Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27119
2026-09-16
Civiel recht; Ondernemingsrecht
C/09/699726 / HA ZA 26-180
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondernemingsrecht. Vrijwaring. De (bindend) adviseur heeft zijn zorgplicht niet geschonden en heeft ook niet op een andere manier onrechtmatig jegens eiser gehandeld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (58.894 tekens)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
Vonnis in de vrijwaringszaak van 16 september 2026
In de zaak met zaak- / rolnummer C/09/699726 / HA ZA 26/180 van:
[eiser]
te [woonplaats 1] , [land] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaten mrs. H.P. Plas, M.J.R. Jansen en A.D. van Dalen te Utrecht,
TEGEN
1 [gedaagde 1] te [woonplaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] B.V. te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagden,
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaten mrs. E.M. van Orsouw en T.W. Nelissen te Amsterdam.
1Inleiding
1.1.
[eiser] is door zijn (voormalig) zakenpartner [naam 1] gedagvaard in de hoofdzaak. Na jarenlange samenwerking hebben [eiser] en [naam 1] een overeenkomst gesloten (de Heads of Agreement (de ‘HoA’)) en een bindend adviesprocedure gevolgd voor de verdeling en ontvlechting van hun gezamenlijke ondernemingen. De vorderingen van partijen in de hoofdzaak zien kort gezegd op nakoming van de HoA en de geldigheid van het bindend advies.
1.2.
[gedaagde 1] , destijds als advocaat verbonden aan [gedaagde 2] , heeft diverse opdrachten voor [eiser] en [naam 1] en hun vennootschappen uitgevoerd, ook in het kader van het beëindigen van de samenwerking tussen [eiser] en [naam 1] . [eiser] is kort gezegd van mening dat [gedaagde 1] hierbij zijn zorgplicht heeft geschonden waardoor hij tekort is geschoten in de nakoming van de opdrachten. [eiser] houdt [gedaagde 1] aansprakelijk voor de schade die hij hierdoor heeft geleden. De schending van de zorgplicht ziet met name op het opstellen van de HoA en de nakoming van verplichtingen van [gedaagde 1] als bindend adviseur.
1.3.
In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat [gedaagde 1] zijn zorgplicht niet heeft geschonden en evenmin op een andere manier onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. [gedaagde 1] , en daarmee [gedaagde 2] , is dus niet aansprakelijk jegens [eiser] . De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 11 februari 2026, met producties 1 tot en met 25; en
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 112.
2.2.
Op 22 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
De hoofdzaak (C/09/691239 / HA ZA 25-778) en het verzoekschrift voorlopige
bewijsverrichtingen (C/09/691307 / HA RK 25-479) zijn gelijktijdig behandeld.
Mrs. Van Dalen en Nelissen hebben spreekaantekeningen voorgedragen en partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is besproken.
3De feiten
3.1.
[eiser] en zijn (voormalig) zakenpartner [naam 1] hebben van 1993 tot november 2023 samengewerkt als ondernemers in verschillende rechtspersonen. Hun ondernemingen hielden zich bezig met activiteiten op het gebied van onroerend goed, software en het exploiteren van merkenrechten. De ondernemingen zijn gevestigd in verschillende landen.
3.2.
[gedaagde 1] is tot 1 januari 2026 werkzaam geweest als advocaat en heeft jarenlang opdrachten uitgevoerd voor [eiser] , [naam 1] en hun vennootschappen.
3.3.
Op 16 juli 2019 hebben [eiser] en [naam 1] donatie- en leningsovereenkomsten met elkaar gesloten (de ‘donatie- en leningsovereenkomsten’) met betrekking tot één van hun vennootschappen.
3.4.
Begin 2020 hebben [eiser] en [naam 1] [gedaagde 1] gevraagd tussen hen te bemiddelen. Ter bevestiging heeft [eiser] op 9 juni 2020 aan [gedaagde 1] onder meer bericht:
“Zoals zojuist afgesproken via de telefoon, ben ik ook akkoord met je bemiddeling in het meningsverschil / de meningsverschillen tussen [naam 1] [= [naam 1] , rechtbank] en mij.”
3.5.
Hierna heeft verdere e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] over het beëindigen van de samenwerking tussen [eiser] en [naam 1] .
3.6.
Bij e-mailbericht van 12 maart 2021 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] en [naam 1] geschreven:
“Als afgesproken leg ik de tussen jullie gisteren gemaakte afspraken vast.
1. [naam 1] zal binnen een week na gisteren de cijfers aan [eiser] [= [eiser] , rechtbank]
verschaffen (inclusief bankboeken/bankafschriften);
2. Binnen enkele dagen na ontvangst van de cijfers zal [eiser] laten weten of hij kan
instemmen met de rekening-courant standen;
3. Als er overeenstemming is over de rekening-courant standen zal worden onderzocht of
voldoen van de vorderingen van [naam 1] kan gebeuren door overdracht aan hem van
onroerend goed (“o/g”);
(…)
7. Er wordt gestreefd naar een aandeelhoudersovereenkomst met in de considerans een
duidelijke verwoording van de reden om de samenwerking op een andere manier voort te
zetten (…).”
3.7.
Vervolgens hebben [eiser] en [naam 1] (financiële) informatie met elkaar uitgewisseld, steeds met [gedaagde 1] in de cc van hun e-mailberichten.
3.8.
Op 4 mei 2021 hebben [eiser] en [naam 1] , voor zich en als (in)direct bestuurders en/of (in)direct aandeelhouders namens hun vennootschappen, een overeenkomst gesloten (de ‘overeenkomst van 4 mei 2021’) die betrekking had op het verschil in rekeningen-courantstanden. Hierin is onder meer opgenomen dat [eiser] per saldo € 3.137.027 meer heeft opgenomen dan [naam 1] . Verder hebben partijen afstand gedaan van het recht om de overeenkomst in zijn geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, vernietigen of anderszins te beëindigen (artikel 10). Partijen kwamen overeen dat geschillen over de uitvoering of interpretatie van de overeenkomst waarvan het niet mogelijk is om deze op te lossen met behulp van mediation en alle overige geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de overeenkomst zullen worden voorgelegd aan de rechtbank Midden-Nederland, locatie [vestigingsplaats] (artikel 12).
3.9.
Na het sluiten van de overeenkomst van 4 mei 2021 vond verdere e-mailcorrespondentie plaats tussen [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] over onder meer de rekening-courant saldi en de verrekening daarvan. In een e-mailbericht van 3 juli 2022 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] in dat verband geschreven:
“Kortom, ik ben het verschrikkelijk oneens met de handelswijze van [naam 1] en het lijkt me nogmaals het beste om zo snel mogelijk uit elkaars vaarwater te geraken.”
3.10.
Hierna heeft verdere e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] over de beëindiging van de samenwerking tussen [eiser] en [naam 1] en hebben [eiser] en [naam 1] hierover ieder afzonderlijk met [gedaagde 1] gesproken.
3.11.
Bij e-mailbericht van 21 oktober 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] onder meer geschreven:
“Het is gecompliceerd, en ik heb denk dan ook ECHT dat een onafhankelijk oordeel noodzakelijk is om hier uit te komen.
Indien dat niet kan middels een mediator zullen we in mijn ogen hoogstwaarschijnlijk bij de rechtbank belanden.
(…).
Om een oorlog voor de rechtbank te vermijden wil ik dus heel graag een simpele procedure waarbij [naam 1] en ik onze ‘realiteiten’ aan jou voorleggen en je vragen om een bindend oordeel over hoe we uit elkaar gaan.”
3.12.
[eiser] stuurde [gedaagde 1] later die dag per e-mail onder meer nog het volgende:
“We hebben echt hulp nodig om hier uit te komen… ik kan leven met een onafhankelijk oordeel: dat van jou of dat van een rechter – whatever de uitkomst.”
3.13.
Bij e-mailbericht van 23 oktober 2023 heeft [eiser] aan [naam 1] en [gedaagde 1] onder meer geschreven:
“Ik herhaal mijn wens om [gedaagde 1] [= [gedaagde 1] , rechtbank] te vragen om een bindend advies procedure te starten onder zijn leiding voor de splitsing van onze assets. Procedure kan vastgesteld worden door [gedaagde 1] op basis van onze input, maar alles uiteraard onder auspicien van [gedaagde 1] . (…).
Ons beider vertrouwen in [gedaagde 1] is hiervoor vereist. Ben jij hier ook mee akkoord? Het zou denk ik een hoop ellende voorkomen, en een zo waardig mogelijk einde maken aan onze relatie.”
3.14.
Op 30 oktober 2023 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] en [naam 1] een afwikkelingsvoorstel gestuurd, waarop [eiser] en [naam 1] uitgebreid hebben gereageerd. Zij hadden met name andere visies op de (berekening van de) hoogte van de rekening-courant standen.
3.15.
Op 8 november 2023 hebben [eiser] en [naam 1] de HoA met elkaar gesloten. De HoA is onder begeleiding van [gedaagde 1] tot stand gekomen en is bedoeld om de belangen van [naam 1] en [eiser] in hun gezamenlijke ondernemingen te ontvlechten en gelijkelijk te verdelen. [eiser] en [naam 1] spraken af dat [gedaagde 1] de in de HoA gemaakte afspraken nader zou uitwerken in een aandeelhoudersovereenkomst. [eiser] en [naam 1] zijn de HoA zowel voor zichzelf aangegaan als voor de rechtspersonen waarin zij direct of indirect als aandeelhouder of bestuurder zeggenschap hebben. Deze rechtspersonen zijn genoemd in voetnoot 1 van de HoA.
3.16.
[eiser] en [naam 1] zijn in de HoA het volgende overeengekomen:
“verklaren en komen overeen als volgt:
Na een behoorlijke procedure (schriftelijke toelichting en hoor en wederhoor) wordt het bedrag van het rekening courant verschil waar [naam 1] [= [naam 1] , rechtbank] of [eiser] [= [eiser] , rechtbank] per 31 oktober 2023 per saldo recht op heeft, door [gedaagde 1] (hierna: “ [gedaagde 1] ”) bindend vastgesteld (“S”). [eiser] en [naam 1] zullen onverwijld aan de hier bedoelde procedure hun medewerking verlenen.
De aandelen die [eiser] houdt in het kapitaal van ML gaan direct na ondertekening van deze Heads of Agreement over naar [naam 1] .
Er geldt geen upside deling ten aanzien van ML en TB of enige andere in voetnoot 1 genoemde vennootschap.
[naam 1] krijgt de rechten op het o/g., waarbij wordt uitgegaan van een waardering van 7.450.733 euro. Het (uiteindelijke) bedrag van S wordt van die waarde afgetrokken en het restant (“R”) wordt geteld bij de 10.650.000 euro voor TB. Dat totaal (“T”) is te verdelen. Het [eiser] toekomende deel van R (“RJob”) verblijft aan [naam 1] (die immers alle rechten op het o/g verkrijgt) en wordt in mindering gebracht op de helft van 10.650.000 (het aandeel van [naam 1] in de waarde van TB).
Uitgaande van een waardering van 10.650.000 voor TB, wordt 10.650.000 gedeeld door het aantal aandelen. [eiser] verkrijgt van [naam 1] zoveel TB gehouden aandelen als corresponderend met RJob gedeeld door de prijs per aandeel. De overige door [naam 1] in het kapitaal van TB gehouden aandelen worden voorwerp van een put/call optie tegen de initiële prijs (de prijs per aandeel als volgend uit dit onderdeel 5) plus inflatie.
Het aantal aandelen in het kapitaal van TB dat door [naam 1] aan [eiser] zal worden overgedragen, wordt door [naam 1] geleverd zodra S is vastgesteld.
Het IP van software wordt verkocht door Tempting Brands AG (TBAG) aan ML Holding BV(ML) voor de waarde van de tax ruling (CHF 700K) plus de waarde van de IP facturen uit Q1 2023 die General Magic Srl (GMSrl) gestuurd heeft aan TBAG ter grootte van EUR 408’744,-. De daardoor ontstane vordering van TBAG op ML wordt verrekend met het rekening courant dat [naam 1] bij TBAG heeft.
GMTSRL [Is dit SC General Magic Technology SRL?]
wordt voor een minimale waarde verkocht door [naam 1] en [eiser] aan Magic Lane Holding BV.
9. TB International SRL verandert haar naam in een naam die niet refereert aan of associeert met TB.
10. De aan TB behorende internet domeinen worden overgedragen aan TB.
11. Er zullen over en weer geen andere vrijwaringen of garanties gelden dan uitdrukkelijk blijkend uit deze Heads of Agreement of de aandeelhoudersovereenkomst.
12. [eiser] en [naam 1] verklaren dat zij geen informatie onvermeld hebben gelaten, waarvan zij (behoren te) weten, dat die van belang was voor de ander om te besluiten akkoord te gaan met deze Heads of Agreement.
13. Er komt een aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TB, waarvan de strekking is dat de aandeelhouderswaarde zo veel mogelijk wordt behouden, onder meer – maar daartoe niet beperkt - door de afspraak dat boven de solvabiliteitsnorm van 20% wordt alle winst wordt uitgekeerd en anders dan at arm’s length geen bedrijfsonderdelen zullen worden vervreemd.
14. De hiervoor bedoelde aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TB zal worden opgesteld door [gedaagde 1] , die zich desgewenst kan voorzien van de hulp van een kantoorgenoot;
15. Met betrekking tot het verval/ verrekening van schulden/vorderingen tussen de verschillende betrokken (groeps)maatschappijen en personen, geldt het volgende: Anders dan de door [gedaagde 1] vast te stellen rekening courant per 31 oktober 2023 bestaan er na uitvoering van de aandeelhoudersovereenkomst geen schulden meer tussen partijen in privé en tussen de ondernemingen van partijen over en weer. Verrekening vindt plaats volgens een aan de Heads of Agreement te hechten bijlage.
