Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27107

2026-09-21 Civiel recht; Arbeidsrecht K/4502/12171574
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-21
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
K/4502/12171574
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische redenen. Verzoek afgewezen. Geen redelijke grond. Niet voldaan aan herplaatsingsverplichting.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.595 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG



Civiel recht
Kantonrechter



JvdB/C/D
Zittingsplaats Den Haag



Zaaknummer / rekestnummer: 12171574 \ RP VERZ 26-50427




Beschikking van 21 september 2026




in de zaak van




ISLAMTISCHE STICHTING NEDERLAND HOLLANDA DIYANET VAKFI,
te Den Haag,
verzoekende partij in de zaak van het verzoek,
verwerende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: ISN,
gemachtigde: mr. S.X.J. Zuidema,



tegen





[partij B]
,
te [woonplaats] ,
verwerende partij in de zaak van het verzoek,
verzoekende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. V.G. Baran.





1De procedure in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 12, ingekomen ter griffie op 1 april 2026;
- het verweerschrift tevens voorwaardelijk tegenverzoek, met producties 1 tot en met 29, ingekomen ter griffie op 26 juni 2026;
- de brief met nadere productie 13 en 14 van de zijde van ISN, ingekomen ter griffie op 1 juli 2026;
- de mondelinge behandeling van 2 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De feiten in de zaak van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek


2.1.

ISN is een organisatie die zich – kort gezegd – richt op het ondersteunen van moslims bij religieuze, maatschappelijke en educatieve aangelegenheden in Nederland.
In artikel 2 van de statuten van ISN staat met betrekking tot de doelstellingen en de wijze waarop zij deze tracht te verwezenlijken – voor zover hier relevant – het volgende:

“De stichting tracht dit doel onder meer te verwezenlijken door:


(…)



o. het doen vertalen van boeken op het gebied van de koranwetenschap, andere islamitische wetenschappen en de Islamitische kunst;


p. het (doen) drukken en (doen) uitgeven van deze boeken, het openen en instandhouden van bibliotheken;”




2.2.

[partij B] is op 17 oktober 2016 in dienst getreden bij ISN en was laatstelijk werkzaam in de functie van “ [functie] ” tegen een salaris van € 3.895 bruto per maand.



2.3.
Op 14 november 2025 is door de bestuurders van ISN een besluit genomen met besluitnummer 510-07. De tekst van het besluit luidt als volgt:



“Besluit om;


Binnen onze stichting is na gezamenlijke beoordeling van de werkzaamheden van de [afdeling] in de afgelopen jaren, de opgeleverde werken en de totale kosten, geconcludeerd dat de afdeling financieel niet duurzaam is. Tegelijkertijd is gebleken dat bij de pilotgewijs uitgevoerde inkoop van vertaaldiensten in de afgelopen jaren efficiëntere resultaten zijn behaald, zowel qua kosten als qua werkkwaliteit.





In het licht van deze evaluaties is besloten de [afdeling] per 31-12-2025 te sluiten. Aan onze medewerker [partij B] , die binnen deze afdeling werkzaam is, zal binnen andere onderdelen van onze stichting een passende functie worden aangeboden. Indien dit niet mogelijk is of indien de medewerker dit aanbod niet aanvaardt, zal de arbeidsrelatie in onderling overleg worden beëindigd.”





2.4.
Op 9 december 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het bestuur van ISN en [partij B] . Van dat gesprek is een verslag opgesteld, waarin onder meer het volgende staat:



“Geachte heer [partij B] ,





We zitten hier als bestuur van de stichting met u samen, omdat we besloten hebben tot een re-organisatorische maatregel. Die maatregel is de sluiting van de [afdeling] per 31 december 2025. We gaan alle vertaalwerkzaamheden vanaf 1 januari 2026 uitbesteden aan externe vertalers en willen geen [afdeling] meer hebben. Dit betekent dat uw functie komt te vervallen per 31 december aanstaande. U bent de enige werknemer die als vertaler en wiens werkzaamheden als vertaler enkel daaruit bestaan.





Dit betekent dat we per 1 januari geen werk meer op de afdeling hebben.





We willen u als bestuur twee voorstellen doen om tot een minnelijke oplossing te komen.”





2.5.
Eveneens op 9 december 2025 heeft ISN bij het UWV een ontslagaanvraag voor [partij B] ingediend vanwege bedrijfseconomische redenen.



