Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26985
2026-08-17
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/680852 / FA RK 25-1427
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding met afwikkeling huwelijke voorwaarden. uitvoering periodiek verrekenbeding. bepaling waarde aandelen uit overgespaard inkomen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (50.466 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-1427 (echtscheiding)
FA RK 25-5040 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Zaaknummers: C/09/680852 (echtscheiding)
C/09/687938 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Datum beschikking: 17 augustus 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 24 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
in de huwelijksakte [de vrouw]
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.C. Braun in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.C.H. Gerrits in Haarlem.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;
het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de man, ingekomen op 9 mei 2025;
het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, met intrekking van de verzoeken met betrekking tot [de meerderjarige 2] , namens de vrouw, ingekomen op 3 juli 2025;
het bericht van 23 januari 2026 namens de vrouw;
het bericht van 6 februari 2026 namens de vrouw;
de brief van 19 juni 2026, met gewijzigde verzoeken en met bijlagen, namens de vrouw;
de brief van 2 juli 2026, met bijlage, namens de vrouw;
de brief van 3 juli 2026, met bijlagen, namens de man.
Op 9 juli 2026 is ook een brief met bijlagen namens de vrouw ingediend, waartegen namens de man op 10 juli 2026 bezwaar is gemaakt. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting het bezwaar van de man gehonoreerd. De brief en bijlagen zijn niet eenvoudig te doorgronden en indiening op zo’n laat moment is in strijd met de goede procesorde. De brief van 9 juli 2026 en de bijlagen worden daarom buiten beschouwing gelaten.
Op 13 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Door de advocaat van de vrouw en de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 2003 in [plaats] .
Zij zijn de ouders van de inmiddels meerderjarigen:
[de meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2004 in [geboorteplaats] ;
[de meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 in [geboorteplaats] .
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende koude uitsluiting met een periodiek verrekenbeding.
Partijen leven sinds juli 2022 gescheiden.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt – na wijziging – tot echtscheiding en afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden en vaststelling van de wijze van verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschap van woning als volgt:
Aandelen [bedrijfsnaam 1] BV
voor recht te verklaren, althans te bepalen dat de waarde van de aandelen van de
man in [bedrijfsnaam 1] BV, althans het saldo dat is ontstaan door belegging en
herbelegging van niet verrekend overgespaard inkomen in [bedrijfsnaam 1] BV, in de
finale verrekening tussen partijen dient te worden betrokken, en daarbij:
primair: de man te veroordelen om binnen veertien dagen
na de datum van de te geven beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan de vrouw te voldoen een bedrag van
€ 89.806,50 + p.m., zijnde de helft van de door de [deskundige] van
APRECIO-advies op basis van de thans beschikbare gegevens vastgestelde intrinsieke waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 1] BV van €179.613,- te
vermeerderen met het bedrag dat voortvloeit uit een nadere waardering per peildatum, waaronder begrepen de actualisering aan de hand van de actuele
jaarcijfers en de waarde van het bedrijfspand;
subsidiair, voor zover de rechtbank van oordeel is dat niet de volledige waarde van
de aandelen [bedrijfsnaam 1] BV in de verrekening dient te worden betrokken, te
bepalen dat de vrouw in ieder geval aanspraak heeft op de helft van het saldo dat is
ontstaan door belegging en herbelegging van het tijdens huwelijk opgebouwde en
niet verrekende vermogen van de eenmanszaak in [bedrijfsnaam 1] BV, waaronder in
ieder geval begrepen het tijdens huwelijk gerealiseerde verschil tussen het eigen
vermogen van de eenmanszaak bij aanvang van het huwelijk van € 102.670,- en
het eigen vermogen bij inbreng in [bedrijfsnaam 1] BV van € 178.112,-, derhalve een vermogensgroei van € 75.442,-, te vermeerderen met het daarop volgens de beleggingsleer gerealiseerde rendement, nader op te maken bij deskundigenbericht
althans door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen;
te bepalen dat het bedrijfspand waarin de onderneming wordt gedreven door een
door partijen gezamenlijk aan te wijzen onafhankelijke NVM-makelaar/taxateur zal
worden getaxeerd, bij gebreke van overeenstemming over de persoon van de
taxateur binnen veertien dagen na de datum van de te geven beschikking door een
door de rechtbank aan te wijzen taxateur, waarbij de kosten van deze taxatie door partijen ieder voor de helft worden gedragen, althans op een door de rechtbank in
goede justitie te bepalen wijze;
de man te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van de te geven
beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen
termijn, aan de vrouw te voldoen het hiervoor onder I (subsidiair) genoemde bedrag + p.m. en zowel het hiervoor onder I primair als subsidiair genoemde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift tot aan de dag van algehele voldoening, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
Lijfrenteaanspraak man in [bedrijfsnaam 1] BV
voor recht te verklaren, althans te bepalen dat, de aanspraak van de man uit hoofde van de lijfrente in [bedrijfsnaam 1] BV in de finale verrekening tussen partijen dient te worden betrokken, nu deze aanspraak wordt vermoed te zijn gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen en de man het tegendeel niet heeft aangetoond;