16. Voor zover er bij de uitwerking van deze Heads of Agreement of anderszins tussen aandeelhouders een verschil van mening overblijft of ontstaat, zal over dat onderwerp door de hierna te noemen dispute board een bindend advies worden gegeven, tot de naleving waarvan de ondergetekenden zich nu voor alsdan verplichten.
17. [eiser] en [naam 1] verbinden zich tot onvoorwaardelijke en onverwijlde medewerking aan al hetgeen gewenst en nodig is voor de nakoming van de verbintenissen als genoemd in deze Heads of Agreement en in de als uitvloeisel daarvan op te stellen aandeelhoudersovereenkomst zowel pro se als in hun hoedanigheid van aandeelhouder en/ of bestuurder van de in voetnoot 1 van deze Heads of Agreement genoemde rechtspersonen.
18. Er komt een dispute board in de persoon van [gedaagde 1] . Mocht [gedaagde 1] niet (langer) bereid of in staat zijn deze rol op zich te nemen, dan zal hij een derde aanwijzen om die rol op zich te nemen, welke derde dan de dispute board zal belichamen.
19. De ondergetekenden doen afstand van het recht om deze Heads of Agreement te ontbinden of te vernietigen of daar van de ontbinding of vernietiging te vorderen.
20. Op deze Heads of Agreement is het Nederlands recht van toepassing en in een geval van een geschil over een ingevolge deze overeenkomst uit te brengen bindend advies of een buiten het bereik van deze Heads of Agreement vallend geschil, is bij uitsluiting de Nederlandse rechter bevoegd.”
3.17.
Ter uitvoering van artikel 1 HoA hebben [eiser] en [naam 1] (als opdrachtgevers) en [gedaagde 1] (als opdrachtnemer) op 11 november 2023 een bindend-advies-overeenkomst gesloten, waarin zij het volgende zijn overeengekomen:
“Opdracht: Bindende vaststelling van het bedrag van het rekening courant verschil waar [naam 1] of [eiser] per 31 oktober 2023 per saldo recht op heeft.
Procedure
:
(1) [eiser] en [naam 1] krijgen ieder tot 3 december 2023 de gelegenheid hun visie op de verschillende rekening courant standen digitaal aan [gedaagde 1] te sturen. Die zal de desbetreffende stukken uitwisselen. De stukken dienen te zijn voorzien van de aan de in de stukken ingenomen standpunten ten grondslag liggende bewijsstukken (zoals uit de administratie).
(2) De door [eiser] en [naam 1] in te zenden stukken zullen in Word (fond Calibri 11) worden aangeleverd en de bijlagen in reproduceerbare vorm en tevens in hard copy per koerier worden verzonden aan [gedaagde 1] , (…).
(3) Na uitwisseling van de hier voor bedoelde stukken, krijgt ieder de gelegenheid tot 11 december 2023 om schriftelijk te reageren op de van de ander ontvangen stukken. De reactie op de stukken van de ander zullen weer op dezelfde wijze als onder 1) genoemd worden toegezonden aan [gedaagde 1] , die weer voor toezending aan beiden zal zorgen van de reactie van de ander.
(4) Op 20 december 2023 om 10.00 uur zal een virtuele bijeenkomst plaatsvinden, waarbij [eiser] en [naam 1] de gelegenheid hebben de door hen ingestuurde stukken toe te lichten en elkaar te bevragen. In deze bijeenkomst zal worden onderzocht of er nog behoefte bestaat aan een nadere uitwisseling van stukken, dan wel of [gedaagde 1] nog nadere informatie wil ontvangen.
[gedaagde 1] verneemt graag welke dagen in de week van 18 december [eiser] en [naam 1] voor een virtuele bijeenkomst beschikbaar kunnen zijn.
Het bindend advies van [gedaagde 1] geldt tussen [eiser] en [naam 1] als vaststellingsovereenkomst tussen hen beiden.”
3.18.
[gedaagde 1] heeft de opdracht tot het geven van een bindend advies aanvaard.
3.19.
Bij e-mailbericht van 9 december 2023 heeft [gedaagde 1] [eiser] en [naam 1] gevraagd om ermee in te stemmen dat hij zou oordelen als goede man naar billijkheid. Zij hebben daar diezelfde dag mee ingestemd.
3.20.
Vervolgens hebben [eiser] en [naam 1] in meerdere schriftelijke en mondelinge rondes hun visie op de rekening-courant verhouding tegenover [gedaagde 1] uiteengezet en onderbouwd en vragen van [gedaagde 1] beantwoord.
3.21.
[gedaagde 1] heeft op 24 maart 2024 een bindend advies uitgebracht (het ‘bindend advies’), ter uitvoering van de HoA en de bindend-advies-opdracht. [gedaagde 1] heeft als uitgangspunt genomen dat de donatie- en leningsovereenkomsten en de overeenkomst van 4 mei 2021 rechtsgevolgen hebben en moeten worden nagekomen. [gedaagde 1] heeft in het bindend advies het rekening-courant saldo zoals vermeld in de overeenkomst van 4 mei 2021 tot uitgangspunt genomen. [gedaagde 1] heeft, als goede man naar billijkheid, bepaald dat het rekening-courant verschil tussen [naam 1] en [eiser] op 31 oktober 2023 € 2.500.000 is.
3.22.
In een e-mailbericht van 31 maart 2024 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] en [naam 1] onder meer geschreven:
“@ [eiser] : Uit het uitblijven van een reactie jouwerzijds, [eiser] , leid ik af, dat jij ernstig teleurgesteld bent in de uitkomst van de procedure. Dat laat zich ook begrijpen wanneer ik kijk naar het verwachtingspatroon dat er aan jouw kant bestond. Ik stel mij voor dat het jou in bijzonder tegen zal zijn gevallen, dat jouw mail van 21 september 2021 er niet toe geleid heeft, dat er een (groter) bedrag van de rekening courant van [naam 1] is afgetrokken. De reden daarvoor is in het bindend advies genoemd. (…).
Ik weet niet of het vorenstaande iets meer inzicht geeft in de gevolgde gedachtegang en ook niet of het helpt jouw teleurstelling te verzachten, maar ik had er toch behoefte aan dit wat meer toe te lichten, dan misschien uit de uitspraak sec zou blijken.
@ [eiser] ook: Wanneer jij inmiddels onvoldoende vertrouwen meer in mij stelt om verder betrokken te blijven bij de voortgang van hetgeen jullie nog te doen staat, heb ik daar alle begrip voor. Ik zal jullie dan graag behulpzaam zijn bij het vinden van een ander, die het traject verder kan begeleiden. Je kunt ook gaan procederen over de inhoud van het bindend advies. Dat zijn allemaal keuzen die aan jou zijn en ik – welke je ook maakt – steeds zal respecteren.”
3.23.
In een e-mailbericht van 12 april 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] het volgende bericht:
“Ik wil hierbij laten weten dat ik mij niet kan vinden in de (bijzonder teleurstellende) uitkomst van het bindend advies. Op dit moment laat ik mij adviseren door een gespecialiseerde advocaat over mogelijk verder te nemen stappen. Om deze reden wil ik wachten met de verdere uitvoering van het bindend advies en de heads of agreement. Ik verwacht hier komende maand op terug te komen, hetgeen dan wellicht ongeveer zal samenvallen met het moment waarop je terug bent.”
3.24.
[gedaagde 2] heeft een concept-aandeelhoudersovereenkomst opgesteld (datum concept 4 juni 2024), die bedoeld was om een aantal afspraken uit de HoA nader uit te werken. In de concept-aandeelhoudersovereenkomst is de in artikel 5 HoA genoemde calloptie uitgewerkt en is geen putoptie genoemd of uitgewerkt. [eiser] en [naam 1] waren beiden niet akkoord met de inhoud van de concept-aandeelhoudersovereenkomst en zij zijn vervolgens niet tot een definitieve aandeelhoudersovereenkomst gekomen.
3.25.
Begin juli 2024 nam een door [eiser] ingeschakelde accountant contact op met [gedaagde 1] . Vanaf dat moment heeft [gedaagde 1] geprobeerd om een overleg met [eiser] en [naam 1] te plannen, met als doel verdere complicaties te voorkomen en te zoeken naar pragmatische oplossingen. Dat is niet gelukt.
3.26.
Op 13 augustus 2024 ontving [gedaagde 1] een verzoek van [eiser] om, in zijn rol als dispute board als bedoeld in artikel 18 HoA, met spoed een bindende beslissing te nemen over het aanstellen van een fiscalist als boekhouder per 2024. Hierop liet [gedaagde 1] op 16 augustus 2024 aan [eiser] en [naam 1] weten alleen in algemene termen iets te kunnen opmerken over het verzoek om een fiscalist aan te stellen, aangezien een eventueel geschil daarover via een volwaardige bindend advies procedure zou moeten worden beslecht.
3.27.
Bij e-mailbericht van 22 augustus 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde 1] onder meer meegedeeld dat [eiser] geen vertrouwen meer heeft in het functioneren van [gedaagde 1] als bindend adviseur. Hij heeft er bij [gedaagde 1] op aangedrongen om aan het secretariaat van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam te vragen een bindend adviseur aan te wijzen. Hierop reageerde [gedaagde 1] in een e-mailbericht van 23 augustus 2024 onder meer:
“Indien met het oog op een voorspoedige oplossing jullie beiden het eens zijn over mediation en daarbij een andere mediator ok vinden, ben ik bereid nog komende week 3 namen voor te stellen, waaruit jullie een keuze kunnen maken. Bij gebreke van overeenstemming, zal ik dan één van die drie aanwijzen, zodat de mediation inderdaad in de week van 9 september kan plaatsvinden. Een verzoek aan de OK richten doe ik niet. In de komende week kunnen jullie dan ook een opdracht formuleren voor het geval er bij het niet slagen van de mediation een rolwisseling zou moeten plaatsvinden en de mediator een bindend advies zou moeten geven. Zonder dit laatste, is er van enige structuur geen sprake.”
3.28.
Hierop heeft de advocaat van [eiser] op 23 augustus 2024 aan [gedaagde 1] onder meer meegedeeld dat sprake was van een ernstig gebrek aan vertrouwen in de huidige bindend adviseur en heeft hij het verzoek herhaald om een nieuwe bindend adviseur aan te wijzen via de Ondernemingskamer.
3.29.
[gedaagde 1] heeft vervolgens voorgesteld om met [eiser] , [naam 1] en hun advocaten het gesprek aan te gaan over het bindend advies. De bespreking heeft op 10 september 2024 plaatsgevonden.
3.30.
Op 15 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] een verzoek ontvangen van de accountant van [eiser] om te reageren op een concept-rapportage. Uit het verzoek bleek dat de accountant in opdracht van [eiser] zijn reflectie op het bindend advies had onderzocht. [gedaagde 1] liet hem onder meer weten niet op het rapport te zullen reageren, omdat het niet past met (de vertegenwoordiger van) één van de bij het bindend advies betrokken partijen over de inhoud van het bindend advies een dialoog aan te gaan.
3.31.
Bij brief van 6 november 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld en onder meer meegedeeld dat [eiser] geen vertrouwen meer heeft in zijn functioneren als (bindend) adviseur en hem verzocht terug te treden en een derde als bindend adviseur aan te wijzen.
3.32.
Bij e-mailbericht van 15 november 2024 heeft [gedaagde 1] de advocaten van [eiser] en [naam 1] uitgenodigd voor een (Zoom) gesprek om met elkaar na te gaan of partijen tot een minnelijke oplossing konden komen of dat het geschil tussen hen via procedures bij de rechter zou moeten worden beslecht.
3.33.
Bij e-mailbericht van 18 november 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] als volgt gereageerd:
“[eiser] kan ermee instemmen dat onder leiding van een opvolgend bindend adviseur een gesprek zal plaatsvinden zoals bedoeld in jouw e-mail.
Het voorgaande betekent ook dat de sommaties in mijn brief van 6 november 2024 onverkort van kracht blijven.
Aan de in die brief genomen sommaties, is geen gehoor gegeven. Dat betekent dat rechtsmaatregelen zullen worden getroffen.
Tot deze rechtsmaatregelen behoort onder meer een kort geding waarin wordt gevorderd dat je zult worden veroordeeld tot:
terugtreden als bindend adviseur; en
aanwijzen van een opvolgend bindend adviseur door middel van een objectieve procedure.
Mocht je alsnog vrijwillig hieraan gehoor willen geven, dan verneem ik dat graag uiterlijk 20 november aanstaande.”
3.34.
Bij e-mailbericht van 20 november 2024 heeft [gedaagde 1] de advocaat van [eiser] nogmaals verzocht om in overleg te treden. [gedaagde 1] heeft onder meer geschreven:
“In de HoA heb ik mij een recht voorbehouden om een einde te maken aan mijn rol als bindend adviseur. Indien ik onder de inmiddels gecreëerde omstandigheden van dat recht gebruik zou willen maken, dan kan dat niet dan met grote zorgvuldigheid en naar redelijkheid en billijkheid rekening houdend met de belangen van beide partijen.”
3.35.
Omdat (de advocaten van) [eiser] en [naam 1] niet tot een oplossing kwamen heeft [gedaagde 1] de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland op 24 november 2024 tevergeefs verzocht om te bemiddelen tussen hem en mr. Plas.
