Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27099
2026-09-09
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/09/697482
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Misbruik van procesbevoegdheid. Volledigheids- en waarheidsplicht. artikel 3:13 BW; artikel 21 Rv.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:4116 Rechtbank Noord-Holland 04-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2026:445 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.206 tekens)
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/697482 / HA ZA 26-63
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats] ([land]),
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. Goedhart,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE) te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. T.J. Crom.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 21 november 2025, met producties 1 tot en met 10, 10A en 11;
de conclusie van antwoord, zo nodig met vordering in reconventie, met producties 1 tot en met 5;
het bericht van de Staat met een nieuwe productie 4, ter vervanging van de eerder ingediende productie 4;
de conclusie van antwoord in reconventie;
de akte vermeerdering eis van [eiser], met producties 12 en 13; en
het bericht van [eiser] met aanvullende producties 14 en 15.
1.2.
Op 21 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van deze zaak plaatsgevonden. Door de griffier zijn daarvan zittingsaantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aangegeven dat het verzoek om een reële proceskostenvergoeding, zoals gevorderd in reconventie, in conventie kan worden beoordeeld. De Staat heeft daarop te kennen gegeven de vordering in reconventie niet door te zetten.
2De feiten
2.1.
Op 19 april 2021 is een Audi RS7 met uitvoerkenteken [kenteken] (hierna: de auto) in beslag genomen door de politie op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
2.2.
Op 22 april 2021 dienden zowel [eiser] als [bedrijfsnaam] B.V. een klaagschrift in tegen de inbeslagneming. Beide klaagschriften zijn ongegrond verklaard.
2.3.
Op 16 juni 2021 diende Prudent B.V. een klaagschrift in tegen de inbeslagneming. Ook dit klaagschrift is ongegrond verklaard.
2.4.
Op 18 augustus 2021 diende Prudent B.V. opnieuw een klaagschrift in tegen de inbeslagneming. Dit klaagschrift is op 9 november 2021 gegrond verklaard, waarbij de teruggave van de auto is gelast aan Prudent B.V.
2.5.
De officier van justitie gaf op 30 november 2021 een last tot teruggave van de auto aan Prudent B.V.
2.6.
[eiser] haalde de auto op 7 december 2021 op.
2.7.
Op 28 december 2021 stelde [bedrijfsnaam] B.V. de Staat aansprakelijk voor de door haar gestelde schade aan de auto.
2.8.
Op 30 december 2021 wees de Staat aansprakelijkheid af.
2.9.
Op 31 mei 2022 dagvaardde [bedrijfsnaam] B.V. de Staat en vorderde de Staat te veroordelen tot vergoeding van de gestelde schade aan de auto en de daarmee samenhangende waardevermindering van de auto.
2.10.
Bij vonnis van 16 november 2022 wees de kantonrechter de vorderingen af. In het vonnis staat onder meer:
“4.7 ln het licht van de gemotiveerde betwisting van de Staat lag het op de weg van [eiser] om nader te onderbouwen dat zij schade heeft geleden en waardoor deze schade is ontstaan. Dit heeft [eiser] echter nagelaten. Het voorgaande betekent dat de schade niet is komen vast te staan en, indien er al sprake is van schade, evenmin is komen vast te staan dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de inbeslagname van de auto. Dit betekent dat de vordering zal worden afgewezen.
4.8.
Nu niet is komen vast te staan dat de Staat verantwoordelijk is voor de schade aan
de auto, zal ook de vordering met betrekking tot de waardevermindering worden afgewezen.”
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van eis – dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de Staat veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 3.965 voor reparatiekosten;
II. de Staat veroordeelt tot betaling van € 48.775 voor waardevermindering van de auto als gevolg van de duur van de inbeslagname en als gevolg van de schade;
III. de Staat veroordeelt tot betaling van € 400.000 in verband met de contractuele boete;
IV. de Staat veroordeelt in de onderzoekskosten van € 459,80;
waarbij alle posten worden vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. De Staat heeft onrechtmatig gehandeld door de auto ten onrechte in beslag te nemen en de auto vervolgens onzorgvuldig te bewaren. De Staat is daarom gehouden om alle schade die [eiser] hierdoor lijdt te vergoeden. Deze schade bestaat uit de reparatiekosten, vergoeding van de waardevermindering en vergoeding van de contractuele boete die [bedrijfsnaam] B.V. aan Prudent B.V. is verschuldigd vanwege te late (door)levering van de auto.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Misbruik van bevoegdheid?