de man te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van de te geven
beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen
termijn, aan de vrouw te voldoen de helft van de waarde van de lijfrenteaanspraak per peildatum, thans op basis van de jaarrekening 2024 voorlopig te stellen op
€ 87.300,- : 2 = € 43.650,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
Het hiervoor onder IV genoemde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift tot aan de dag van
algehele voldoening, althans vanaf een door uw rechtbank in1goede justitie te
bepalen datum;
Auto’s
te bepalen dat de waarde van de aan ieder van partijen toebehorende auto's per
peildatum in de afwikkeling tussen partijen wordt betrokken, met dien verstande
dat bij de auto van de vrouw (Citroën C3) rekening wordt gehouden met het feit
dat deze inmiddels total loss is verklaard;
dientengevolge te bepalen dat de waarde van de auto van de man (Ford S-Max)
van € 7.000,- in de finale verrekening moet worden betrokken en de man daar bij te
veroordelen de helft hiervan, te weten € 3.500,-, aan de vrouw te voldoen op een door haar aan te wijzen bankrekening, binnen veertien dagen na de datum van de te
geven beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van
indiening van het inleidende verzoekschrift tot aan de dag van algehele voldoening,
althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
Inboedel
voor recht te verklaren dat de inboedel, die zich in de echtelijke woning bevindt, op
grond van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden uitsluitend eigendom is van de
vrouw;
te bepalen dat de man gehouden is alle nog in de echtelijke woning aanwezige inboedelzaken die aan de vrouw toebehoren, binnen veertien dagen na de datum van de te geven beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan de vrouw af te geven dan wel haar in de gelegenheid te stellen deze zaken op te halen;
voor zover de man inboedelzaken van de vrouw wenst te behouden, te bepalen dat hij daarvoor aan de vrouw een redelijke vergoeding dient te voldoen van € 10.000,- binnen veertien dagen na de datum van de te geven beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van beschikking tot aan de dag van algehele voldoening, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
Echtelijke woning, hypotheekschuld en kapitaalverzekering eigen woning
de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap bestaande uit de echtelijke woning aan de [adres] , de daaraan verbonden hypothecaire
geldlening en de daaraan gekoppelde kapitaalverzekering eigen woning vast te
stellen conform het voorstel van de vrouw;
te bepalen dat de man gehouden is de volledige aan de echtelijke woning
verbonden eigenaars- en gebruikerslasten als eigen schuld te voldoen en dat hij de
vrouw hiervoor dient te vrijwaren, althans een gebruikersvergoeding ten laste van de man vast te stellen gelijk aan haar aandeel in deze lasten,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – met uitzondering van het verzoek tot echtscheiding – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man – na wijziging – zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
verklaring voor recht dat partijen conform de tussen gen geldende huwelijkse voorwaarden jaarlijks uitvoering hebben gegeven aan het periodieke verrekenbeding;
vaststelling van de afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden conform het voorstel van de man;
vaststelling van de afwikkeling en verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap van woning conform randnummers 97 tot en met 108 van het verweerschrift, te weten de (voormalig) echtelijke woning aan het [adres] aan de man toe te delen (tegen een waarde van € 590.000,- danwel tegen een nader te bepalen/taxeren waarde) onder de voorwaarde dat de man binnen zes maanden (dan wel een nader te bepalen termijn) na de inschrijving van beschikking waarin de waarde van de woning en toedeling wordt bepaald, de toedeling aan hem en het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit de hypothecaire geldlening heeft geregeld, bij gebreke waarvan de woning tegen de alsdan geldende marktprijs aan een derde dient te worden verkocht;
toedeling aan de man van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning;
bepaling dat de man een vergoedingsvordering heeft op de vrouw ter hoogte van
€ 134.157,06 als gevolg van door hem verrichte betalingen (vanuit zijn privé vermogen) inzake de aan de echtelijke woning verbonden spaarpolis;
- bepaling dat de vrouw op grond van artikel 194 Rv jo 195 Rv inzage dient te geven in haar jaaropgaves arbeidsinkomen en banksaldi over de jaren 2020 tot en met 2024 en dat zij deze stukken in dient te brengen in de onderhavige procedure,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – met uitzondering van het verzoek tot echtscheiding – verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
De huwelijkse voorwaarden
De vrouw en de man zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden is opgenomen: “Tussen de echtgenoten zal generlei gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd, bestaan”.
In artikel 3 is het volgende opgenomen ten aanzien van het periodiek verrekenbeding:
1. Alle kosten van de huishouding, van de persoonlijke en dagelijkse behoeften der echtgenoten, van de verzorging en opvoeding der kinderen, die uit het huwelijk geboren mochten worden, die door de echtgenoten mochten worden geadopteerd of die met beider toestemming in het gezin mochten worden opgenomen, benevens alle gewone lasten en belastingen, voorzover deze niet het karakter van kapitaalheffingen hebben of betrekking hebben op een bepaalde zaak van een der echtgenoten, komen ten laste van beide echtgenoten, naar verhouding van ieders bruto-arbeidsinkomen; voor zover die arbeidsinkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten, lasten en belastingen, ten laste van ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.
