Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27073

2026-09-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.44011
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-14
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.44011
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

AMB-verordening, Italië, beroep gegrond. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023 is het aan de minister is om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Italië. De eerdere opvangproblematiek lijkt echter onveranderd. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië inmiddels weer structureel in opvang voorziet. Bij overdracht aan Italië zou eiser een reëel risico lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.070 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.44011



Rectificatie (bladzijde 1)


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R. van Dooren).




Procesverloop

1. Eiser heeft op 23 juni 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

3. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

4. De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.



Beoordeling door de rechtbank



Wat oordeelt de rechtbank?



5. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

6. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Totstandkoming van het besluit



7. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [2005] .

8. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV). Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

9. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.



Heeft Italië gereageerd op het claimverzoek van Nederland?




10. Eiser voert aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat Italië heeft gereageerd op het claimverzoek van Nederland. Dit is volgens eiser opmerkelijk nu lidstaten juist onder het Migratiepact duidelijke afspraken hebben gemaakt.



11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt nu uit het document ‘aanvraag tot overname, Bijlage II’ blijkt dat Italië op 21 juli 2026 het verzoek van Nederland tot overname van eiser heeft aanvaard.




Kan ten aanzien van Italië (weer) worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?





Standpunt eiser



12. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan ten aanzien van Italië. Eiser verwijst hierbij naar berichtgeving op verschillende nieuwskanalen waaruit blijkt dat Italië (opnieuw) weigert om vreemdelingen terug te nemen.



Standpunt minister

13. De minister stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De minister vindt de situatie wezenlijk veranderd sinds de ‘circular letter’ van de Italiaanse autoriteiten van december 2022. De minister van Asiel en Migratie heeft in juni 2026 een gesprek gehad met de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken, waarbij onder meer is besproken dat Italië medewerking gaat verlenen aan het Asiel- en Migratiepact (AMP). Nederland heeft van Italië de bevestiging gekregen dat Italië zich zal inzetten om de AMbV volledig te implementeren. Expliciet is door de Italiaanse minister benoemd dat er in Italië adequate opvang zal worden geboden. Verwezen wordt naar het verslag van de JBZ-raad uit de kamerbrief van 22 juni 2026 en naar het Informatiebericht 2026/25 (IB 2026/25). De minister ziet in de praktijk bovendien dat Italië niet langer verwijst naar de ‘circular letter’. Daarnaast wijst de minister erop dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat een eenzijdige opschorting door een lidstaat op zichzelf in dit kader niet bepalend is; de vaststelling dat sprake is van structurele systeemfouten kan alleen plaatsvinden na analyse van alle relevante elementen op basis van objectieve en recente informatie. In de openbare landeninformatie over de situatie in Italië (onder meer een rapport van EUAA van juni 2026 en een rapport van AIDA van juli 2025) ziet de minister geen reden om aan te nemen dat eiser onderworpen zal worden aan een slechte behandeling in Italië. Hieruit volgt namelijk niet dat eiser in Italië geen opvang zou kunnen krijgen, of sprake is van andere serieuze problemen. In het verweerschrift wijst de minister ook op het EU-rapport van juli 2026 waarin staat dat het nationale opvangsysteem in Italië toereikend lijkt om personen die op grond van de AMBV worden overgedragen onder te brengen in het landelijke netwerk voor opvangvoorzieningen.



Beoordeling



14. De rechtbank overweegt allereerst dat in het geval van Italië – gelet op de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023 – het aan de minister is om aannemelijk te maken dat op dit moment weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het ligt daarmee op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat sprake is van nieuwe informatie sinds 7 februari 2023 die tot het oordeel moeten leiden dat de voorheen geldende blokkade – die het gevolg is van de door de Italiaanse autoriteiten zelf gestelde opvangproblematiek – niet meer aan de orde is en dat (voldoende) opvangvoorzieningen aanwezig zijn voor vreemdelingen die worden overgedragen.



15. Op 1 september 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan waarin is geoordeeld dat de minister er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak aanleiding om dit oordeel te volgen. Uit de door de minister aangehaalde landeninformatie komt volgens de rechtbank een ander beeld naar voren dan door de minister is geschetst. De eerder door Italië zelf gestelde opvangproblematiek lijkt namelijk onveranderd. Uit het AIDA-rapport van 2025 volgt namelijk dat het opvangsysteem geen plekken heeft die gereserveerd zijn voor Dublinterugkeerders. In het meest recente AIDA-rapport van 2026 staat een vergelijkbare passage over de situatie in april 2026.