4.1.
De Staat heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden omdat hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid om een procedure te beginnen. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [eiser] met valse informatie een fictieve vordering op de Staat probeert te verhalen. Daarnaast heeft [eiser] een deel van de vordering al aan de kantonrechter voorgelegd en is deze toen afgewezen. [eiser] heeft betwist dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn procesbevoegdheid.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat het iedere partij vrij staat om een rechtszaak tegen een ander te beginnen, ook al vindt die ander dat er weinig of geen aanleiding voor is. Misbruik van (proces)bevoegdheid is er niet snel en de rechter mag dat ook niet zomaar aannemen. Dit neemt niet weg dat er ook een grens is aan ieders (proces)bevoegdheid. Dit kan onder andere het geval zijn als men in redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen (artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) of bij schending van de waarheids- en volledigheidsplicht als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van dit artikel zijn partijen verplicht om alle van belang zijnde feiten in een procedure volledig en naar waarheid naar voren te brengen. Houdt een partij zich hier niet aan, dan kan de rechter daaraan het gevolg verbinden dat hij passend acht.
De vorderingen onder I en II deels (met betrekking tot de schade)
4.3.
De rechtbank stelt vast dat [bedrijfsnaam] B.V. de vorderingen onder I en (deels) onder II al eerder heeft ingediend bij de kantonrechter. [eiser] was in die procedure de vertegenwoordiger van [bedrijfsnaam] B.V. De vordering is toen afgewezen omdat de gestelde schade en het gestelde causaal verband onvoldoende waren onderbouwd. Niet betwist is dat [bedrijfsnaam] B.V. toentertijd op deze punten dezelfde stukken had ingediend als die nu voorliggen. Bij deze stand van zaken valt in redelijkheid niet in te zien waarom [eiser] een nieuwe procedure is begonnen. Door deze tweede procedure op te starten maakt [eiser] misbruik van zijn procesbevoegdheid. Dit betekent dat de vorderingen onder I en II, voor zover die ziet op de waardevermindering door de gestelde schade, worden afgewezen.
4.4.
Dit leidt ertoe dat de vorderingen als genoemd II, voor zover die ziet op een waardedaling door tijdsverloop, en onder III, die ziet op de contractuele boete, resteren.
De vorderingen onder II deels (met betrekking tot het tijdsverloop) en III
4.5.
Met betrekking tot de resterende vordering onder II heeft [eiser] aangevoerd dat hij de eigenaar is van de auto en dat hij schade heeft geleden doordat de auto voor een langere periode ten onrechte in beslag was genomen. De auto is daardoor minder waard geworden. Ten aanzien van de contractuele boete zoals gevorderd onder III heeft [eiser] het volgende aangevoerd. [bedrijfsnaam] B.V. heeft van Prudent B.V. de opdracht gekregen om de auto in Duitsland te kopen en vervolgens aan Prudent B.V. op de Seychellen te leveren. Doordat de Staat de auto ten onrechte in beslag heeft genomen, was [bedrijfsnaam] B.V. niet in staat de auto op tijd aan Prudent B.V. te leveren. [bedrijfsnaam] B.V. verbeurde daardoor de contractuele boete voor het niet tijdig leveren van de auto. Nu de Staat de auto onrechtmatig in beslag heeft genomen, is de Staat aansprakelijk voor deze schade. De Staat heeft al deze stellingen weersproken.
4.6.
De rechtbank stelt ten eerste vast dat de stelling wie de eigenaar is van de auto wisselt in de verschillende procedures. Tijdens de eerste klaagschriftprocedures stelden zowel [eiser], [bedrijfsnaam] B.V. als Prudent B.V. dat zij eigenaar van de auto zijn. In de latere klaagschriftprocedures werd de stelling ingenomen dat enkel Prudent B.V. de eigenaar is. In de procedure voor de kantonrechter werd eveneens de stelling ingenomen dat Prudent B.V. de eigenaar is, waarna in deze procedure weer wordt gesteld dat [eiser] de eigenaar is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [eiser] een grotendeels zwartgelakte koopovereenkomst overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling kon [eiser] geen antwoord geven op de vragen die deze koopovereenkomst oproept over het eigenaarschap van de auto dan wel waarom grote delen van de koopovereenkomst zijn zwartgelakt. Daarbij komt dat, hoewel dat wel in de rede had gelegen, [eiser] zelf niet de eerdere klaagschriften en de beslissingen daarop heeft overgelegd.