3.36.
Naar aanleiding van telefonisch overleg tussen de advocaten van [eiser] en [naam 1] heeft de advocaat van [eiser] in een e-mailbericht van 6 december 2024 aan [gedaagde 1] onder meer geschreven:
“Het telefonisch overleg heeft niet tot een wijziging van inzichten en standpunten geleid voor wat betreft de persoon van de bindend adviseur in de dispute board. (…).
Daarmee resteert mij expliciet erop te wijzen dat [eiser] aanstonds rechtsmaatregelen zal treffen tegen jou en jouw kantoor indien je meent een bindend adviesaanvraag in behandeling te moeten nemen. Daarbij dient niet alleen te worden gedacht aan een kort geding tot terugtreden als bindend adviseur, maar ook aan een bodemprocedure tot verhaal van schade als gevolg van de tekortkomingen en eventuele nevenmaatregelen.”
3.37.
Hierop heeft de advocaat van [naam 1] bij e-mailbericht van 9 december 2024 aan [gedaagde 1] onder meer geschreven dat het zijn voorkeur heeft dat [gedaagde 1] aanblijft als dispute board.
3.38.
Vervolgens heeft [gedaagde 1] bij e-mailbericht van 9 december 2024 aan de advocaten van [eiser] en [naam 1] meegedeeld dat hij zijn functie als dispute board neerlegt, wat de redenen daarvoor zijn en dat hij geen vervanger zal aanwijzen.
3.39.
Op 23 december 2024 heeft [naam 2] in opdracht van [eiser] een rapport uitgebracht met betrekking tot het bindend advies. [naam 2] heeft zijn conceptrapportage op 15 oktober 2024 voor hoor en wederhoor aan [gedaagde 1] voorgelegd, die heeft laten weten niet te zullen reageren op de inhoud daarvan.
3.40.
Op 5 maart 2025 heeft [naam 1] de dagvaarding in de hoofdzaak uitgebracht. De vorderingen van [naam 1] zien met name op nakoming door [eiser] van de HoA. [eiser] heeft vorderingen in reconventie ingesteld, die eveneens zien op nakoming van de HoA. Daarnaast vordert [eiser] (gedeeltelijke) vernietiging van het bindend advies.
3.41.
Op 29 juli 2025 vernam [gedaagde 1] via de advocaat van [naam 1] dat [eiser] een conceptverzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen had laten opstellen. [eiser] heeft dat verzoekschrift op 8 september 2025 bij de rechtbank ingediend (C/09/691307 / HA RK 25-479). [gedaagde 1] is één van de belanghebbenden bij het verzoekschrift. [eiser] verzoekt onder meer dat [naam 1] afschriften van, inzage of uittreksels van bepaalde gegevens verstrekt over, kort gezegd, de bemiddeling en het bindend advies. De rechtbank heeft vandaag een tussenbeslissing genomen over het verzoek voorlopige bewijsverrichtingen.
3.42.
In september en oktober 2025 hebben [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] via e-mail gecorrespondeerd over een (aandeelhouders)geschil tussen [eiser] en [naam 1] , waarbij [eiser] [gedaagde 1] heeft verzocht te bevestigen dat [gedaagde 1] zijn rol als neutral evaluator zou neerleggen. Hierop heeft [gedaagde 1] onder meer geantwoord dat enige verdere rol van hem als neutral evaluator wordt belemmerd en niet mogelijk is.
3.43.
In oktober 2025 hebben [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] via e-mail gecorrespondeerd over de benoeming van een opvolgend bindend adviseur, maar zij zijn niet tot een oplossing gekomen.
3.44.
Bij e-mailbericht van 17 december 2025 heeft [eiser] [gedaagde 1] een conceptkort-geding-dagvaarding gezonden, met daarin de vordering [gedaagde 1] te gelasten een opvolgend bindend adviseur te benoemen op straffe van een dwangsom. Hierop heeft [gedaagde 1] op 18 december 2025 gereageerd en de advocaten van [eiser] en [naam 1] uitgenodigd om begin januari 2026 overleg te plegen over de kwestie van de (opvolgend) bindend adviseur. Hierna hebben de advocaten van [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] nader gecorrespondeerd, maar zij zijn niet tot een compromis gekomen.
3.45.
Vervolgens heeft [gedaagde 1] op 24 december 2025 de heer W. Meijer (‘Meijer’) als dispute board aangewezen, uitsluitend voor zover [gedaagde 1] hier rechtens toe gehouden zou zijn. Meijer verbond hier voorwaarden aan en heeft de functie van bindend adviseur (nog) niet aanvaard.
3.46.
Bij dagvaarding van 11 februari 2026 heeft [eiser] [gedaagden] in vrijwaring opgeroepen.
3.47.
Bij (tussen)vonnis van 16 september 2026 (het ‘tussenvonnis’) heeft de rechtbank in de hoofdzaak, voor zover hier van belang, geoordeeld dat er geen redenen zijn om het bindend advies van [gedaagde 1] te vernietigen.
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] , jegens [eiser] , als bindend adviseur en/of adviseur tekortgeschoten is/zijn in de nakoming van zijn/haar/hun verplichtingen, althans dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] heeft/hebben gehandeld door de zorgplicht jegens [eiser] te schenden;
veroordeling van [gedaagden] hoofdelijk, waarbij in het geval de één betaalt, de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, tot vergoeding aan [eiser] van de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden en nog lijdt, nader op te maken bij staat;
veroordeling van [gedaagden] hoofdelijk, waarbij in het geval de één betaalt, de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van een voorschot op de schade ter hoogte van € 996.506, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
wanneer [eiser] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [naam 1] , dwangsommen en proceskosten daaronder begrepen, maar niet beperkt daartoe, veroordeling van [gedaagden] hoofdelijk, waarbij in het geval de één betaalt, de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van eenzelfde bedrag;
veroordeling van [gedaagden] hoofdelijk, waarbij in het geval de één betaalt, de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van de kosten van de vrijwaringsprocedure, alsmede tot betaling van een bedrag van € 178 aan nasalaris ingeval van niet-betekening van het vonnis en € 278 ingeval van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] is ten aanzien van de nakoming van diverse essentiële verplichtingen die hij had als (bindend) adviseur tekortgeschoten. De opdracht is door [gedaagde 1] in persoon aanvaard. Bovendien was de opdracht aan [gedaagde 1] verleend met het oog op zijn persoon (artikel 7:404 BW). Deze tekortkomingen van [gedaagde 1] zijn volledig aan hem toe te rekenen. [gedaagde 1] is daarom in persoon aansprakelijk jegens [eiser] . De werkzaamheden van [gedaagde 1] werden gefactureerd door [gedaagde 2] en [gedaagde 2] ontving dus de opbrengsten voor de diensten van [gedaagde 1] . Daarom kwalificeert [gedaagde 2] volgens [eiser] eveneens als opdrachtnemer en is zij eveneens aansprakelijk.
[gedaagde 1] , en daarmee ook [gedaagde 2] , is aansprakelijk voor de door [gedaagde 1] in hoedanigheid van (bindend) adviseur veroorzaakte schade op grond van artikel 6:74 BW en artikel 7:401 BW. De schending van de zorgplicht is volgens [eiser] ook een onrechtmatige daad, zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk zijn.
Er bestaat direct causaal verband tussen het handelen en nalaten van [gedaagde 1] en de schade aan de zijde van [eiser] . Omdat de omvang van de schade zich nog niet goed laat vaststellen, vordert [eiser] verwijzing naar de schadestaatprocedure en een voorschot op de schade. Het bedrag van het voorschot blijkt volgens [eiser] uit het accountantsrapport dat hij heeft laten opstellen nadat [gedaagde 1] het bindend advies had afgegeven.
Aan vordering 4 legt [eiser] ten grondslag dat het niet aanvaardbaar is als hij met het financiële nadeel achterblijft, terwijl [gedaagde 1] aansprakelijk is. Deze vordering ziet op betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de hoofdzaak en vergoeding van de schade die [eiser] lijdt als in de hoofdzaak een andere vordering dan een geldvordering jegens hem wordt toegewezen.
4.3.
[gedaagden] voert verweer.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, aangezien [eiser] in [land] woont. De rechtbank moet daarom allereerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en als dit het geval is, welk recht hierop van toepassing is.
5.2.
Op grond van artikel 2 lid 1 Lugano II heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, nu [gedaagden] woonplaats heeft in Nederland. Op de vorderingen zal Nederlands recht worden toegepast, van welk recht partijen ook uit gaan.
Algemene voorwaarden [gedaagde 2]
5.3.
[gedaagden] betoogt, met een beroep op de algemene voorwaarden van [gedaagde 2] , dat alleen [gedaagde 2] opdrachtnemer was van de door [eiser] , [naam 1] en/of de vennootschappen verstrekte opdrachten (artikel 2 van de algemene voorwaarden). Dit betekent volgens [gedaagden] dat [gedaagde 1] niet in persoon kan worden aangesproken door [eiser] . Ten aanzien van [gedaagde 2] heeft volgens [gedaagden] te gelden dat de aansprakelijkheid beperkt is tot het bedrag waarop de door [gedaagde 2] afgesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering aanspraak geeft (artikel 3 van de algemene voorwaarden). [eiser] betwist dit.
5.4.
Aangezien de rechtbank hierna oordeelt dat [gedaagde 1] niet aansprakelijk is en [gedaagde 2] evenmin, hebben partijen geen belang bij beoordeling van dit beroep op de algemene voorwaarden van [gedaagde 2] . De stellingen van partijen over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gedaagde 2] kunnen daarom onbesproken blijven.
Schending van de zorgplicht?
5.5.
[eiser] stelt, kort gezegd, dat [gedaagden] , in hoedanigheid van adviseur bij het opstellen van de HoA en als bindend adviseur, is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht doordat hij zijn zorgplicht heeft geschonden. [eiser] stelt hierdoor schade te hebben geleden.
5.6.
Het schenden van de zorgplicht bestaat er volgens [eiser] uit dat [gedaagde 1] :
het bindend advies heeft gewezen in strijd met de aan hem verstrekte opdracht;
in het bindend advies beslissingen heeft genomen over kwesties waarvan [gedaagde 1] onvoldoende kennis had;
de beslissingsmaatstaf tijdens de bindend advies procedure heeft veranderd;
in het bindend advies onbegrijpelijke, of in ieder geval onvoldoende gemotiveerde, beslissingen heeft genomen over de in 2019 en 2021 tussen [eiser] en [naam 1] gesloten overeenkomsten;
in het bindend advies reken- en denkfouten heeft gemaakt;
artikel 5 HoA onzorgvuldig heeft opgesteld; en
eerder had moeten aftreden als dispute board.
5.7.
[gedaagden] heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde 1] de zorgplicht heeft geschonden.
5.8.
De rechtbank stelt voorop dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagden] moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. Een opdrachtnemer moet bij de uitvoering van zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen (artikel 7:401 BW). Dit betekent dat een (bindend) adviseur te werk moet gaan als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Hierbij moet een eventuele tekortkoming van [gedaagde 1] in beginsel aan [gedaagde 2] , aan welk kantoor [gedaagde 1] indertijd verbonden was, worden toegerekend als eigen gedraging.
5.9.
[eiser] heeft in de hoofdzaak in reconventie (gedeeltelijke) vernietiging van het bindend advies van [gedaagde 1] gevorderd. Ter onderbouwing van die vordering heeft [eiser] een beroep gedaan op dezelfde feiten en verwijten die aan de gestelde schendingen van de zorgplicht van een bindend adviseur onder 5.6 a tot en met e ten grondslag liggen. In het tussenvonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank de vordering tot vernietiging van het bindend advies van [gedaagde 1] afgewezen (zie randnummers 5.57 – 5.71 van het tussenvonnis). De rechtbank heeft in het kader van de beoordeling van de gevorderde vernietiging geoordeeld dat [gedaagde 1] ten aanzien van de gestelde schendingen van de zorgplicht onder 5.6 a tot en met e niet tekortgeschoten is, en dat om die reden dus ook geen sprake is van een bindend advies waarin de gebondenheid daarvan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
5.10.
In deze vrijwaringsprocedure herhaalt de rechtbank de volgende overwegingen uit de hoofdzaak en maakt deze integraal onderdeel van haar beoordeling in deze vrijwaringsprocedure:
‘5.63. Partijen hebben [gedaagde 1] in gezamenlijk overleg ingeschakeld. Zij zijn daarom in beginsel gebonden aan de inhoud van het door [gedaagde 1] uitgebrachte bindend advies.
5.64.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de eisen die worden gesteld aan de wijze van tot stand komen van een bindend advies. Vast staat immers dat [gedaagde 1] een behoorlijke procedure heeft gevoerd voordat hij tot zijn oordeel kwam. [gedaagde 1] heeft [eiser] en [naam 1] uitgebreid in de gelegenheid gesteld om hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten. Zij hebben de door [gedaagde 1] benodigde informatie zelf aangeleverd en deze informatie was bekend bij beide partijen. [gedaagde 1] heeft hoor en wederhoor toegepast en partijen hebben kunnen reageren op elkaars standpunt. Procedureel is de totstandkoming van het bindend advies dus zorgvuldig gegaan. [gedaagde 1] is in deze dus niet tekortgeschoten in de uitvoering van zijn opdracht.
5.65.
