats] (vergunninghouders)



Samenvatting


1. Deze tussenuitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhavend op te treden tegen het bouwen van een dakkapel aan [adres 1] in [plaats], in afwijking van een daarvoor verleende omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.



1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat voor wat betreft de afwijkende maatvoering van de dakkapel niet langer sprake is van een overtreding, dan wel dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aantal wijzigingen van de dakkapel vergunningvrij mocht worden uitgevoerd. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om het geconstateerde onderzoeks- en motiveringsgebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze tussenuitspraak is gekomen en welke gevolgen deze heeft.




Procesverloop


2. Op 18 december 2024 heeft het college, voor zover hier van belang, aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van dakkapellen aan [adres 1] in [plaats].



2.1.
Op 25 maart 2025 heeft eiser het college verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen van dakkapellen in afwijking van de daarvoor verleende omgevingsvergunning.


2.2.
Met het besluit van 24 juni 2025 heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 november 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij zijn besluit gebleven.



2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
Het college heeft nadere stukken overgelegd. Ook eiser heeft nadere stukken overgelegd.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouders is [derde-partij 1] verschenen.




Beoordeling door de rechtbank



Juridisch kader

3. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse van het bouwplan geldt het bestemmingsplan “Zeewaardig.” Dit bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk.



3.1.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.



3.2.
Ingevolge artikel 5.6 van de Ow is het verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand te laten.



3.3.
Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.



3.4.
Ingevolge artikel 2.22, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn de artikelen 2.27 en 2.29 niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.



3.5.
Op grond van artikel 2.29, aanhef en onder e, van het Bbl geldt het volgende: onverminderd de regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel, isolatieplaat of boeideel, of stucwerk, bij plaatsing in of aan de achtergevel of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied.



Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiser is eigenaar van het perceel [adres 2] in [plaats]. Op 25 maart 2025 heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bouw van de dakkapellen aan [adres 1], in afwijking van een daarvoor verleende omgevingsvergunning. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft het college op 4 april 2025 een controle uitgevoerd op het perceel. Daarbij is geconstateerd dat de boeidelen van de dakkapellen afwijken van de verleende omgevingsvergunning, omdat deze niet in de aangegeven kleur zijn uitgevoerd. Uit de controle kwam ook naar voren dat de kozijnindeling afwijkt van de verleende omgevingsvergunning. Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen. Daaraan heeft het college het standpunt ten grondslag gelegd dat de Adviescommissie omgevingskwaliteit akkoord is met de gewijzigde gootkleur en dat de kozijnindeling gelet op grond van artikel 2.29, aanhef en onder e, van het Bbl vergunningvrij kan worden gewijzigd.




4.1.
Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek heeft het college op 16 september 2025 een hercontrole uitgevoerd. Tijdens deze controle zijn de dakkapellen van binnenuit opgemeten. Daarbij is geconstateerd dat de binnenmaten en de dikte van de wanden overeenkomen met de verleende omgevingsvergunning. Met het bestreden besluit van 12 november 2025 heeft het college het bezwaar van eiser daarom ongegrond verklaard.



4.2.
Op 20 januari 2026 heeft het college opnieuw een controle uitgevoerd op het perceel. Uit deze controle blijkt dat de dakkapel 19 centimeter breder is dan op de omgevingsvergunning is aangegeven, namelijk 5,53 meter. Vergunninghouders hebben op 8 februari 2026 een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Met het besluit van 7 mei 2026 heeft het college de nieuwe omgevingsvergunning verleend.



Standpunten van partijen

5. Het handhavingsverzoek van eiser – en daarmee ook zijn beroep – heeft betrekking op de meest zuidelijke dakkapel, die eiser ziet vanuit zijn slaapkamerraam. Eiser betoogt dat het college niet heeft onderkend dat deze dakkapel in afwijking van de verleende omgevingsvergunning is gerealiseerd. Hiertoe voert hij aan dat de feitelijke afmetingen van de dakkapel groter zijn dan de afmetingen die op de bouwtekening zijn aangegeven. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft eiser een meetrapport van 3 december 2025 door adviesbureau [adviesbureau] overgelegd. Volgens eiser is de nieuwe omgevingsvergunning van 7 mei 2026 onvoldoende specifiek, omdat deze niet meer omvat dan een besluit tot vergunningverlening op basis van enkele aanvullingen op de bouwtekening ten aanzien van de maatvoering. Volgens eiser is de dakkapel nog steeds ongeveer 2 centimeter hoger gebouwd dan vergund. Van een legaliserende omgevingsvergunning is daarom geen sprake. Verder stelt eiser dat de wijzigingen in de kleur van het boeideel en de kozijnindeling niet vergunningvrij zijn. Hij voert daartoe aan dat artikel 2.22 van het Bbl zich verzet tegen het aanbrengen van vergunningvrije wijzigingen aan een bouwwerk dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.




5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de afwijkingen in de maatvoering met de omgevingsvergunning van 7 mei 2026 zijn gelegaliseerd. Daardoor is niet langer sprake van het realiseren van een bouwwerk in afwijking van de verleende omgevingsvergunning. Voor zover de kleur van het boeideel en de kozijnindeling afwijken van de op 18 december 2024 verleende omgevingsvergunning, is volgens het college sprake van vergunningvrije wijzigingen.



Beginselplicht tot handhaving in geval van een overtreding


6. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie.



Is (nog) sprake van een overtreding?


7. Tussen partijen staat niet ter discussie dat ten tijde van het handhavingsverzoek en het bestreden besluit sprake was van een overtreding, omdat de maatvoering van de dakkapel, gelet op het controlerapport van 20 januari 2026, afwijkt van de omgevingsvergunning van 18 december 2024. Uit de controle blijkt dat de dakkapel 19 centimeter breder is dan op de omgevingsvergunning aangegeven (5,53 meter in plaats van 5,34 meter). Dat levert een overtreding op van het verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit uit te voeren. In het bestreden besluit is dit niet onderkend.



