Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27071
2026-09-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/09/681075 HA ZA 25-192
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bouwzaak; meerwerk; waarschuwingsplicht artikel 7:755 BW
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (56.625 tekens)
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/681075 / HA ZA 25-192
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V. te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. J.N.T. van der Linden,
tegen
1
[gedaagde 1] te [woonplaats],2. [gedaagde 2] te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat: mr. T.S. Jansen.
Eiseres wordt hieronder aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en gedaagden gezamenlijk als ‘[gedaagden]’ (mannelijk enkelvoud).
1
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het tussenvonnis van 29 april 2026;
- de akte uitlating tevens overlegging aanvullende producties van [eiseres] van 27 mei 2026, met producties 31 tot en met 38;
- de akte uitlating van [gedaagden] van 24 juni 2026, met producties 51 tot en met 74; en
- de antwoordakte van [eiseres] van 22 juli 2026;
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Tussen partijen is in geschil of en, zo ja, hoeveel [gedaagden] nog moet betalen aan [eiseres] .
2.2.
De rechtbank heeft op 29 april 2026 een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis) waarin zij heeft geoordeeld dat partijen een aannemingsovereenkomst met een vaste aanneemsom hebben gesloten met een richtprijs van € 147.500 inclusief btw, die door [gedaagden] is opgezegd voor de afronding van de overeengekomen werkzaamheden.
Daardoor resteren nog twee geschilpunten, te weten of meerwerk overeengekomen is en of de opzegging tot besparingen heeft geleid.
2.2.1.
Ten aanzien van meerwerk heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over:
i) welke van de bij de eindfactuur van € 234.141,15 (inclusief btw) in rekening gebrachte werkzaamheden meerwerk betreffen;ii) of daarvoor een meerwerkopdracht is verstrekt; eniii) of zij [gedaagden] heeft gewaarschuwd voor de consequentie van het meerwerk, voor zover [gedaagden] niet zelf hadden moeten begrijpen dat dit noodzakelijkerwijs tot een prijsverhoging zou leiden.
[eiseres] heeft vervolgens een akte genomen waarop [gedaagden] bij akte heeft gereageerd.
2.2.2.
Ten aanzien van de eventuele besparingen van [eiseres] voortvloeiend uit de opzegging van de aannemingsovereenkomst heeft de rechtbank [gedaagden] in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het bestaan en de omvang van die besparingen.
[gedaagden] hebben daarop een akte genomen waarop [eiseres] bij antwoordakte heeft gereageerd.
2.3.
De rechtbank merkt allereerst op dat [eiseres] in haar akte onder randnummer 3 tot en met 10 juridische bezwaren heeft geuit tegen het tussenvonnis, maar daaraan geen verzoek tot tussentijds appel heeft verbonden. De rechtbank gaat aan dat gedeelte van de akte daarom verder voorbij.
2.4.
Verder heeft [eiseres] in haar akte ook nog aangevoerd dat [gedaagden] meermaals (buiten rechte) erkend heeft dat hij in ieder geval een bedrag van € 250.000 verschuldigd is en dat dat bedrag plus meerwerk toewijsbaar is. De rechtbank overweegt dat niet vaststaat dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een bedrag van € 250.000. [eiseres] heeft immers expliciet betwist dat een dergelijke overeenstemming tot stand gekomen is. In het voorstel van [gedaagden] om € 250.000 – exclusief de kosten voor domotica – voor het hele werk te betalen, kan ook geen erkenning gelezen worden. [gedaagden] hebben dit voorstel gedaan in het kader van het treffen van een minnelijke regeling. Uit dit voorstel kan wel worden opgemaakt dat [gedaagden] erkennen dat zijn een hoger bedrag dan de initiële aanneemsom verschuldigd zijn, maar niet dat zij erkennen een bedrag van minimaal € 250.000 verschuldigd te zijn. Dit betekent dat het voorstel van [gedaagden] verder geen rol zal spelen bij de inhoudelijke beoordeling van het meerwerk.
I. Meerwerk
2.5.
[eiseres] merkt in haar akte alle in de eindfactuur genoemde posten aan als meerwerk. Dit betreft: (a) stucwerk badkamer; (b) schilderwerk; (c) stucwerk; (d) domotica/elektra; (e) vloeren/plinten; (f) badkamers/toiletten; (g) diverse timmerwerkzaamheden; (h) diverse algemene werkzaamheden en kosten (waaronder het afvoeren van sloopafval); (i) werkzaamheden aan de tuin; (j) aftimmerwerkzaamheden; en (k) leveren en plaatsen douchedeur. De rechtbank zal deze posten hieronder bespreken en daarbij zoveel mogelijk de bovenstaande volgorde aanhouden. Omdat de posten (a) en (c) beide zien op stucwerkzaamheden, zullen deze direct na elkaar worden besproken.
(a) Stucwerk badkamer
2.6.
[eiseres] stelt dat de post stucwerk badkamer € 1.656 ex btw bedraagt en het meerwerk ziet op het opnieuw aanbrengen van stucwerk (32 uur) omdat [gedaagden] de kleur van het eerder aangebrachte stucwerk in de badkamer niet mooi vond. De post “stucwerk badkamer” is in eerdere facturen ook niet opgenomen. De onderaannemer van [eiseres] die de stucwerkzaamheden heeft uitgevoerd, Yoran [onderaannemer], werkte voor een tarief van € 45 per uur en heeft [gedaagden] gewezen op de meerkosten van extra werk, zoals blijkt uit zijn verklaring die is overgelegd. Daarbij had het voor [gedaagden] duidelijk moeten zijn dat alle opdrachten die zij [onderaannemer] gaven extra geld zouden kosten, aldus [eiseres] .
2.7.
[gedaagden] betwisten dat sprake is van meerwerk. Weliswaar was er al stucwerk aangebracht en is er opnieuw stucwerk aangebracht in een nieuwe kleur, maar de eerder aangebrachte kleur week af van de kleurenstaal en zij meenden nog op tijd te zijn met het aanpassen van de kleur, afgaande op het whatsappbericht van [naam 1] van [eiseres] dat het nog mogelijk was de kleur te veranderen, maar niet meer als het stucwerk gelakt is. Verder waren er volgens hen slechts enkele delen van twee muren gestuct in de oude kleur.
2.8.
De rechtbank is van oordeel dat het opnieuw stucen meerwerk inhoudt. Dat het op dat moment technisch nog mogelijk was de kleur te veranderen en na het aflakken niet meer, maakt dat niet anders. Het feit dat de eerder aangebrachte kleur afweek van de kleurenstaal leidt evenmin tot een ander oordeel nu het een feit van algemene bekendheid is dat enige afwijking mogelijk is en dit geen gebrek oplevert dat voor rekening en risico van de aannemer moet worden hersteld. [gedaagden] hebben echter betwist dat meerwerk is verricht aan meer dan twee muren. Dit kan ook niet worden opgemaakt uit de onderbouwing van [eiseres] . De rechtbank gaat er daarom vanuit dat meerwerk alleen is verricht aan twee muren.
2.9.
In het midden kan hier blijven of de onderaannemer gezegd heeft dat hij aanvullende verzoeken niet gratis uitvoert en of hij expliciet gewaarschuwd heeft voor het meerwerk zoals bedoeld in artikel 7:755 Burgerijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt immers ook dat geen waarschuwingsplicht bestaat indien de opdrachtgever de noodzaak van prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Dat is hier het geval omdat de stucwerkzaamheden, waarvoor eerder een prijs geoffreerd is, opnieuw worden uitgevoerd. [gedaagden] was dus bekend met de prijs voor deze werkzaamheden.
2.10.
Als onbetwist staat vast dat twee (delen van) muren al waren gestuct en dat pas daarna naar voren kwam dat de kleur moest worden aangepast, en daarom opnieuw is gestuct. Daarmee is (gedeeltelijk) dubbel werk verricht en had het [gedaagden] duidelijk moeten zijn dat dit zou leiden tot een verhoging van de oorspronkelijke prijs gebaseerd op éénmaal stucen. [eiseres] (door tussenkomst van haar onderaannemer [onderaannemer]) heeft [gedaagden] dus niet hoeven waarschuwen voor daaruit voortvloeiende prijsverhoging en mag de meerwerkkosten doorberekenen. De hoogte van de meerwerkkosten van € 1.656 zijn niet betwist en deze worden toegewezen. Nu [eiseres] het bedrag exclusief btw heeft gevorderd, maar niet gespecificeerd heeft welk btw-tarief van toepassing is op de werkzaamheden, zal het bedrag, zonder nadere verhoging met btw worden toegewezen.
(c) Stucwerk
2.11.
Naast de post stucwerk badkamer stelt [eiseres] € 8.554.91 aan meerwerk te hebben verricht aan ‘stucwerk’. Die post heeft volgens haar betrekking op door [gedaagden] gegeven aanvullende opdrachten voor stucadoorswerkzaamheden en airless spuitwerk in meerdere kleuren, uitgevoerd door haar onderaannemer [onderaannemer]. De totale extra uren van 254 uren ad € 45 per uur voor het stucen en € 9 per vierkante meter voor het spuitwerk zijn door [onderaannemer] aan [eiseres] in rekening gebracht, die dit heeft doorbelast aan [gedaagden] [onderaannemer] heeft [gedaagden] gewezen op de meerkosten van extra werk, zoals blijkt uit zijn verklaring. Bovendien was het [gedaagden] duidelijk, of zou dat zo moeten zijn, dat voor dit stucwerk de meerprijs per vierkante meter zou worden berekend, aldus [eiseres] .
2.12.
[gedaagden] heeft de vordering betwist. Hij voert onder meer aan dat het niet duidelijk is om welke werkzaamheden het gaat.
2.13.
De rechtbank merkt op dat airless spuitwerk, zonder nadere toelichting, niet onder stucwerkzaamheden kan worden begrepen maar deel uitmaakt van schilderwerkzaamheden, en hierna als onderdeel van die post zal worden beoordeeld. De vordering inzake ‘stucwerk badkamer’ is hierboven al besproken. Deze maakt dus kennelijk geen deel uit van de vordering inzake ‘stucwerk’.
Wat wel onder ‘stucwerk’ valt heeft [eiseres] niet inzichtelijk gemaakt. Dit valt ook niet op te maken uit de verklaring van [onderaannemer]. Een offerte van [onderaannemer] ontbreekt in het dossier. De rechtbank kan dan ook niet kan vaststellen dat ten opzichte van de offerte van [eiseres] aan [gedaagden] sprake is geweest van meerwerk. Tegenover de betwisting door [gedaagden] heeft [eiseres] haar vordering onvoldoende onderbouwd. Deze zal daarom worden afgewezen.
(b) Schilderwerk
2.14.
Deze post van € 26.211,30 ziet volgens [eiseres] op het opnieuw schilderen van de woning. [gedaagden] heeft zelf, buiten [eiseres] om, eerder aan een schilder genaamd [naam 2] opdracht gegeven de woning te schilderen, maar die had dat niet naar behoren gedaan en daarom moest het schilderwerk opnieuw uitgevoerd worden, wat [eiseres] heeft gedaan. De kosten voor het opnieuw schilderen waren [gedaagden] bekend omdat schilder [naam 2] al was betaald dan wel diens uurtarief was meegedeeld.
2.15.
[gedaagden] betwist de vordering. Bisschop voert onder meer aan dat [naam 2] als onderaannemer van [eiseres] werkte en dat het door hem uitgevoerde schilderwerk gebrekkig was. Kosten voortvloeiend uit een gebrekkige uitvoering door onderaannemers van [eiseres] zijn aan haar toe te rekenen en kunnen niet als meerwerkkosten worden opgevoerd.
2.16.
Partijen zijn het erover eens dat het door [naam 2] uitgevoerde schilderwerk ondeugdelijk was. Uit het door [gedaagden] overgelegde whatsappbericht (3 september 2024) lijkt te volgen dat [gedaagden] aan [eiseres] de naam van een schilder heeft genoemd die dan door [eiseres] kon worden ingeschakeld om de werkzaamheden uit te voeren. Indien dit inderdaad zo is gegaan, is [naam 2] aan te merken als onderaannemer van [eiseres] , de (hoofd)aannemer. Op grond van artikel 7:751 BW is [eiseres] als hoofdaannemer in dat geval aansprakelijk voor de deugdelijke nakoming van de aannemingsovereenkomst. Het alsnog deugdelijk uitvoeren van schilderwerkzaamheden moet dan worden aangemerkt als herstelwerkzaamheden en het (opnieuw) uitgevoerde schilderwerk kwalificeert niet als meerwerk. Dit staat aan toewijzing van de vordering in de weg.
2.17.
Ook in het geval schilder [naam 2] rechtstreeks opdracht van [gedaagden] heeft gekregen voor de schilderwerkzaamheden is de meerwerkvordering niet toewijsbaar. In dat geval is immers in eerste instantie sprake geweest van minderwerk van [eiseres] ten opzichte van de in de offerte vermelde werkzaamheden ten bedrage van € 25.000, en het alsnog uitvoeren van overeengekomen schilderwerkzaamheden kan niet worden aangemerkt als meerwerk. Dit leidt dus eveneens tot afwijzing van de vordering.
2.18.
Dezelfde overwegingen gaan op voor het “airless spuitwerk”. Voor het geval het airless spuitwerk herstel betreft van werkzaamheden waarvoor [eiseres] verantwoordelijk is, dan is het geen meerwerk. Indien het airless spuitwerk is uitgevoerd om in opdracht van [gedaagden] uitgevoerde werkzaamheden te herstellen, dan heeft te gelden dat in eerste instantie sprake is van minderwerk van de werkzaamheden onder de post ‘(f) schilderen van de binnenkant van de woning’ (zie 5.11.2 tussenvonnis). Voor zover het airless spuitwerk andere werkzaamheden betreft, dan heeft [eiseres] haar stellingen op dit onderdeel onvoldoende toegelicht.
(d) Domotica/elektra
2.19.
