Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27082
2026-09-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.46453
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AMB-verordening, Italië, beroep gegrond. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023 is het aan de minister is om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Italië. De eerdere opvangproblematiek lijkt echter onveranderd. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië inmiddels weer structureel in opvang voorziet. Bij overdracht aan Italië zou eiser een reëel risico lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2023:1654 Raad van State 26-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1655 Raad van State 26-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1654 Raad van State 26-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25113 Rechtbank Den Haag 01-09-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.957 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46453
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 juli 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001 ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft (gelijktijdig) ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening). Op grond van de AMB-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.2
3.1.
In dit geval heeft Nederland bij Italië een kennisgeving inzake terugname gedaan. Italië heeft de kennisgeving bevestigd.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
4. Eiser voert aan dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 4 van het Handvest bij overdracht aan Italië. Het standpunt van de minister dat de opvangsituatie nu wezenlijk is veranderd, is onvoldoende deugdelijk gemotiveerd volgens eiser. De rapporten waar de minister op wijst, het EUAA rapport3 en het UNHCR rapport4, berichten niet over een sterke verbetering in de Italiaanse asielopvang. De mededeling van de Italiaanse minister van binnenlandse zaken, die overigens niet op schrift is gesteld, is een erg dunne motivering om aan te nemen dat asielzoekers in Italië wel adequaat worden opgevangen en toegang krijgen tot de asielprocedure. Uit het EUAA rapport blijkt dat de Italië onder 'migratiedruk' staat. Dit wijst niet op een substantieel lagere instroom waardoor ruimte in de opvang komt. Verder blijkt uit dit rapport dat toegang tot de asielprocedure nog steeds moeilijk is. In het AIDA-rapport van juli 2026 staat dat dezelfde minister van binnenlandse zaken in april 2026 heeft opgemerkt dat er in de Italiaanse asielopvang geen plekken zijn gereserveerd voor Dublin-terugkeerders.5 In het AIDA-rapport wordt melding gemaakt van de moeilijkheden die asielzoekers ondervinden om opgenomen te worden in de Italiaanse asielprocedure. Het kan soms maanden duren voordat het zover is.6 Bij terugname kan het voor komen dat het asielverzoek impliciet is ingetrokken. Hij kan dan verzoeken om heropenening, als zijn asielverzoek niet al is afgesloten. Anders zal zijn asielverzoek als herhaalde aanvraag worden aangemerkt. Het risico op een schending van artikel 4 van het Handvest is daarom nog steeds actueel.
Het standpunt van de minister
5. De minister stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De minister vindt de situatie wezenlijk veranderd sinds de ‘circular letter’ van de Italiaanse autoriteiten van december 2022. De minister van Asiel en Migratie heeft in juni 2026 een gesprek gehad met de Italiaanse minister van binnenlandse zaken, waarbij onder meer is besprokendat Italië medewerking gaat verlenen aan het Asiel- en Migratiepact (AMP). Nederland heeft van Italië de bevestiging gekregen dat Italië zich zal inzetten om de AMB-verordening volledig te implementeren. Expliciet is door de Italiaanse minister benoemd dat erin Italië adequate opvang zal worden geboden. Verwezen wordt naar het verslag van de JBZ-raad uit de kamerbrief van 22 juni 20267 en naar het Informatiebericht 2026/25 (IB 2026/25). De minister ziet in de praktijk bovendien dat Italië niet langer verwijst naar de ‘circular letter’. In de openbare landeninformatie over de situatie in Italië (onder meer een rapport van EUAA van juni 2026 en een rapport van AIDA van juli 2025) ziet de minister geen reden om aan te nemen dat eiser onderworpen zal worden aan een slechte behandeling in Italië. Hieruit volgt namelijk niet dat eiser in Italië geen opvang zou kunnen krijgen, of sprake is van andere serieuze problemen. In het verweerschrift wijst de minister ook op het EU-rapport van juli 20268 waarin staat dat het nationale opvangsysteem in Italië toereikend lijkt om personen die op grond van de AMB-verordening worden overgedragen onder te brengen in het landelijke netwerk voor opvangvoorzieningen.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank overweegt allereerst dat in het geval van Italië – gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 20239 – het aan de minister is om aannemelijk te maken dat op dit moment weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het ligt daarmee op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat sprake is van nieuwe informatie sinds 7 februari 2023 die tot het oordeel moeten leiden dat de voorheen geldende blokkade – die het gevolg is van de door de Italiaanse autoriteiten zelf gestelde opvangproblematiek – niet meer aan de orde is en dat (voldoende) opvangvoorzieningen aanwezig zijn voor vreemdelingen die worden overgedragen.10
6.1.