Tot de kosten van de huishouding behoren niet de premies of koopsommen voor een levens- of ongevallenverzekering.
De premies of koopsommen komen ten laste van de echtgenoot die de premie verschuldigd is voor de uitkering waarvoor hij of zij begunstigde is.
2. Hetgeen resteert van de inkomens van de echtgenoten zoals die blijkens de door hen volgens goed koopmansgebruik gevoerde boekhouding zijn, nadat daaruit ieders aandeel in de lid 1 van dit artikel bedoelde kosten, lasten en uitkering uit levens- of ongevallenverzekering bij overlijden van de verzekerde -ongeacht met welk doel een verzekering is gesloten- zijn voldaan, zal tussen de echtgenoten gelijkelijk worden verdeeld.
De jaarlijkse verrekening geschiedt doordat het inkomen van beide echtgenoten wordt bijgeschreven op een ten name van hen beiden staande rekening, tenzij de echtgenoten voor het desbetreffende jaar een andere wijze van verrekening overeenkomen. Het saldo komt toe aan beide echtgenoten, ieder voor de helft.
De echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht om bijschrijving op de hiervoor vermelde wijze te laten plaatsvinden. Het in enig jaar niet of te weinig gestorte bedrag dient, vermeerderd met een redelijke rente daarover, door de desbetreffende echtgenoot binnen zeven dagen na een daartoe strekkend verzoek van de andere echtgenoot op de hiervoor bedoelde rekening te worden bijgeschreven, behoudens het hierna bepaalde.
Het in de vorige zin bepaalde geldt niet voor zover het betreft de verrekening van de winst uit hoofde van een door (een van) de echtgenoten uitgeoefend bedrijf. De verrekening van deze winst geschiedt op verzoek van de verrekeningsplichtige echtgenoot, doordat het te verrekenen bedrag jaarlijks binnen een maand na vaststelling van de jaarrekening over het desbetreffende jaar door de tot verrekening verplichte echtgenoot aan de ander schriftelijk wordt schuldig erkend, welk bedrag - tenzij anders wordt overeengekomen - dient te worden betaald uiterlijk binnen drie maanden na de ontbinding van het huwelijk.
3. Onder inkomen wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan het gezamenlijke bedrag van hetgeen de desbetreffende echtgenoot geniet als:
a. winst uit onderneming (het realiseren van stille reserves daaronder niet begrepen);
b. inkomen uit werk, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen;
een en ander in de zin van artikel 3.1 lid 2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 of een daarvoor in de plaats tredende regeling.
Indien de berekening van het inkomen leidt tot een negatief bedrag, wordt dit aangemerkt als een verlies.
Een verlies van een der echtgenoten wordt verrekend met zijn/haar inkomens van de drie voorafgaande en de acht volgende kalenderjaren.
De verrekening geschiedt in de volgorde, waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten. De verrekening van een verlies met het inkomen van een voorafgaand kalenderjaar geschiedt door dat inkomen met het desbetreffende verlies te verminderen en de vordering tot verrekening over dat jaar dienovereenkomstig te verlagen.
Indien het verschuldigde bedrag reeds is uitgekeerd, dient het teveel ontvangen bedrag te worden gerestitueerd.
Als inkomen bedoeld in dit artikel worden niet beschouwd verkrijgingen door toeval of geluk en evenmin de niet-uitgekeerde winst die is behaald in een (besloten) vennootschap noch de in lid 2 van dit artikel bedoelde vergoeding.
In artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden is opgenomen: “De inboedel ten huwelijk aangebracht of gedurende het huwelijk verkregen, is eigendom van de vrouw voorzover het tegendeel niet blijkt uit de omschrijving der huwelijksaanbrengsten overeenkomstig artikel 130 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en/of door latere beschrijving”.
Periodiek verrekenbeding
Tussen partijen is in geschil of zij uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding uit artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden.
De vrouw stelt dat partijen tijdens het huwelijk nooit uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Zij erkent dat er jaarlijks wel berekeningen zijn gemaakt, maar dat er vervolgens niet is betaald. Dat volgt ook uit het feit dat de vastgestelde verrekenvorderingen als “lening onderling” zijn opgenomen in de verrekenstaten. Het is alleen een boekhoudkundige exercitie geweest, waarbij vanaf 2012 ook de eenvoudige gemeenschappen van woning en de hypothecaire geldlening voor de woning zijn opgenomen, welke niet onder het te verrekenen inkomen vallen. Voorts ontbreken de verrekenstaten over de jaren 2007 tot en met 2011 en vanaf 2020. Ook is voor de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV een zogenaamde “p.m.-post” in de verrekenstaten opgenomen. Dit laatste impliceert volgens de vrouw dat het de bedoeling is geweest om ook het resultaat van [bedrijfsnaam 1] BV, althans de vermogensopbouw in de BV, te verrekenen. De vrouw doet een beroep op artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op basis waarvan het aan het einde van het huwelijk aanwezige vermogen dan wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.