[eiseres] stelt deze post op € 67.291,12. [gedaagden] hebben € 30.000 aan werkzaamheden erkend. Onder domotica/elektra vallen volgens [eiseres] echter meer werkzaamheden, zoals de uitvoering van het in opdracht van [gedaagden] door een derde opgestelde lichtplan, de aanleg van nieuwe stopcontacten, vervanging van het bestaande schakelmateriaal, ophangen van de televisies, levering van een camera-observatiesysteem en vervanging en uitbreiding van het inbraaksignaleringssysteem door een nieuw systeem. Vooral de uitvoering van het lichtplan bracht veel extra werk met zich, zoals blijkt uit de verklaringen van [naam 3] van [bedrijfsnaam 1] en [naam 1]. Het is onbestaanbaar dat [gedaagden] bij dit alles hebben gedacht dat dit alles gratis zou zijn, aldus [eiseres] .
2.20.
[gedaagden] voert aan dat vooraf is besproken dat de kosten voor domotica/elektra maximaal € 30.000 incl. btw zouden bedragen en dat [eiseres] dit maximum slechts in een uitzonderlijk geval zou bereiken. Voor het bedrag van € 30.000 incl. btw zou [bedrijfsnaam 1]
in opdracht van [eiseres] onder meer de werkzaamheden aan stopcontacten, schakelmateriaal, het alarmsysteem en camera’s verrichten. De verklaring van [naam 3] dat 95% van de lichtpunten nieuw is aangelegd is onjuist. Uit de plattegrond blijkt niet dat de lichtpunten grotendeels gewijzigd zijn. Ook de verklaring van [naam 3] dat schakelmateriaal opnieuw zou zijn vervangen wegens een verkeerde kleur is onjuist. De kleur is vooraf afgestemd. Dat het vervangen van lampen of drivers [naam 3] meer tijd heeft gekost dan hij aanvankelijk had voorzien, brengt niet mee dat sprake is van meerwerk. Een misrekening of uitvoeringsfouten komen voor rekening en risico van de (onder)aannemer. Voor zover wel sprake zou zijn van meerwerk is [gedaagden] in ieder geval niet gewezen op een daarmee samenhangende prijsverhoging.
2.21.
[eiseres] heeft [bedrijfsnaam 1] ingeschakeld als onderaannemer voor de werkzaamheden op het gebied van domotica en elektra. Na de opzegging heeft [gedaagden] zelf [bedrijfsnaam 1] ingeschakeld om het werk af te maken. [eiseres] maakt in de dagvaarding aanspraak op betaling van € 67.291,12 voor de facturen van [bedrijfsnaam 1] in de periode 1 oktober tot en met 2 december 2024. Aangezien die periode vóór de opzegging ligt, neemt de rechtbank aan dat deze facturen betrekking hebben op werkzaamheden die [bedrijfsnaam 1] als onderaannemer van [eiseres] heeft verricht.
2.22.
Niet in geschil is dat [gedaagden] opdracht heeft gegeven voor deze werkzaamheden ten bedrage van € 30.000. De vordering betreft echter werkzaamheden ten bedrage van meer dan het dubbele daarvan. Het is aan [eiseres] , als degene die zich op de rechtsgevolgen beroept (betaling van € 67.291,12), om voldoende onderbouwd te stellen en (zo nodig) te bewijzen dat sprake is van (i) door [gedaagden] gewenst meerwerk en dat zij (ii) [gedaagden] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging (artikel 7:755 BW). De ratio daarvan is de opdrachtgever bescherming te bieden. Hij kan dan gegeven de omvang van de prijsverhoging beslissen of hij het meerwerk wil opdragen, of niet.
2.23.
Uit de verklaring van onderaannemer [bedrijfsnaam 1] en die van [naam 1] valt op te maken dat het omvangrijke werkzaamheden betrof, zoals een nieuw lichtplan, cameraobservatiesysteem en inbraaksignaleringssysteem, en dat hieraan veel tijd en moeite is besteed. [eiseres] is doorgegaan met het laten uitvoeren van meerwerk door [bedrijfsnaam 1] toen al voor meer dan € 30.000 waarvoor fiat was gegeven was uitgevoerd.
Te meer gezien de hoogte van de extra kosten (boven de € 30.000), de complexiteit van het werk, en omdat sprake is van een particuliere en ter zake niet deskundige opdrachtgever, had het op de weg van [eiseres] gelegen hierover, vooraf, duidelijk met [gedaagden] te communiceren. Dat [eiseres] [gedaagden] (tijdig) heeft gewaarschuwd voor de noodzaak van de (extra) prijsverhoging die uit deze werkzaamheden voortvloeide heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd gesteld. Omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagden] uit zichzelf de noodzaak van de prijsverhoging (boven de € 30.000) had moeten begrijpen, zijn de rechtbank niet gebleken. De stelling van [eiseres] dat het onbestaanbaar is dat [gedaagden] heeft gedacht dat dit alles gratis zou zijn gaat niet op. [gedaagden] had immers al ingestemd met een prijsverhoging van (maximaal) € 30.000. Dat maakt echter nog niet dat hij uit zichzelf had moeten begrijpen dat de kosten nog hoger zouden zijn.
2.24.
Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagden] als opdrachtgever tijdig en dus voorafgaand aan de uitvoering van het meerwerk (boven de € 30.000) van [eiseres] een reëel inzicht heeft gekregen in de omvang van de concreet te verwachten meerkosten, is het gevolg dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op een verhoging van de prijs boven de afgesproken € 30.000.
(e) Vloeren/plinten
2.25.
Deze post van € 17.635,78 betreft volgens [eiseres] meerwerk omdat (i) het aantal vierkante meters vloer meer bedroeg dan vooraf was besproken, (ii) de ondervloeren, onvoorzien, moesten worden aangepast, en (iii) uit de zoldervloer een zonk (deuk) moest worden verwijderd wat eveneens niet was voorzien. [eiseres] heeft bij monde van [naam 1] telkens bij (meerwerk)opdrachten aan [gedaagden] te kennen gegeven dat extra werk en extra materialen niet gratis zijn en sommige opdrachten zeer kostbaar zijn. [naam 1] heeft daarbij tweewekelijks tussenrekeningen opgestuurd aan [gedaagden], zodat er inzicht in de kosten was.
2.26.
[gedaagden] betwist de vordering en voert onder meer het volgende aan. Deze post valt onder de overeengekomen werkzaamheden, namelijk het leggen van lamelparket op de bovenverdieping en op zolder (zie tussenvonnis onder 5.11.2). Er is dus geen sprake van meerwerk. Het in de offerte opgenomen bedrag van € 12.344,41 sluit nagenoeg aan bij het bedrag van € 12.719,71 wat [gedaagden] in rekening is gebracht op 29 oktober 2024. Onduidelijk is dan ook waar het gevorderde bedrag aan gesteld meerwerk op ziet. Verder is [gedaagden] nooit op de hoogte gesteld van de gestelde noodzaak tot het aanpassen van de ondervloer en heeft hij geen weet van de gestelde aanwezigheid en verwijdering van een zonk in de zoldervloer. Op een daaruit voortvloeiende prijsverhoging is [gedaagden] niet gewezen. [gedaagden] kon daarvan ook niet uit zichzelf op de hoogte zijn omdat hij immers niet op de hoogte was van de gestelde werkzaamheden. Eventuele fouten in de berekening van het aantal vierkante meters vloer komen voor rekening en risico van [eiseres] . Alle plattegronden, en overige relevante stukken, die nodig zijn voor het bepalen van een prijs voor de werkzaamheden, zijn immers aan [eiseres] verstrekt.
2.27.
Dit verweer slaagt. [eiseres] ([naam 1]) heeft weliswaar verklaard dat de werkzaamheden in overleg met [gedaagden] zijn uitgevoerd en dat hij altijd kenbaar heeft gemaakt dat extra werk en extra materialen niet gratis zijn, maar [gedaagden] heeft dit gemotiveerd betwist. [eiseres] , die in dezen de stelplicht heeft, heeft onvoldoende feiten gesteld om te kunnen concluderen dat meerwerk is verricht, en dat dit is gebeurd in opdracht van [gedaagden] De stukken in het dossier bevatten geen aanknopingspunten, bijvoorbeeld foto’s gemaakt tijdens de uitvoering van het werk, waaruit blijkt dat de vloer niet egaal was en dat op de zoldervloer een zonk moest worden verwijderd. Ook kan daaruit niet worden opgemaakt dat [eiseres] op enige wijze [gedaagden] van tevoren heeft geïnformeerd over de gestelde noodzaak de vloeren aan te passen.
2.28.
Met betrekking tot het gestelde meerwerk vanwege het grotere aantal vierkante meters vloeroppervlak komt de rechtbank tot dezelfde conclusie. Vaststaat dat [gedaagden] aan [eiseres] de plattegronden van de woning heeft verstrekt en dat [naam 1] ( [eiseres] ) met [gedaagde 1] door de woning heeft gelopen en daarna een kosteninschatting heeft gemaakt, waarbij hij heeft ingeschat dat de bovenvloer en zolder circa 80 m2 zijn. Dat [eiseres] [gedaagde 1] van tevoren heeft geïnformeerd dat dit aantal vierkante meters onjuist was en er meerwerk moest worden verricht, en dat [gedaagde 1] daarmee akkoord was, blijkt niet uit het dossier. Nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 7:755 BW, heeft [eiseres] geen recht op een prijsverhoging. Haar vordering wordt daarom afgewezen.
(f) Badkamers/toiletten
2.29.
[eiseres] stelt dat haar oorspronkelijke opdracht was het renoveren van de badkamers, maar dat die opdracht door [gedaagden] werd gewijzigd in een totale herbouw van de badkamers. Dit omvatte het geheel slopen van de bestaande badkamers, het vervangen van al het leidingwerk en de afvoeren, het aanbrengen van tegels in visgraatpatroon en het maken van alle hoeken onder 45 graden. In totaal was met dit meerwerk € 34.783,76 gemoeid. [eiseres] heeft [gedaagden] gewaarschuwd voor de daaruit voortvloeiende prijsverhogingen, onder verwijzing naar de eerdere verbouwing in Oegstgeest, zoals blijkt uit de verklaring van [naam 1]. Daarbij is er vertraging in de uitvoering van het werk ontstaan doordat [gedaagden] zelf onderdelen voor de badkamer bestelde. Dit leidde eveneens tot hogere kosten, zoals [gedaagden] volgens [eiseres] behoort te weten.
2.30.
[gedaagden] betwisten dat sprake is van meerwerk en dat zij [eiseres] opdracht hebben gegeven tot het uitvoeren van ander werk dan voorafgaand aan de verbouwing is overeengekomen. De badkamers hoefden volgens [gedaagden] niet geheel gesloopt te worden. Er is over de oude tegels heengestuct waardoor die niet hoefden te worden afgevoerd, en ook de indeling van de badkamers bleef behouden. Op één kraan na bleef alles op dezelfde plaats. Dat leidingwerk en afvoeren zouden zijn vervangen is dan ook onjuist.
2.31.
Het had op de weg van [eiseres] gelegen om de aard en omvang van de door hem gestelde extra werkzaamheden met stukken, bijvoorbeeld foto’s of tekeningen, te onderbouwen. Dit geldt te meer nu gesteld wordt dat de kosten voor de werkzaamheden aan de badkamers en toiletten ruim twee keer zo hoog zijn uitgevallen als begroot. Dit had bovendien, nu [gedaagden] al eerder in deze procedure (zie onder meer productie 23 bij conclusie van antwoord) gemotiveerd, en met stukken onderbouwd, verweer gevoerd heeft tegen de aard en omvang van de werkzaamheden aan de badkamers. Voorts geldt dat onvoldoende onderbouwd is dat (een deel van) het meerwerk van de gestelde omvang het gevolg is van vertragingen.. De vordering zal daarom worden afgewezen.
(g) Diverse timmerwerkzaamheden
2.32.
Deze post bedraagt € 27.020,44 en omvat volgens [eiseres] het verwijderen van kastenwanden, inbouwkasten in de woonkamer, het vervangen daarvan door voorzetwanden met koven, het plaatsen van een bouwkast, het aanpassen van de trap en het maken van een wand ten behoeve van de TV. Al deze werkzaamheden waren niet voorzien bij de aanvang van het werk en de opdrachtverlening. [naam 1] heeft [gedaagden] gewaarschuwd dat aanvullende wensen geld kosten, en heeft ook tussentijds rekeningen gestuurd zodat er inzicht was in de kosten.
2.33.
[gedaagden] voert als verweer dat het onjuist is dat de trap is aangepast, dat een wand voor de tv zou zijn gemaakt en dat voorzetwanden zijn geplaatst. De werkzaamheden met betrekking tot inbouwkasten en het plaatsen van een van de bouwkasten waren al onderdeel van de overeenkomst (zie randnummer 5.11.2 van het tussenvonnis). Deze vallen onder de posten (h) “het verwijderen van een kleine tussenmuur in de tv-kamer” en (i) “het plaatsen van een kast op de begane grond.” Er is dus geen sprake van meerwerk. Voor zover daarvan wel sprake zou zijn, geldt dat [gedaagden] niet (tijdig) is gewaarschuwd voor de daaruit voortvloeiende prijsverhoging en zij de noodzaak daarvan ook niet uit zichzelf hoefden te begrijpen. [eiseres] heeft dan ook geen recht op een prijsverhoging.
2.34.
Gelet op de betwisting door [gedaagden] lag het op de weg van [eiseres] om zijn stelling dat hij heeft gewaarschuwd voor een prijsverhoging voldoende te onderbouwen. Daarin is zij niet geslaagd. De in het dossier aanwezige verklaring van [naam 1] “ Ik heb altijd kenbaar gemaakt dat extra werk en extra materialen niet gratis zijn en dat sommige opdrachten zeer kostbaar zijn. Dit heb ik natuurlijk ook weer laten zien in de tussenrekeningen die ik hun mailde” is in zeer algemene bewoordingen gesteld en onvoldoende om als vaststaand aan te nemen dat ook in het specifieke geval van de timmerwerken [gedaagden] voorafgaand op de hoogte is gesteld van de meerprijs die daaruit voortvloeide. Met het versturen van tussenrekeningen is evenmin duidelijk dat is voldaan aan de waarschuwingsplicht. Deze tussenrekeningen geven weliswaar inzicht in de kosten achteraf, maar de waarschuwingsplicht uit hoofde van artikel 7:755 BW is gericht op verstrekking van informatie vooraf, opdat de opdrachtgever kan beslissen van het meerwerk af te zien, ter vermijding van kostenoverschrijdingen.Het voorgaande betekent dat, voor zover sprake zou zijn van meerwerk, niet is komen vast te staan dat [eiseres] , bij monde van [naam 1], [gedaagden] heeft gewaarschuwd voor een daaruit voortvloeiende prijsverhoging. [gedaagden] is daarom niet gehouden voor de (gestelde) extra timmerwerken te betalen. De vordering wordt afgewezen.