Op 1 september 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, uitspraak gedaan11 waarin is geoordeeld dat de minister er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak aanleiding om dit oordeel te volgen, nu de minister zich in deze zaak op dezelfde informatie en stukken baseert. Uit de door de minister aangehaalde landeninformatie komt ook een ander beeld naar voren dan door de minister is geschetst. De eerder door Italië zelf gestelde opvangproblematiek lijkt namelijk onveranderd. Uit het AIDA-rapport van juli 2025 volgt dat het opvangsysteem geen plekken heeft die gereserveerd zijn voor Dublinterugkeerders.12 In het meest recente AIDA-rapport van juli 2026 staat een vergelijkbare passage over de situatie in april 2026.13
6.2.
Concrete aanwijzingen ontbreken dat de situatie sinds april 2026, dan wel sinds de inwerkingtreding van het AMP op 12 juni 2026, wezenlijk is gewijzigd. Integendeel, er zijn juist aanknopingspunten dat de situatie ongewijzigd is gebleven. In het EU-rapport van juli 2026, waarnaar de minister in het verweerschrift verwijst, heeft de Europese Commissie de eerste drie weken van de toepassing van de nieuwe verantwoordelijkheidsregels van het AMP in Italië beoordeeld. De Europese Commissie vermeldt dat in Italië weliswaar voorbereidingen zijn getroffen voor de uitvoering van het AMP en het opvangsysteem toereikend lijkt, maar dat overdrachten vanuit andere lidstaten nog steeds niet plaatsvinden.
In de eerste drie weken werden alle twaalf aangevraagde overdrachten door Italië geweigerd. De Europese Commissie concludeert dat er vooralsnog geen concrete aanwijzingen zijn dat de eerdere praktijk, sinds de brief van 2022 wordt toegepast, is beëindigd. Volgens de Europese Commissie moet Italië de resterende belemmeringen voor overdrachten met voorrang wegnemen:
“The measures taken by Italy so far show significant efforts in preparing for the implementation of Part III of the AMMR. At this stage however, no concrete indications could be observed that the practices under the Dublin III Regulation, and notably with regard to the suspension of the reception of transfers, except for cases of family reunification of unaccompanied minors, no longer persist. Furthermore, there are, at present, no indications that the Italian authorities have actively engaged with other Member States on the practical and logistical steps to resume transfers. Italy needs to remove all the remaining impediments as a matter of priority, including by discontinuing the practices that have so far prevented transfers from taking place, and to ensure the necessary engagement and operational cooperation with other Member States on all practical and logistical arrangements, so that transfers are effectively carried out in compliance with the AMMR.”14
6.3.
Bij gebrek aan informatie over de redenen van weigering, gaat de rechtbank uit van het vermoeden dat dit – nog altijd – het gevolg is van de situatie in Italië zoals eind 2022 en begin 2023 is geschetst door de Italiaanse autoriteiten en zoals ook nog blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026, namelijk een gebrek aan opvangcapaciteit.
6.4.
Daarnaast heeft het EUAA-rapport van juni 2026, waar de minister naar verwijst, niet concreet betrekking op de situatie rondom Dublinclaimanten, terwijl dat wel de situatie is die de rechtbank moet beoordelen. Verder wordt in het AIDA-rapport van juli 2025 de weigerachtige houding van Italië ten aanzien van de Dublinoverdrachten bevestigd.15 Ook vermeldt het AIDA-rapport dat de aanzienlijke toename van het aantal asielzoekers het Italiaanse opvangstelsel onder druk heeft gezet en dat de Italiaanse autoriteiten in oktober 2024, in het kader van de verlengde noodtoestand, vasthielden aan de opschorting van inkomende overdrachten.16 De door de minister genoemde landeninformatie bevestigt daarmee juist de structurele opvang- en overdrachtsproblematiek. Andersluidende informatie waaruit volgt dat deze problematiek wezenlijk is verbeterd, ontbreekt. Er bestaan dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië de eenzijdige blokkade per 12 juni 2026 daadwerkelijk heeft opgeheven en inmiddels weer structureel in opvang voor claimanten onder de AMB-verordening voorziet, zodat overdracht naar Italië weer mogelijk is.