De man voert aan dat partijen het periodiek verrekenbeding wel hebben uitgevoerd. Partijen hebben jaarlijks daadwerkelijk de overgespaarde inkomsten verrekend op basis van de daarvoor opgestelde verrekenstaten. Zichtbaar is dat partijen jaarlijks het totale vermogen in kaart hebben gebracht. De vermogenswijzigingen met betrekking tot overgespaard inkomen zijn vervolgens gelijkelijk verdeeld en verwerkt in een onderlinge schuldverhouding. De vrouw heeft deze verrekenstaten ook ondertekend. Tot en met het jaar 2019 heeft de vrouw haar medewerking verleend aan de jaarlijkse verrekening. Uit de verrekenstaat van 2019 blijkt dat de vrouw een vordering heeft op de man ter hoogte van € 6.470,-. In beginsel is dit de eindstand van de verrekening tot en met 2019. Vanaf 2020 heeft de man overigens geen inkomen kunnen oversparen, omdat alles is opgegaan aan de kosten van de huishouding (waaronder kosten van de kinderen en hypotheeklasten) zodat er feitelijk vanaf 2020 geen noodzaak bestond om inkomen te verrekenen. Door jaarlijks te verrekenen is het vermogen van partijen privé vermogen gebleven en is geen sprake van nog te verrekenen overgespaard vermogen. Subsidiair geeft de man aan dat de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV zijn aangekocht met privévermogen.
De rechtbank is van oordeel dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiekverrekenbeding en legt dit uit als volgt.
Vast staat dat de vrouw geen inkomsten genoot en dat de man een [eenmanszaak] (hierna de eenmanszaak) dreef en daaruit inkomen had. Onder het inkomensbegrip wordt verstaan – kort gezegd - de winst uit onderneming (het realiseren van stille reserves daaronder niet begrepen) en inkomen uit werk en vermogen. Onder inkomen wordt onder meer niet verstaan de niet-uitgekeerde winst die is behaald in een vennootschap.
De rechtbank stelt vast dat er over de jaren 2004, 2005, 2012 tot en met 2018 vermogensopstellingen zijn gemaakt die door partijen voor akkoord zijn ondertekend. De rechtbank heeft geen vermogensopstellingen aangetroffen over andere jaren. Al daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat partijen jaarlijks met elkaar hebben verrekend.
In de vermogensopstellingen over de jaren 2004 en 2005 is het bedrijfsvermogen van de eenmanszaak van de man opgenomen, de saldi van de bankrekeningen van partijen, het reservefonds en de over het jaar verschuldigde inkomstenbelasting. Het gezamenlijke vermogen van het jaren wordt met elkaar vergeleken en saldeert in een vermogensaanwas of vermogensafname. In de vermogensopstellingen van 2012 e.v. is de echtelijke woning, de spaarverzekering en de aandelen [bedrijfsnaam 1] BV, de rekening-courant in [bedrijfsnaam 1] BV betrokken, waarbij de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV als p.m. post zijn opgenomen.
Wat het overgespaarde verrekenbare inkomen is over die jaren, zou uit de “lening onderling” moeten volgen.
De man stelt dat in de vermogensopstelling de (niet uitgekeerde) winst in de onderneming jaarlijks als schuldig is erkend en dat dit conform de huwelijkse voorwaarden is. Hierin volgt de rechtbank hem niet. Uit de omstandigheid dat ook de vrouw in 2005 en 2012 een bedrag aan de man is verschuldigd volgt al dat deze onderlinge lening niet de (niet uitgekeerde) winst in de onderneming kan zijn. Dat volgt ook uit het feit dat de niet uitgekeerde winst in de besloten vennootschap uitdrukkelijk van het inkomensbegrip is uitgesloten in de huwelijkse voorwaarden. Daarnaast geldt dat volgens de huwelijkse voorwaarden het overgespaarde te verrekenen inkomen van beiden zouden bijschrijven op een en/of rekening en dat het saldo hen ieder voor de helft toekomt. Aan deze wijze van verrekening hebben zij geen uitvoering gegeven.
Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat partijen weliswaar over een aantal jaren vermogensopstelling hebben laten maken, maar dat er geen uitkering heeft plaatsgevonden van hun aandeel in de overgespaarde te verreken inkomsten. Aldus is de “verrekening” alleen een papieren werkelijkheid geweest.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodieke verrekenbeding.
Op grond van artikel 141 lid 3 BW wordt daarom vermoed dat het vermogen van partijen is gevormd uit overgespaarde inkomsten tenzij het tegendeel blijkt.
Peildatum te verrekenen vermogen
Tussen partijen is niet in geschil dat zij de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding (24 februari 2025) zullen hanteren voor de beschrijving van de vermogens van de echtgenoten en de waardering van de daartoe behorende bezittingen en schulden.
Omvang te verrekenen vermogen
De vrouw en de man hebben in deze procedure de volgende vermogensbestanddelen en schulden aangevoerd die (eventueel) bij de verrekening moeten worden betrokken.
Aan de zijde van de man:
aandelen [bedrijfsnaam 1] BV;
lijfrenteverzekering [bedrijfsnaam 1] BV;
Ford S-max met kenteken [kenteken 1] ;
banksaldi.