Partijen zijn het er over eens dat er veel onduidelijk was voorafgaand aan het sluiten van de HoA. Zij hadden hun samenwerking sinds het begin in 1993 ‘fiscaal optimaal’ geregeld, waarbij de boekhouding van de vennootschappen, de juridische verhoudingen tussen de vennootschappen en de feitelijke operatie niet altijd goed op elkaar aansloten. Het verschil in rekening-courant saldi was een terugkerend geschilpunt tussen partijen. Partijen hebben in 2019 en in 2021 pogingen gedaan om onevenwichtigheden daarin recht te trekken door het sluiten van de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021. [gedaagde 1] heeft die overeenkomsten in zijn bindend advies tot ijkpunten genomen en heeft daarnaast alle informatie die partijen hebben aangeleverd in zijn oordeel betrokken. [eiser] heeft tijdens de bindend adviesprocedure alle ruimte gehad om zijn standpunt met betrekking tot de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021 toe te lichten en [gedaagde 1] heeft daarover in het bindend advies een gemotiveerde beslissing genomen. Dit leidde ertoe dat [gedaagde 1] de overeenkomsten uit 2019 en 2021 als beginpunt nam voor de bepaling van de rekening-courant stand. Naar het oordeel van de rechtbank paste dit binnen de opdracht van [gedaagde 1] als geformuleerd in artikel 1 HoA en heeft hij dit zorgvuldig gedaan.
5.66.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] niet buiten zijn opdracht is getreden, zoals [eiser] stelt en [naam 1] betwist. Bij de opdracht hoort ook dat [gedaagde 1] mocht beslissen als goede man naar billijkheid. [gedaagde 1] heeft dit op 9 december 2023, voordat hij met de inhoudelijke werkzaamheden voor het bindend advies begonnen is, aan partijen voorgelegd en zij hebben daarmee ingestemd. Als hier in de bindend adviesopdracht niets over is geregeld, moet de bindend adviseur beslissen ’naar de regelen des rechts’. Maar de bedoeling van partijen was dat [gedaagde 1] zou beslissen na een korte procedure – mede in het licht van de ziekte van [eiser] – en dus niet na een lange procedure met deskundigenberichten et cetera. Hierbij is het niet zo dat [gedaagde 1] gedurende de bindend adviesprocedure een andere maatstaf heeft toegepast. Op dit onderdeel is [gedaagde 1] dus niet tekortgeschoten in de uitvoering van zijn opdracht. [gedaagde 1] heeft in het begin de uitgangspunten van het proces met partijen gedeeld en zij hebben hiermee ingestemd.
5.67.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de tekst van artikel 1 HoA uitgaat van een financiële berekening en niet van een juridisch oordeel over de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021. Volgens [eiser] zou [gedaagde 1] het rekening-courant saldo vanaf het begin van de samenwerking met [naam 1] uitzoeken. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] dit redelijkerwijs niet van [gedaagde 1] had mogen verwachten; dat is gezien de gang van zaken tussen partijen en de gevoerde administratie ondoenlijk en het ligt niet in de aard van de opdracht. [eiser] wist immers dat [gedaagde 1] jurist was en geen registeraccountant. Partijen kenden de achtergrond en expertise van [gedaagde 1] en hebben hem samen – met klem – gevraagd als bindend adviseur op te treden om zodoende een redelijke en billijke oplossing voor hun geschil te krijgen, omdat [gedaagde 1] wist hoe [eiser] en [naam 1] zaken deden.
5.68.
Zoals blijkt uit randnummer 4.1 van het bindend advies, was [gedaagde 1] bekend met het feit dat [eiser] de bindend advies opdracht zo uitlegde dat vanaf het begin van de samenwerking met [naam 1] moest worden gekeken naar de rekening-courant saldi. Onder andere uit randnummers 6.9 en 6.10 van het bindend advies blijkt dat [gedaagde 1] dit standpunt van [eiser] in zijn beoordeling betrokken heeft en dit vervolgens gemotiveerd heeft afgewezen:
“6.9 De interpretatie van [eiser] van de bindend advies opdracht, inhoudende dat de bindend adviseur vanaf het moment van het begin van de samenwerking met [naam 1] dient na te wat de één en de ander in rekening courant heeft ontvangen of wat sedertdien er aan bedragen al dan niet ten onrechte wel of niet in ieders rekening courant is terechtgekomen, gaat in zoverre niet op, dat waar het boekingen van voor 30 april 2019 betreft, die in beginsel niet in de beoordeling (kunnen) worden betrokken.
6.10
De aandacht zal hierna (gelet op het voorgaande, daarom) vooral uitgaan naar mutaties die zich na 30 april 2021 hebben voorgedaan of hadden moeten voordoen en waaruit zou blijken dat het in per die datum berekende verschil in rekening courant tussen [eiser] en [naam 1] vastgestelde bedrag niet juist was.”
5.69.
Verder kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde 1] dusdanige fouten heeft gemaakt dat het bindend advies onbegrijpelijk gemotiveerd is. [eiser] verwijst naar het rapport van [naam 2] , waaruit volgens [eiser] volgt dat [gedaagde 1] denk- en rekenfouten heeft gemaakt. Als de rechtbank bij wijze van veronderstelling voor juist houdt dat [gedaagde 1] rekenfouten heeft gemaakt, dan leidt dat niet tot een ander oordeel. [gedaagde 1] moest namelijk rekenen met wat partijen aanleverden en het was niet de bedoeling dat [gedaagde 1] zelfstandig in de administraties van de ondernemingen zou gaan grasduinen. Dit volgt uit de uitleg van de opdracht aan [gedaagde 1] . Er is dan ook geen sprake van een fout in de context van de opdracht. Verder volgt uit de stellingen van [eiser] niet dat de informatie waaraan [naam 2] in zijn advies refereert, ook is ingebracht in de procedure bij [gedaagde 1] . De vraag is dus of [gedaagde 1] daadwerkelijk fouten gemaakt heeft bij het opstellen van het bindend advies. [eiser] stelt daartoe onvoldoende. Voor een fout in het bindend advies moet [eiser] stellen en concreet maken dat een rekenfout is gemaakt, dat hij [gedaagde 1] daarop heeft gewezen en dat [gedaagde 1] de fout vervolgens ten onrechte niet heeft gewijzigd. Dat heeft [eiser] nagelaten. [gedaagde 1] heeft het bindend advies wel op andere punten gecorrigeerd, maar dat was in de eerste plaats omdat een aantal zaken onduidelijk is gebleven.’
5.11.
De rechtbank concludeert, op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, dat er geen sprake is van schending van de zorgplicht door [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van bindend adviseur op grond van de verwijten genoemd onder a tot en met e.
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat evenmin sprake is van schending van de zorgplicht door [gedaagde 1] als adviseur op grond van de verwijten onder 5.6 f en g en licht dit als volgt toe.
5.13.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 1] , in zijn hoedanigheid van adviseur, artikel 5 HoA onzorgvuldig heeft opgesteld. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] , kennelijk abusievelijk, niet alleen een calloptie maar ook een putoptie opgenomen in artikel 5 HoA, terwijl [eiser] en [naam 1] met [gedaagde 1] hadden besproken dat zij een recht tot koop voor [eiser] wilden opnemen ten aanzien van de overname van de aandelen in TBAG. [eiser] is nu geconfronteerd met een vordering van [naam 1] tot het verplicht afnemen van de aandelen, terwijl [eiser] kampt met liquiditeitsproblemen. Dit leidt tot schade voor [eiser] . [gedaagden] betwist dat [gedaagde 1] artikel 5 HoA onzorgvuldig heeft opgesteld en abusievelijk “put/call optie” heeft opgenomen.
5.14.
Zoals de rechtbank in randnummer 5.36 van het tussenvonnis in de hoofdzaak heeft overwogen is de “put/call optie” in artikel 5 HoA bedoeld als een onderwerp dat nog uitgewerkt had moeten worden in een aandeelhoudersovereenkomst. De HoA geeft immers op hoofdlijnen weer hoe de zakelijke belangen zouden worden afgewikkeld. [gedaagde 1] heeft [eiser] en [naam 1] op 4 juni 2024 overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 13 en 14 HoA een concept-aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TBAG gezonden. In de concept-aandeelhoudersovereenkomst is onder 6 alleen een calloptie uitgewerkt, maar er is geen putoptie genoemd of uitgewerkt. Hieruit leidt de rechtbank af dat de in artikel 5 HoA genoemde “put/call optie” zo moet worden begrepen dat deze nog in een aandeelhoudersovereenkomst nader uitgewerkt zou worden. [eiser] en [naam 1] zijn ervaren zakenmannen, zodat [gedaagde 1] hen in dit stadium niet verder had hoeven informeren over of waarschuwen voor de consequenties van hun afspraken, of de partijen bij de HoA expliciet op dit artikel had moeten wijzen. Bovendien heeft [gedaagden] onweersproken gesteld dat [eiser] meerdere concepten van de HoA heeft gezien waarin de “put/call optie” was opengelaten, daar nooit iets over heeft opgemerkt en de definitieve versie van de HoA zelf heeft ondertekend.
5.15.
[eiser] stelt verder dat [gedaagde 1] de zorgplicht heeft geschonden doordat hij eerder had moeten aftreden als dispute board. Nadat [eiser] aan [gedaagde 1] had laten weten dat hij geen vertrouwen meer in hem had, had [gedaagde 1] moeten opstappen zoals hij eerder had verklaard. Door dit niet te doen frustreerde [gedaagde 1] het door [eiser] en [naam 1] overeengekomen geschillenbeslechtingsmechanisme en bracht hij de procedure tot stilstand. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend (bindend) adviseur mag worden verwacht dat hij zorgdraagt voor een ordentelijke continuering van de procedure, aldus [eiser] .
5.16.
Vast staat dat [gedaagde 1] twee opdrachtgevers had, te weten [eiser] en [naam 1] , en dat hij dus een verantwoordelijkheid had tegenover beide partijen. Ook staat vast dat [naam 1] niet wilde dat [gedaagde 1] zou aftreden als dispute board. [eiser] en [naam 1] zijn hierover in artikel 18 HoA het volgende overeengekomen:
“Er komt een dispute board in de persoon van [gedaagde 1] . Mocht [gedaagde 1] niet (langer) bereid of in staat zijn deze rol op zich te nemen, dan zal hij een derde aanwijzen om die rol op zich te nemen, welke derde dan de dispute board zal belichamen.”
5.17.
De rechtbank legt artikel 18 HoA aldus uit dat als een van de opdrachtgevers geen vertrouwen meer heeft in [gedaagde 1] , [gedaagde 1] een ander aan moet wijzen om zijn rol over te nemen. [gedaagde 1] is gehouden om dat zorgvuldig te doen, rekening houdend met de belangen van beide opdrachtgevers.
5.18.
[eiser] en [naam 1] zijn beiden ervaren ondernemers met een zakelijk geschil. Zij hebben een zwaarwegend beroep op [gedaagde 1] gedaan om de opdrachten aan te nemen, juist vanwege zijn kennis over (de opzet van) hun ondernemingen en het vertrouwen dat zij in hem stelden. [gedaagde 1] heeft tussen [eiser] en [naam 1] bemiddeld, heeft hen geadviseerd over de HoA en bindend advies gegeven. [gedaagde 1] was goed op de hoogte van de geschillen tussen [eiser] en [naam 1] en dat was ook de reden dat zij juist hem hadden ingeschakeld. [gedaagde 1] is zich daarom lang blijven inspannen om procedurele afspraken te maken met (de advocaten van) [eiser] en [naam 1] over het vervolg. [gedaagde 1] onderkent dat het achteraf gezien beter zou zijn geweest als hij eerder was aftreden als dispute board en als hij de pogingen om [eiser] en [naam 1] overeenstemming te laten bereiken over een opvolger eerder had opgegeven. Tegen de achtergrond dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde 1] – tot het uitkomen van het bindend advies – de enige was die [eiser] en [naam 1] allebei vertrouwden, was het echter niet onredelijk dat [gedaagde 1] inschatte dat het lastig zou zijn voor [eiser] en [naam 1] om een opvolger voor hem te vinden én dat het voor een opvolger lastig zou zijn om als dispute board te functioneren en een einde te maken aan de resterende geschillen tussen [eiser] en [naam 1] . Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat het niet onredelijk was dat [gedaagde 1] lang is blijven proberen om [eiser] en [naam 1] procedurele afspraken te laten maken. Dat een andere oplossing achteraf bezien beter was geweest, maakt nog niet dat [gedaagde 1] destijds onzorgvuldig heeft gehandeld.
5.19.
De conclusie is dat van de gestelde tekortkomingen door [gedaagde 1] geen sprake is. Ook is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde 1] anderszins zijn zorgplicht heeft geschonden. Dit betekent dat evenmin sprake is van onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW jegens [eiser] , aangezien [eiser] hieraan dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd als aan de zorgplichtschending. Dit brengt mee dat [gedaagde 2] ook niet aansprakelijk is. Bij deze stand van zaken kan een beoordeling van het causale verband tussen de gestelde tekortkoming en de schade en de mogelijke eigen schuld van [eiser] achterwege blijven.
5.20.
Het voorgaande leidt er ook toe dat [gedaagden] niet veroordeeld kan worden tot betaling van enig bedrag waartoe [eiser] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld.
5.21.
De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. [eiser] heeft onvoldoende concrete te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden. Aan een bewijsopdracht komt de rechtbank daarom niet toe.
Proceskosten
5.22.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht € 7.062
- salaris advocaat € 7.446 (2 punten x tarief VII à € 3.723)
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 14.697
5.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden] , tot op heden begroot op € 14.697 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening van de proceskosten;
6.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. A.M. Boogers, R.C. Hartendorp en C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
De tekst tussen vierkante haken staat in de originele tekst van de HoA.