(h) Diversen (incl. sloopafval)
2.35.
[eiseres] stelt, onder verwijzing naar de verklaring van [naam 1], dat deze post onder meer omvat werkvoorbereiding, het uitzoeken en controleren van materialen, de afvoer van materialen, het uitzoeken van lampen en soortgelijke werkzaamheden. Daarbij zijn er ook werkzaamheden verricht met betrekking tot de RVS-vulplaat, zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van [naam 4]. Dit meerwerk bedraagt in totaal € 4.014,88. Het is volgens [eiseres] ondenkbaar dat [gedaagden] dacht dat dit alles gratis dan wel bij de prijs (aanneemsom) inbegrepen zou zijn.
2.36.
[gedaagden] betwist de vordering. Deze werkzaamheden houden volgens haar rechtstreeks verband met de overeengekomen werkzaamheden (zie 5.11.2 tussenvonnis) en zijn geen meerwerk. [eiseres] is juist ingeschakeld om als aannemer de verbouwing voor
te bereiden, te organiseren en te coördineren. De werkzaamheden die daarvoor noodzakelijk waren, zoals werkvoorbereiding, materiaalkeuze en de afvoer van vrijkomende materialen, zijn dan ook in de overeengekomen prijs begrepen. Voor die begeleidende en coördinerende
rol ontving [eiseres] een vergoeding. Bovendien heeft [eiseres] nooit meegedeeld dat zij deze werkzaamheden afzonderlijk als meerwerk zou aanmerken en evenmin onderbouwd dat partijen daarover aanvullende afspraken hebben gemaakt. Voor zover deze werkzaamheden toch als meerwerk zouden moeten worden aangemerkt, geldt dat [eiseres] [gedaagden] niet heeft gewaarschuwd voor de daaruit voortvloeiende prijsverhoging en hij de noodzaak van die prijsverhoging niet uit zichzelf hoefde te begrijpen.
2.37.
De rechtbank is van oordeel dat werkvoorbereiding inherent is aan het werk van [eiseres] als aannemer, en deel uitmaakt van de overeenkomst. Daartegenover stond een opslag van 10 %. Het controleren en uitzoeken van materialen valt onder werkvoorbereiding. Zo valt het uitzoeken van lampen onder de voorbereiding van de overeengekomen werkzaamheden met betrekking tot de post ‘(j) het vervangen van verlichting’, genoemd onder 5.11.2 van het tussenvonnis. Van meerwerk is dan ook geen sprake.
2.38.
Anders is dat voor wat betreft het afvoeren van sloopafval. Dit betreft geen werkvoorbereiding en gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] dit zou afvoeren voor de overeengekomen richtprijs van € 147.500. Dit werk valt dan ook buiten de overeenkomst en is daarmee meerwerk. Ook ten aanzien van deze post echter heeft [eiseres] tegenover de betwisting daarvan door [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat is voldaan aan het in artikel 7:755 BW neergelegde vereiste dat tijdig is gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar wat zij hierboven onder randnummer 2.34 heeft overwogen. [eiseres] kan daardoor geen aanspraak maken op betaling van meerwerk. De vordering wordt afgewezen.
2.39.
Verder verwijst [eiseres] nog naar “werkzaamheden m.b.t. RVS vulplaat” maar specificeert vervolgens niet het bedrag van de betreffende werkzaamheden, zodat het deel van de vordering dat daarop betrekking heeft ook wordt afgewezen.
(i) Werkzaamheden tuin
2.40.
Deze post bedraagt € 720 en ziet op werkzaamheden verricht door [naam 5] in de tuin van [gedaagden] De opdracht daartoe was nieuw en mondeling verleend door [gedaagden]. [eiseres] verwijst naar de verklaring van [naam 5]. Volgens laatstgenoemde was [gedaagden] ook ervan op de hoogte dat deze werkzaamheden geld zouden kosten.
2.41.
[gedaagden] voert aan dat de werkzaamheden in de tuin het verwijderen van enkele plantenbakken betrof. Bisschop zelf heeft asbestzakken gekocht om de plantenbakken te verwijderen en een derde heeft deze plantenbakken in zakken verpakt, zoals blijkt uit het door hem overgelegde whatsappbericht. [eiseres] heeft niet geconcretiseerd of onderbouwd wat de door hem gestelde verrichte werkzaamheden inhouden, en [gedaagden] kan zich dan ook niet adequaat verweren. [gedaagden] betwist dat [naam 5] de gestelde werkzaamheden in de tuin heeft verricht. [gedaagden] is dan ook niet gewezen op enig verricht meerwerk in de tuin, noch gewaarschuwd voor de daaruit voortvloeiende prijsverhoging.
2.42.
Dit verweer slaagt niet. De als productie 66 overgelegde whatsappberichten vermelden dat [gedaagde 1] asbestverpakkingsmateriaal heeft gekocht voor 12 plantenbakken en dat [naam 1] ( [eiseres] ) aan [gedaagden] bericht “Kom maar met die zakken [asbestverpakkingsmateriaal]. Heb een kleine hulk lopen vandaag”. De rechtbank maakt hieruit op dat [eiseres] mankracht heeft ingehuurd in verband met verwijdering van de plantenbakken uit de tuin. Het feit dat het whatsappcorrespondentie tussen [gedaagden] en [naam 1] betreft wijst ook op betrokkenheid van [eiseres] bij de werkzaamheden. Als de werkzaamheden door een derde zouden zijn verricht, zoals [gedaagden] aanvoert, valt immers niet in te zien waarom dan met [naam 1] hierover moest worden gecommuniceerd.
2.43.
Aangezien de werkzaamheden met betrekking tot het verwijderen van plantenbakken uit de tuin niet binnen het bestek van de overeengekomen werkzaamheden (a) tot en met (j) als vermeld in het tussenvonnis onder 5.11.2 vallen, zijn deze aan te merken als meerwerk. [gedaagden] had naar het oordeel van de rechtbank zelf moeten begrijpen dat voor die werkzaamheden, niet zijnde verbouwingswerkzaamheden waarvoor [eiseres] als aannemer was aangetrokken, waarvoor [eiseres] mankracht heeft ingehuurd – zoals bekend was bij [gedaagden] gelet op de whatsappberichten – kosten in rekening zouden worden gebracht. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
(j) Aftimmerwerkzaamheden
2.44.
[eiseres] stelt, onder verwijzing naar de verklaringen van [naam 1], dat deze post van € 5.079,34 betrekking heeft op het plaatsen van extra deuren en [gedaagden] hiertoe opdracht hebben gegeven. In de offerte van 18 juli 2024 met handgeschreven notities staan maar zeven deuren genoemd terwijl er 15 zijn geplaatst, met aanvullend deurbeslag. De verklaring van de heer [naam 4] bevestigt dit volgens [eiseres] .
2.45.
[gedaagden] betwist dat er sprake is van meerwerk. In overleg met [eiseres] is ervoor gekozen om nieuwe (goedkopere) deuren te plaatsen, die al in de goede kleur waren, zodat [eiseres] 15 deuren minder hoefde te schilderen dan voorzien in de overeenkomst (onderdeel (f), zie het tussenvonnis onder 5.11.2).
2.46.
De stelplicht voor wat betreft meerwerk ligt op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op [eiseres] . Hieraan heeft zij voldaan, nu zij stelt dat zij 15 deuren plus deurbeslag heeft geplaatst in plaats van de in de overeenkomst opgenomen zeven deuren.
2.47.
De stelplicht voor wat betreft minderwerk ligt op grond van eerdergenoemd artikel op [gedaagden] Hieraan heeft hij niet voldaan. [gedaagden] heeft geen prijs genoemd van de goedkopere deuren en deurbeslag, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van minderwerk (ten opzichte van de prijs voor het overeengekomen schilderwerk). [gedaagden] heeft ook niet eerder gerefereerd aan een afspraak met [eiseres] hierover. Het (bewijs)risico daarvan komt voor rekening van [gedaagden] Gezien het vorenstaande zal de vordering worden toegewezen.
(k) Leveren en plaatsen douchedeur
2.48.
[eiseres] beroept zich op door haar overgelegde whatsapp-berichten waaruit volgens haar duidelijk blijkt dat [gedaagden] opdracht hebben gegeven voor een nieuwe douchedeur, en dus meerwerk, ten bedrage van € 4.150. [eiseres] heeft, zoals uit de verklaring van [naam 1] blijkt, vooraf gewaarschuwd voor de kosten, ook die met betrekking tot de badkamers.
2.49.
Volgens [gedaagden] betreffen de werkzaamheden inzake de douchedeur geen meerwerk omdat deze vallen binnen de overeengekomen scope aan werkzaamheden, namelijk “(a) het vernieuwen van de badkamers en toiletten,” als genoemd in het tussenvonnis onder 5.11.2.
2.50.
Uit het dossier komt naar voren dat de werkzaamheden die zijn verricht verband houden met een door [gedaagden] gekochte douchebak. Deze douchebak paste niet en daarom was een nieuwe douchedeur nodig. Het plaatsen van een nieuwe douchedeur betekende dus extra werk ten opzichte van de offerte, zodat sprake is van meerwerk. De daaruit voortvloeiende kosten komen voor rekening van [gedaagden] nu hij in dit geval had moeten begrijpen dat aan het uitvoeren van extra werk ook extra kosten waren verbonden. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
Overige werkzaamheden
2.51.
In haar akte van 27 mei 2026 noemt [eiseres] ook nog extra werkzaamheden die zouden zijn verricht door [bedrijfsnaam 2], betreffende de aanleg van een airco in de slaapkamer, extra aansluitingen voor water en riool in de keuken, en extra aanpassingen aan de vloerverwarming. Deze werkzaamheden staan echter niet genoemd op de eindafrekening en vallen daarmee buiten het bestek van de door de rechtbank toegelaten
akte. De rechtbank betrekt dan ook niet in haar oordeel wat [eiseres] hierover opmerkt in haar akte.
Eindberekening meerwerk
2.52.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, betekent dit dat [gedaagden] gehouden is aan [eiseres] het volgende meerwerk te vergoeden:
Stucwerk badkamer € 1.656,00
Domotica/elektra € 30.000,00
Werkzaamheden tuin € 720,00
Aftimmerwerkzaamheden € 5.079,34
Douchedeur € 4.150,00
--------------+
€ 41.605,34
De vordering van [eiseres] wordt dan ook tot dit bedrag toegewezen.
2.53.
De rechtbank realiseert zich dat dit mogelijk niet een bevredigende uitkomst is voor [eiseres] . Deze uitkomst is echter een gevolg van het niet goed vastleggen van de omvang van de initiële opdracht en de gemaakte afspraken over meerwerk. Het lag, in ieder geval, op [eiseres] als professionele partij om dat te doen. Het nalaten daarvan pakt in deze procedure voornamelijk in haar nadeel uit.
II. Besparingen
2.54.
[gedaagden] becijfert de besparingen van [eiseres] tezamen op € 87.352,38, uitgaande van een aanneemsom van € 147.500, vermeerderd met het verrichte meerwerk van maximaal € 30.000 incl. btw. Hij baseert dit op het volgende.
(a en b) Niet uitgevoerde/niet afgeronde werkzaamheden en herstelwerkzaamheden
2.55.
[gedaagden] stelt dat werk aan onder meer de drie badkamers, toiletten, deurbeslag, de zolderoverloop, slaapkamer, verlichting, en het aanbrengen van een plint in de keuken niet is uitgevoerd dan wel niet is afgerond. [gedaagden] verwijst ter onderbouwing hiervan naar een, in opdracht van [gedaagden] opgestelde offerte van [naam 6] van 28 januari 2026. Deze werkzaamheden bedragen 8,23% van de gehele verbouwing. Daarmee is een bedrag van € 26.889,25 gemoeid. Daarnaast heeft [gedaagden] nog andere werkzaamheden en herstelwerkzaamheden moeten laten uitvoeren door een derde. Het betreft onder meer (herstel)werkzaamheden aan de onjuist geplaatste douchebak, het afmonteren van een wastafel, sifons en kranen, het aanbrengen van plinten en het herstellen van door [eiseres] veroorzaakte schade aan de muur in de badkamer. De kosten hiervan bedragen € 4.847,88 incl. btw, wat neerkomt op 2,24% van de gehele verbouwing (inclusief herstelwerkzaamheden).
2.56.
[gedaagden] stelt dat als gevolg van de opzegging [eiseres] haar medewerkers eerder op andere projecten heeft kunnen inzetten. [eiseres] werkte bovendien met onderaannemers die op zzp-basis werkten en niet is gebleken dat [eiseres] na de opzegging tegenover hen nog betalingsverplichtingen had. Voor wat betreft de materialen geldt dat een belangrijk deel daarvan door [gedaagden] zelf is aangeschaft en gesteld noch gebleken is van onvermijdelijke materiaalkosten. [eiseres] heeft niet toegelicht dat zij projectgebonden materialen had ingekocht of besteld die niet meer konden worden geannuleerd of elders konden worden gebruikt. De besparing voor het niet uitvoeren dan wel niet afronden van deze werkzaamheden komt daarmee op € 31.737,13 (€ 26.889,25 + € 4.847,88), incl. btw.
2.57.