2.6.
Op 10 december 2025 heeft [partij B] zich ziekgemeld.



2.7.
Na een verzoek tot indiening van nadere informatie heeft het UWV bij beslissing van 6 februari 2026 de toestemming om de arbeidsovereenkomst met [partij B] op te zeggen geweigerd. De beslissing van het UWV vermeldt onder meer:



“De redenen die werkgever aangeeft om de [werkzaamheden] volledig uit te besteden aan externe vertaalbureaus zijn gelegen in kostenbesparing en in het ontbreken van voldoende constant vertaalwerk.





Dat het opheffen van de [afdeling] een kostenbesparing op kan leveren, zoals werkgever betoogd, is niet ondenkbaar of onwaarschijnlijk. Werkgever wijst terecht op het feit dat een ontslag vanwege bedrijfseconomische redenen niet enkel is voorbehouden aan ondernemingen die in financieel zwaar weer verkeren. Of deze kostenbesparing ook noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering kan echter pas worden beoordeeld als de omvang van de werkzaamheden van werknemer in kaart worden gebracht.





Met betrekking tot de omvang van deze vertaalwerkzaamheden licht werkgever toe dat werknemer in de afgelopen 26 weken één grote en twee kleine vertaalopdrachten heeft uitgevoerd. Werkgever laat echter na inzichtelijk te maken wat de inhoud en omvang van deze grote en kleine vertaalopdrachten was. Werkgever heeft slechts vermeldt dat deze werkzaamheden onvoldoende werk inhielden om de volledige 40-urige werkweek van werknemer te vullen. Het had op de weg van werkgever gelegen om dit nader te onderbouwen bijvoorbeeld aan de hand van het aantal door werknemer gemaakte uren aan vertaalwerkzaamheden. Omdat een onderbouwing ontbreekt kunnen wij niet vaststellen hoeveel uren werknemer heeft besteed aan de religieuze vertaalwerkzaamheden.





In de aanvullende informatie van 30 december 2025 wordt beschreven dat het bestuur van de stichting heeft besloten om vanaf 1 januari 2026 alle vertalingswerkzaamheden uit te besteden aan vertaalbureaus. Uit diezelfde brief valt af te leiden dat werkgever verwacht dat er in de komende 26 weken geen vertaalopdrachten uitbesteed gaan worden. Onduidelijk is waarop werkgever deze verwachting heeft gebaseerd. Werknemer heeft in de afgelopen 26 weken immers wel vertaalwerkzaamheden verricht. Hoewel de omvang daarvan onduidelijk is, heeft werkgever niet of in ieder geval onvoldoende toegelicht en onderbouwd waarom dit thans moet leiden tot het besluit om de [afdeling] op te heffen en het (resterende) werk uit te besteden.





Samengevat zijn dus zowel de omvang van de werkzaamheden van werknemer en daarmee ook de redenering achter het besluit om de afdeling op te heffen en het (overige) werk uit te besteden, onduidelijk. Nu deze zaken onduidelijk zijn gebleven vinden wij niet aannemelijk dat het opheffen van de [afdeling] – om vervolgens de vertaalwerkzaamheden ad hoc uit te besteden – noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. ”







3Het verzoek


3.1.
ISN verzoekt de kantonrechter, bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst met [partij B] te ontbinden op grond van bedrijfseconomische omstandigheden met toekenning van een transitievergoeding aan [partij B] , met veroordeling van [partij B] in de kosten en nakosten van de procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.2.
ISN legt aan haar verzoek – samengevat – ten grondslag dat sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden, waarbij de functie van [partij B] is komen te vervallen. In dat kader voert ISN aan dat zij op 14 november 2025 heeft besloten om de [afdeling] op te heffen per 1 januari 2026 en alle vertaalwerkzaamheden — voor zover werkgever daar in de toekomst behoefte aan zal hebben — extern te laten uitvoeren. Tevens is besloten per direct te stoppen met het vertalen van de Koran. De opheffing van de [afdeling] heeft tot gevolg dat de functie van [partij B] als [functie] komt te vervallen. [partij B] is de enige medewerker op de [afdeling] . Het is een unieke functie binnen ISN. ISN verwacht dat in de komende 26 weken geen vertaalopdrachten zullen ontstaan, nu vertalen op grond van het strategisch beleidsplan niet langer een activiteit van de organisatie is. ISN stelt zich verder op het standpunt dat zij zich voldoende heeft ingespannen voor herplaatsing van [partij B] , maar dat dit niet mogelijk is gebleken.





4Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek


4.1.

[partij B] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen met veroordeling van ISN in de kosten van de procedure, vermeerder met de wettelijke rente. Op het verweer van [partij B] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4.2.
Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [partij B] bij voorwaardelijk tegenverzoek om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Op het voorwaardelijk tegenverzoek zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.