16. Concrete aanwijzingen ontbreken dat de situatie sinds april 2026, dan wel sinds de inwerkingtreding van het AMP op 12 juni 2026, wezenlijk is gewijzigd. Integendeel, er zijn juist aanknopingspunten dat de situatie ongewijzigd is gebleven. In het EU-rapport van juli 2026, waarnaar de minister in het verweerschrift verwijst, heeft de Europese Commissie de eerste drie weken van de toepassing van de nieuwe verantwoordelijkheidsregels van het AMP in Italië beoordeeld. De Commissie vermeldt dat in Italië weliswaar voorbereidingen zijn getroffen voor de uitvoering van het AMP en het opvangsysteem toereikend lijkt, maar dat overdrachten vanuit andere lidstaten nog steeds niet plaatsvinden. In de eerste drie weken werden alle twaalf aangevraagde overdrachten door Italië geweigerd. De Commissie concludeert dat er vooralsnog geen concrete aanwijzingen zijn dat de eerdere praktijk, sinds de brief van 2022 wordt toegepast, is beëindigd. Volgens de Commissie moet Italië de resterende belemmeringen voor overdrachten met voorrang wegnemen. Bij gebrek aan informatie over de redenen van weigering, gaat de rechtbank uit van het vermoeden dat dit – nog altijd – het gevolg is van de situatie in Italië zoals eind 2022 en begin 2023 is geschetst door de Italiaanse autoriteiten en zoals ook nog blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026, namelijk een gebrek aan opvangcapaciteit.



17. Daarnaast heeft het EUAA-rapport van juni 2026, waar de minister naar verwijst, niet concreet betrekking op de situatie rondom Dublinclaimanten, terwijl dat wel de situatie is die de rechtbank moet beoordelen. Verder wordt in het AIDA-rapport van 2025 de weigerachtige houding van Italië ten aanzien van de Dublinoverdrachten bevestigd. Ook vermeldt het AIDA-rapport dat de aanzienlijke toename van het aantal asielzoekers het Italiaanse opvangstelsel onder druk heeft gezet en dat de Italiaanse autoriteiten in oktober 2024, in het kader van de verlengde noodtoestand, vasthielden aan de opschorting van inkomende overdrachten. De door de minister genoemde landeninformatie bevestigt daarmee juist de structurele opvang- en overdrachtsproblematiek. Andersluidende informatie waaruit volgt dat deze problematiek wezenlijk is verbeterd, ontbreekt. Er bestaan dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de minister dat Italië de eenzijdige blokkade per 12 juni 2026 daadwerkelijk heeft opgeheven en inmiddels weer structureel in opvang voor Dublinterugkeerders voorziet, zodat overdracht naar Italië weer mogelijk is.



18. Wat betreft het beroep van de minister op de arresten RL en QS en Daraa, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit deze arresten volgt dat een lidstaat eenzijdig kan besluiten om overdrachten op te schorten, maar dat hiermee niet is aangetoond dat eiser een reëel risico loopt op slechte behandeling zoals bedoelt in artikel 4 van het Handvest. Het vaststellen van structurele tekortkomingen kan alleen worden gedaan na een analyse van alle relevante elementen op basis van objectieve en recente informatie. De rechtbank neemt niet uitsluitend de eenzijdige opschorting door Italië tot uitgangspunt bij het oordeel dat (nog steeds) niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar komt mede tot deze conclusie na de hiervoor weergegeven analyse van de beschikbare informatie ten aanzien van de (onduidelijkheid over de) opvangvoorzieningen in Italië voor terugkeerders. Daarmee is nog steeds sprake van een situatie waarin een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, als bedoeld in punt 92 van het arrest Jawo, waardoor zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften.



19. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de minister er, aan de hand van de in deze procedure ingebrachte informatie, niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Het beroep is reeds om deze reden gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.





Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank draagt de minister dan ook op om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

21. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 28 juli 2026;
- bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026








De griffier De rechter






Afschrift verzonden naar partijen op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.


Kenmerk: 7996176.


Communication from the Commission to the European Parliament and the Council, assessment pursuant to Article 4 of Commission Implementing Decision (EU) 2025/2323.


ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655.


ECLI:NL:RVS:2023:1654, overweging 4.3.2.


ECLI:NL:RBDHA:2026:25113.


AIDA-rapport (update 2024), juli 2025 op p.104.


AIDA-rapport (update 2025), juli 2026 op p.102.


Communication from the Commission to the European Parliament and the Council, assessment pursuant to Article 4 of Commission Implementing Decision (EU) 2025/2323, p.5 e.v.


AIDA-rapport (update 2024), juli 2025, p. 91 e.v.


AIDA-rapport (update 2024), juli 2025 op p.104.


ECLI:EU:C:2024:1036.


ECLI:EU:C:2026:146.


ECLI:EU:C:2019:218.