6.5.
Kort samengevat blijkt uit de door de minister aangehaalde informatie wellicht dat Italië de intentie heeft om Dublinclaimaten weer op te nemen en op te vangen, maar over de vraag of Italië daartoe feitelijk ook weer in staat is, ontbreekt concrete informatie.
7. Verder blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026 dat er problemen zijn met de asielprocedure. Met name de volgende passage acht de rechtbank in dit kader van belang:
“Access to the asylum procedure is equally problematic, for Dublin returnees and for other applicants, as detailed under Registration of the asylum application. Asylum applicants returned under the Dublin Regulation have to approach the Questura to obtain an appointment to lodge their claim. However, the delay for such an appointment reaches several months in most cases. The competent Questura is often located very far from the airport and asylum applicants have only a few days to reach it”17
7.1.
Het is de rechtbank onduidelijk of een overgedragen vreemdeling onder de AMB-verordening in de periode tussen aankomst in Italië en de afspraak bij de ‘Questura’, wat in de meeste gevallen meerdere maanden duurt, toegang heeft tot opvangvoorzieningen. Hier kon de minister desgevraagd op zitting geen duidelijkheid over geven, terwijl ook uit andere bronnen niet duidelijk wordt hoe deze wachttijd zich verhoud tot toegang tot de opvang. In de door de minister overgelegde informatie heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien dat de lange wachttijden tussen aankomst en de afspraak bij de ‘Questura’ sinds het uitbrengen van het AIDA-rapport van juli 2026 anders is. Naar het oordeel van de rechtbank, is dit ook een omstandigheid die de minister moet betrekking bij de vraag of de opvang inmiddels weer volstaat.
Conclusie
8. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de minister er, aan de hand van de in deze procedure ingebrachte informatie, niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Bij overdracht aan Italië zou eiser een reëel risico lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Het beroep is gegrond.
9. Artikel 16, derde lid, tweede alinea van de AMB-verordening bepaalt dat, in geval een lidstaat de overdracht aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd geregistreerd niet kan uitvoeren, en niet kan vaststellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, deze lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. In dit geval kan de overdracht aan Italië (de eerste lidstaat waar het verzoek werd geregistreerd) niet worden uitgevoerd. Verder volgt uit het dossier geen enkel aanknopingspunt dat een andere lidstaat mogelijk als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen. Zo is er geen Eurodactreffer met een andere lidstaat, is eiser is niet gehoord over eventuele relevante elementen voor de verantwoordelijkheid van een andere lidstaat en zijn er geen andere bewijsmiddelen of indirecte bewijzen als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de AMB-verordening. Nederland is daarom verantwoordelijk geworden voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak. In dit geval komt dat er op neem dat de minister de aanvraag in behandeling dient te nemen.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 13 augustus 2026;
bepaalt dat de minister het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling dient te nemen;
veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
___________________________________________________________________________
1 Vreemdelingenwet 2000.
2 Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.
3 ‘ Asylum Report 2026, Annual Report on the Situation of Asylum in the European Union’, juni 2026
4 ‘ Bi-Annual Fact Sheet 2026-02 Italy’, februari 2026.
5 AIDA-rapport, pagina 102.
6 AIDA-rapport, pagina 104.
7 Kenmerk: 7996176.
8 Communication from the Commission to the European Parliament and the Council, assessment pursuant to Article 4 of Commission Implementing Decision (EU) 2025/2323.
9 ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655.
10 ECLI:NL:RVS:2023:1654, overweging 4.3.2.
11 ECLI:NL:RBDHA:2026:25113.
12 AIDA-rapport (update 2024), juli 2025 op p.104.
13 AIDA-rapport (update 2025), juli 2026 op p.102.
14 Communication from the Commission to the European Parliament and the Council, assessment pursuant to Article 4 of Commission Implementing Decision (EU) 2025/2323, p.5 e.v.