5De beoordeling



ISN is ontvankelijk in haar verzoek




5.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. ISN grondt haar verzoek tot ontbinding op artikel 7:671b lid 1 sub b BW, waarin is bepaald dat de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub a en b BW, indien de toestemming van het UWV als bedoeld in artikel 7:671a BW is geweigerd. ISN heeft haar verzoek om toestemming van het UWV gebaseerd op de zogenoemde a-grond van artikel 7:669 lid 3 BW, te weten het (onder meer) over een periode van tenminste 26 weken bezien noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.



5.2.
Op grond van artikel 7:686a lid 4 sub d BW vervalt de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen, indien het een verzoek ex artikel 7:671b lid 1 sub b BW betreft, twee maanden na de dag waarop de toestemming bedoeld in artikel 7:671a BW is geweigerd. Het UWV heeft de toestemming op 6 februari 2026 geweigerd (zie onder 2.7.). Nu het verzoekschrift in de onderhavige procedure op 1 april 2026 is ingediend, is dit tijdig gebeurd en kan ISN in haar verzoek worden ontvangen.



Het juridisch kader





5.3.
Bij de beoordeling van het verzoek van ISN wordt het volgende tot uitgangspunt genomen.


5.4.
De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst ontbinden indien sprake is van (i) een redelijke grond en (2) herplaatsing niet mogelijk of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). Een redelijk grond voor opzegging bestaat indien sprake is van het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van werkzaamheden van de onderneming of indien, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, arbeidsplaatsen noodzakelijkerwijs vervallen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. De bepaling is nader uitgewerkt in de Ontslagregeling.



5.5.
Bij de toetsing dient de rechter zich te houden aan dezelfde criteria als die voor het UWV gelden. Bij de beoordeling of daarvan sprake is past een zekere mate van terughoudendheid, aangezien een ondernemer/werkgever een bepaalde ruimte moet hebben om een dergelijke beslissing te nemen. Een werkgever moet haar onderneming zo kunnen inrichten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn is verzekerd.



Er is geen sprake van een redelijke grond





5.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat sprake is van een redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub a BW. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.



5.7.
ISN stelt zich op het standpunt dat de functie van [partij B] is komen te vervallen. In dat kader verwijst ISN naar het bestuursbesluit van 14 november 2025, waarin staat dat na een gezamenlijke beoordeling van de werkzaamheden van de [afdeling] in de afgelopen jaren, de opgeleverde werken en de totale kosten, is geconcludeerd dat de afdeling financieel niet duurzaam is en dat tegelijkertijd is gebleken dat bij de pilotgewijs uitgevoerde inkoop van vertaaldiensten in de afgelopen jaren efficiëntere resultaten zijn behaald, zowel qua kosten als qua werkkwaliteit. ISN verwijst voorts naar het Strategisch Beleidsplan 2025-2030 en stelt dat daarin staat dat vertalingen geen kernpunt meer zijn. ISN stelt dat dit samen hangt met het feit dat de aangestelde imams een groot deel van het vertaalwerk inmiddels zelf verrichten en dat strategisch is besloten om het Koranvertaalproject definitief niet voort te zetten. Voor zover zich in de toekomst bij uitzondering nog incidentele vertaalopdrachten voordoen, stelt ISN dat deze met ingang van 1 januari 2026 zullen worden uitbesteed aan externe partijen.



5.8.

De kantonrechter overweegt dat is gesteld noch gebleken dat het besluit van 14 november 2025 is gepubliceerd en dat ISN openbaar heeft gemaakt dat zij voornemens is haar [afdeling] te sluiten. Ook het Strategisch Beleidsplan 2025-2030 is niet gepubliceerd. Dat er in de nieuwe strategische koers geen plaats meer zou zijn voor het vertalen van religieuze werken en boeken van het Arabisch naar het Nederlands, wordt anders dan ISN suggereert, geenszins als zodanig benoemd in het strategisch beleidsplan. Sterker nog, [partij B] heeft – onder verwijzing naar de website van ISN – onweersproken gesteld dat het Strategisch Beleidsplan 2025-2030 op de website als volgt wordt toegelicht: "Het beleidsplan is gefocust op het continueren van de activiteiten om de doelstellingen zoals die hierboven en in de statuten staan beschreven uit te voeren." Dat ISN zou hebben besloten haar strategische koers te wijzigen voor wat betreft de vertaalwerkzaamheden, blijkt naar de buitenwereld toe dan ook nergens uit. Daar komt bij dat uit de statuten van ISN, meer in het bijzonder artikel 2 lid 2 sub o en p, juist volgt dat het doen vertalen van boeken tot de statutaire kernactiviteit van ISN behoort.
ISN stelt in haar verzoekschrift weliswaar dat de statuten zullen worden aangepast, maar gesteld noch gebleken is dat dit daadwerkelijk is gebeurd. Met het opheffen van haar [afdeling] handelt ISN dus in strijd met haar eigen statutaire doelstellingen.