4.7.
De rechtbank stelt verder vast dat [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering onder III een overeenkomst van opdracht, een notariële akte waarin de verschuldigdheid van de boete zou zijn vastgelegd, een akte van cessie en deurwaardersstukken heeft overgelegd. Deze stukken roepen, ieder op zichzelf maar ook in samenhang bezien, meer vragen op dan zij beantwoorden. De opgestelde stukken bevatten opvallende bepalingen, zoals de verschuldigdheid van een contractuele boete die meerdere keren de waarde van de auto overstijgt (de overeenkomst van opdracht) en het aanvaarden van hoofdelijkheid voor een schuld die vele malen de eigen schuld overtreft (de notariële akte). Bovendien ontbreken bij alle documenten de (relevante) onderliggende stukken. Ondanks kritische opmerkingen daarover aan de zijde van de Staat in de conclusie van antwoord en vragen daarover door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling, heeft dit niet geleid tot enige aanvulling van de zijde van [eiser]. Daar komt bij dat alle stukken ondertekend zijn door [eiser], dan wel ‘de heer [naam]’, waar verder ook geen toelichting op is gegeven. Enige onderbouwing van het bestaan van de verschillende B.V.’s en de verschillende rechtsverhoudingen heeft [eiser] niet overgelegd.
4.8.
Dit had temeer op de weg van [eiser] gelegen gelet op het verloop van de eerdere procedures. Door en namens [eiser] is eerder geprocedeerd bij de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2023:4116) en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2026:445). In beide procedures speelden [bedrijfsnaam] (B.V.) en Prudent B.V. een rol en zijn daarover door de rechtbank en het hof in hun uitspraken kritische kanttekeningen geplaatst, die hebben geleid tot afwijzing van de vorderingen. De grondslag van de vorderingen in die procedures is in bepaalde mate vergelijkbaar met de grondslag van de vordering in de onderhavige procedure. Ook in die procedures probeerde [eiser] door inzet van Prudent B.V. hoge boetes te verhalen op anderen.
4.9.
Gelet op de kritische kanttekeningen in die procedures had het op de weg van [eiser] gelegen om de huidige vorderingen onder II deels (met betrekking tot het tijdsverloop) en III, nu de grondslag vergelijkbaar is, te onderbouwen. [eiser] heeft dit echter nagelaten en heeft ook ditmaal op kritische vragen geen antwoord kunnen geven. Dat er in het verleden “niet zo goed” zou zijn geprocedeerd, is daarbij geen afdoende verklaring. De rechtbank merkt daarbij op dat zij de relevantie van de enkele verwijzing door [eiser] naar het tussenarrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2024 in de zaaknummers 200327943/01 en 200315650/01, zonder concrete nadere toelichting, niet inziet.
4.10.
Als de rechtbank het voorgaande samenneemt komt zij tot de conclusie dat [eiser] ten aanzien van de vorderingen onder II deels (met betrekking tot het tijdsverloop) en III in ieder geval niet heeft voldaan aan zijn volledigheidsplicht, en naar de indruk van de rechtbank ook niet aan zijn waarheidsplicht, zoals vereist op grond van artikel 21 Rv. Nu [eiser] zich hiervan bewust moet zijn geweest op grond van de eerdere procedures, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van zijn procesbevoegdheid door op deze wijze wederom een procedure te starten. Dit leidt ertoe dat ook deze vorderingen worden afgewezen.
Conclusie
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen onder I, II en III worden afgewezen. Dit maakt dat ook de vordering onder IV moet worden afgewezen.
Proceskosten
4.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat betalen. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] veroordeeld moet worden in de reële proceskosten van de Staat, omdat sprake is van misbruik van procesbevoegdheid. [eiser] heeft dit betwist.
4.13.
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een procedure te beginnen en zal daarom het verzoek van de Staat om een reële proceskostenvergoeding toewijzen.
4.14.