Burgerlijk Wetboek (BW).
Verdrag van 30 oktober 2007 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
type: 2339
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
Vonnis in de vrijwaringszaak van 16 september 2026
In de zaak met zaak- / rolnummer C/09/699726 / HA ZA 26/180 van:
[eiser]
te [woonplaats 1] , [land] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaten mrs. H.P. Plas, M.J.R. Jansen en A.D. van Dalen te Utrecht,
TEGEN
1 [gedaagde 1] te [woonplaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] B.V. te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagden,
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaten mrs. E.M. van Orsouw en T.W. Nelissen te Amsterdam.
1Inleiding
1.1.
[eiser] is door zijn (voormalig) zakenpartner [naam 1] gedagvaard in de hoofdzaak. Na jarenlange samenwerking hebben [eiser] en [naam 1] een overeenkomst gesloten (de Heads of Agreement (de ‘HoA’)) en een bindend adviesprocedure gevolgd voor de verdeling en ontvlechting van hun gezamenlijke ondernemingen. De vorderingen van partijen in de hoofdzaak zien kort gezegd op nakoming van de HoA en de geldigheid van het bindend advies.
1.2.
[gedaagde 1] , destijds als advocaat verbonden aan [gedaagde 2] , heeft diverse opdrachten voor [eiser] en [naam 1] en hun vennootschappen uitgevoerd, ook in het kader van het beëindigen van de samenwerking tussen [eiser] en [naam 1] . [eiser] is kort gezegd van mening dat [gedaagde 1] hierbij zijn zorgplicht heeft geschonden waardoor hij tekort is geschoten in de nakoming van de opdrachten. [eiser] houdt [gedaagde 1] aansprakelijk voor de schade die hij hierdoor heeft geleden. De schending van de zorgplicht ziet met name op het opstellen van de HoA en de nakoming van verplichtingen van [gedaagde 1] als bindend adviseur.
1.3.
In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat [gedaagde 1] zijn zorgplicht niet heeft geschonden en evenmin op een andere manier onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. [gedaagde 1] , en daarmee [gedaagde 2] , is dus niet aansprakelijk jegens [eiser] . De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 11 februari 2026, met producties 1 tot en met 25; en
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 112.
2.2.
Op 22 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
De hoofdzaak (C/09/691239 / HA ZA 25-778) en het verzoekschrift voorlopige
bewijsverrichtingen (C/09/691307 / HA RK 25-479) zijn gelijktijdig behandeld.
Mrs. Van Dalen en Nelissen hebben spreekaantekeningen voorgedragen en partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is besproken.
3De feiten
3.1.
[eiser] en zijn (voormalig) zakenpartner [naam 1] hebben van 1993 tot november 2023 samengewerkt als ondernemers in verschillende rechtspersonen. Hun ondernemingen hielden zich bezig met activiteiten op het gebied van onroerend goed, software en het exploiteren van merkenrechten. De ondernemingen zijn gevestigd in verschillende landen.
3.2.
[gedaagde 1] is tot 1 januari 2026 werkzaam geweest als advocaat en heeft jarenlang opdrachten uitgevoerd voor [eiser] , [naam 1] en hun vennootschappen.
3.3.
Op 16 juli 2019 hebben [eiser] en [naam 1] donatie- en leningsovereenkomsten met elkaar gesloten (de ‘donatie- en leningsovereenkomsten’) met betrekking tot één van hun vennootschappen.
3.4.
Begin 2020 hebben [eiser] en [naam 1] [gedaagde 1] gevraagd tussen hen te bemiddelen. Ter bevestiging heeft [eiser] op 9 juni 2020 aan [gedaagde 1] onder meer bericht:
“Zoals zojuist afgesproken via de telefoon, ben ik ook akkoord met je bemiddeling in het meningsverschil / de meningsverschillen tussen [naam 1] [= [naam 1] , rechtbank] en mij.”
3.5.
Hierna heeft verdere e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] over het beëindigen van de samenwerking tussen [eiser] en [naam 1] .
3.6.
Bij e-mailbericht van 12 maart 2021 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] en [naam 1] geschreven:
“Als afgesproken leg ik de tussen jullie gisteren gemaakte afspraken vast.
1. [naam 1] zal binnen een week na gisteren de cijfers aan [eiser] [= [eiser] , rechtbank]
verschaffen (inclusief bankboeken/bankafschriften);
2. Binnen enkele dagen na ontvangst van de cijfers zal [eiser] laten weten of hij kan
instemmen met de rekening-courant standen;
3. Als er overeenstemming is over de rekening-courant standen zal worden onderzocht of
voldoen van de vorderingen van [naam 1] kan gebeuren door overdracht aan hem van
onroerend goed (“o/g”);
(…)
7. Er wordt gestreefd naar een aandeelhoudersovereenkomst met in de considerans een
duidelijke verwoording van de reden om de samenwerking op een andere manier voort te
zetten (…).”
3.7.
Vervolgens hebben [eiser] en [naam 1] (financiële) informatie met elkaar uitgewisseld, steeds met [gedaagde 1] in de cc van hun e-mailberichten.
3.8.
Op 4 mei 2021 hebben [eiser] en [naam 1] , voor zich en als (in)direct bestuurders en/of (in)direct aandeelhouders namens hun vennootschappen, een overeenkomst gesloten (de ‘overeenkomst van 4 mei 2021’) die betrekking had op het verschil in rekeningen-courantstanden. Hierin is onder meer opgenomen dat [eiser] per saldo € 3.137.027 meer heeft opgenomen dan [naam 1] . Verder hebben partijen afstand gedaan van het recht om de overeenkomst in zijn geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, vernietigen of anderszins te beëindigen (artikel 10). Partijen kwamen overeen dat geschillen over de uitvoering of interpretatie van de overeenkomst waarvan het niet mogelijk is om deze op te lossen met behulp van mediation en alle overige geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de overeenkomst zullen worden voorgelegd aan de rechtbank Midden-Nederland, locatie [vestigingsplaats] (artikel 12).
3.9.
Na het sluiten van de overeenkomst van 4 mei 2021 vond verdere e-mailcorrespondentie plaats tussen [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] over onder meer de rekening-courant saldi en de verrekening daarvan. In een e-mailbericht van 3 juli 2022 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] in dat verband geschreven:
“Kortom, ik ben het verschrikkelijk oneens met de handelswijze van [naam 1] en het lijkt me nogmaals het beste om zo snel mogelijk uit elkaars vaarwater te geraken.”
3.10.
Hierna heeft verdere e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] over de beëindiging van de samenwerking tussen [eiser] en [naam 1] en hebben [eiser] en [naam 1] hierover ieder afzonderlijk met [gedaagde 1] gesproken.
3.11.
Bij e-mailbericht van 21 oktober 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] onder meer geschreven:
“Het is gecompliceerd, en ik heb denk dan ook ECHT dat een onafhankelijk oordeel noodzakelijk is om hier uit te komen.
Indien dat niet kan middels een mediator zullen we in mijn ogen hoogstwaarschijnlijk bij de rechtbank belanden.
(…).
Om een oorlog voor de rechtbank te vermijden wil ik dus heel graag een simpele procedure waarbij [naam 1] en ik onze ‘realiteiten’ aan jou voorleggen en je vragen om een bindend oordeel over hoe we uit elkaar gaan.”
3.12.
[eiser] stuurde [gedaagde 1] later die dag per e-mail onder meer nog het volgende:
“We hebben echt hulp nodig om hier uit te komen… ik kan leven met een onafhankelijk oordeel: dat van jou of dat van een rechter – whatever de uitkomst.”
3.13.
Bij e-mailbericht van 23 oktober 2023 heeft [eiser] aan [naam 1] en [gedaagde 1] onder meer geschreven:
“Ik herhaal mijn wens om [gedaagde 1] [= [gedaagde 1] , rechtbank] te vragen om een bindend advies procedure te starten onder zijn leiding voor de splitsing van onze assets. Procedure kan vastgesteld worden door [gedaagde 1] op basis van onze input, maar alles uiteraard onder auspicien van [gedaagde 1] . (…).
Ons beider vertrouwen in [gedaagde 1] is hiervoor vereist. Ben jij hier ook mee akkoord? Het zou denk ik een hoop ellende voorkomen, en een zo waardig mogelijk einde maken aan onze relatie.”
3.14.
Op 30 oktober 2023 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] en [naam 1] een afwikkelingsvoorstel gestuurd, waarop [eiser] en [naam 1] uitgebreid hebben gereageerd. Zij hadden met name andere visies op de (berekening van de) hoogte van de rekening-courant standen.
3.15.
Op 8 november 2023 hebben [eiser] en [naam 1] de HoA met elkaar gesloten. De HoA is onder begeleiding van [gedaagde 1] tot stand gekomen en is bedoeld om de belangen van [naam 1] en [eiser] in hun gezamenlijke ondernemingen te ontvlechten en gelijkelijk te verdelen. [eiser] en [naam 1] spraken af dat [gedaagde 1] de in de HoA gemaakte afspraken nader zou uitwerken in een aandeelhoudersovereenkomst. [eiser] en [naam 1] zijn de HoA zowel voor zichzelf aangegaan als voor de rechtspersonen waarin zij direct of indirect als aandeelhouder of bestuurder zeggenschap hebben. Deze rechtspersonen zijn genoemd in voetnoot 1 van de HoA.
3.16.
[eiser] en [naam 1] zijn in de HoA het volgende overeengekomen:
“verklaren en komen overeen als volgt:
Na een behoorlijke procedure (schriftelijke toelichting en hoor en wederhoor) wordt het bedrag van het rekening courant verschil waar [naam 1] [= [naam 1] , rechtbank] of [eiser] [= [eiser] , rechtbank] per 31 oktober 2023 per saldo recht op heeft, door [gedaagde 1] (hierna: “ [gedaagde 1] ”) bindend vastgesteld (“S”). [eiser] en [naam 1] zullen onverwijld aan de hier bedoelde procedure hun medewerking verlenen.
De aandelen die [eiser] houdt in het kapitaal van ML gaan direct na ondertekening van deze Heads of Agreement over naar [naam 1] .
Er geldt geen upside deling ten aanzien van ML en TB of enige andere in voetnoot 1 genoemde vennootschap.
[naam 1] krijgt de rechten op het o/g., waarbij wordt uitgegaan van een waardering van 7.450.733 euro. Het (uiteindelijke) bedrag van S wordt van die waarde afgetrokken en het restant (“R”) wordt geteld bij de 10.650.000 euro voor TB. Dat totaal (“T”) is te verdelen. Het [eiser] toekomende deel van R (“RJob”) verblijft aan [naam 1] (die immers alle rechten op het o/g verkrijgt) en wordt in mindering gebracht op de helft van 10.650.000 (het aandeel van [naam 1] in de waarde van TB).
Uitgaande van een waardering van 10.650.000 voor TB, wordt 10.650.000 gedeeld door het aantal aandelen. [eiser] verkrijgt van [naam 1] zoveel TB gehouden aandelen als corresponderend met RJob gedeeld door de prijs per aandeel. De overige door [naam 1] in het kapitaal van TB gehouden aandelen worden voorwerp van een put/call optie tegen de initiële prijs (de prijs per aandeel als volgend uit dit onderdeel 5) plus inflatie.
Het aantal aandelen in het kapitaal van TB dat door [naam 1] aan [eiser] zal worden overgedragen, wordt door [naam 1] geleverd zodra S is vastgesteld.
Het IP van software wordt verkocht door Tempting Brands AG (TBAG) aan ML Holding BV(ML) voor de waarde van de tax ruling (CHF 700K) plus de waarde van de IP facturen uit Q1 2023 die General Magic Srl (GMSrl) gestuurd heeft aan TBAG ter grootte van EUR 408’744,-. De daardoor ontstane vordering van TBAG op ML wordt verrekend met het rekening courant dat [naam 1] bij TBAG heeft.
GMTSRL [Is dit SC General Magic Technology SRL?]
wordt voor een minimale waarde verkocht door [naam 1] en [eiser] aan Magic Lane Holding BV.
9. TB International SRL verandert haar naam in een naam die niet refereert aan of associeert met TB.
10. De aan TB behorende internet domeinen worden overgedragen aan TB.
11. Er zullen over en weer geen andere vrijwaringen of garanties gelden dan uitdrukkelijk blijkend uit deze Heads of Agreement of de aandeelhoudersovereenkomst.
12. [eiser] en [naam 1] verklaren dat zij geen informatie onvermeld hebben gelaten, waarvan zij (behoren te) weten, dat die van belang was voor de ander om te besluiten akkoord te gaan met deze Heads of Agreement.
13. Er komt een aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TB, waarvan de strekking is dat de aandeelhouderswaarde zo veel mogelijk wordt behouden, onder meer – maar daartoe niet beperkt - door de afspraak dat boven de solvabiliteitsnorm van 20% wordt alle winst wordt uitgekeerd en anders dan at arm’s length geen bedrijfsonderdelen zullen worden vervreemd.
14. De hiervoor bedoelde aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TB zal worden opgesteld door [gedaagde 1] , die zich desgewenst kan voorzien van de hulp van een kantoorgenoot;
15. Met betrekking tot het verval/ verrekening van schulden/vorderingen tussen de verschillende betrokken (groeps)maatschappijen en personen, geldt het volgende: Anders dan de door [gedaagde 1] vast te stellen rekening courant per 31 oktober 2023 bestaan er na uitvoering van de aandeelhoudersovereenkomst geen schulden meer tussen partijen in privé en tussen de ondernemingen van partijen over en weer. Verrekening vindt plaats volgens een aan de Heads of Agreement te hechten bijlage.