7.1.
Omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank ook niet op het standpunt kunnen stellen dat de wijzigingen in de kozijnindeling en de kleur van het boeideel van de dakkapel vergunningvrij mochten worden uitgevoerd op grond van artikel 2.29, aanhef en onder e, van het Bbl. Deze wijzigingen hebben namelijk betrekking gehad op een dakkapel die niet volledig overeenkomstig de daarvoor verleende omgevingsvergunning is gebouwd. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het vereiste van artikel 2.22, eerste lid, van het Bbl waaruit – samengevat – volgt dat het moet gaan om werkzaamheden aan een bouwwerk dat is gebouwd overeenkomstig de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.


7.2.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het niet op een draagkrachtige motivering.



7.3.
Mede gelet op de hangende beroep verleende omgevingsvergunning van 7 mei 2026 ziet de rechtbank aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, dan wel of er aanleiding is om het college in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen.





Is de afwijking van de maatvoering vergund?

8. Eiser betwist dat de afwijkende maatvoering is vergund met de nieuwe omgevingsvergunning van 7 mei 2026. Volgens hem zijn de bouwtekeningen niet aangepast en is er alleen iets op de bouwtekening bijgeschreven ten aanzien van de breedte van de dakkapel. Volgens eiser is de dakkapel ongeveer 2 centimeter hoger dan vergund en is die afwijkende maatvoering niet vergund met de nieuwe omgevingsvergunning.




8.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit het samenstel van de tekst en de bouwtekening van de omgevingsvergunning van 7 mei 2026 blijkt dat een dakkapel met een breedte van 5,53 meter is vergund, omdat de dakkapel 19 centimeter breder is gebouwd dan toegestaan op grond van de omgevingsvergunning van 18 december 2024. Die breedte van de dakkapel heeft het college gebaseerd op een meetrapport van 20 januari 2026. Uit het besprokene op zitting blijkt dat eiser het meetrapport in zoverre niet betwist. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat de omgevingsvergunning niet kan strekken tot legalisatie van het 19 centimeter breder bouwen van de dakkapel.



8.2.
Op zitting is echter gebleken dat het college niet kan uitsluiten dat de dakkapel, zoals eiser stelt, ongeveer 2 centimeter hoger is gebouwd dan toegestaan op grond van de omgevingsvergunning van 7 mei 2026. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de maatvoering van de gebouwde dakkapel in overeenstemming is met deze omgevingsvergunning. Uit het besprokene op zitting blijkt verder dat het college zo nodig bereid is om is eventuele geringe afwijkingen in de maatvoering alsnog op basis van een aanvraag tot wijziging van de omgevingsvergunning te vergunnen. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. De enkele bereidheid van het college om medewerking te verlenen aan de gewijzigde uitvoering van het bouwplan is daarvoor onvoldoende, omdat sprake is van een afwijking van het omgevingsplan. In dat geval is vereist dat ook een tot legalisatie strekkende aanvraag is gedaan.



8.3.
Over de afwijkende uitvoering met betrekking tot het boeideel en de kozijnindeling van de dakkapel heeft de rechtbank hiervoor geoordeeld dat deze niet vergunningvrij zijn. Verder stelt de rechtbank vast de omgevingsvergunning van 7 mei 2026 niet in legalisatie van deze afwijkingen van de omgevingsvergunning van 18 december 2024 voorziet.



8.4.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in de verlening van de omgevingsvergunning van 7 mei 2026 geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Omdat het college bereid is beperkte afwijkingen van de maatvoering te legaliseren en daartoe hangende beroep op basis van een aanvraag van vergunninghouders ook eerder heeft besloten, ziet de rechtbank wel aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.




Conclusie en gevolgen


9. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat het niet deugdelijk is gemotiveerd. In zoverre is het bestreden besluit in strijd genomen met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.



9.1.
Om het gebrek te herstellen moet het college zijn standpunt dat de afwijking van de maatvoering van de dakkapel is gelegaliseerd met de omgevingsvergunning van 7 mei 2026 nader onderbouwen. Het college zal in dat kader moeten onderzoeken of de gebouwde dakkapel overeenkomt met het bouwplan zoals dat gewijzigd is vergund met de omgevingsvergunning van 7 mei 2026. Indien uit dat onderzoek blijkt dat de gebouwde dakkapel voor wat betreft de maatvoering afwijkt van deze omgevingsvergunning, zal het college nader moeten onderbouwen waarom in dat geval sprake is van concreet zicht op legalisatie. De rechtbank wijst volledigheidshalve op wat zij onder 8.2 heeft overwogen over de noodzaak van een tot legalisatie strekkende aanvraag in het geval dat wordt gebouwd in afwijking van het omgevingsplan.



9.2.
Omdat de rechtbank onder 7.1 heeft geoordeeld dat wijzigingen van de kleur van het boeideel en van de kozijnindeling van de dakkapel niet vergunningvrij zijn op grond op grond van artikel 2.29, aanhef en onder e, van het Bbl, zal het college ook zijn standpunt dat er geen aanleiding is om handhavend op te treden tegen deze afwijkingen ten opzichte van de omgevingsvergunning nader moeten motiveren.



9.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.



9.4.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.



9.5.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
10.




Beslissing


De rechtbank:

- draagt het college op de rechtbank binnen twee weken mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om, indien hij daarvan gebruik maakt, binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.





Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, onder 6.1.


Nummer 24318.BX01.


Uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735, onder 3.