De proceskosten van de Staat worden vastgesteld op:
- griffierecht
€
6.861
- salaris advocaat
€
8.414
- nakosten
€
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
15.464
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 15.464, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
3280
Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/697482 / HA ZA 26-63
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats] ([land]),
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. Goedhart,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE) te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. T.J. Crom.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 21 november 2025, met producties 1 tot en met 10, 10A en 11;
de conclusie van antwoord, zo nodig met vordering in reconventie, met producties 1 tot en met 5;
het bericht van de Staat met een nieuwe productie 4, ter vervanging van de eerder ingediende productie 4;
de conclusie van antwoord in reconventie;
de akte vermeerdering eis van [eiser], met producties 12 en 13; en
het bericht van [eiser] met aanvullende producties 14 en 15.
1.2.
Op 21 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van deze zaak plaatsgevonden. Door de griffier zijn daarvan zittingsaantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aangegeven dat het verzoek om een reële proceskostenvergoeding, zoals gevorderd in reconventie, in conventie kan worden beoordeeld. De Staat heeft daarop te kennen gegeven de vordering in reconventie niet door te zetten.
2De feiten
2.1.
Op 19 april 2021 is een Audi RS7 met uitvoerkenteken [kenteken] (hierna: de auto) in beslag genomen door de politie op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
2.2.
Op 22 april 2021 dienden zowel [eiser] als [bedrijfsnaam] B.V. een klaagschrift in tegen de inbeslagneming. Beide klaagschriften zijn ongegrond verklaard.
2.3.
Op 16 juni 2021 diende Prudent B.V. een klaagschrift in tegen de inbeslagneming. Ook dit klaagschrift is ongegrond verklaard.
2.4.
Op 18 augustus 2021 diende Prudent B.V. opnieuw een klaagschrift in tegen de inbeslagneming. Dit klaagschrift is op 9 november 2021 gegrond verklaard, waarbij de teruggave van de auto is gelast aan Prudent B.V.
2.5.
De officier van justitie gaf op 30 november 2021 een last tot teruggave van de auto aan Prudent B.V.
2.6.
[eiser] haalde de auto op 7 december 2021 op.
2.7.
Op 28 december 2021 stelde [bedrijfsnaam] B.V. de Staat aansprakelijk voor de door haar gestelde schade aan de auto.
2.8.
Op 30 december 2021 wees de Staat aansprakelijkheid af.
2.9.
Op 31 mei 2022 dagvaardde [bedrijfsnaam] B.V. de Staat en vorderde de Staat te veroordelen tot vergoeding van de gestelde schade aan de auto en de daarmee samenhangende waardevermindering van de auto.
2.10.
Bij vonnis van 16 november 2022 wees de kantonrechter de vorderingen af. In het vonnis staat onder meer:
“4.7 ln het licht van de gemotiveerde betwisting van de Staat lag het op de weg van [eiser] om nader te onderbouwen dat zij schade heeft geleden en waardoor deze schade is ontstaan. Dit heeft [eiser] echter nagelaten. Het voorgaande betekent dat de schade niet is komen vast te staan en, indien er al sprake is van schade, evenmin is komen vast te staan dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de inbeslagname van de auto. Dit betekent dat de vordering zal worden afgewezen.
4.8.
Nu niet is komen vast te staan dat de Staat verantwoordelijk is voor de schade aan
de auto, zal ook de vordering met betrekking tot de waardevermindering worden afgewezen.”
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van eis – dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de Staat veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 3.965 voor reparatiekosten;
II. de Staat veroordeelt tot betaling van € 48.775 voor waardevermindering van de auto als gevolg van de duur van de inbeslagname en als gevolg van de schade;
III. de Staat veroordeelt tot betaling van € 400.000 in verband met de contractuele boete;
IV. de Staat veroordeelt in de onderzoekskosten van € 459,80;
waarbij alle posten worden vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. De Staat heeft onrechtmatig gehandeld door de auto ten onrechte in beslag te nemen en de auto vervolgens onzorgvuldig te bewaren. De Staat is daarom gehouden om alle schade die [eiser] hierdoor lijdt te vergoeden. Deze schade bestaat uit de reparatiekosten, vergoeding van de waardevermindering en vergoeding van de contractuele boete die [bedrijfsnaam] B.V. aan Prudent B.V. is verschuldigd vanwege te late (door)levering van de auto.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Misbruik van bevoegdheid?