Aan de zijde van de vrouw:
inboedel;
Citroën C3 met kenteken [kenteken 2] ;
banksaldi.
Ad. a) aandelen [bedrijfsnaam 1] BV
De man is enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] BV (hierna [bedrijfsnaam 1] ) met daaronder als dochteronderneming [bedrijfsnaam 2] BV. Bij aanvang van het huwelijk verrichtte de man zijn werkzaamheden in de vorm van een eenmanszaak. De eenmanszaak is op 28 maart 2008 ingebracht in [bedrijfsnaam 1] . De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de volledige waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] moeten worden verrekend. Zij heeft de indicatieve waarde van [bedrijfsnaam 1] laten berekenen. De aandelen zouden een intrinsieke waarde van € 181.160,- hebben. De vrouw maakt aanspraak op de helft van deze waarde van de man ontvangen + p.m. (afhankelijk van de jaarcijfers 2024 en waardering van het bedrijfspand), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Subsidiair stelt de vrouw dat zij meedeelt in de overgespaarde winst van de eenmanszaak, die in [bedrijfsnaam 1] is ingebracht en belegd. Daarmee maakt zij aanspraak op een deel van de waarde van het vermogen in de BV. Het vermogen van de eenmanszaak bedroeg bij aanvang van het huwelijk € 102.670,-. Bij de inbreng van de eenmanszaak in [bedrijfsnaam 1] BV op 28 maart 2008 bedroeg het eigen vermogen € 178.112,-. De vrouw veronderstelt hiermee een aanzienlijke vermogensgroei van de eenmanszaak tijdens het huwelijk, namelijk van € 75.452,- (circa 42% van het totale vermogen bij oprichting). Dit bedrag moet als overgespaard te verrekenen inkomen worden aangemerkt. De vrouw maakt in ieder geval aanspraak op de helft van het saldo dat is ontstaan door de belegging (en herbelegging) van het bedrag van € 75.452,- in de aandelen in [bedrijfsnaam 1] .
De man betwist de stellingen van de vrouw. De man wijst erop dat hij zijn onderneming (eenmanszaak) al had voordat hij met de vrouw in het huwelijk trad. Het vermogen in deze eenmanszaak was er al en is derhalve niet uitsluitend uit overgespaard inkomen gevormd. De activiteiten van de eenmanszaak zijn economisch gezien ingebracht in [bedrijfsnaam 1] . Bij wijze van storting zijn alle activa en passiva van de eenmanszaak ingebracht. Daarbij zijn ook de stille reserves en de goodwill berekend. Onderdeel van de inbreng is de goodwill in de eenmanszaak ter hoogte van € 150.000,-, waarvan een belangrijk deel al is opgebouwd vóór het huwelijk. De goodwill is een stille reserves die niet als verrekenbaar vermogen aangemerkt kunnen worden. De man betwist uitdrukkelijk de door de vrouw overgelegde waardering van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] omdat een deugdelijk taxatierapport ontbreekt.
De rechtbank gaat aan de primaire stelling van de vrouw voorbij. Zoals de man terecht aanvoert had hij de eenmanszaak al voordat hij met de vrouw in het huwelijk trad en was daarin al vermogen opgebouwd. Dit betekent dat de waarde van eenmanszaak ten tijde van de inbreng daarvan in [bedrijfsnaam 1] niet volledig is gevormd uit overgespaarde te verrekenen inkomen. Alleen de aanwas van het bedrijfsvermogen tijdens het huwelijk op de datum van inbreng van de eenmanszaak in [bedrijfsnaam 1] kan worden beschouwd als overgespaard inkomen. De vraag die voorligt is er sprake is van vermogensaanwas in de eenmanszaak die is gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen.
De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en legt dit uit als volgt.
Uit de overgelegde jaarrekening 2003 volgt dat het bedrijfsvermogen in de eenmanszaak per eind 2003 € 102.670,- bedraagt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat op dit kapitaal de stille reserves in mindering moeten worden gebracht. De man betwist dit en voert aan dat de immateriële vaste activa (de goodwill) door hem daadwerkelijk is betaald voorafgaand aan het huwelijk. De rechtbank is van oordeel dat het bedrijfsvermogen inclusief de goodwill als uitgangspunt moet worden genomen. Dit is de waarde van de eenmanszaak ten tijde van het huwelijk en het gaat er vervolgens om wat er daarna aan vermogensaanwas in de eenmanszaak is gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen. De waarde van de eenmanszaak eind 2003 stelt de rechtbank daarom vast op € 102.670,- zoals volgt uit de jaarrekening 2003.