16. Voor zover er bij de uitwerking van deze Heads of Agreement of anderszins tussen aandeelhouders een verschil van mening overblijft of ontstaat, zal over dat onderwerp door de hierna te noemen dispute board een bindend advies worden gegeven, tot de naleving waarvan de ondergetekenden zich nu voor alsdan verplichten.
17. [eiser] en [naam 1] verbinden zich tot onvoorwaardelijke en onverwijlde medewerking aan al hetgeen gewenst en nodig is voor de nakoming van de verbintenissen als genoemd in deze Heads of Agreement en in de als uitvloeisel daarvan op te stellen aandeelhoudersovereenkomst zowel pro se als in hun hoedanigheid van aandeelhouder en/ of bestuurder van de in voetnoot 1 van deze Heads of Agreement genoemde rechtspersonen.
18. Er komt een dispute board in de persoon van [gedaagde 1] . Mocht [gedaagde 1] niet (langer) bereid of in staat zijn deze rol op zich te nemen, dan zal hij een derde aanwijzen om die rol op zich te nemen, welke derde dan de dispute board zal belichamen.
19. De ondergetekenden doen afstand van het recht om deze Heads of Agreement te ontbinden of te vernietigen of daar van de ontbinding of vernietiging te vorderen.
20. Op deze Heads of Agreement is het Nederlands recht van toepassing en in een geval van een geschil over een ingevolge deze overeenkomst uit te brengen bindend advies of een buiten het bereik van deze Heads of Agreement vallend geschil, is bij uitsluiting de Nederlandse rechter bevoegd.”
3.17.
Ter uitvoering van artikel 1 HoA hebben [eiser] en [naam 1] (als opdrachtgevers) en [gedaagde 1] (als opdrachtnemer) op 11 november 2023 een bindend-advies-overeenkomst gesloten, waarin zij het volgende zijn overeengekomen:
“Opdracht: Bindende vaststelling van het bedrag van het rekening courant verschil waar [naam 1] of [eiser] per 31 oktober 2023 per saldo recht op heeft.
Procedure
:
(1) [eiser] en [naam 1] krijgen ieder tot 3 december 2023 de gelegenheid hun visie op de verschillende rekening courant standen digitaal aan [gedaagde 1] te sturen. Die zal de desbetreffende stukken uitwisselen. De stukken dienen te zijn voorzien van de aan de in de stukken ingenomen standpunten ten grondslag liggende bewijsstukken (zoals uit de administratie).
(2) De door [eiser] en [naam 1] in te zenden stukken zullen in Word (fond Calibri 11) worden aangeleverd en de bijlagen in reproduceerbare vorm en tevens in hard copy per koerier worden verzonden aan [gedaagde 1] , (…).
(3) Na uitwisseling van de hier voor bedoelde stukken, krijgt ieder de gelegenheid tot 11 december 2023 om schriftelijk te reageren op de van de ander ontvangen stukken. De reactie op de stukken van de ander zullen weer op dezelfde wijze als onder 1) genoemd worden toegezonden aan [gedaagde 1] , die weer voor toezending aan beiden zal zorgen van de reactie van de ander.
(4) Op 20 december 2023 om 10.00 uur zal een virtuele bijeenkomst plaatsvinden, waarbij [eiser] en [naam 1] de gelegenheid hebben de door hen ingestuurde stukken toe te lichten en elkaar te bevragen. In deze bijeenkomst zal worden onderzocht of er nog behoefte bestaat aan een nadere uitwisseling van stukken, dan wel of [gedaagde 1] nog nadere informatie wil ontvangen.
[gedaagde 1] verneemt graag welke dagen in de week van 18 december [eiser] en [naam 1] voor een virtuele bijeenkomst beschikbaar kunnen zijn.
Het bindend advies van [gedaagde 1] geldt tussen [eiser] en [naam 1] als vaststellingsovereenkomst tussen hen beiden.”
3.18.
[gedaagde 1] heeft de opdracht tot het geven van een bindend advies aanvaard.
3.19.
Bij e-mailbericht van 9 december 2023 heeft [gedaagde 1] [eiser] en [naam 1] gevraagd om ermee in te stemmen dat hij zou oordelen als goede man naar billijkheid. Zij hebben daar diezelfde dag mee ingestemd.
3.20.
Vervolgens hebben [eiser] en [naam 1] in meerdere schriftelijke en mondelinge rondes hun visie op de rekening-courant verhouding tegenover [gedaagde 1] uiteengezet en onderbouwd en vragen van [gedaagde 1] beantwoord.
3.21.
[gedaagde 1] heeft op 24 maart 2024 een bindend advies uitgebracht (het ‘bindend advies’), ter uitvoering van de HoA en de bindend-advies-opdracht. [gedaagde 1] heeft als uitgangspunt genomen dat de donatie- en leningsovereenkomsten en de overeenkomst van 4 mei 2021 rechtsgevolgen hebben en moeten worden nagekomen. [gedaagde 1] heeft in het bindend advies het rekening-courant saldo zoals vermeld in de overeenkomst van 4 mei 2021 tot uitgangspunt genomen. [gedaagde 1] heeft, als goede man naar billijkheid, bepaald dat het rekening-courant verschil tussen [naam 1] en [eiser] op 31 oktober 2023 € 2.500.000 is.
3.22.
In een e-mailbericht van 31 maart 2024 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] en [naam 1] onder meer geschreven:
“@ [eiser] : Uit het uitblijven van een reactie jouwerzijds, [eiser] , leid ik af, dat jij ernstig teleurgesteld bent in de uitkomst van de procedure. Dat laat zich ook begrijpen wanneer ik kijk naar het verwachtingspatroon dat er aan jouw kant bestond. Ik stel mij voor dat het jou in bijzonder tegen zal zijn gevallen, dat jouw mail van 21 september 2021 er niet toe geleid heeft, dat er een (groter) bedrag van de rekening courant van [naam 1] is afgetrokken. De reden daarvoor is in het bindend advies genoemd. (…).
Ik weet niet of het vorenstaande iets meer inzicht geeft in de gevolgde gedachtegang en ook niet of het helpt jouw teleurstelling te verzachten, maar ik had er toch behoefte aan dit wat meer toe te lichten, dan misschien uit de uitspraak sec zou blijken.
@ [eiser] ook: Wanneer jij inmiddels onvoldoende vertrouwen meer in mij stelt om verder betrokken te blijven bij de voortgang van hetgeen jullie nog te doen staat, heb ik daar alle begrip voor. Ik zal jullie dan graag behulpzaam zijn bij het vinden van een ander, die het traject verder kan begeleiden. Je kunt ook gaan procederen over de inhoud van het bindend advies. Dat zijn allemaal keuzen die aan jou zijn en ik – welke je ook maakt – steeds zal respecteren.”
3.23.
In een e-mailbericht van 12 april 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] het volgende bericht:
“Ik wil hierbij laten weten dat ik mij niet kan vinden in de (bijzonder teleurstellende) uitkomst van het bindend advies. Op dit moment laat ik mij adviseren door een gespecialiseerde advocaat over mogelijk verder te nemen stappen. Om deze reden wil ik wachten met de verdere uitvoering van het bindend advies en de heads of agreement. Ik verwacht hier komende maand op terug te komen, hetgeen dan wellicht ongeveer zal samenvallen met het moment waarop je terug bent.”
3.24.
[gedaagde 2] heeft een concept-aandeelhoudersovereenkomst opgesteld (datum concept 4 juni 2024), die bedoeld was om een aantal afspraken uit de HoA nader uit te werken. In de concept-aandeelhoudersovereenkomst is de in artikel 5 HoA genoemde calloptie uitgewerkt en is geen putoptie genoemd of uitgewerkt. [eiser] en [naam 1] waren beiden niet akkoord met de inhoud van de concept-aandeelhoudersovereenkomst en zij zijn vervolgens niet tot een definitieve aandeelhoudersovereenkomst gekomen.
3.25.
Begin juli 2024 nam een door [eiser] ingeschakelde accountant contact op met [gedaagde 1] . Vanaf dat moment heeft [gedaagde 1] geprobeerd om een overleg met [eiser] en [naam 1] te plannen, met als doel verdere complicaties te voorkomen en te zoeken naar pragmatische oplossingen. Dat is niet gelukt.
3.26.
Op 13 augustus 2024 ontving [gedaagde 1] een verzoek van [eiser] om, in zijn rol als dispute board als bedoeld in artikel 18 HoA, met spoed een bindende beslissing te nemen over het aanstellen van een fiscalist als boekhouder per 2024. Hierop liet [gedaagde 1] op 16 augustus 2024 aan [eiser] en [naam 1] weten alleen in algemene termen iets te kunnen opmerken over het verzoek om een fiscalist aan te stellen, aangezien een eventueel geschil daarover via een volwaardige bindend advies procedure zou moeten worden beslecht.
3.27.
Bij e-mailbericht van 22 augustus 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde 1] onder meer meegedeeld dat [eiser] geen vertrouwen meer heeft in het functioneren van [gedaagde 1] als bindend adviseur. Hij heeft er bij [gedaagde 1] op aangedrongen om aan het secretariaat van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam te vragen een bindend adviseur aan te wijzen. Hierop reageerde [gedaagde 1] in een e-mailbericht van 23 augustus 2024 onder meer:
“Indien met het oog op een voorspoedige oplossing jullie beiden het eens zijn over mediation en daarbij een andere mediator ok vinden, ben ik bereid nog komende week 3 namen voor te stellen, waaruit jullie een keuze kunnen maken. Bij gebreke van overeenstemming, zal ik dan één van die drie aanwijzen, zodat de mediation inderdaad in de week van 9 september kan plaatsvinden. Een verzoek aan de OK richten doe ik niet. In de komende week kunnen jullie dan ook een opdracht formuleren voor het geval er bij het niet slagen van de mediation een rolwisseling zou moeten plaatsvinden en de mediator een bindend advies zou moeten geven. Zonder dit laatste, is er van enige structuur geen sprake.”
3.28.
Hierop heeft de advocaat van [eiser] op 23 augustus 2024 aan [gedaagde 1] onder meer meegedeeld dat sprake was van een ernstig gebrek aan vertrouwen in de huidige bindend adviseur en heeft hij het verzoek herhaald om een nieuwe bindend adviseur aan te wijzen via de Ondernemingskamer.
3.29.
[gedaagde 1] heeft vervolgens voorgesteld om met [eiser] , [naam 1] en hun advocaten het gesprek aan te gaan over het bindend advies. De bespreking heeft op 10 september 2024 plaatsgevonden.
3.30.
Op 15 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] een verzoek ontvangen van de accountant van [eiser] om te reageren op een concept-rapportage. Uit het verzoek bleek dat de accountant in opdracht van [eiser] zijn reflectie op het bindend advies had onderzocht. [gedaagde 1] liet hem onder meer weten niet op het rapport te zullen reageren, omdat het niet past met (de vertegenwoordiger van) één van de bij het bindend advies betrokken partijen over de inhoud van het bindend advies een dialoog aan te gaan.
3.31.
Bij brief van 6 november 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld en onder meer meegedeeld dat [eiser] geen vertrouwen meer heeft in zijn functioneren als (bindend) adviseur en hem verzocht terug te treden en een derde als bindend adviseur aan te wijzen.
3.32.
Bij e-mailbericht van 15 november 2024 heeft [gedaagde 1] de advocaten van [eiser] en [naam 1] uitgenodigd voor een (Zoom) gesprek om met elkaar na te gaan of partijen tot een minnelijke oplossing konden komen of dat het geschil tussen hen via procedures bij de rechter zou moeten worden beslecht.
3.33.
Bij e-mailbericht van 18 november 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] als volgt gereageerd:
“[eiser] kan ermee instemmen dat onder leiding van een opvolgend bindend adviseur een gesprek zal plaatsvinden zoals bedoeld in jouw e-mail.
Het voorgaande betekent ook dat de sommaties in mijn brief van 6 november 2024 onverkort van kracht blijven.
Aan de in die brief genomen sommaties, is geen gehoor gegeven. Dat betekent dat rechtsmaatregelen zullen worden getroffen.
Tot deze rechtsmaatregelen behoort onder meer een kort geding waarin wordt gevorderd dat je zult worden veroordeeld tot:
terugtreden als bindend adviseur; en
aanwijzen van een opvolgend bindend adviseur door middel van een objectieve procedure.
Mocht je alsnog vrijwillig hieraan gehoor willen geven, dan verneem ik dat graag uiterlijk 20 november aanstaande.”
3.34.
Bij e-mailbericht van 20 november 2024 heeft [gedaagde 1] de advocaat van [eiser] nogmaals verzocht om in overleg te treden. [gedaagde 1] heeft onder meer geschreven:
“In de HoA heb ik mij een recht voorbehouden om een einde te maken aan mijn rol als bindend adviseur. Indien ik onder de inmiddels gecreëerde omstandigheden van dat recht gebruik zou willen maken, dan kan dat niet dan met grote zorgvuldigheid en naar redelijkheid en billijkheid rekening houdend met de belangen van beide partijen.”
3.35.
Omdat (de advocaten van) [eiser] en [naam 1] niet tot een oplossing kwamen heeft [gedaagde 1] de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland op 24 november 2024 tevergeefs verzocht om te bemiddelen tussen hem en mr. Plas.
3.36.