[eiseres] voert verweer. Zij werkt enkel met zzp’ers en heeft geen eigen medewerkers in dienst. Ook had zij geen andere projecten waar zij vanwege de opzegging eerder kon starten. Van enige besparing is volgens haar dan ook geen sprake. De offerte van [naam 6] is volgens [eiseres] onjuist. Daaruit blijkt niet welke werkzaamheden ten tijde van de opzegging niet waren uitgevoerd. Het betreft slechts een raming van herstelpunten opgesteld 13 maanden na de opzegging, gebaseerd op wat [gedaagden] heeft meegedeeld, en geen rapport van een onafhankelijk deskundige. [eiseres] is nooit uitgenodigd om gezamenlijk een opname te doen van eventuele herstelpunten. Daarbij heeft [gedaagden] op 11 december 2024 aan [eiseres] een lijst met volgens hem openstaande punten gegeven waarop andere (herstel)punten worden genoemd. Daarnaast klopt de raming van [naam 6] van de diverse posten niet.
2.58.
Zoals overwogen in het tussenvonnis onder 5.26 rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van besparingen op [gedaagden] De raming van Brölman dateert van 28 januari 2026, meer dan een jaar na de datum van opzegging. De stand van het werk ten tijde van de opzegging op 12 december 2024 valt daaruit niet op te maken. De door [gedaagden] opgestelde lijst van openstaande punten van 11 december 2024 zou wel aanknopingspunten kunnen bieden voor de stand van het werk ten tijde van opzegging. [gedaagden] heeft de raming van Brölman echter niet in verband gebracht met de stand van het werk ten tijde van de opzegging volgens [gedaagden] als weergegeven op de lijst van 11 december 2024. Ook met enige goede wil is het voor de rechtbank daarom aan de hand van deze raming niet goed mogelijk de stand van het werk, en daarmee de besparingen, vast te stellen. [gedaagden] heeft op dit punt op dit punt niet voldaan aan zijn stelplicht.
(c) Door [gedaagden] aangeschaft sanitair
2.59.
[gedaagden] stelt verder zelf drie badkamers en twee toiletten te hebben aangeschaft voor een bedrag van € 38.082,64 terwijl deze materialen vielen binnen de door [eiseres] aangenomen werkzaamheden en waren inbegrepen in de door [eiseres] geoffreerde prijs van € 20.000 per badkamer. Doordat [gedaagden] de materialen zelf heeft aangeschaft, heeft [eiseres] de daarmee gemoeide inkoopkosten niet hoeven maken. Het bedrag van € 38.082,64 moet daarom als besparing in mindering worden gebracht op de aanneemsom.
2.60.
[eiseres] betwist dat zij op deze post heeft bespaard. Als haar prijs is gebaseerd op € 20.000, hoe kan zij dan € 38.082 hebben bespaard? Daarbij is het bestellen van duur sanitair door [gedaagden] niet het gevolg van de opzegging zodat ook daarom geen sprake is van een besparing aan de kant van [eiseres] .
2.61.
De rechtbank is van oordeel dat deze kosten niet als besparing van [eiseres] kunnen worden aangemerkt. Om als zodanig te kwalificeren moeten deze een gevolg zijn van niet uitgevoerd werk door de beëindiging in onvoltooide staat. Dat [eiseres] voor dit bedrag aan sanitair moest plaatsen, en dat niet heeft gedaan, heeft [gedaagden] niet onderbouwd. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat het bedrag van € 20.000 per te plaatsen badkamer afkomstig is uit de kostenraming van 7 mei 2024 (zie randnummer 3.3 van het tussenvonnis). In de offerte van 18 juli 2024 (zie randnummer 3.5 van het tussenvonnis) is echter geen bedrag meer opgenomen voor het plaatsen van badkamers en sanitair. Wel is er met de hand bij geschreven “5.000,- WC” en “35.000,- badkamer”. [gedaagden], die in dezen de stelplicht draagt, heeft onvoldoende toegelicht waarop voormelde kosten betrekking hebben, wat maakt dat tussen de kostenraming en offerte een verschil bestaat, en welk aandeel het door [gedaagden] zelf aangeschafte sanitair hierin speelt. Bij deze stand van het debat kan dus niet in rechte worden vastgesteld wat partijen zijn overeengekomen en dat het door [gedaagden] ingekochte sanitair moet worden aangemerkt als een besparing.
(d) Domotica/elektra
2.62.
[bedrijfsnaam 1] was door [eiseres] als onderaannemer ingeschakeld om werkzaamheden voor domotica en elektra uit te voeren. Nadat [eiseres] haar werkzaamheden had gestaakt heeft [bedrijfsnaam 1] haar werkzaamheden rechtstreeks aan [gedaagden] gefactureerd, voor een bedrag van € 4.415,29. Het betreft het vervangen van aardlekschakelaars en het uitbreiden van de alarminstallatie, inclusief de daarvoor benodigde materialen en arbeidsuren. Bij voortzetting van de aannemingsovereenkomst zouden deze werkzaamheden in opdracht en voor rekening van [eiseres] zijn uitgevoerd en had [eiseres] de kosten daarvan gedragen, aldus [gedaagden]. Maar door de opzegging heeft [eiseres] dat niet meer hoeven doen. Het factuurbedrag van € 4.415,29 (incl. btw) is dan ook gelijk aan de door [eiseres] bespaarde kostprijs en dient volledig in mindering te worden gebracht op de aanneemsom. De door [eiseres] gehanteerde opslag van 10% blijft, als gederfde winst, buiten beschouwing.
2.63.
[eiseres] betwist, voor zover de werkzaamheden zijn uitgevoerd, dat deze post als besparing ten laste van haar kan komen. De offerte is opgesteld nadat de opdracht aan [eiseres] was beëindigd en heeft betrekking op een uitbreiding van de alarminstallatie. De door VR geoffreerde werkzaamheden vallen niet onder de overeenkomst.
2.64.
Zoals volgt uit het tussenvonnis, onder 5.11.2, maakt de post domotica geen deel uit van de overeenkomst. De opzegging daarvan heeft dan ook geen consequenties voor de post domotica en in verband met deze post gemaakte kosten kunnen daarom niet als besparing van [eiseres] worden aangemerkt.
(e) Garantie
2.65.
Tot de besparingen behoren volgens [gedaagden] ook de kosten die [eiseres] bij voltooiing en oplevering van het werk zou hebben moeten maken voor garantie en nazorg. Bij gebreke van een door [eiseres] gespecificeerde kostencomponent, begroot [gedaagden] de besparing in redelijkheid op 5% van de aanneemsom. Bij een aanneemsom van € 147.500 komt dit neer op € 7.375.
2.66.
[eiseres] betwist zowel de stelling dat er een besparing voor haar heeft plaatsgevonden omdat zij geen kosten voor garantie en nazorg (meer) heeft, als het genoemde bedrag. [eiseres] heeft nog wel verplichtingen uit hoofde van garantie. Daarnaast
realiseert [eiseres] geen besparing uit hoofde van niet hoeven te voldoen aan enige garantie. [eiseres] houdt geen financiële reserve daarvoor aan en dit is ook niet gebruikelijk in de branche. [eiseres] meent bovendien dat zij het werk goed uitvoerde, zodat er geen garantieverplichtingen (tot herstel van gebreken) zullen kunnen ontstaan. Tot slot merkt [eiseres] op dat [gedaagden] de begrote besparing van 5% van de aanneemsom niet heeft onderbouwd.
2.67.
De rechtbank oordeelt als volgt. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat de garanties nog gelden en ook de rechtbank ziet niet in dat de garanties van [eiseres] niet meer zouden gelden. Van een besparing op dit punt is daarom geen sprake. Voor zover [gedaagden] doelt op besparingen vanwege garanties van derden op na de opzegging door hen uitgevoerde werkzaamheden, geldt dat nu de stand van het werk ten tijde van de opzegging niet vast is komen te staan, en [eiseres] bovendien betwist heeft dat voor garanties een reserve wordt aangehouden, [gedaagden] onvoldoende heeft onderbouwd waarom het redelijk zou zijn om van een besparing van 5% uit te gaan.
(f) Overige facturen van derden
2.68.
Omdat bepaalde werkzaamheden die binnen de opdracht van [eiseres] vielen door haar niet zijn afgerond of uitgevoerd heeft [gedaagden] na het vertrek van [eiseres] die werkzaamheden door derden moeten laten uitvoeren. De bedragen die deze derden hebben gefactureerd kunnen dienen als maatstaf voor de kosten die [eiseres] door het niet uitvoeren van de werkzaamheden heeft bespaard aan arbeids- en materiaalkosten. Het betreft:
- twee facturen van [naam 7] van tezamen € 6.525. Deze zien op het operationeel krijgen van de computer die het KNX-systeem aanstuurt, omdat de door VR gebruikte computer niet aansloot op dat systeem, en op werkzaamheden van [naam 7] om het eerdere werk van [bedrijfsnaam 1] te herstellen; - één factuur van € 302,03 van [bedrijfsnaam 3] B.V. voor het werkend krijgen van de afzuigingen die onder de post ‘badkamers en toiletten’ vallen; en
- één factuur van € 1.187,80 van [bedrijfsnaam 4] voor werkzaamheden inzake de post ‘domotica/elektra’.
Om te voorkomen dat ook [eiseres] misgelopen winst als besparing wordt aangemerkt, heeft [gedaagden] voor haar berekening de factuurbedragen van [eiseres] gecorrigeerd voor de door haar gehanteerde opslag van 10%. De besparing voor het niet of niet deugdelijk uitvoeren van deze werkzaamheden wordt daarmee door [gedaagden] in redelijkheid begroot op € 7.286,20.
2.69.
[eiseres] betwist de gestelde besparing. De facturen van [naam 7] zouden zien op het operationeel krijgen van de computer die het KNX-systeem aanstuurt, maar [eiseres] betwist dit, mede bij gebrek aan wetenschap, en merkt verder op dat op het moment dat [eiseres] het werk verliet het systeem functioneerde. Het staat dan ook niet op de lijst met openstaande posten van 11 december 2024. Verder wijst zij erop dat de facturen van [naam 7] niet zijn gespecificeerd en slechts aanbetalingen betreffen, zodat niet kan worden vastgesteld wat deze firma heeft gedaan of geleverd.
Over de factuur van [bedrijfsnaam 3] merkt [eiseres] op dat deze werkzaamheden nodig waren om de schade te repareren die [gedaagden] had veroorzaakt doordat hij in een wand heeft geboord waar leidingen lopen, ondanks de waarschuwing van [naam 1] dat niet te doen. Deze herstelkosten komen dan ook niet voor rekening van [eiseres] .
De laatste factuur ziet kennelijk op het aanleggen van een intercom, een half jaar na de opzegging. Dat werk maakte echter geen deel uit van de opdracht aan [eiseres] en de kosten daarvan kunnen daarom niet als besparing worden aangemerkt.
2.70.
De rechtbank constateert dat uit de facturen van [naam 7] niet valt op te maken om welke werkzaamheden het gaat. Voor zover deze facturen betrekking zouden hebben op het operationeel krijgen van de computer die het KNX-systeem aanstuurt, zoals [gedaagden] stelt, geldt dat deze werkzaamheden niet onder de reikwijdte van de overeenkomst vallen (zie tussenvonnis 5.11.2). Ditzelfde geldt voor de factuur van [bedrijfsnaam 4], die volgens [gedaagden] op de post ‘domotica/elektra’ ziet. Posten die niet onder de overeenkomst vallen, kunnen niet als besparing als gevolg van de opzegging van de overeenkomst worden aangemerkt.
De factuur van [bedrijfsnaam 3] B.V. valt volgens [gedaagden] wel onder de overeenkomst, namelijk de post ‘badkamers en toiletten’, en ziet op het werkend krijgen van de afzuigingen. [eiseres] heeft echter aangevoerd dat de factuur ziet op werkzaamheden tot herstel van de schade die [gedaagden] had veroorzaakt doordat hij zelf door leidingen had geboord die in een wand lopen. Uit de factuur kan de rechtbank niet opmaken dat deze betrekking heeft op afzuigingen die onder de post badkamers en toiletten valt. Zij kan daardoor ook niet vaststellen dat het bedrag van de factuur (€ 302,03) een besparing voor [eiseres] oplevert als gevolg van de opzegging van de overeenkomst.
[gedaagden] heeft met de overlegging van de facturen dan ook onvoldoende onderbouwd dat sprake is van besparingen voor [eiseres] .
2.71.
De rechtbank concludeert dan ook dat geen van de gestelde besparingen toegewezen kan worden.
Conclusie
2.72.
Op grond van het voorgaande bedraagt de vordering van [eiseres] op [gedaagden] wegens meerwerk c.s. € 41.605,34. Op de aanneemsom kunnen geen besparingen in mindering worden gebracht.
2.73.
[eiseres] vordert een som die aanzienlijk hoger is dan de maximale overschrijding van de richtprijs van € 147.500 (incl. btw). Deze overschrijding heeft [eiseres] onderbouwd en [gedaagden] hebben in de conclusie van antwoord (randnummers 4.14 tot en met 4.17) geen gemotiveerd verweer gericht tegen de verhoging van 10 %. Dat betekent dat de maximale wettelijke verhoging van 10 % toewijsbaar is.
2.74.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] nog verschuldigd is:
Aanneemsom (richtprijs) € 147.500,00
Verhoging 10 % € 14.750,00
Meerwerk € 41.605,34
Betalingen € 129.816,89 -/-
----------------
Verschuldigd € 74.038,45
2.75.
In totaal is [gedaagden] dus nog € 74.039,49 verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 (datum eindfactuur 23 december plus 14 dagen betalingstermijn).
Overige vorderingen van [eiseres]
2.76.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten.
2.77.
De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De eindfactuur van 23 december 2024 vermeldt een betalingstermijn van 14 dagen. [gedaagden] is op 24 december 2024 aangemaand door [eiseres] . Op dat moment verkeerde hij ten aanzien van betaling van de eindfactuur nog niet in verzuim, terwijl artikel 6:96 zesde lid BW dat wel verlangt. Er is dus niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldaan. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
2.78.
De beslagkosten zijn gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Deze bedragen € 584,68.
Proceskosten
2.79.
In de omstandigheid dat [eiseres] en [gedaagden] over en weer in het ongelijk zijn gesteld, wordt aanleiding gezien om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3De beslissing
De rechtbank:
3.1.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 74.038,45, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 7 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [eiseres] van de beslagkosten van € 584,68;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; en
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2026.