Uit de akte van oprichting van [bedrijfsnaam 1] (productie 4 zijdens de man) volgt dat het waarde van de eenmanszaak ten tijde van de inbreng daarvan in [bedrijfsnaam 1] € 178.112,- was (zoals berekend per december 2007). De man voert terecht aan dat in deze waarde stille reserves zijn betrokken die – volgens de huwelijkse voorwaarden – uitdrukkelijk niet tot het te verrekenen inkomen behoren. Dit is bepaald in artikel 3.3. sub a Hvw. Uit de jaarrekening 2007 volgt dat de immateriële vaste activa (stille reserves) per eind 2007 € 135.000,- bedraagt. Rekening houdend met de door de vrouw berekende latente belastingclaim van € 20.250, stelt de rechtbank de waarde van de stille reserves vast op € 114.750,-. De waarde van de eenmanszaak per eind 2007 bedraagt dan € 63.362,- (€ 178.112,- minus € 114.010,-)
De vergelijking van de waarden eind 2003 en 2007 leidt de rechtbank tot de slotsom dat er geen sprake is van vermogensvorming in de eenmanszaak uit overgespaard te verrekenen inkomen.
De rechtbank verwacht niet dat een berekening van de waarde van de eenmanszaak per datum huwelijk ( [datum] 2003) en datum inbreng van de eenmanszaak (28 maart 2008) tot een andere uitkomst zal leiden en ziet daarin geen aanleiding om deze waardes door een deskundige te (laten) berekenen.
Omdat de waarde van ingebrachte eenmanszaak niet is gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen wordt de waarde van de aandelen van de man in [bedrijfsnaam 1] niet meegenomen in de vermogensopstelling aan de zijde van de man.
De verzoeken van de vrouw met betrekking tot de waardering van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] en de herwaardering van het bedrijfspand worden daarom eveneens afgewezen.
Ad. b) lijfrenteverzekering [bedrijfsnaam 1]
De vrouw stelt dat de aanspraken van de man op de lijfrenteovereenkomst in [bedrijfsnaam 1] worden vermoed te zijn gevormd uit het overgespaard te verrekenen inkomen. Uit de jaarrekening 2024 volgt dat deze aanspraak per 31 december 2024 € 87.300,- bedraagt. De vrouw maakt aanspraak op de helft van het opgebouwde bedrag, zijnde € 43.650,-.
De man geeft aan dat deze aanspraak niet onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding valt en ook niet in enige gemeenschap valt. Het betreft daarom een privé aanspraak. Volgens de man is de aanspraak opgebouwd met ondernemingsvermogen van zijn tot 2007 gedreven eenmanszaak. Deze fiscale oudedagsreserve was op dat moment onderdeel van het bedrijfsvermogen van de eenmanszaak. Dit is privévermogen en de tijdens het huwelijk genoten winsten uit de eenmanszaak zijn al verrekend omdat partijen een jaarlijks het verrekenbeding hebben uitgevoerd. In het kader van de inbreng van de eenmanszaak in [bedrijfsnaam 1] is ervoor gekozen om de oudedagsreserve van € 53.523,- voor een klein bedrag vrij te laten vallen. Dit gedeelte was niet belast. Voor het resterende bedrag is een lijfrente aangekocht bij [bedrijfsnaam 1] . Er zijn echter na oprichting van [bedrijfsnaam 1] geen premies meer betaald of bedragen ingelegd. Het gaat daarmee dus om een privé aanspraak die volledig is aangekocht met privé ondernemingsvermogen.
De rechtbank stelt vast dat de man een oudedagsreserve heeft opgebouwd in de eenmanszaak. Volgens de jaarrekening 2003 bedroeg deze voorziening € 20.723,- en in de jaren daarna hebben dotaties plaatsgevonden tot een bedrag van € 53.523,-. Deze dotaties zijn ten laste van de winst gebracht. Onder inkomen wordt ook de winst uit onderneming verstaan (artikel 3.3 sub a Hvw). Dit betekent dat een bedrag van € 32.800,- is gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen. Dit bedrag moet worden meegenomen in de vermogensopstelling aan de zijde van de man. Anders dan de man betoogt moet hierop geen latente belastingclaim worden ingehouden. Het gaat in dit geding om de vaststelling van de vermogensbestandelen per peildatum die zijn gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen en niet om uitkering van een oudedagsreserve waarover in de toekomst belasting verschuldigd is.
Ad. c) Ford S-Max met kenteken [kenteken 1]
De vrouw stelt dat tot het vermogen van de man een auto Ford S-Max met kenteken [kenteken 1] behoort. Volgens de vrouw heeft deze auto een geschatte waarde op basis van de ANWB koerslijst van circa € 7.000,-. De vrouw wil dat de man de helft hiervan aan haar voldoet.
De man betwist de door de vrouw genoemde waarde. De vrouw is in de ANWB koerslijst uitgegaan van koop vanuit een bedrijf, terwijl er uit moet worden gegaan van koop vanuit een particulier. Volgens de man is de auto tussen de € 1.800,- en € 2.750,- waard.
De rechtbank stelt vast dat de auto door de man is aangeschaft uit overgespaard te verrekenen inkomen. De rechtbank gaat uit van de ANWB koerslijst per peildatum. De waarde is dan € 2.750,- uitgaande van de verkoop en aankoop door een particulier. De rechtbank zal daarom de waarde van de Ford S-Max in de vermogensopstelling aan de zijde van de man opnemen voor een bedrag van € 2.750,-.