Naar aanleiding van telefonisch overleg tussen de advocaten van [eiser] en [naam 1] heeft de advocaat van [eiser] in een e-mailbericht van 6 december 2024 aan [gedaagde 1] onder meer geschreven:
“Het telefonisch overleg heeft niet tot een wijziging van inzichten en standpunten geleid voor wat betreft de persoon van de bindend adviseur in de dispute board. (…).
Daarmee resteert mij expliciet erop te wijzen dat [eiser] aanstonds rechtsmaatregelen zal treffen tegen jou en jouw kantoor indien je meent een bindend adviesaanvraag in behandeling te moeten nemen. Daarbij dient niet alleen te worden gedacht aan een kort geding tot terugtreden als bindend adviseur, maar ook aan een bodemprocedure tot verhaal van schade als gevolg van de tekortkomingen en eventuele nevenmaatregelen.”
3.37.
Hierop heeft de advocaat van [naam 1] bij e-mailbericht van 9 december 2024 aan [gedaagde 1] onder meer geschreven dat het zijn voorkeur heeft dat [gedaagde 1] aanblijft als dispute board.
3.38.
Vervolgens heeft [gedaagde 1] bij e-mailbericht van 9 december 2024 aan de advocaten van [eiser] en [naam 1] meegedeeld dat hij zijn functie als dispute board neerlegt, wat de redenen daarvoor zijn en dat hij geen vervanger zal aanwijzen.
3.39.
Op 23 december 2024 heeft [naam 2] in opdracht van [eiser] een rapport uitgebracht met betrekking tot het bindend advies. [naam 2] heeft zijn conceptrapportage op 15 oktober 2024 voor hoor en wederhoor aan [gedaagde 1] voorgelegd, die heeft laten weten niet te zullen reageren op de inhoud daarvan.
3.40.
Op 5 maart 2025 heeft [naam 1] de dagvaarding in de hoofdzaak uitgebracht. De vorderingen van [naam 1] zien met name op nakoming door [eiser] van de HoA. [eiser] heeft vorderingen in reconventie ingesteld, die eveneens zien op nakoming van de HoA. Daarnaast vordert [eiser] (gedeeltelijke) vernietiging van het bindend advies.
3.41.
Op 29 juli 2025 vernam [gedaagde 1] via de advocaat van [naam 1] dat [eiser] een conceptverzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen had laten opstellen. [eiser] heeft dat verzoekschrift op 8 september 2025 bij de rechtbank ingediend (C/09/691307 / HA RK 25-479). [gedaagde 1] is één van de belanghebbenden bij het verzoekschrift. [eiser] verzoekt onder meer dat [naam 1] afschriften van, inzage of uittreksels van bepaalde gegevens verstrekt over, kort gezegd, de bemiddeling en het bindend advies. De rechtbank heeft vandaag een tussenbeslissing genomen over het verzoek voorlopige bewijsverrichtingen.
3.42.
In september en oktober 2025 hebben [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] via e-mail gecorrespondeerd over een (aandeelhouders)geschil tussen [eiser] en [naam 1] , waarbij [eiser] [gedaagde 1] heeft verzocht te bevestigen dat [gedaagde 1] zijn rol als neutral evaluator zou neerleggen. Hierop heeft [gedaagde 1] onder meer geantwoord dat enige verdere rol van hem als neutral evaluator wordt belemmerd en niet mogelijk is.
3.43.
In oktober 2025 hebben [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] via e-mail gecorrespondeerd over de benoeming van een opvolgend bindend adviseur, maar zij zijn niet tot een oplossing gekomen.
3.44.
Bij e-mailbericht van 17 december 2025 heeft [eiser] [gedaagde 1] een conceptkort-geding-dagvaarding gezonden, met daarin de vordering [gedaagde 1] te gelasten een opvolgend bindend adviseur te benoemen op straffe van een dwangsom. Hierop heeft [gedaagde 1] op 18 december 2025 gereageerd en de advocaten van [eiser] en [naam 1] uitgenodigd om begin januari 2026 overleg te plegen over de kwestie van de (opvolgend) bindend adviseur. Hierna hebben de advocaten van [eiser] , [naam 1] en [gedaagde 1] nader gecorrespondeerd, maar zij zijn niet tot een compromis gekomen.
3.45.
Vervolgens heeft [gedaagde 1] op 24 december 2025 de heer W. Meijer (‘Meijer’) als dispute board aangewezen, uitsluitend voor zover [gedaagde 1] hier rechtens toe gehouden zou zijn. Meijer verbond hier voorwaarden aan en heeft de functie van bindend adviseur (nog) niet aanvaard.
3.46.
Bij dagvaarding van 11 februari 2026 heeft [eiser] [gedaagden] in vrijwaring opgeroepen.
3.47.
Bij (tussen)vonnis van 16 september 2026 (het ‘tussenvonnis’) heeft de rechtbank in de hoofdzaak, voor zover hier van belang, geoordeeld dat er geen redenen zijn om het bindend advies van [gedaagde 1] te vernietigen.
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] , jegens [eiser] , als bindend adviseur en/of adviseur tekortgeschoten is/zijn in de nakoming van zijn/haar/hun verplichtingen, althans dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] heeft/hebben gehandeld door de zorgplicht jegens [eiser] te schenden;
veroordeling van [gedaagden] hoofdelijk, waarbij in het geval de één betaalt, de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, tot vergoeding aan [eiser] van de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden en nog lijdt, nader op te maken bij staat;
veroordeling van [gedaagden] hoofdelijk, waarbij in het geval de één betaalt, de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van een voorschot op de schade ter hoogte van € 996.506, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
wanneer [eiser] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [naam 1] , dwangsommen en proceskosten daaronder begrepen, maar niet beperkt daartoe, veroordeling van [gedaagden] hoofdelijk, waarbij in het geval de één betaalt, de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van eenzelfde bedrag;
veroordeling van [gedaagden] hoofdelijk, waarbij in het geval de één betaalt, de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van de kosten van de vrijwaringsprocedure, alsmede tot betaling van een bedrag van € 178 aan nasalaris ingeval van niet-betekening van het vonnis en € 278 ingeval van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] is ten aanzien van de nakoming van diverse essentiële verplichtingen die hij had als (bindend) adviseur tekortgeschoten. De opdracht is door [gedaagde 1] in persoon aanvaard. Bovendien was de opdracht aan [gedaagde 1] verleend met het oog op zijn persoon (artikel 7:404 BW). Deze tekortkomingen van [gedaagde 1] zijn volledig aan hem toe te rekenen. [gedaagde 1] is daarom in persoon aansprakelijk jegens [eiser] . De werkzaamheden van [gedaagde 1] werden gefactureerd door [gedaagde 2] en [gedaagde 2] ontving dus de opbrengsten voor de diensten van [gedaagde 1] . Daarom kwalificeert [gedaagde 2] volgens [eiser] eveneens als opdrachtnemer en is zij eveneens aansprakelijk.
[gedaagde 1] , en daarmee ook [gedaagde 2] , is aansprakelijk voor de door [gedaagde 1] in hoedanigheid van (bindend) adviseur veroorzaakte schade op grond van artikel 6:74 BW en artikel 7:401 BW. De schending van de zorgplicht is volgens [eiser] ook een onrechtmatige daad, zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk zijn.
Er bestaat direct causaal verband tussen het handelen en nalaten van [gedaagde 1] en de schade aan de zijde van [eiser] . Omdat de omvang van de schade zich nog niet goed laat vaststellen, vordert [eiser] verwijzing naar de schadestaatprocedure en een voorschot op de schade. Het bedrag van het voorschot blijkt volgens [eiser] uit het accountantsrapport dat hij heeft laten opstellen nadat [gedaagde 1] het bindend advies had afgegeven.
Aan vordering 4 legt [eiser] ten grondslag dat het niet aanvaardbaar is als hij met het financiële nadeel achterblijft, terwijl [gedaagde 1] aansprakelijk is. Deze vordering ziet op betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de hoofdzaak en vergoeding van de schade die [eiser] lijdt als in de hoofdzaak een andere vordering dan een geldvordering jegens hem wordt toegewezen.
4.3.
[gedaagden] voert verweer.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, aangezien [eiser] in [land] woont. De rechtbank moet daarom allereerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en als dit het geval is, welk recht hierop van toepassing is.
5.2.
Op grond van artikel 2 lid 1 Lugano II heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, nu [gedaagden] woonplaats heeft in Nederland. Op de vorderingen zal Nederlands recht worden toegepast, van welk recht partijen ook uit gaan.
Algemene voorwaarden [gedaagde 2]
5.3.
[gedaagden] betoogt, met een beroep op de algemene voorwaarden van [gedaagde 2] , dat alleen [gedaagde 2] opdrachtnemer was van de door [eiser] , [naam 1] en/of de vennootschappen verstrekte opdrachten (artikel 2 van de algemene voorwaarden). Dit betekent volgens [gedaagden] dat [gedaagde 1] niet in persoon kan worden aangesproken door [eiser] . Ten aanzien van [gedaagde 2] heeft volgens [gedaagden] te gelden dat de aansprakelijkheid beperkt is tot het bedrag waarop de door [gedaagde 2] afgesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering aanspraak geeft (artikel 3 van de algemene voorwaarden). [eiser] betwist dit.
5.4.
Aangezien de rechtbank hierna oordeelt dat [gedaagde 1] niet aansprakelijk is en [gedaagde 2] evenmin, hebben partijen geen belang bij beoordeling van dit beroep op de algemene voorwaarden van [gedaagde 2] . De stellingen van partijen over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gedaagde 2] kunnen daarom onbesproken blijven.
Schending van de zorgplicht?
5.5.
[eiser] stelt, kort gezegd, dat [gedaagden] , in hoedanigheid van adviseur bij het opstellen van de HoA en als bindend adviseur, is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht doordat hij zijn zorgplicht heeft geschonden. [eiser] stelt hierdoor schade te hebben geleden.
5.6.
Het schenden van de zorgplicht bestaat er volgens [eiser] uit dat [gedaagde 1] :
het bindend advies heeft gewezen in strijd met de aan hem verstrekte opdracht;
in het bindend advies beslissingen heeft genomen over kwesties waarvan [gedaagde 1] onvoldoende kennis had;
de beslissingsmaatstaf tijdens de bindend advies procedure heeft veranderd;
in het bindend advies onbegrijpelijke, of in ieder geval onvoldoende gemotiveerde, beslissingen heeft genomen over de in 2019 en 2021 tussen [eiser] en [naam 1] gesloten overeenkomsten;
in het bindend advies reken- en denkfouten heeft gemaakt;
artikel 5 HoA onzorgvuldig heeft opgesteld; en
eerder had moeten aftreden als dispute board.
5.7.
[gedaagden] heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde 1] de zorgplicht heeft geschonden.
5.8.
De rechtbank stelt voorop dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagden] moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. Een opdrachtnemer moet bij de uitvoering van zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen (artikel 7:401 BW). Dit betekent dat een (bindend) adviseur te werk moet gaan als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Hierbij moet een eventuele tekortkoming van [gedaagde 1] in beginsel aan [gedaagde 2] , aan welk kantoor [gedaagde 1] indertijd verbonden was, worden toegerekend als eigen gedraging.
5.9.
[eiser] heeft in de hoofdzaak in reconventie (gedeeltelijke) vernietiging van het bindend advies van [gedaagde 1] gevorderd. Ter onderbouwing van die vordering heeft [eiser] een beroep gedaan op dezelfde feiten en verwijten die aan de gestelde schendingen van de zorgplicht van een bindend adviseur onder 5.6 a tot en met e ten grondslag liggen. In het tussenvonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank de vordering tot vernietiging van het bindend advies van [gedaagde 1] afgewezen (zie randnummers 5.57 – 5.71 van het tussenvonnis). De rechtbank heeft in het kader van de beoordeling van de gevorderde vernietiging geoordeeld dat [gedaagde 1] ten aanzien van de gestelde schendingen van de zorgplicht onder 5.6 a tot en met e niet tekortgeschoten is, en dat om die reden dus ook geen sprake is van een bindend advies waarin de gebondenheid daarvan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
5.10.
In deze vrijwaringsprocedure herhaalt de rechtbank de volgende overwegingen uit de hoofdzaak en maakt deze integraal onderdeel van haar beoordeling in deze vrijwaringsprocedure:
‘5.63. Partijen hebben [gedaagde 1] in gezamenlijk overleg ingeschakeld. Zij zijn daarom in beginsel gebonden aan de inhoud van het door [gedaagde 1] uitgebrachte bindend advies.
5.64.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de eisen die worden gesteld aan de wijze van tot stand komen van een bindend advies. Vast staat immers dat [gedaagde 1] een behoorlijke procedure heeft gevoerd voordat hij tot zijn oordeel kwam. [gedaagde 1] heeft [eiser] en [naam 1] uitgebreid in de gelegenheid gesteld om hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten. Zij hebben de door [gedaagde 1] benodigde informatie zelf aangeleverd en deze informatie was bekend bij beide partijen. [gedaagde 1] heeft hoor en wederhoor toegepast en partijen hebben kunnen reageren op elkaars standpunt. Procedureel is de totstandkoming van het bindend advies dus zorgvuldig gegaan. [gedaagde 1] is in deze dus niet tekortgeschoten in de uitvoering van zijn opdracht.
5.65.