3051
Team handel
Zaaknummer: C/09/681075 / HA ZA 25-192
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V. te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. J.N.T. van der Linden,
tegen
1
[gedaagde 1] te [woonplaats],2. [gedaagde 2] te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat: mr. T.S. Jansen.
Eiseres wordt hieronder aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en gedaagden gezamenlijk als ‘[gedaagden]’ (mannelijk enkelvoud).
1
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het tussenvonnis van 29 april 2026;
- de akte uitlating tevens overlegging aanvullende producties van [eiseres] van 27 mei 2026, met producties 31 tot en met 38;
- de akte uitlating van [gedaagden] van 24 juni 2026, met producties 51 tot en met 74; en
- de antwoordakte van [eiseres] van 22 juli 2026;
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Tussen partijen is in geschil of en, zo ja, hoeveel [gedaagden] nog moet betalen aan [eiseres] .
2.2.
De rechtbank heeft op 29 april 2026 een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis) waarin zij heeft geoordeeld dat partijen een aannemingsovereenkomst met een vaste aanneemsom hebben gesloten met een richtprijs van € 147.500 inclusief btw, die door [gedaagden] is opgezegd voor de afronding van de overeengekomen werkzaamheden.
Daardoor resteren nog twee geschilpunten, te weten of meerwerk overeengekomen is en of de opzegging tot besparingen heeft geleid.
2.2.1.
Ten aanzien van meerwerk heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over:
i) welke van de bij de eindfactuur van € 234.141,15 (inclusief btw) in rekening gebrachte werkzaamheden meerwerk betreffen;ii) of daarvoor een meerwerkopdracht is verstrekt; eniii) of zij [gedaagden] heeft gewaarschuwd voor de consequentie van het meerwerk, voor zover [gedaagden] niet zelf hadden moeten begrijpen dat dit noodzakelijkerwijs tot een prijsverhoging zou leiden.
[eiseres] heeft vervolgens een akte genomen waarop [gedaagden] bij akte heeft gereageerd.
2.2.2.
Ten aanzien van de eventuele besparingen van [eiseres] voortvloeiend uit de opzegging van de aannemingsovereenkomst heeft de rechtbank [gedaagden] in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het bestaan en de omvang van die besparingen.
[gedaagden] hebben daarop een akte genomen waarop [eiseres] bij antwoordakte heeft gereageerd.
2.3.
De rechtbank merkt allereerst op dat [eiseres] in haar akte onder randnummer 3 tot en met 10 juridische bezwaren heeft geuit tegen het tussenvonnis, maar daaraan geen verzoek tot tussentijds appel heeft verbonden. De rechtbank gaat aan dat gedeelte van de akte daarom verder voorbij.
2.4.
Verder heeft [eiseres] in haar akte ook nog aangevoerd dat [gedaagden] meermaals (buiten rechte) erkend heeft dat hij in ieder geval een bedrag van € 250.000 verschuldigd is en dat dat bedrag plus meerwerk toewijsbaar is. De rechtbank overweegt dat niet vaststaat dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een bedrag van € 250.000. [eiseres] heeft immers expliciet betwist dat een dergelijke overeenstemming tot stand gekomen is. In het voorstel van [gedaagden] om € 250.000 – exclusief de kosten voor domotica – voor het hele werk te betalen, kan ook geen erkenning gelezen worden. [gedaagden] hebben dit voorstel gedaan in het kader van het treffen van een minnelijke regeling. Uit dit voorstel kan wel worden opgemaakt dat [gedaagden] erkennen dat zijn een hoger bedrag dan de initiële aanneemsom verschuldigd zijn, maar niet dat zij erkennen een bedrag van minimaal € 250.000 verschuldigd te zijn. Dit betekent dat het voorstel van [gedaagden] verder geen rol zal spelen bij de inhoudelijke beoordeling van het meerwerk.
I. Meerwerk
2.5.
[eiseres] merkt in haar akte alle in de eindfactuur genoemde posten aan als meerwerk. Dit betreft: (a) stucwerk badkamer; (b) schilderwerk; (c) stucwerk; (d) domotica/elektra; (e) vloeren/plinten; (f) badkamers/toiletten; (g) diverse timmerwerkzaamheden; (h) diverse algemene werkzaamheden en kosten (waaronder het afvoeren van sloopafval); (i) werkzaamheden aan de tuin; (j) aftimmerwerkzaamheden; en (k) leveren en plaatsen douchedeur. De rechtbank zal deze posten hieronder bespreken en daarbij zoveel mogelijk de bovenstaande volgorde aanhouden. Omdat de posten (a) en (c) beide zien op stucwerkzaamheden, zullen deze direct na elkaar worden besproken.
(a) Stucwerk badkamer
2.6.
[eiseres] stelt dat de post stucwerk badkamer € 1.656 ex btw bedraagt en het meerwerk ziet op het opnieuw aanbrengen van stucwerk (32 uur) omdat [gedaagden] de kleur van het eerder aangebrachte stucwerk in de badkamer niet mooi vond. De post “stucwerk badkamer” is in eerdere facturen ook niet opgenomen. De onderaannemer van [eiseres] die de stucwerkzaamheden heeft uitgevoerd, Yoran [onderaannemer], werkte voor een tarief van € 45 per uur en heeft [gedaagden] gewezen op de meerkosten van extra werk, zoals blijkt uit zijn verklaring die is overgelegd. Daarbij had het voor [gedaagden] duidelijk moeten zijn dat alle opdrachten die zij [onderaannemer] gaven extra geld zouden kosten, aldus [eiseres] .
2.7.
[gedaagden] betwisten dat sprake is van meerwerk. Weliswaar was er al stucwerk aangebracht en is er opnieuw stucwerk aangebracht in een nieuwe kleur, maar de eerder aangebrachte kleur week af van de kleurenstaal en zij meenden nog op tijd te zijn met het aanpassen van de kleur, afgaande op het whatsappbericht van [naam 1] van [eiseres] dat het nog mogelijk was de kleur te veranderen, maar niet meer als het stucwerk gelakt is. Verder waren er volgens hen slechts enkele delen van twee muren gestuct in de oude kleur.
2.8.
De rechtbank is van oordeel dat het opnieuw stucen meerwerk inhoudt. Dat het op dat moment technisch nog mogelijk was de kleur te veranderen en na het aflakken niet meer, maakt dat niet anders. Het feit dat de eerder aangebrachte kleur afweek van de kleurenstaal leidt evenmin tot een ander oordeel nu het een feit van algemene bekendheid is dat enige afwijking mogelijk is en dit geen gebrek oplevert dat voor rekening en risico van de aannemer moet worden hersteld. [gedaagden] hebben echter betwist dat meerwerk is verricht aan meer dan twee muren. Dit kan ook niet worden opgemaakt uit de onderbouwing van [eiseres] . De rechtbank gaat er daarom vanuit dat meerwerk alleen is verricht aan twee muren.
2.9.
In het midden kan hier blijven of de onderaannemer gezegd heeft dat hij aanvullende verzoeken niet gratis uitvoert en of hij expliciet gewaarschuwd heeft voor het meerwerk zoals bedoeld in artikel 7:755 Burgerijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt immers ook dat geen waarschuwingsplicht bestaat indien de opdrachtgever de noodzaak van prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Dat is hier het geval omdat de stucwerkzaamheden, waarvoor eerder een prijs geoffreerd is, opnieuw worden uitgevoerd. [gedaagden] was dus bekend met de prijs voor deze werkzaamheden.
2.10.
Als onbetwist staat vast dat twee (delen van) muren al waren gestuct en dat pas daarna naar voren kwam dat de kleur moest worden aangepast, en daarom opnieuw is gestuct. Daarmee is (gedeeltelijk) dubbel werk verricht en had het [gedaagden] duidelijk moeten zijn dat dit zou leiden tot een verhoging van de oorspronkelijke prijs gebaseerd op éénmaal stucen. [eiseres] (door tussenkomst van haar onderaannemer [onderaannemer]) heeft [gedaagden] dus niet hoeven waarschuwen voor daaruit voortvloeiende prijsverhoging en mag de meerwerkkosten doorberekenen. De hoogte van de meerwerkkosten van € 1.656 zijn niet betwist en deze worden toegewezen. Nu [eiseres] het bedrag exclusief btw heeft gevorderd, maar niet gespecificeerd heeft welk btw-tarief van toepassing is op de werkzaamheden, zal het bedrag, zonder nadere verhoging met btw worden toegewezen.
(c) Stucwerk
2.11.
Naast de post stucwerk badkamer stelt [eiseres] € 8.554.91 aan meerwerk te hebben verricht aan ‘stucwerk’. Die post heeft volgens haar betrekking op door [gedaagden] gegeven aanvullende opdrachten voor stucadoorswerkzaamheden en airless spuitwerk in meerdere kleuren, uitgevoerd door haar onderaannemer [onderaannemer]. De totale extra uren van 254 uren ad € 45 per uur voor het stucen en € 9 per vierkante meter voor het spuitwerk zijn door [onderaannemer] aan [eiseres] in rekening gebracht, die dit heeft doorbelast aan [gedaagden] [onderaannemer] heeft [gedaagden] gewezen op de meerkosten van extra werk, zoals blijkt uit zijn verklaring. Bovendien was het [gedaagden] duidelijk, of zou dat zo moeten zijn, dat voor dit stucwerk de meerprijs per vierkante meter zou worden berekend, aldus [eiseres] .
2.12.
[gedaagden] heeft de vordering betwist. Hij voert onder meer aan dat het niet duidelijk is om welke werkzaamheden het gaat.
2.13.
De rechtbank merkt op dat airless spuitwerk, zonder nadere toelichting, niet onder stucwerkzaamheden kan worden begrepen maar deel uitmaakt van schilderwerkzaamheden, en hierna als onderdeel van die post zal worden beoordeeld. De vordering inzake ‘stucwerk badkamer’ is hierboven al besproken. Deze maakt dus kennelijk geen deel uit van de vordering inzake ‘stucwerk’.
Wat wel onder ‘stucwerk’ valt heeft [eiseres] niet inzichtelijk gemaakt. Dit valt ook niet op te maken uit de verklaring van [onderaannemer]. Een offerte van [onderaannemer] ontbreekt in het dossier. De rechtbank kan dan ook niet kan vaststellen dat ten opzichte van de offerte van [eiseres] aan [gedaagden] sprake is geweest van meerwerk. Tegenover de betwisting door [gedaagden] heeft [eiseres] haar vordering onvoldoende onderbouwd. Deze zal daarom worden afgewezen.
(b) Schilderwerk
2.14.
Deze post van € 26.211,30 ziet volgens [eiseres] op het opnieuw schilderen van de woning. [gedaagden] heeft zelf, buiten [eiseres] om, eerder aan een schilder genaamd [naam 2] opdracht gegeven de woning te schilderen, maar die had dat niet naar behoren gedaan en daarom moest het schilderwerk opnieuw uitgevoerd worden, wat [eiseres] heeft gedaan. De kosten voor het opnieuw schilderen waren [gedaagden] bekend omdat schilder [naam 2] al was betaald dan wel diens uurtarief was meegedeeld.
2.15.
[gedaagden] betwist de vordering. Bisschop voert onder meer aan dat [naam 2] als onderaannemer van [eiseres] werkte en dat het door hem uitgevoerde schilderwerk gebrekkig was. Kosten voortvloeiend uit een gebrekkige uitvoering door onderaannemers van [eiseres] zijn aan haar toe te rekenen en kunnen niet als meerwerkkosten worden opgevoerd.
2.16.
Partijen zijn het erover eens dat het door [naam 2] uitgevoerde schilderwerk ondeugdelijk was. Uit het door [gedaagden] overgelegde whatsappbericht (3 september 2024) lijkt te volgen dat [gedaagden] aan [eiseres] de naam van een schilder heeft genoemd die dan door [eiseres] kon worden ingeschakeld om de werkzaamheden uit te voeren. Indien dit inderdaad zo is gegaan, is [naam 2] aan te merken als onderaannemer van [eiseres] , de (hoofd)aannemer. Op grond van artikel 7:751 BW is [eiseres] als hoofdaannemer in dat geval aansprakelijk voor de deugdelijke nakoming van de aannemingsovereenkomst. Het alsnog deugdelijk uitvoeren van schilderwerkzaamheden moet dan worden aangemerkt als herstelwerkzaamheden en het (opnieuw) uitgevoerde schilderwerk kwalificeert niet als meerwerk. Dit staat aan toewijzing van de vordering in de weg.
2.17.
Ook in het geval schilder [naam 2] rechtstreeks opdracht van [gedaagden] heeft gekregen voor de schilderwerkzaamheden is de meerwerkvordering niet toewijsbaar. In dat geval is immers in eerste instantie sprake geweest van minderwerk van [eiseres] ten opzichte van de in de offerte vermelde werkzaamheden ten bedrage van € 25.000, en het alsnog uitvoeren van overeengekomen schilderwerkzaamheden kan niet worden aangemerkt als meerwerk. Dit leidt dus eveneens tot afwijzing van de vordering.
2.18.
Dezelfde overwegingen gaan op voor het “airless spuitwerk”. Voor het geval het airless spuitwerk herstel betreft van werkzaamheden waarvoor [eiseres] verantwoordelijk is, dan is het geen meerwerk. Indien het airless spuitwerk is uitgevoerd om in opdracht van [gedaagden] uitgevoerde werkzaamheden te herstellen, dan heeft te gelden dat in eerste instantie sprake is van minderwerk van de werkzaamheden onder de post ‘(f) schilderen van de binnenkant van de woning’ (zie 5.11.2 tussenvonnis). Voor zover het airless spuitwerk andere werkzaamheden betreft, dan heeft [eiseres] haar stellingen op dit onderdeel onvoldoende toegelicht.
(d) Domotica/elektra
2.19.