5.9.
Daar komt bij dat de inhoud van het besluit de nodige vragen oproept. Zo bevat het besluit naar het oordeel van de kantonrechter geen deugdelijke motivering. In het besluit wordt gesproken over een ‘gezamenlijke beoordeling van de werkzaamheden (…), de opgeleverde werken en de totale kosten’ waarna is geconcludeerd dat de afdeling financieel niet duurzaam is. Het blijft onduidelijk welke beoordeling heeft plaatsgevonden, door wie en over welke periode en wat precies is beoordeeld. Ook is niet duidelijk wat wordt bedoeld met de zinsnede dat ‘de afdeling financieel niet duurzaam is’ en waaruit dat dan blijkt. Verder wordt gesproken over uitgevoerde pilots met het inkopen van vertaaldiensten, waarmee efficiëntere resultaten zijn behaald, zowel qua kosten als kwaliteit. Enig inzicht in die pilots ontbreekt. Bovendien lijkt uit het door ISN als productie 5 overgelegde kostenoverzicht te volgen dat het uitbesteden van werkzaamheden aan externe partijen juist hoge(re) kosten met zich brengt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook geenszins gebleken dat uitbesteding van de vertaalwerkzaamheden een kostenbesparing oplevert die noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Nog daargelaten dat het feit dat in een korte periode veel geld is uitgegeven aan het uitbesteden van vertaalwerkzaamheden aan externe partijen zich niet verhoudt met de stelling van ISN dat vertalingen geen kernpunt van haar werkzaamheden meer zouden zijn.



5.10.
Gelet op dit alles is de conclusie dat ISN niet aannemelijk heeft gemaakt dat de taken, verantwoordelijkheden en werkzaamheden behorend tot de functie van [partij B] zijn komen te vervallen, zodat van een voldragen a-grond reeds daarom geen sprake kan zijn.



ISN heeft niet voldaan aan de herplaatsingsverplichting





5.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft ISN ook niet voldaan aan haar herplaatsingsverplichting. In dat kader overweegt de kantonrechter nog het volgende.



5.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat een vacature open stond voor de functie van “Meewerkend Teamleider Uitvaartfonds”. ISN stelt echter dat deze vacature al in november 2025 is ingetrokken "vanwege gebrek aan belangstelling". [partij B] heeft onder verwijzing naar een schermafbeelding van het ISN-vacatureportaal van 5 januari 2026 onweersproken aangevoerd dat de functie 'Meewerkend Teamleider Uitvaartfonds ISN' 27 dagen na de ontslagaankondiging van 9 december 2025 nog openstaand was. Niet weersproken is dat [partij B] aan de functie-eisen voldeed, zodat ISN deze functie op grond van artikel 9 lid 1 Ontslagregeling in haar herplaatsingsonderzoek had moeten betrekken en aan [partij B] had moeten aanbieden. ISN heeft dit nagelaten. ISN heeft weliswaar aangevoerd dat de werkzaamheden intern zijn verdeeld over bestaande functies, maar dit maakt niet dat herplaatsing in die functie niet meer mogelijk is. Dat ISN een andere functie aan [partij B] heeft aangeboden, doet aan het voorgaande niet af. ISN heeft [partij B] een functie aangeboden als administratief medewerker bij het uitvaartfonds. ISN heeft niet weersproken dat deze functie niet passend is gelet op opleidingsniveau, ervaring en salariëring.



5.13.

De conclusie is daarom dat ISN niet aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan, zodat haar ontbindingsverzoek óók op die grond niet aan de vereisten van artikel 7:669 lid 1 BW voldoet.

Conclusie verzoek en tegenverzoek





5.14.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden. Het verzoek wordt afgewezen. Bij deze uitkomst wordt aan het zelfstandig tegenverzoek niet toegekomen.



Proceskosten





5.15.
ISN is in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van de procedure (inclusief de nakosten). De proceskosten van [partij B] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 1.154,00
- nakosten € 144,00
Totaal € 1.298,00



5.16.
ISN wordt tevens veroordeeld om over de proceskosten de wettelijke rente te voldoen, zoals door [partij B] is gevorderd.





6De beslissing


De kantonrechter



6.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,



6.2.
veroordeelt ISN in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als ISN niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



6.3.
veroordeelt ISN tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.4.
verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is gegeven door mr. D. Nobel en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.