15 AIDA-rapport (update 2024), juli 2025, p. 91 e.v.
16 AIDA-rapport (update 2024), juli 2025 op p.104.
17 AIDA-rapport (update 2024), juli 2025 op p.104.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46453
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 juli 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001 ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft (gelijktijdig) ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening). Op grond van de AMB-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.2
3.1.
In dit geval heeft Nederland bij Italië een kennisgeving inzake terugname gedaan. Italië heeft de kennisgeving bevestigd.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
4. Eiser voert aan dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 4 van het Handvest bij overdracht aan Italië. Het standpunt van de minister dat de opvangsituatie nu wezenlijk is veranderd, is onvoldoende deugdelijk gemotiveerd volgens eiser. De rapporten waar de minister op wijst, het EUAA rapport3 en het UNHCR rapport4, berichten niet over een sterke verbetering in de Italiaanse asielopvang. De mededeling van de Italiaanse minister van binnenlandse zaken, die overigens niet op schrift is gesteld, is een erg dunne motivering om aan te nemen dat asielzoekers in Italië wel adequaat worden opgevangen en toegang krijgen tot de asielprocedure. Uit het EUAA rapport blijkt dat de Italië onder 'migratiedruk' staat. Dit wijst niet op een substantieel lagere instroom waardoor ruimte in de opvang komt. Verder blijkt uit dit rapport dat toegang tot de asielprocedure nog steeds moeilijk is. In het AIDA-rapport van juli 2026 staat dat dezelfde minister van binnenlandse zaken in april 2026 heeft opgemerkt dat er in de Italiaanse asielopvang geen plekken zijn gereserveerd voor Dublin-terugkeerders.5 In het AIDA-rapport wordt melding gemaakt van de moeilijkheden die asielzoekers ondervinden om opgenomen te worden in de Italiaanse asielprocedure. Het kan soms maanden duren voordat het zover is.6 Bij terugname kan het voor komen dat het asielverzoek impliciet is ingetrokken. Hij kan dan verzoeken om heropenening, als zijn asielverzoek niet al is afgesloten. Anders zal zijn asielverzoek als herhaalde aanvraag worden aangemerkt. Het risico op een schending van artikel 4 van het Handvest is daarom nog steeds actueel.
Het standpunt van de minister
5. De minister stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De minister vindt de situatie wezenlijk veranderd sinds de ‘circular letter’ van de Italiaanse autoriteiten van december 2022. De minister van Asiel en Migratie heeft in juni 2026 een gesprek gehad met de Italiaanse minister van binnenlandse zaken, waarbij onder meer is besprokendat Italië medewerking gaat verlenen aan het Asiel- en Migratiepact (AMP). Nederland heeft van Italië de bevestiging gekregen dat Italië zich zal inzetten om de AMB-verordening volledig te implementeren. Expliciet is door de Italiaanse minister benoemd dat erin Italië adequate opvang zal worden geboden. Verwezen wordt naar het verslag van de JBZ-raad uit de kamerbrief van 22 juni 20267 en naar het Informatiebericht 2026/25 (IB 2026/25). De minister ziet in de praktijk bovendien dat Italië niet langer verwijst naar de ‘circular letter’. In de openbare landeninformatie over de situatie in Italië (onder meer een rapport van EUAA van juni 2026 en een rapport van AIDA van juli 2025) ziet de minister geen reden om aan te nemen dat eiser onderworpen zal worden aan een slechte behandeling in Italië. Hieruit volgt namelijk niet dat eiser in Italië geen opvang zou kunnen krijgen, of sprake is van andere serieuze problemen. In het verweerschrift wijst de minister ook op het EU-rapport van juli 20268 waarin staat dat het nationale opvangsysteem in Italië toereikend lijkt om personen die op grond van de AMB-verordening worden overgedragen onder te brengen in het landelijke netwerk voor opvangvoorzieningen.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank overweegt allereerst dat in het geval van Italië – gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 20239 – het aan de minister is om aannemelijk te maken dat op dit moment weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het ligt daarmee op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat sprake is van nieuwe informatie sinds 7 februari 2023 die tot het oordeel moeten leiden dat de voorheen geldende blokkade – die het gevolg is van de door de Italiaanse autoriteiten zelf gestelde opvangproblematiek – niet meer aan de orde is en dat (voldoende) opvangvoorzieningen aanwezig zijn voor vreemdelingen die worden overgedragen.10
6.1.