Partijen zijn het er over eens dat er veel onduidelijk was voorafgaand aan het sluiten van de HoA. Zij hadden hun samenwerking sinds het begin in 1993 ‘fiscaal optimaal’ geregeld, waarbij de boekhouding van de vennootschappen, de juridische verhoudingen tussen de vennootschappen en de feitelijke operatie niet altijd goed op elkaar aansloten. Het verschil in rekening-courant saldi was een terugkerend geschilpunt tussen partijen. Partijen hebben in 2019 en in 2021 pogingen gedaan om onevenwichtigheden daarin recht te trekken door het sluiten van de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021. [gedaagde 1] heeft die overeenkomsten in zijn bindend advies tot ijkpunten genomen en heeft daarnaast alle informatie die partijen hebben aangeleverd in zijn oordeel betrokken. [eiser] heeft tijdens de bindend adviesprocedure alle ruimte gehad om zijn standpunt met betrekking tot de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021 toe te lichten en [gedaagde 1] heeft daarover in het bindend advies een gemotiveerde beslissing genomen. Dit leidde ertoe dat [gedaagde 1] de overeenkomsten uit 2019 en 2021 als beginpunt nam voor de bepaling van de rekening-courant stand. Naar het oordeel van de rechtbank paste dit binnen de opdracht van [gedaagde 1] als geformuleerd in artikel 1 HoA en heeft hij dit zorgvuldig gedaan.
5.66.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] niet buiten zijn opdracht is getreden, zoals [eiser] stelt en [naam 1] betwist. Bij de opdracht hoort ook dat [gedaagde 1] mocht beslissen als goede man naar billijkheid. [gedaagde 1] heeft dit op 9 december 2023, voordat hij met de inhoudelijke werkzaamheden voor het bindend advies begonnen is, aan partijen voorgelegd en zij hebben daarmee ingestemd. Als hier in de bindend adviesopdracht niets over is geregeld, moet de bindend adviseur beslissen ’naar de regelen des rechts’. Maar de bedoeling van partijen was dat [gedaagde 1] zou beslissen na een korte procedure – mede in het licht van de ziekte van [eiser] – en dus niet na een lange procedure met deskundigenberichten et cetera. Hierbij is het niet zo dat [gedaagde 1] gedurende de bindend adviesprocedure een andere maatstaf heeft toegepast. Op dit onderdeel is [gedaagde 1] dus niet tekortgeschoten in de uitvoering van zijn opdracht. [gedaagde 1] heeft in het begin de uitgangspunten van het proces met partijen gedeeld en zij hebben hiermee ingestemd.
5.67.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de tekst van artikel 1 HoA uitgaat van een financiële berekening en niet van een juridisch oordeel over de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021. Volgens [eiser] zou [gedaagde 1] het rekening-courant saldo vanaf het begin van de samenwerking met [naam 1] uitzoeken. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] dit redelijkerwijs niet van [gedaagde 1] had mogen verwachten; dat is gezien de gang van zaken tussen partijen en de gevoerde administratie ondoenlijk en het ligt niet in de aard van de opdracht. [eiser] wist immers dat [gedaagde 1] jurist was en geen registeraccountant. Partijen kenden de achtergrond en expertise van [gedaagde 1] en hebben hem samen – met klem – gevraagd als bindend adviseur op te treden om zodoende een redelijke en billijke oplossing voor hun geschil te krijgen, omdat [gedaagde 1] wist hoe [eiser] en [naam 1] zaken deden.
5.68.
Zoals blijkt uit randnummer 4.1 van het bindend advies, was [gedaagde 1] bekend met het feit dat [eiser] de bindend advies opdracht zo uitlegde dat vanaf het begin van de samenwerking met [naam 1] moest worden gekeken naar de rekening-courant saldi. Onder andere uit randnummers 6.9 en 6.10 van het bindend advies blijkt dat [gedaagde 1] dit standpunt van [eiser] in zijn beoordeling betrokken heeft en dit vervolgens gemotiveerd heeft afgewezen:
“6.9 De interpretatie van [eiser] van de bindend advies opdracht, inhoudende dat de bindend adviseur vanaf het moment van het begin van de samenwerking met [naam 1] dient na te wat de één en de ander in rekening courant heeft ontvangen of wat sedertdien er aan bedragen al dan niet ten onrechte wel of niet in ieders rekening courant is terechtgekomen, gaat in zoverre niet op, dat waar het boekingen van voor 30 april 2019 betreft, die in beginsel niet in de beoordeling (kunnen) worden betrokken.
6.10
De aandacht zal hierna (gelet op het voorgaande, daarom) vooral uitgaan naar mutaties die zich na 30 april 2021 hebben voorgedaan of hadden moeten voordoen en waaruit zou blijken dat het in per die datum berekende verschil in rekening courant tussen [eiser] en [naam 1] vastgestelde bedrag niet juist was.”
5.69.
Verder kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde 1] dusdanige fouten heeft gemaakt dat het bindend advies onbegrijpelijk gemotiveerd is. [eiser] verwijst naar het rapport van [naam 2] , waaruit volgens [eiser] volgt dat [gedaagde 1] denk- en rekenfouten heeft gemaakt. Als de rechtbank bij wijze van veronderstelling voor juist houdt dat [gedaagde 1] rekenfouten heeft gemaakt, dan leidt dat niet tot een ander oordeel. [gedaagde 1] moest namelijk rekenen met wat partijen aanleverden en het was niet de bedoeling dat [gedaagde 1] zelfstandig in de administraties van de ondernemingen zou gaan grasduinen. Dit volgt uit de uitleg van de opdracht aan [gedaagde 1] . Er is dan ook geen sprake van een fout in de context van de opdracht. Verder volgt uit de stellingen van [eiser] niet dat de informatie waaraan [naam 2] in zijn advies refereert, ook is ingebracht in de procedure bij [gedaagde 1] . De vraag is dus of [gedaagde 1] daadwerkelijk fouten gemaakt heeft bij het opstellen van het bindend advies. [eiser] stelt daartoe onvoldoende. Voor een fout in het bindend advies moet [eiser] stellen en concreet maken dat een rekenfout is gemaakt, dat hij [gedaagde 1] daarop heeft gewezen en dat [gedaagde 1] de fout vervolgens ten onrechte niet heeft gewijzigd. Dat heeft [eiser] nagelaten. [gedaagde 1] heeft het bindend advies wel op andere punten gecorrigeerd, maar dat was in de eerste plaats omdat een aantal zaken onduidelijk is gebleven.’
5.11.
De rechtbank concludeert, op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, dat er geen sprake is van schending van de zorgplicht door [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van bindend adviseur op grond van de verwijten genoemd onder a tot en met e.
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat evenmin sprake is van schending van de zorgplicht door [gedaagde 1] als adviseur op grond van de verwijten onder 5.6 f en g en licht dit als volgt toe.
5.13.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 1] , in zijn hoedanigheid van adviseur, artikel 5 HoA onzorgvuldig heeft opgesteld. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] , kennelijk abusievelijk, niet alleen een calloptie maar ook een putoptie opgenomen in artikel 5 HoA, terwijl [eiser] en [naam 1] met [gedaagde 1] hadden besproken dat zij een recht tot koop voor [eiser] wilden opnemen ten aanzien van de overname van de aandelen in TBAG. [eiser] is nu geconfronteerd met een vordering van [naam 1] tot het verplicht afnemen van de aandelen, terwijl [eiser] kampt met liquiditeitsproblemen. Dit leidt tot schade voor [eiser] . [gedaagden] betwist dat [gedaagde 1] artikel 5 HoA onzorgvuldig heeft opgesteld en abusievelijk “put/call optie” heeft opgenomen.
5.14.
Zoals de rechtbank in randnummer 5.36 van het tussenvonnis in de hoofdzaak heeft overwogen is de “put/call optie” in artikel 5 HoA bedoeld als een onderwerp dat nog uitgewerkt had moeten worden in een aandeelhoudersovereenkomst. De HoA geeft immers op hoofdlijnen weer hoe de zakelijke belangen zouden worden afgewikkeld. [gedaagde 1] heeft [eiser] en [naam 1] op 4 juni 2024 overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 13 en 14 HoA een concept-aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TBAG gezonden. In de concept-aandeelhoudersovereenkomst is onder 6 alleen een calloptie uitgewerkt, maar er is geen putoptie genoemd of uitgewerkt. Hieruit leidt de rechtbank af dat de in artikel 5 HoA genoemde “put/call optie” zo moet worden begrepen dat deze nog in een aandeelhoudersovereenkomst nader uitgewerkt zou worden. [eiser] en [naam 1] zijn ervaren zakenmannen, zodat [gedaagde 1] hen in dit stadium niet verder had hoeven informeren over of waarschuwen voor de consequenties van hun afspraken, of de partijen bij de HoA expliciet op dit artikel had moeten wijzen. Bovendien heeft [gedaagden] onweersproken gesteld dat [eiser] meerdere concepten van de HoA heeft gezien waarin de “put/call optie” was opengelaten, daar nooit iets over heeft opgemerkt en de definitieve versie van de HoA zelf heeft ondertekend.
5.15.
[eiser] stelt verder dat [gedaagde 1] de zorgplicht heeft geschonden doordat hij eerder had moeten aftreden als dispute board. Nadat [eiser] aan [gedaagde 1] had laten weten dat hij geen vertrouwen meer in hem had, had [gedaagde 1] moeten opstappen zoals hij eerder had verklaard. Door dit niet te doen frustreerde [gedaagde 1] het door [eiser] en [naam 1] overeengekomen geschillenbeslechtingsmechanisme en bracht hij de procedure tot stilstand. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend (bindend) adviseur mag worden verwacht dat hij zorgdraagt voor een ordentelijke continuering van de procedure, aldus [eiser] .
5.16.
Vast staat dat [gedaagde 1] twee opdrachtgevers had, te weten [eiser] en [naam 1] , en dat hij dus een verantwoordelijkheid had tegenover beide partijen. Ook staat vast dat [naam 1] niet wilde dat [gedaagde 1] zou aftreden als dispute board. [eiser] en [naam 1] zijn hierover in artikel 18 HoA het volgende overeengekomen:
“Er komt een dispute board in de persoon van [gedaagde 1] . Mocht [gedaagde 1] niet (langer) bereid of in staat zijn deze rol op zich te nemen, dan zal hij een derde aanwijzen om die rol op zich te nemen, welke derde dan de dispute board zal belichamen.”
5.17.
De rechtbank legt artikel 18 HoA aldus uit dat als een van de opdrachtgevers geen vertrouwen meer heeft in [gedaagde 1] , [gedaagde 1] een ander aan moet wijzen om zijn rol over te nemen. [gedaagde 1] is gehouden om dat zorgvuldig te doen, rekening houdend met de belangen van beide opdrachtgevers.
5.18.
[eiser] en [naam 1] zijn beiden ervaren ondernemers met een zakelijk geschil. Zij hebben een zwaarwegend beroep op [gedaagde 1] gedaan om de opdrachten aan te nemen, juist vanwege zijn kennis over (de opzet van) hun ondernemingen en het vertrouwen dat zij in hem stelden. [gedaagde 1] heeft tussen [eiser] en [naam 1] bemiddeld, heeft hen geadviseerd over de HoA en bindend advies gegeven. [gedaagde 1] was goed op de hoogte van de geschillen tussen [eiser] en [naam 1] en dat was ook de reden dat zij juist hem hadden ingeschakeld. [gedaagde 1] is zich daarom lang blijven inspannen om procedurele afspraken te maken met (de advocaten van) [eiser] en [naam 1] over het vervolg. [gedaagde 1] onderkent dat het achteraf gezien beter zou zijn geweest als hij eerder was aftreden als dispute board en als hij de pogingen om [eiser] en [naam 1] overeenstemming te laten bereiken over een opvolger eerder had opgegeven. Tegen de achtergrond dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde 1] – tot het uitkomen van het bindend advies – de enige was die [eiser] en [naam 1] allebei vertrouwden, was het echter niet onredelijk dat [gedaagde 1] inschatte dat het lastig zou zijn voor [eiser] en [naam 1] om een opvolger voor hem te vinden én dat het voor een opvolger lastig zou zijn om als dispute board te functioneren en een einde te maken aan de resterende geschillen tussen [eiser] en [naam 1] . Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat het niet onredelijk was dat [gedaagde 1] lang is blijven proberen om [eiser] en [naam 1] procedurele afspraken te laten maken. Dat een andere oplossing achteraf bezien beter was geweest, maakt nog niet dat [gedaagde 1] destijds onzorgvuldig heeft gehandeld.
5.19.
De conclusie is dat van de gestelde tekortkomingen door [gedaagde 1] geen sprake is. Ook is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde 1] anderszins zijn zorgplicht heeft geschonden. Dit betekent dat evenmin sprake is van onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW jegens [eiser] , aangezien [eiser] hieraan dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd als aan de zorgplichtschending. Dit brengt mee dat [gedaagde 2] ook niet aansprakelijk is. Bij deze stand van zaken kan een beoordeling van het causale verband tussen de gestelde tekortkoming en de schade en de mogelijke eigen schuld van [eiser] achterwege blijven.
5.20.
Het voorgaande leidt er ook toe dat [gedaagden] niet veroordeeld kan worden tot betaling van enig bedrag waartoe [eiser] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld.
5.21.
De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. [eiser] heeft onvoldoende concrete te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden. Aan een bewijsopdracht komt de rechtbank daarom niet toe.
Proceskosten
5.22.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht € 7.062
- salaris advocaat € 7.446 (2 punten x tarief VII à € 3.723)
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 14.697
5.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden] , tot op heden begroot op € 14.697 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening van de proceskosten;
6.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. A.M. Boogers, R.C. Hartendorp en C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
De tekst tussen vierkante haken staat in de originele tekst van de HoA.
Burgerlijk Wetboek (BW).
Verdrag van 30 oktober 2007 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
type: 2339