[eiseres] stelt deze post op € 67.291,12. [gedaagden] hebben € 30.000 aan werkzaamheden erkend. Onder domotica/elektra vallen volgens [eiseres] echter meer werkzaamheden, zoals de uitvoering van het in opdracht van [gedaagden] door een derde opgestelde lichtplan, de aanleg van nieuwe stopcontacten, vervanging van het bestaande schakelmateriaal, ophangen van de televisies, levering van een camera-observatiesysteem en vervanging en uitbreiding van het inbraaksignaleringssysteem door een nieuw systeem. Vooral de uitvoering van het lichtplan bracht veel extra werk met zich, zoals blijkt uit de verklaringen van [naam 3] van [bedrijfsnaam 1] en [naam 1]. Het is onbestaanbaar dat [gedaagden] bij dit alles hebben gedacht dat dit alles gratis zou zijn, aldus [eiseres] .
2.20.
[gedaagden] voert aan dat vooraf is besproken dat de kosten voor domotica/elektra maximaal € 30.000 incl. btw zouden bedragen en dat [eiseres] dit maximum slechts in een uitzonderlijk geval zou bereiken. Voor het bedrag van € 30.000 incl. btw zou [bedrijfsnaam 1]
in opdracht van [eiseres] onder meer de werkzaamheden aan stopcontacten, schakelmateriaal, het alarmsysteem en camera’s verrichten. De verklaring van [naam 3] dat 95% van de lichtpunten nieuw is aangelegd is onjuist. Uit de plattegrond blijkt niet dat de lichtpunten grotendeels gewijzigd zijn. Ook de verklaring van [naam 3] dat schakelmateriaal opnieuw zou zijn vervangen wegens een verkeerde kleur is onjuist. De kleur is vooraf afgestemd. Dat het vervangen van lampen of drivers [naam 3] meer tijd heeft gekost dan hij aanvankelijk had voorzien, brengt niet mee dat sprake is van meerwerk. Een misrekening of uitvoeringsfouten komen voor rekening en risico van de (onder)aannemer. Voor zover wel sprake zou zijn van meerwerk is [gedaagden] in ieder geval niet gewezen op een daarmee samenhangende prijsverhoging.
2.21.
[eiseres] heeft [bedrijfsnaam 1] ingeschakeld als onderaannemer voor de werkzaamheden op het gebied van domotica en elektra. Na de opzegging heeft [gedaagden] zelf [bedrijfsnaam 1] ingeschakeld om het werk af te maken. [eiseres] maakt in de dagvaarding aanspraak op betaling van € 67.291,12 voor de facturen van [bedrijfsnaam 1] in de periode 1 oktober tot en met 2 december 2024. Aangezien die periode vóór de opzegging ligt, neemt de rechtbank aan dat deze facturen betrekking hebben op werkzaamheden die [bedrijfsnaam 1] als onderaannemer van [eiseres] heeft verricht.
2.22.
Niet in geschil is dat [gedaagden] opdracht heeft gegeven voor deze werkzaamheden ten bedrage van € 30.000. De vordering betreft echter werkzaamheden ten bedrage van meer dan het dubbele daarvan. Het is aan [eiseres] , als degene die zich op de rechtsgevolgen beroept (betaling van € 67.291,12), om voldoende onderbouwd te stellen en (zo nodig) te bewijzen dat sprake is van (i) door [gedaagden] gewenst meerwerk en dat zij (ii) [gedaagden] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging (artikel 7:755 BW). De ratio daarvan is de opdrachtgever bescherming te bieden. Hij kan dan gegeven de omvang van de prijsverhoging beslissen of hij het meerwerk wil opdragen, of niet.
2.23.
Uit de verklaring van onderaannemer [bedrijfsnaam 1] en die van [naam 1] valt op te maken dat het omvangrijke werkzaamheden betrof, zoals een nieuw lichtplan, cameraobservatiesysteem en inbraaksignaleringssysteem, en dat hieraan veel tijd en moeite is besteed. [eiseres] is doorgegaan met het laten uitvoeren van meerwerk door [bedrijfsnaam 1] toen al voor meer dan € 30.000 waarvoor fiat was gegeven was uitgevoerd.
Te meer gezien de hoogte van de extra kosten (boven de € 30.000), de complexiteit van het werk, en omdat sprake is van een particuliere en ter zake niet deskundige opdrachtgever, had het op de weg van [eiseres] gelegen hierover, vooraf, duidelijk met [gedaagden] te communiceren. Dat [eiseres] [gedaagden] (tijdig) heeft gewaarschuwd voor de noodzaak van de (extra) prijsverhoging die uit deze werkzaamheden voortvloeide heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd gesteld. Omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagden] uit zichzelf de noodzaak van de prijsverhoging (boven de € 30.000) had moeten begrijpen, zijn de rechtbank niet gebleken. De stelling van [eiseres] dat het onbestaanbaar is dat [gedaagden] heeft gedacht dat dit alles gratis zou zijn gaat niet op. [gedaagden] had immers al ingestemd met een prijsverhoging van (maximaal) € 30.000. Dat maakt echter nog niet dat hij uit zichzelf had moeten begrijpen dat de kosten nog hoger zouden zijn.
2.24.
Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagden] als opdrachtgever tijdig en dus voorafgaand aan de uitvoering van het meerwerk (boven de € 30.000) van [eiseres] een reëel inzicht heeft gekregen in de omvang van de concreet te verwachten meerkosten, is het gevolg dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op een verhoging van de prijs boven de afgesproken € 30.000.
(e) Vloeren/plinten
2.25.
Deze post van € 17.635,78 betreft volgens [eiseres] meerwerk omdat (i) het aantal vierkante meters vloer meer bedroeg dan vooraf was besproken, (ii) de ondervloeren, onvoorzien, moesten worden aangepast, en (iii) uit de zoldervloer een zonk (deuk) moest worden verwijderd wat eveneens niet was voorzien. [eiseres] heeft bij monde van [naam 1] telkens bij (meerwerk)opdrachten aan [gedaagden] te kennen gegeven dat extra werk en extra materialen niet gratis zijn en sommige opdrachten zeer kostbaar zijn. [naam 1] heeft daarbij tweewekelijks tussenrekeningen opgestuurd aan [gedaagden], zodat er inzicht in de kosten was.
2.26.
[gedaagden] betwist de vordering en voert onder meer het volgende aan. Deze post valt onder de overeengekomen werkzaamheden, namelijk het leggen van lamelparket op de bovenverdieping en op zolder (zie tussenvonnis onder 5.11.2). Er is dus geen sprake van meerwerk. Het in de offerte opgenomen bedrag van € 12.344,41 sluit nagenoeg aan bij het bedrag van € 12.719,71 wat [gedaagden] in rekening is gebracht op 29 oktober 2024. Onduidelijk is dan ook waar het gevorderde bedrag aan gesteld meerwerk op ziet. Verder is [gedaagden] nooit op de hoogte gesteld van de gestelde noodzaak tot het aanpassen van de ondervloer en heeft hij geen weet van de gestelde aanwezigheid en verwijdering van een zonk in de zoldervloer. Op een daaruit voortvloeiende prijsverhoging is [gedaagden] niet gewezen. [gedaagden] kon daarvan ook niet uit zichzelf op de hoogte zijn omdat hij immers niet op de hoogte was van de gestelde werkzaamheden. Eventuele fouten in de berekening van het aantal vierkante meters vloer komen voor rekening en risico van [eiseres] . Alle plattegronden, en overige relevante stukken, die nodig zijn voor het bepalen van een prijs voor de werkzaamheden, zijn immers aan [eiseres] verstrekt.
2.27.
Dit verweer slaagt. [eiseres] ([naam 1]) heeft weliswaar verklaard dat de werkzaamheden in overleg met [gedaagden] zijn uitgevoerd en dat hij altijd kenbaar heeft gemaakt dat extra werk en extra materialen niet gratis zijn, maar [gedaagden] heeft dit gemotiveerd betwist. [eiseres] , die in dezen de stelplicht heeft, heeft onvoldoende feiten gesteld om te kunnen concluderen dat meerwerk is verricht, en dat dit is gebeurd in opdracht van [gedaagden] De stukken in het dossier bevatten geen aanknopingspunten, bijvoorbeeld foto’s gemaakt tijdens de uitvoering van het werk, waaruit blijkt dat de vloer niet egaal was en dat op de zoldervloer een zonk moest worden verwijderd. Ook kan daaruit niet worden opgemaakt dat [eiseres] op enige wijze [gedaagden] van tevoren heeft geïnformeerd over de gestelde noodzaak de vloeren aan te passen.
2.28.
Met betrekking tot het gestelde meerwerk vanwege het grotere aantal vierkante meters vloeroppervlak komt de rechtbank tot dezelfde conclusie. Vaststaat dat [gedaagden] aan [eiseres] de plattegronden van de woning heeft verstrekt en dat [naam 1] ( [eiseres] ) met [gedaagde 1] door de woning heeft gelopen en daarna een kosteninschatting heeft gemaakt, waarbij hij heeft ingeschat dat de bovenvloer en zolder circa 80 m2 zijn. Dat [eiseres] [gedaagde 1] van tevoren heeft geïnformeerd dat dit aantal vierkante meters onjuist was en er meerwerk moest worden verricht, en dat [gedaagde 1] daarmee akkoord was, blijkt niet uit het dossier. Nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 7:755 BW, heeft [eiseres] geen recht op een prijsverhoging. Haar vordering wordt daarom afgewezen.
(f) Badkamers/toiletten
2.29.
[eiseres] stelt dat haar oorspronkelijke opdracht was het renoveren van de badkamers, maar dat die opdracht door [gedaagden] werd gewijzigd in een totale herbouw van de badkamers. Dit omvatte het geheel slopen van de bestaande badkamers, het vervangen van al het leidingwerk en de afvoeren, het aanbrengen van tegels in visgraatpatroon en het maken van alle hoeken onder 45 graden. In totaal was met dit meerwerk € 34.783,76 gemoeid. [eiseres] heeft [gedaagden] gewaarschuwd voor de daaruit voortvloeiende prijsverhogingen, onder verwijzing naar de eerdere verbouwing in Oegstgeest, zoals blijkt uit de verklaring van [naam 1]. Daarbij is er vertraging in de uitvoering van het werk ontstaan doordat [gedaagden] zelf onderdelen voor de badkamer bestelde. Dit leidde eveneens tot hogere kosten, zoals [gedaagden] volgens [eiseres] behoort te weten.
2.30.
[gedaagden] betwisten dat sprake is van meerwerk en dat zij [eiseres] opdracht hebben gegeven tot het uitvoeren van ander werk dan voorafgaand aan de verbouwing is overeengekomen. De badkamers hoefden volgens [gedaagden] niet geheel gesloopt te worden. Er is over de oude tegels heengestuct waardoor die niet hoefden te worden afgevoerd, en ook de indeling van de badkamers bleef behouden. Op één kraan na bleef alles op dezelfde plaats. Dat leidingwerk en afvoeren zouden zijn vervangen is dan ook onjuist.
2.31.
Het had op de weg van [eiseres] gelegen om de aard en omvang van de door hem gestelde extra werkzaamheden met stukken, bijvoorbeeld foto’s of tekeningen, te onderbouwen. Dit geldt te meer nu gesteld wordt dat de kosten voor de werkzaamheden aan de badkamers en toiletten ruim twee keer zo hoog zijn uitgevallen als begroot. Dit had bovendien, nu [gedaagden] al eerder in deze procedure (zie onder meer productie 23 bij conclusie van antwoord) gemotiveerd, en met stukken onderbouwd, verweer gevoerd heeft tegen de aard en omvang van de werkzaamheden aan de badkamers. Voorts geldt dat onvoldoende onderbouwd is dat (een deel van) het meerwerk van de gestelde omvang het gevolg is van vertragingen.. De vordering zal daarom worden afgewezen.
(g) Diverse timmerwerkzaamheden
2.32.
Deze post bedraagt € 27.020,44 en omvat volgens [eiseres] het verwijderen van kastenwanden, inbouwkasten in de woonkamer, het vervangen daarvan door voorzetwanden met koven, het plaatsen van een bouwkast, het aanpassen van de trap en het maken van een wand ten behoeve van de TV. Al deze werkzaamheden waren niet voorzien bij de aanvang van het werk en de opdrachtverlening. [naam 1] heeft [gedaagden] gewaarschuwd dat aanvullende wensen geld kosten, en heeft ook tussentijds rekeningen gestuurd zodat er inzicht was in de kosten.
2.33.
[gedaagden] voert als verweer dat het onjuist is dat de trap is aangepast, dat een wand voor de tv zou zijn gemaakt en dat voorzetwanden zijn geplaatst. De werkzaamheden met betrekking tot inbouwkasten en het plaatsen van een van de bouwkasten waren al onderdeel van de overeenkomst (zie randnummer 5.11.2 van het tussenvonnis). Deze vallen onder de posten (h) “het verwijderen van een kleine tussenmuur in de tv-kamer” en (i) “het plaatsen van een kast op de begane grond.” Er is dus geen sprake van meerwerk. Voor zover daarvan wel sprake zou zijn, geldt dat [gedaagden] niet (tijdig) is gewaarschuwd voor de daaruit voortvloeiende prijsverhoging en zij de noodzaak daarvan ook niet uit zichzelf hoefden te begrijpen. [eiseres] heeft dan ook geen recht op een prijsverhoging.
2.34.
Gelet op de betwisting door [gedaagden] lag het op de weg van [eiseres] om zijn stelling dat hij heeft gewaarschuwd voor een prijsverhoging voldoende te onderbouwen. Daarin is zij niet geslaagd. De in het dossier aanwezige verklaring van [naam 1] “ Ik heb altijd kenbaar gemaakt dat extra werk en extra materialen niet gratis zijn en dat sommige opdrachten zeer kostbaar zijn. Dit heb ik natuurlijk ook weer laten zien in de tussenrekeningen die ik hun mailde” is in zeer algemene bewoordingen gesteld en onvoldoende om als vaststaand aan te nemen dat ook in het specifieke geval van de timmerwerken [gedaagden] voorafgaand op de hoogte is gesteld van de meerprijs die daaruit voortvloeide. Met het versturen van tussenrekeningen is evenmin duidelijk dat is voldaan aan de waarschuwingsplicht. Deze tussenrekeningen geven weliswaar inzicht in de kosten achteraf, maar de waarschuwingsplicht uit hoofde van artikel 7:755 BW is gericht op verstrekking van informatie vooraf, opdat de opdrachtgever kan beslissen van het meerwerk af te zien, ter vermijding van kostenoverschrijdingen.Het voorgaande betekent dat, voor zover sprake zou zijn van meerwerk, niet is komen vast te staan dat [eiseres] , bij monde van [naam 1], [gedaagden] heeft gewaarschuwd voor een daaruit voortvloeiende prijsverhoging. [gedaagden] is daarom niet gehouden voor de (gestelde) extra timmerwerken te betalen. De vordering wordt afgewezen.