Op 1 september 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, uitspraak gedaan11 waarin is geoordeeld dat de minister er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak aanleiding om dit oordeel te volgen, nu de minister zich in deze zaak op dezelfde informatie en stukken baseert. Uit de door de minister aangehaalde landeninformatie komt ook een ander beeld naar voren dan door de minister is geschetst. De eerder door Italië zelf gestelde opvangproblematiek lijkt namelijk onveranderd. Uit het AIDA-rapport van juli 2025 volgt dat het opvangsysteem geen plekken heeft die gereserveerd zijn voor Dublinterugkeerders.12 In het meest recente AIDA-rapport van juli 2026 staat een vergelijkbare passage over de situatie in april 2026.13
6.2.
Concrete aanwijzingen ontbreken dat de situatie sinds april 2026, dan wel sinds de inwerkingtreding van het AMP op 12 juni 2026, wezenlijk is gewijzigd. Integendeel, er zijn juist aanknopingspunten dat de situatie ongewijzigd is gebleven. In het EU-rapport van juli 2026, waarnaar de minister in het verweerschrift verwijst, heeft de Europese Commissie de eerste drie weken van de toepassing van de nieuwe verantwoordelijkheidsregels van het AMP in Italië beoordeeld. De Europese Commissie vermeldt dat in Italië weliswaar voorbereidingen zijn getroffen voor de uitvoering van het AMP en het opvangsysteem toereikend lijkt, maar dat overdrachten vanuit andere lidstaten nog steeds niet plaatsvinden.
In de eerste drie weken werden alle twaalf aangevraagde overdrachten door Italië geweigerd. De Europese Commissie concludeert dat er vooralsnog geen concrete aanwijzingen zijn dat de eerdere praktijk, sinds de brief van 2022 wordt toegepast, is beëindigd. Volgens de Europese Commissie moet Italië de resterende belemmeringen voor overdrachten met voorrang wegnemen:
“The measures taken by Italy so far show significant efforts in preparing for the implementation of Part III of the AMMR. At this stage however, no concrete indications could be observed that the practices under the Dublin III Regulation, and notably with regard to the suspension of the reception of transfers, except for cases of family reunification of unaccompanied minors, no longer persist. Furthermore, there are, at present, no indications that the Italian authorities have actively engaged with other Member States on the practical and logistical steps to resume transfers. Italy needs to remove all the remaining impediments as a matter of priority, including by discontinuing the practices that have so far prevented transfers from taking place, and to ensure the necessary engagement and operational cooperation with other Member States on all practical and logistical arrangements, so that transfers are effectively carried out in compliance with the AMMR.”14
6.3.
Bij gebrek aan informatie over de redenen van weigering, gaat de rechtbank uit van het vermoeden dat dit – nog altijd – het gevolg is van de situatie in Italië zoals eind 2022 en begin 2023 is geschetst door de Italiaanse autoriteiten en zoals ook nog blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026, namelijk een gebrek aan opvangcapaciteit.
6.4.
Daarnaast heeft het EUAA-rapport van juni 2026, waar de minister naar verwijst, niet concreet betrekking op de situatie rondom Dublinclaimanten, terwijl dat wel de situatie is die de rechtbank moet beoordelen. Verder wordt in het AIDA-rapport van juli 2025 de weigerachtige houding van Italië ten aanzien van de Dublinoverdrachten bevestigd.15 Ook vermeldt het AIDA-rapport dat de aanzienlijke toename van het aantal asielzoekers het Italiaanse opvangstelsel onder druk heeft gezet en dat de Italiaanse autoriteiten in oktober 2024, in het kader van de verlengde noodtoestand, vasthielden aan de opschorting van inkomende overdrachten.16 De door de minister genoemde landeninformatie bevestigt daarmee juist de structurele opvang- en overdrachtsproblematiek. Andersluidende informatie waaruit volgt dat deze problematiek wezenlijk is verbeterd, ontbreekt. Er bestaan dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië de eenzijdige blokkade per 12 juni 2026 daadwerkelijk heeft opgeheven en inmiddels weer structureel in opvang voor claimanten onder de AMB-verordening voorziet, zodat overdracht naar Italië weer mogelijk is.