Ad. d) banksaldi man
De man heeft, net als de vrouw, geen opgave gedaan van zijn banksaldi en op de zitting aangegeven dat het om een heel klein bedrag gaat. De vrouw heeft op dit punt gesteld dat zij bij de feitelijke scheiding dit al hebben afgehandeld. De rechtbank zal daarom de banksaldi van de man niet betrekken in het te verrekenen vermogen.
Ad. e) inboedel
De vrouw stelt dat volgens de huwelijkse voorwaarden de inboedel uitsluitend eigendom is van haar en dat deze niet onder het te verrekenen vermogen valt. De inboedel bevindt zich bij de man en kinderen in de echtelijke woning. De vrouw wil deze niet bij hen weghalen en heeft daarom voorgesteld dat de man haar hiervoor een redelijke vergoeding zal betalen van € 10.000,-.
De man is het met de vrouw eens dat conform de huwelijkse voorwaarden de inboedel
uitsluitend eigendom van de vrouw is en ook dat de inboedel zich in de echtelijke woning bevindt. De man heeft meermaals aan de vrouw aangegeven dat zij de inboedel kon ophalen, maar dit heeft zij niet gedaan. De man wenst de inboedel in beginsel niet over te nemen. Daarnaast is de door de vrouw genoemde waarde van € 10.000,- absoluut niet reëel. Het betreft een oude inboedel zonder zaken van substantiële waarde.
De rechtbank stelt voorop dat de inboedel niet tot het te verreken vermogen behoort maar in eigendom toebehoort aan de vrouw. De man heeft het gebruik van de inboedelgoederen en het zou op zijn plaats zijn als hij de vrouw daarvoor een vergoeding voldoet, danwel de inboedel aan haar teruggeeft. De rechtbank kan geen vergoeding ten laste van de man vast stellen bij gebrek aan gegevens. Het verzoek van de vrouw om de man haar een vergoeding van € 10.000,- voor de inboedel te betalen wijst de rechtbank dan ook af. Op de zitting hebben partijen afgesproken dat de vrouw een aantal persoonlijke spullen conform randnummer 25 van haar pleitnota kan ophalen. Hiervoor spreken partijen in onderling overleg een moment af.
Ad. f) Citroën C3 met kenteken [kenteken 2]
De vrouw bezat een Citroën C3 met kenteken [kenteken 2] . Het kenteken van de auto van de vrouw wordt door de ANWB koerslijst niet herkend, omdat deze auto ouder dan achttien jaar is. Daarbij komt dat de auto inmiddels ‘total loss’ is verklaard. De kosten voor reparatie stonden niet meer in verhouding tot de waarde van de auto. De Citroëngarage heeft de vrouw begin 2024 verteld dat de auto toen ongeveer € 3.000,- waard was. Omdat dit een jaar voor de peildatum is, stelt de vrouw de waarde van de auto naar beneden bij naar € 2.500,-.
De man stelt zich op het standpunt dat de door de Citroëngarage genoemde waarde van
€ 3.000,- gehanteerd dient te worden.
De rechtbank stelt voorop dat de Citroën C3 op de peildatum nog niet ‘total loss’ was verklaard en dus tot het vermogen van de vrouw behoorde. De waarde van de auto per peildatum moet daarom worden meegenomen in het te verrekenen vermogen. Bij gebrek aan verifieerbare gegevens zal de rechtbank het gemiddelde van de door beide partijen genoemde waardes hanteren, zijnde (2.500 + 3.000 / 2 =) € 2.750,-. De rechtbank zal daarom de waarde van de Citroën C3 in de vermogensopstelling aan de zijde van de vrouw opnemen voor een bedrag van € 2.750,-.
Ad. g) banksaldi vrouw
De vrouw heeft, net als de man, geen opgave gedaan van haar banksaldi en op de zitting aangegeven dat het om een heel klein bedrag gaat. De rechtbank zal daarom de banksaldi van de vrouw niet betrekken in het te verrekenen vermogen.
Conclusie
Vermogen van de man:
waarde lijfrente : € 32.800;
waarde auto : € 2.750
Totaal : € 35.550,-
Vermogen van de vrouw:
- waarde auto : € 2.750,-
Dit betekent dat de man aan de vrouw een bedrag van € 16.400,- moet voldoen wegens verrekening van de overgespaarde inkomsten. De rechtbank zal aldus beslissen.
De eenvoudige gemeenschap van woning
De vrouw en de man zijn samen eigenaar van de woning aan de [adres] , de daaraan verbonden hypothecaire geldlening en de daaraan gekoppelde kapitaalverzekering eigen woning. Deze woning betreft een eenvoudige gemeenschap. De rechtbank moet een beslissing nemen over de wijze van de verdeling van de woning, over het voortgezet gebruik van de woning en of de man eventueel een vergoedingsrecht heeft ten aanzien van aan de hypotheek gekoppelde spaarpolis.