4.1.
De Staat heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden omdat hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid om een procedure te beginnen. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [eiser] met valse informatie een fictieve vordering op de Staat probeert te verhalen. Daarnaast heeft [eiser] een deel van de vordering al aan de kantonrechter voorgelegd en is deze toen afgewezen. [eiser] heeft betwist dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn procesbevoegdheid.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat het iedere partij vrij staat om een rechtszaak tegen een ander te beginnen, ook al vindt die ander dat er weinig of geen aanleiding voor is. Misbruik van (proces)bevoegdheid is er niet snel en de rechter mag dat ook niet zomaar aannemen. Dit neemt niet weg dat er ook een grens is aan ieders (proces)bevoegdheid. Dit kan onder andere het geval zijn als men in redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen (artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) of bij schending van de waarheids- en volledigheidsplicht als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van dit artikel zijn partijen verplicht om alle van belang zijnde feiten in een procedure volledig en naar waarheid naar voren te brengen. Houdt een partij zich hier niet aan, dan kan de rechter daaraan het gevolg verbinden dat hij passend acht.
De vorderingen onder I en II deels (met betrekking tot de schade)
4.3.
De rechtbank stelt vast dat [bedrijfsnaam] B.V. de vorderingen onder I en (deels) onder II al eerder heeft ingediend bij de kantonrechter. [eiser] was in die procedure de vertegenwoordiger van [bedrijfsnaam] B.V. De vordering is toen afgewezen omdat de gestelde schade en het gestelde causaal verband onvoldoende waren onderbouwd. Niet betwist is dat [bedrijfsnaam] B.V. toentertijd op deze punten dezelfde stukken had ingediend als die nu voorliggen. Bij deze stand van zaken valt in redelijkheid niet in te zien waarom [eiser] een nieuwe procedure is begonnen. Door deze tweede procedure op te starten maakt [eiser] misbruik van zijn procesbevoegdheid. Dit betekent dat de vorderingen onder I en II, voor zover die ziet op de waardevermindering door de gestelde schade, worden afgewezen.
4.4.
Dit leidt ertoe dat de vorderingen als genoemd II, voor zover die ziet op een waardedaling door tijdsverloop, en onder III, die ziet op de contractuele boete, resteren.
De vorderingen onder II deels (met betrekking tot het tijdsverloop) en III
4.5.
Met betrekking tot de resterende vordering onder II heeft [eiser] aangevoerd dat hij de eigenaar is van de auto en dat hij schade heeft geleden doordat de auto voor een langere periode ten onrechte in beslag was genomen. De auto is daardoor minder waard geworden. Ten aanzien van de contractuele boete zoals gevorderd onder III heeft [eiser] het volgende aangevoerd. [bedrijfsnaam] B.V. heeft van Prudent B.V. de opdracht gekregen om de auto in Duitsland te kopen en vervolgens aan Prudent B.V. op de Seychellen te leveren. Doordat de Staat de auto ten onrechte in beslag heeft genomen, was [bedrijfsnaam] B.V. niet in staat de auto op tijd aan Prudent B.V. te leveren. [bedrijfsnaam] B.V. verbeurde daardoor de contractuele boete voor het niet tijdig leveren van de auto. Nu de Staat de auto onrechtmatig in beslag heeft genomen, is de Staat aansprakelijk voor deze schade. De Staat heeft al deze stellingen weersproken.
4.6.
De rechtbank stelt ten eerste vast dat de stelling wie de eigenaar is van de auto wisselt in de verschillende procedures. Tijdens de eerste klaagschriftprocedures stelden zowel [eiser], [bedrijfsnaam] B.V. als Prudent B.V. dat zij eigenaar van de auto zijn. In de latere klaagschriftprocedures werd de stelling ingenomen dat enkel Prudent B.V. de eigenaar is. In de procedure voor de kantonrechter werd eveneens de stelling ingenomen dat Prudent B.V. de eigenaar is, waarna in deze procedure weer wordt gesteld dat [eiser] de eigenaar is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [eiser] een grotendeels zwartgelakte koopovereenkomst overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling kon [eiser] geen antwoord geven op de vragen die deze koopovereenkomst oproept over het eigenaarschap van de auto dan wel waarom grote delen van de koopovereenkomst zijn zwartgelakt. Daarbij komt dat, hoewel dat wel in de rede had gelegen, [eiser] zelf niet de eerdere klaagschriften en de beslissingen daarop heeft overgelegd.