6.5.
Kort samengevat blijkt uit de door de minister aangehaalde informatie wellicht dat Italië de intentie heeft om Dublinclaimaten weer op te nemen en op te vangen, maar over de vraag of Italië daartoe feitelijk ook weer in staat is, ontbreekt concrete informatie.
7. Verder blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026 dat er problemen zijn met de asielprocedure. Met name de volgende passage acht de rechtbank in dit kader van belang:
“Access to the asylum procedure is equally problematic, for Dublin returnees and for other applicants, as detailed under Registration of the asylum application. Asylum applicants returned under the Dublin Regulation have to approach the Questura to obtain an appointment to lodge their claim. However, the delay for such an appointment reaches several months in most cases. The competent Questura is often located very far from the airport and asylum applicants have only a few days to reach it”17
7.1.
Het is de rechtbank onduidelijk of een overgedragen vreemdeling onder de AMB-verordening in de periode tussen aankomst in Italië en de afspraak bij de ‘Questura’, wat in de meeste gevallen meerdere maanden duurt, toegang heeft tot opvangvoorzieningen. Hier kon de minister desgevraagd op zitting geen duidelijkheid over geven, terwijl ook uit andere bronnen niet duidelijk wordt hoe deze wachttijd zich verhoud tot toegang tot de opvang. In de door de minister overgelegde informatie heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien dat de lange wachttijden tussen aankomst en de afspraak bij de ‘Questura’ sinds het uitbrengen van het AIDA-rapport van juli 2026 anders is. Naar het oordeel van de rechtbank, is dit ook een omstandigheid die de minister moet betrekking bij de vraag of de opvang inmiddels weer volstaat.
Conclusie
8. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de minister er, aan de hand van de in deze procedure ingebrachte informatie, niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Bij overdracht aan Italië zou eiser een reëel risico lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Het beroep is gegrond.
9. Artikel 16, derde lid, tweede alinea van de AMB-verordening bepaalt dat, in geval een lidstaat de overdracht aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd geregistreerd niet kan uitvoeren, en niet kan vaststellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, deze lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. In dit geval kan de overdracht aan Italië (de eerste lidstaat waar het verzoek werd geregistreerd) niet worden uitgevoerd. Verder volgt uit het dossier geen enkel aanknopingspunt dat een andere lidstaat mogelijk als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen. Zo is er geen Eurodactreffer met een andere lidstaat, is eiser is niet gehoord over eventuele relevante elementen voor de verantwoordelijkheid van een andere lidstaat en zijn er geen andere bewijsmiddelen of indirecte bewijzen als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de AMB-verordening. Nederland is daarom verantwoordelijk geworden voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak. In dit geval komt dat er op neem dat de minister de aanvraag in behandeling dient te nemen.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 13 augustus 2026;
bepaalt dat de minister het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling dient te nemen;
veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
___________________________________________________________________________
1 Vreemdelingenwet 2000.
2 Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.
3 ‘ Asylum Report 2026, Annual Report on the Situation of Asylum in the European Union’, juni 2026
4 ‘ Bi-Annual Fact Sheet 2026-02 Italy’, februari 2026.
5 AIDA-rapport, pagina 102.
6 AIDA-rapport, pagina 104.
7 Kenmerk: 7996176.
8 Communication from the Commission to the European Parliament and the Council, assessment pursuant to Article 4 of Commission Implementing Decision (EU) 2025/2323.
9 ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655.
10 ECLI:NL:RVS:2023:1654, overweging 4.3.2.
11 ECLI:NL:RBDHA:2026:25113.
12 AIDA-rapport (update 2024), juli 2025 op p.104.
13 AIDA-rapport (update 2025), juli 2026 op p.102.
14 Communication from the Commission to the European Parliament and the Council, assessment pursuant to Article 4 of Commission Implementing Decision (EU) 2025/2323, p.5 e.v.
15 AIDA-rapport (update 2024), juli 2025, p. 91 e.v.
16 AIDA-rapport (update 2024), juli 2025 op p.104.
17 AIDA-rapport (update 2024), juli 2025 op p.104.