(h) Diversen (incl. sloopafval)
2.35.
[eiseres] stelt, onder verwijzing naar de verklaring van [naam 1], dat deze post onder meer omvat werkvoorbereiding, het uitzoeken en controleren van materialen, de afvoer van materialen, het uitzoeken van lampen en soortgelijke werkzaamheden. Daarbij zijn er ook werkzaamheden verricht met betrekking tot de RVS-vulplaat, zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van [naam 4]. Dit meerwerk bedraagt in totaal € 4.014,88. Het is volgens [eiseres] ondenkbaar dat [gedaagden] dacht dat dit alles gratis dan wel bij de prijs (aanneemsom) inbegrepen zou zijn.
2.36.
[gedaagden] betwist de vordering. Deze werkzaamheden houden volgens haar rechtstreeks verband met de overeengekomen werkzaamheden (zie 5.11.2 tussenvonnis) en zijn geen meerwerk. [eiseres] is juist ingeschakeld om als aannemer de verbouwing voor
te bereiden, te organiseren en te coördineren. De werkzaamheden die daarvoor noodzakelijk waren, zoals werkvoorbereiding, materiaalkeuze en de afvoer van vrijkomende materialen, zijn dan ook in de overeengekomen prijs begrepen. Voor die begeleidende en coördinerende
rol ontving [eiseres] een vergoeding. Bovendien heeft [eiseres] nooit meegedeeld dat zij deze werkzaamheden afzonderlijk als meerwerk zou aanmerken en evenmin onderbouwd dat partijen daarover aanvullende afspraken hebben gemaakt. Voor zover deze werkzaamheden toch als meerwerk zouden moeten worden aangemerkt, geldt dat [eiseres] [gedaagden] niet heeft gewaarschuwd voor de daaruit voortvloeiende prijsverhoging en hij de noodzaak van die prijsverhoging niet uit zichzelf hoefde te begrijpen.
2.37.
De rechtbank is van oordeel dat werkvoorbereiding inherent is aan het werk van [eiseres] als aannemer, en deel uitmaakt van de overeenkomst. Daartegenover stond een opslag van 10 %. Het controleren en uitzoeken van materialen valt onder werkvoorbereiding. Zo valt het uitzoeken van lampen onder de voorbereiding van de overeengekomen werkzaamheden met betrekking tot de post ‘(j) het vervangen van verlichting’, genoemd onder 5.11.2 van het tussenvonnis. Van meerwerk is dan ook geen sprake.
2.38.
Anders is dat voor wat betreft het afvoeren van sloopafval. Dit betreft geen werkvoorbereiding en gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] dit zou afvoeren voor de overeengekomen richtprijs van € 147.500. Dit werk valt dan ook buiten de overeenkomst en is daarmee meerwerk. Ook ten aanzien van deze post echter heeft [eiseres] tegenover de betwisting daarvan door [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat is voldaan aan het in artikel 7:755 BW neergelegde vereiste dat tijdig is gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar wat zij hierboven onder randnummer 2.34 heeft overwogen. [eiseres] kan daardoor geen aanspraak maken op betaling van meerwerk. De vordering wordt afgewezen.
2.39.
Verder verwijst [eiseres] nog naar “werkzaamheden m.b.t. RVS vulplaat” maar specificeert vervolgens niet het bedrag van de betreffende werkzaamheden, zodat het deel van de vordering dat daarop betrekking heeft ook wordt afgewezen.
(i) Werkzaamheden tuin
2.40.
Deze post bedraagt € 720 en ziet op werkzaamheden verricht door [naam 5] in de tuin van [gedaagden] De opdracht daartoe was nieuw en mondeling verleend door [gedaagden]. [eiseres] verwijst naar de verklaring van [naam 5]. Volgens laatstgenoemde was [gedaagden] ook ervan op de hoogte dat deze werkzaamheden geld zouden kosten.
2.41.
[gedaagden] voert aan dat de werkzaamheden in de tuin het verwijderen van enkele plantenbakken betrof. Bisschop zelf heeft asbestzakken gekocht om de plantenbakken te verwijderen en een derde heeft deze plantenbakken in zakken verpakt, zoals blijkt uit het door hem overgelegde whatsappbericht. [eiseres] heeft niet geconcretiseerd of onderbouwd wat de door hem gestelde verrichte werkzaamheden inhouden, en [gedaagden] kan zich dan ook niet adequaat verweren. [gedaagden] betwist dat [naam 5] de gestelde werkzaamheden in de tuin heeft verricht. [gedaagden] is dan ook niet gewezen op enig verricht meerwerk in de tuin, noch gewaarschuwd voor de daaruit voortvloeiende prijsverhoging.
2.42.
Dit verweer slaagt niet. De als productie 66 overgelegde whatsappberichten vermelden dat [gedaagde 1] asbestverpakkingsmateriaal heeft gekocht voor 12 plantenbakken en dat [naam 1] ( [eiseres] ) aan [gedaagden] bericht “Kom maar met die zakken [asbestverpakkingsmateriaal]. Heb een kleine hulk lopen vandaag”. De rechtbank maakt hieruit op dat [eiseres] mankracht heeft ingehuurd in verband met verwijdering van de plantenbakken uit de tuin. Het feit dat het whatsappcorrespondentie tussen [gedaagden] en [naam 1] betreft wijst ook op betrokkenheid van [eiseres] bij de werkzaamheden. Als de werkzaamheden door een derde zouden zijn verricht, zoals [gedaagden] aanvoert, valt immers niet in te zien waarom dan met [naam 1] hierover moest worden gecommuniceerd.
2.43.
Aangezien de werkzaamheden met betrekking tot het verwijderen van plantenbakken uit de tuin niet binnen het bestek van de overeengekomen werkzaamheden (a) tot en met (j) als vermeld in het tussenvonnis onder 5.11.2 vallen, zijn deze aan te merken als meerwerk. [gedaagden] had naar het oordeel van de rechtbank zelf moeten begrijpen dat voor die werkzaamheden, niet zijnde verbouwingswerkzaamheden waarvoor [eiseres] als aannemer was aangetrokken, waarvoor [eiseres] mankracht heeft ingehuurd – zoals bekend was bij [gedaagden] gelet op de whatsappberichten – kosten in rekening zouden worden gebracht. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
(j) Aftimmerwerkzaamheden
2.44.
[eiseres] stelt, onder verwijzing naar de verklaringen van [naam 1], dat deze post van € 5.079,34 betrekking heeft op het plaatsen van extra deuren en [gedaagden] hiertoe opdracht hebben gegeven. In de offerte van 18 juli 2024 met handgeschreven notities staan maar zeven deuren genoemd terwijl er 15 zijn geplaatst, met aanvullend deurbeslag. De verklaring van de heer [naam 4] bevestigt dit volgens [eiseres] .
2.45.
[gedaagden] betwist dat er sprake is van meerwerk. In overleg met [eiseres] is ervoor gekozen om nieuwe (goedkopere) deuren te plaatsen, die al in de goede kleur waren, zodat [eiseres] 15 deuren minder hoefde te schilderen dan voorzien in de overeenkomst (onderdeel (f), zie het tussenvonnis onder 5.11.2).
2.46.
De stelplicht voor wat betreft meerwerk ligt op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op [eiseres] . Hieraan heeft zij voldaan, nu zij stelt dat zij 15 deuren plus deurbeslag heeft geplaatst in plaats van de in de overeenkomst opgenomen zeven deuren.
2.47.
De stelplicht voor wat betreft minderwerk ligt op grond van eerdergenoemd artikel op [gedaagden] Hieraan heeft hij niet voldaan. [gedaagden] heeft geen prijs genoemd van de goedkopere deuren en deurbeslag, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van minderwerk (ten opzichte van de prijs voor het overeengekomen schilderwerk). [gedaagden] heeft ook niet eerder gerefereerd aan een afspraak met [eiseres] hierover. Het (bewijs)risico daarvan komt voor rekening van [gedaagden] Gezien het vorenstaande zal de vordering worden toegewezen.
(k) Leveren en plaatsen douchedeur
2.48.
[eiseres] beroept zich op door haar overgelegde whatsapp-berichten waaruit volgens haar duidelijk blijkt dat [gedaagden] opdracht hebben gegeven voor een nieuwe douchedeur, en dus meerwerk, ten bedrage van € 4.150. [eiseres] heeft, zoals uit de verklaring van [naam 1] blijkt, vooraf gewaarschuwd voor de kosten, ook die met betrekking tot de badkamers.
2.49.
Volgens [gedaagden] betreffen de werkzaamheden inzake de douchedeur geen meerwerk omdat deze vallen binnen de overeengekomen scope aan werkzaamheden, namelijk “(a) het vernieuwen van de badkamers en toiletten,” als genoemd in het tussenvonnis onder 5.11.2.
2.50.
Uit het dossier komt naar voren dat de werkzaamheden die zijn verricht verband houden met een door [gedaagden] gekochte douchebak. Deze douchebak paste niet en daarom was een nieuwe douchedeur nodig. Het plaatsen van een nieuwe douchedeur betekende dus extra werk ten opzichte van de offerte, zodat sprake is van meerwerk. De daaruit voortvloeiende kosten komen voor rekening van [gedaagden] nu hij in dit geval had moeten begrijpen dat aan het uitvoeren van extra werk ook extra kosten waren verbonden. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
Overige werkzaamheden
2.51.
In haar akte van 27 mei 2026 noemt [eiseres] ook nog extra werkzaamheden die zouden zijn verricht door [bedrijfsnaam 2], betreffende de aanleg van een airco in de slaapkamer, extra aansluitingen voor water en riool in de keuken, en extra aanpassingen aan de vloerverwarming. Deze werkzaamheden staan echter niet genoemd op de eindafrekening en vallen daarmee buiten het bestek van de door de rechtbank toegelaten
akte. De rechtbank betrekt dan ook niet in haar oordeel wat [eiseres] hierover opmerkt in haar akte.
Eindberekening meerwerk
2.52.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, betekent dit dat [gedaagden] gehouden is aan [eiseres] het volgende meerwerk te vergoeden:
Stucwerk badkamer € 1.656,00
Domotica/elektra € 30.000,00
Werkzaamheden tuin € 720,00
Aftimmerwerkzaamheden € 5.079,34
Douchedeur € 4.150,00
--------------+
€ 41.605,34
De vordering van [eiseres] wordt dan ook tot dit bedrag toegewezen.
2.53.
De rechtbank realiseert zich dat dit mogelijk niet een bevredigende uitkomst is voor [eiseres] . Deze uitkomst is echter een gevolg van het niet goed vastleggen van de omvang van de initiële opdracht en de gemaakte afspraken over meerwerk. Het lag, in ieder geval, op [eiseres] als professionele partij om dat te doen. Het nalaten daarvan pakt in deze procedure voornamelijk in haar nadeel uit.
II. Besparingen
2.54.
[gedaagden] becijfert de besparingen van [eiseres] tezamen op € 87.352,38, uitgaande van een aanneemsom van € 147.500, vermeerderd met het verrichte meerwerk van maximaal € 30.000 incl. btw. Hij baseert dit op het volgende.
(a en b) Niet uitgevoerde/niet afgeronde werkzaamheden en herstelwerkzaamheden
2.55.
[gedaagden] stelt dat werk aan onder meer de drie badkamers, toiletten, deurbeslag, de zolderoverloop, slaapkamer, verlichting, en het aanbrengen van een plint in de keuken niet is uitgevoerd dan wel niet is afgerond. [gedaagden] verwijst ter onderbouwing hiervan naar een, in opdracht van [gedaagden] opgestelde offerte van [naam 6] van 28 januari 2026. Deze werkzaamheden bedragen 8,23% van de gehele verbouwing. Daarmee is een bedrag van € 26.889,25 gemoeid. Daarnaast heeft [gedaagden] nog andere werkzaamheden en herstelwerkzaamheden moeten laten uitvoeren door een derde. Het betreft onder meer (herstel)werkzaamheden aan de onjuist geplaatste douchebak, het afmonteren van een wastafel, sifons en kranen, het aanbrengen van plinten en het herstellen van door [eiseres] veroorzaakte schade aan de muur in de badkamer. De kosten hiervan bedragen € 4.847,88 incl. btw, wat neerkomt op 2,24% van de gehele verbouwing (inclusief herstelwerkzaamheden).
2.56.
[gedaagden] stelt dat als gevolg van de opzegging [eiseres] haar medewerkers eerder op andere projecten heeft kunnen inzetten. [eiseres] werkte bovendien met onderaannemers die op zzp-basis werkten en niet is gebleken dat [eiseres] na de opzegging tegenover hen nog betalingsverplichtingen had. Voor wat betreft de materialen geldt dat een belangrijk deel daarvan door [gedaagden] zelf is aangeschaft en gesteld noch gebleken is van onvermijdelijke materiaalkosten. [eiseres] heeft niet toegelicht dat zij projectgebonden materialen had ingekocht of besteld die niet meer konden worden geannuleerd of elders konden worden gebruikt. De besparing voor het niet uitvoeren dan wel niet afronden van deze werkzaamheden komt daarmee op € 31.737,13 (€ 26.889,25 + € 4.847,88), incl. btw.
2.57.