4.7.
De rechtbank stelt verder vast dat [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering onder III een overeenkomst van opdracht, een notariële akte waarin de verschuldigdheid van de boete zou zijn vastgelegd, een akte van cessie en deurwaardersstukken heeft overgelegd. Deze stukken roepen, ieder op zichzelf maar ook in samenhang bezien, meer vragen op dan zij beantwoorden. De opgestelde stukken bevatten opvallende bepalingen, zoals de verschuldigdheid van een contractuele boete die meerdere keren de waarde van de auto overstijgt (de overeenkomst van opdracht) en het aanvaarden van hoofdelijkheid voor een schuld die vele malen de eigen schuld overtreft (de notariële akte). Bovendien ontbreken bij alle documenten de (relevante) onderliggende stukken. Ondanks kritische opmerkingen daarover aan de zijde van de Staat in de conclusie van antwoord en vragen daarover door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling, heeft dit niet geleid tot enige aanvulling van de zijde van [eiser]. Daar komt bij dat alle stukken ondertekend zijn door [eiser], dan wel ‘de heer [naam]’, waar verder ook geen toelichting op is gegeven. Enige onderbouwing van het bestaan van de verschillende B.V.’s en de verschillende rechtsverhoudingen heeft [eiser] niet overgelegd.
4.8.
Dit had temeer op de weg van [eiser] gelegen gelet op het verloop van de eerdere procedures. Door en namens [eiser] is eerder geprocedeerd bij de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2023:4116) en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2026:445). In beide procedures speelden [bedrijfsnaam] (B.V.) en Prudent B.V. een rol en zijn daarover door de rechtbank en het hof in hun uitspraken kritische kanttekeningen geplaatst, die hebben geleid tot afwijzing van de vorderingen. De grondslag van de vorderingen in die procedures is in bepaalde mate vergelijkbaar met de grondslag van de vordering in de onderhavige procedure. Ook in die procedures probeerde [eiser] door inzet van Prudent B.V. hoge boetes te verhalen op anderen.
4.9.
Gelet op de kritische kanttekeningen in die procedures had het op de weg van [eiser] gelegen om de huidige vorderingen onder II deels (met betrekking tot het tijdsverloop) en III, nu de grondslag vergelijkbaar is, te onderbouwen. [eiser] heeft dit echter nagelaten en heeft ook ditmaal op kritische vragen geen antwoord kunnen geven. Dat er in het verleden “niet zo goed” zou zijn geprocedeerd, is daarbij geen afdoende verklaring. De rechtbank merkt daarbij op dat zij de relevantie van de enkele verwijzing door [eiser] naar het tussenarrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2024 in de zaaknummers 200327943/01 en 200315650/01, zonder concrete nadere toelichting, niet inziet.
4.10.
Als de rechtbank het voorgaande samenneemt komt zij tot de conclusie dat [eiser] ten aanzien van de vorderingen onder II deels (met betrekking tot het tijdsverloop) en III in ieder geval niet heeft voldaan aan zijn volledigheidsplicht, en naar de indruk van de rechtbank ook niet aan zijn waarheidsplicht, zoals vereist op grond van artikel 21 Rv. Nu [eiser] zich hiervan bewust moet zijn geweest op grond van de eerdere procedures, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van zijn procesbevoegdheid door op deze wijze wederom een procedure te starten. Dit leidt ertoe dat ook deze vorderingen worden afgewezen.
Conclusie
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen onder I, II en III worden afgewezen. Dit maakt dat ook de vordering onder IV moet worden afgewezen.
Proceskosten
4.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat betalen. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] veroordeeld moet worden in de reële proceskosten van de Staat, omdat sprake is van misbruik van procesbevoegdheid. [eiser] heeft dit betwist.
4.13.
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een procedure te beginnen en zal daarom het verzoek van de Staat om een reële proceskostenvergoeding toewijzen.
4.14.
De proceskosten van de Staat worden vastgesteld op:
- griffierecht
€
6.861
- salaris advocaat
€
8.414
- nakosten
€
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
15.464
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 15.464, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
3280