[eiseres] voert verweer. Zij werkt enkel met zzp’ers en heeft geen eigen medewerkers in dienst. Ook had zij geen andere projecten waar zij vanwege de opzegging eerder kon starten. Van enige besparing is volgens haar dan ook geen sprake. De offerte van [naam 6] is volgens [eiseres] onjuist. Daaruit blijkt niet welke werkzaamheden ten tijde van de opzegging niet waren uitgevoerd. Het betreft slechts een raming van herstelpunten opgesteld 13 maanden na de opzegging, gebaseerd op wat [gedaagden] heeft meegedeeld, en geen rapport van een onafhankelijk deskundige. [eiseres] is nooit uitgenodigd om gezamenlijk een opname te doen van eventuele herstelpunten. Daarbij heeft [gedaagden] op 11 december 2024 aan [eiseres] een lijst met volgens hem openstaande punten gegeven waarop andere (herstel)punten worden genoemd. Daarnaast klopt de raming van [naam 6] van de diverse posten niet.
2.58.
Zoals overwogen in het tussenvonnis onder 5.26 rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van besparingen op [gedaagden] De raming van Brölman dateert van 28 januari 2026, meer dan een jaar na de datum van opzegging. De stand van het werk ten tijde van de opzegging op 12 december 2024 valt daaruit niet op te maken. De door [gedaagden] opgestelde lijst van openstaande punten van 11 december 2024 zou wel aanknopingspunten kunnen bieden voor de stand van het werk ten tijde van opzegging. [gedaagden] heeft de raming van Brölman echter niet in verband gebracht met de stand van het werk ten tijde van de opzegging volgens [gedaagden] als weergegeven op de lijst van 11 december 2024. Ook met enige goede wil is het voor de rechtbank daarom aan de hand van deze raming niet goed mogelijk de stand van het werk, en daarmee de besparingen, vast te stellen. [gedaagden] heeft op dit punt op dit punt niet voldaan aan zijn stelplicht.
(c) Door [gedaagden] aangeschaft sanitair
2.59.
[gedaagden] stelt verder zelf drie badkamers en twee toiletten te hebben aangeschaft voor een bedrag van € 38.082,64 terwijl deze materialen vielen binnen de door [eiseres] aangenomen werkzaamheden en waren inbegrepen in de door [eiseres] geoffreerde prijs van € 20.000 per badkamer. Doordat [gedaagden] de materialen zelf heeft aangeschaft, heeft [eiseres] de daarmee gemoeide inkoopkosten niet hoeven maken. Het bedrag van € 38.082,64 moet daarom als besparing in mindering worden gebracht op de aanneemsom.
2.60.
[eiseres] betwist dat zij op deze post heeft bespaard. Als haar prijs is gebaseerd op € 20.000, hoe kan zij dan € 38.082 hebben bespaard? Daarbij is het bestellen van duur sanitair door [gedaagden] niet het gevolg van de opzegging zodat ook daarom geen sprake is van een besparing aan de kant van [eiseres] .
2.61.
De rechtbank is van oordeel dat deze kosten niet als besparing van [eiseres] kunnen worden aangemerkt. Om als zodanig te kwalificeren moeten deze een gevolg zijn van niet uitgevoerd werk door de beëindiging in onvoltooide staat. Dat [eiseres] voor dit bedrag aan sanitair moest plaatsen, en dat niet heeft gedaan, heeft [gedaagden] niet onderbouwd. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat het bedrag van € 20.000 per te plaatsen badkamer afkomstig is uit de kostenraming van 7 mei 2024 (zie randnummer 3.3 van het tussenvonnis). In de offerte van 18 juli 2024 (zie randnummer 3.5 van het tussenvonnis) is echter geen bedrag meer opgenomen voor het plaatsen van badkamers en sanitair. Wel is er met de hand bij geschreven “5.000,- WC” en “35.000,- badkamer”. [gedaagden], die in dezen de stelplicht draagt, heeft onvoldoende toegelicht waarop voormelde kosten betrekking hebben, wat maakt dat tussen de kostenraming en offerte een verschil bestaat, en welk aandeel het door [gedaagden] zelf aangeschafte sanitair hierin speelt. Bij deze stand van het debat kan dus niet in rechte worden vastgesteld wat partijen zijn overeengekomen en dat het door [gedaagden] ingekochte sanitair moet worden aangemerkt als een besparing.
(d) Domotica/elektra
2.62.
[bedrijfsnaam 1] was door [eiseres] als onderaannemer ingeschakeld om werkzaamheden voor domotica en elektra uit te voeren. Nadat [eiseres] haar werkzaamheden had gestaakt heeft [bedrijfsnaam 1] haar werkzaamheden rechtstreeks aan [gedaagden] gefactureerd, voor een bedrag van € 4.415,29. Het betreft het vervangen van aardlekschakelaars en het uitbreiden van de alarminstallatie, inclusief de daarvoor benodigde materialen en arbeidsuren. Bij voortzetting van de aannemingsovereenkomst zouden deze werkzaamheden in opdracht en voor rekening van [eiseres] zijn uitgevoerd en had [eiseres] de kosten daarvan gedragen, aldus [gedaagden]. Maar door de opzegging heeft [eiseres] dat niet meer hoeven doen. Het factuurbedrag van € 4.415,29 (incl. btw) is dan ook gelijk aan de door [eiseres] bespaarde kostprijs en dient volledig in mindering te worden gebracht op de aanneemsom. De door [eiseres] gehanteerde opslag van 10% blijft, als gederfde winst, buiten beschouwing.
2.63.
[eiseres] betwist, voor zover de werkzaamheden zijn uitgevoerd, dat deze post als besparing ten laste van haar kan komen. De offerte is opgesteld nadat de opdracht aan [eiseres] was beëindigd en heeft betrekking op een uitbreiding van de alarminstallatie. De door VR geoffreerde werkzaamheden vallen niet onder de overeenkomst.
2.64.
Zoals volgt uit het tussenvonnis, onder 5.11.2, maakt de post domotica geen deel uit van de overeenkomst. De opzegging daarvan heeft dan ook geen consequenties voor de post domotica en in verband met deze post gemaakte kosten kunnen daarom niet als besparing van [eiseres] worden aangemerkt.
(e) Garantie
2.65.
Tot de besparingen behoren volgens [gedaagden] ook de kosten die [eiseres] bij voltooiing en oplevering van het werk zou hebben moeten maken voor garantie en nazorg. Bij gebreke van een door [eiseres] gespecificeerde kostencomponent, begroot [gedaagden] de besparing in redelijkheid op 5% van de aanneemsom. Bij een aanneemsom van € 147.500 komt dit neer op € 7.375.
2.66.
[eiseres] betwist zowel de stelling dat er een besparing voor haar heeft plaatsgevonden omdat zij geen kosten voor garantie en nazorg (meer) heeft, als het genoemde bedrag. [eiseres] heeft nog wel verplichtingen uit hoofde van garantie. Daarnaast
realiseert [eiseres] geen besparing uit hoofde van niet hoeven te voldoen aan enige garantie. [eiseres] houdt geen financiële reserve daarvoor aan en dit is ook niet gebruikelijk in de branche. [eiseres] meent bovendien dat zij het werk goed uitvoerde, zodat er geen garantieverplichtingen (tot herstel van gebreken) zullen kunnen ontstaan. Tot slot merkt [eiseres] op dat [gedaagden] de begrote besparing van 5% van de aanneemsom niet heeft onderbouwd.
2.67.
De rechtbank oordeelt als volgt. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat de garanties nog gelden en ook de rechtbank ziet niet in dat de garanties van [eiseres] niet meer zouden gelden. Van een besparing op dit punt is daarom geen sprake. Voor zover [gedaagden] doelt op besparingen vanwege garanties van derden op na de opzegging door hen uitgevoerde werkzaamheden, geldt dat nu de stand van het werk ten tijde van de opzegging niet vast is komen te staan, en [eiseres] bovendien betwist heeft dat voor garanties een reserve wordt aangehouden, [gedaagden] onvoldoende heeft onderbouwd waarom het redelijk zou zijn om van een besparing van 5% uit te gaan.
(f) Overige facturen van derden
2.68.
Omdat bepaalde werkzaamheden die binnen de opdracht van [eiseres] vielen door haar niet zijn afgerond of uitgevoerd heeft [gedaagden] na het vertrek van [eiseres] die werkzaamheden door derden moeten laten uitvoeren. De bedragen die deze derden hebben gefactureerd kunnen dienen als maatstaf voor de kosten die [eiseres] door het niet uitvoeren van de werkzaamheden heeft bespaard aan arbeids- en materiaalkosten. Het betreft:
- twee facturen van [naam 7] van tezamen € 6.525. Deze zien op het operationeel krijgen van de computer die het KNX-systeem aanstuurt, omdat de door VR gebruikte computer niet aansloot op dat systeem, en op werkzaamheden van [naam 7] om het eerdere werk van [bedrijfsnaam 1] te herstellen; - één factuur van € 302,03 van [bedrijfsnaam 3] B.V. voor het werkend krijgen van de afzuigingen die onder de post ‘badkamers en toiletten’ vallen; en
- één factuur van € 1.187,80 van [bedrijfsnaam 4] voor werkzaamheden inzake de post ‘domotica/elektra’.
Om te voorkomen dat ook [eiseres] misgelopen winst als besparing wordt aangemerkt, heeft [gedaagden] voor haar berekening de factuurbedragen van [eiseres] gecorrigeerd voor de door haar gehanteerde opslag van 10%. De besparing voor het niet of niet deugdelijk uitvoeren van deze werkzaamheden wordt daarmee door [gedaagden] in redelijkheid begroot op € 7.286,20.
2.69.
[eiseres] betwist de gestelde besparing. De facturen van [naam 7] zouden zien op het operationeel krijgen van de computer die het KNX-systeem aanstuurt, maar [eiseres] betwist dit, mede bij gebrek aan wetenschap, en merkt verder op dat op het moment dat [eiseres] het werk verliet het systeem functioneerde. Het staat dan ook niet op de lijst met openstaande posten van 11 december 2024. Verder wijst zij erop dat de facturen van [naam 7] niet zijn gespecificeerd en slechts aanbetalingen betreffen, zodat niet kan worden vastgesteld wat deze firma heeft gedaan of geleverd.
Over de factuur van [bedrijfsnaam 3] merkt [eiseres] op dat deze werkzaamheden nodig waren om de schade te repareren die [gedaagden] had veroorzaakt doordat hij in een wand heeft geboord waar leidingen lopen, ondanks de waarschuwing van [naam 1] dat niet te doen. Deze herstelkosten komen dan ook niet voor rekening van [eiseres] .
De laatste factuur ziet kennelijk op het aanleggen van een intercom, een half jaar na de opzegging. Dat werk maakte echter geen deel uit van de opdracht aan [eiseres] en de kosten daarvan kunnen daarom niet als besparing worden aangemerkt.
2.70.
De rechtbank constateert dat uit de facturen van [naam 7] niet valt op te maken om welke werkzaamheden het gaat. Voor zover deze facturen betrekking zouden hebben op het operationeel krijgen van de computer die het KNX-systeem aanstuurt, zoals [gedaagden] stelt, geldt dat deze werkzaamheden niet onder de reikwijdte van de overeenkomst vallen (zie tussenvonnis 5.11.2). Ditzelfde geldt voor de factuur van [bedrijfsnaam 4], die volgens [gedaagden] op de post ‘domotica/elektra’ ziet. Posten die niet onder de overeenkomst vallen, kunnen niet als besparing als gevolg van de opzegging van de overeenkomst worden aangemerkt.
De factuur van [bedrijfsnaam 3] B.V. valt volgens [gedaagden] wel onder de overeenkomst, namelijk de post ‘badkamers en toiletten’, en ziet op het werkend krijgen van de afzuigingen. [eiseres] heeft echter aangevoerd dat de factuur ziet op werkzaamheden tot herstel van de schade die [gedaagden] had veroorzaakt doordat hij zelf door leidingen had geboord die in een wand lopen. Uit de factuur kan de rechtbank niet opmaken dat deze betrekking heeft op afzuigingen die onder de post badkamers en toiletten valt. Zij kan daardoor ook niet vaststellen dat het bedrag van de factuur (€ 302,03) een besparing voor [eiseres] oplevert als gevolg van de opzegging van de overeenkomst.
[gedaagden] heeft met de overlegging van de facturen dan ook onvoldoende onderbouwd dat sprake is van besparingen voor [eiseres] .
2.71.
De rechtbank concludeert dan ook dat geen van de gestelde besparingen toegewezen kan worden.
Conclusie
2.72.
Op grond van het voorgaande bedraagt de vordering van [eiseres] op [gedaagden] wegens meerwerk c.s. € 41.605,34. Op de aanneemsom kunnen geen besparingen in mindering worden gebracht.
2.73.
[eiseres] vordert een som die aanzienlijk hoger is dan de maximale overschrijding van de richtprijs van € 147.500 (incl. btw). Deze overschrijding heeft [eiseres] onderbouwd en [gedaagden] hebben in de conclusie van antwoord (randnummers 4.14 tot en met 4.17) geen gemotiveerd verweer gericht tegen de verhoging van 10 %. Dat betekent dat de maximale wettelijke verhoging van 10 % toewijsbaar is.
2.74.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] nog verschuldigd is:
Aanneemsom (richtprijs) € 147.500,00
Verhoging 10 % € 14.750,00
Meerwerk € 41.605,34
Betalingen € 129.816,89 -/-
----------------
Verschuldigd € 74.038,45
2.75.
In totaal is [gedaagden] dus nog € 74.039,49 verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 (datum eindfactuur 23 december plus 14 dagen betalingstermijn).
Overige vorderingen van [eiseres]
2.76.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten.
2.77.
De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De eindfactuur van 23 december 2024 vermeldt een betalingstermijn van 14 dagen. [gedaagden] is op 24 december 2024 aangemaand door [eiseres] . Op dat moment verkeerde hij ten aanzien van betaling van de eindfactuur nog niet in verzuim, terwijl artikel 6:96 zesde lid BW dat wel verlangt. Er is dus niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldaan. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
2.78.
De beslagkosten zijn gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Deze bedragen € 584,68.
Proceskosten
2.79.
In de omstandigheid dat [eiseres] en [gedaagden] over en weer in het ongelijk zijn gesteld, wordt aanleiding gezien om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3De beslissing
De rechtbank:
3.1.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 74.038,45, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 7 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [eiseres] van de beslagkosten van € 584,68;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; en
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op
16 september 2026.
3051