Verdeling woning
Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de woning opnieuw getaxeerd zal worden door de heer [naam] van [makelaar-taxateur] BV, dezelfde makelaar-taxateur die de woning in 2024 heeft getaxeerd. Daarbij hebben zij afgesproken dat zij voor het geven van de opdracht voor de taxatie niet zullen wachten op deze beschikking. De rechtbank zal aan de hand van een zogenaamd ‘spoorboekje’ de man eerst de gelegenheid geven om de woning over te nemen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke termijn hiervoor van drie maanden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de man een dwangsom op te leggen voor medewerking aan de eventuele verkoop van de woning aan een derde. Partijen hebben beiden belang bij verkoop van de woning in het geval de man de woning niet kan overnemen. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw afwijzen.
Voortgezet gebruik woning
De man stelt dat hij er belang bij heeft dat hij, gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, voortgezet gebruik kan maken van de echtelijke woning. Dit met name gezien het feit dat de echtelijke woning de woning van de kinderen betreft. De man moet in dat kader de ruimte worden geboden om (indien van toepassing) geschikte
woonruimte te vinden voor hemzelf maar met name voor de kinderen.
De vrouw wil dat het door de man verzochte voorgezette gebruik van de woning wordt beperkt tot een periode van drie maanden, te rekenen vanaf de beschikkingsdatum. De man heeft al ruim twee jaar het uitsluitend gebruik van deze woning. Ook is het waarschijnlijk dat de man de woning tegen de nieuwe taxatiewaarde niet kan overnemen. De vrouw is bang
dat de man niet zal meewerken aan een spoedige verkoop van de woning. Hierdoor zal zij nog langer in een onverdeeldheid blijven en niet verder kunnen.
De rechtbank is van oordeel dat de man inmiddels al een ruime periode heeft gekregen om alternatieve woonruimte te zoeken, voor het geval dat hij de woning niet kan overnemen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de periode van het voortgezet gebruik te beperken, zoals de vrouw verzoekt, tot drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Vergoedingsrecht
De man stelt dat partijen de woning in december 2003 hebben gekocht met een aflossingsvrije hypothecaire lening. Partijen hebben ook een Interpolis spaarpolis afgesloten (polisnummer 40176676) om de hypotheekschuld in de toekomst af te lossen. De polis staat, net als de hypotheekschuld, op naam van beide partijen. De premies zijn altijd volledig door de man betaald vanuit zijn privé vermogen. De man stelt zich daarom op het standpunt dat hij in dat kader op grond van artikel 1:87 BW een vergoedingsvordering heeft op de vrouw.
De vrouw voert aan dat het een door partijen gezamenlijk (op beider naam) opgebouwd vermogen betreft, waarmee de hypotheekschuld uiteindelijk moet worden afgelost. Het bij verkoop van de woning aanwezige saldo zal tussen partijen bij helfte moeten worden verdeeld. De man heeft niet aangetoond dat de premie is betaald van (niet te verrekenen) inkomen of vermogen, zoals bijvoorbeeld een schenking of een erfenis. Ook blijkt nergens uit dat de man bij aanvang van het huwelijk over een redelijk fors privé
vermogen beschikte en dat hij hiervan de inleg van de spaarpolis heeft voldaan. Het
verzoek van de man tot vaststelling van een vergoedingsrecht moet daarom worden afgewezen.
De rechtbank heeft hierboven al geoordeeld dat er geen uitvoering is gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Daardoor komt de rechtbank tot het oordeel dat de premies niet met privégeld van de man zijn betaald, maar met te verrekenen inkomen. Dat brengt met zich mee dat de man geen vergoedingsrecht op de vrouw heeft. De rechtbank zal daarom dit verzoek van de man afwijzen.
Verzoek overlegging inkomensgegevens vrouw
De man stelt dat de vrouw heeft nagelaten om haar inkomensgegevens van 2020-2024 over te leggen. Zij heeft in die jaren eigen inkomsten gehad uit een dienstverband. Op grond van de huwelijkse voorwaarden geldt dat de vrouw naar rato van haar inkomen had moeten bijdragen in de kosten van de huishouding, waaronder de kosten van de kinderen. De man kan nu niet vaststellen of hiervan sprake is. De man heeft per saldo immers ingeteerd op zijn privévermogen, in plaats van dat hij inkomsten heeft overgespaard. De man doet een beroep op artikel 194 jo. 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en verzoekt te bepalen dat de vrouw haar jaaropgaves van arbeidsinkomen en de jaaropgaves van banksaldi dient te overleggen over de jaren 2020 tot en met 2024. De man behoudt zich, nadat deze stukken zijn overgelegd, het recht voor om een aanvullend verzoek in te dienen met betrekking tot de kosten van de huishouding.
De vrouw geeft aan dat zij in het kader van het minnelijke overleg wel degelijk haar inkomensgegevens heeft overgelegd. De vrouw heeft er in beginsel geen enkel probleem mee om deze stukken ook aan de rechtbank over te leggen. Daarvoor moet dan wel aanleiding zijn, die volgens haar ontbreekt. Om vast te kunnen stellen of de echtgenoten aan hun fourneerplicht hebben voldaan zijn verder veel meer gegevens benodigd. Er moet niet alleen inzichtelijk worden gemaakt wat ieders inkomen is geweest, maar ook welke uitgaven hiervan zijn gedaan. Dat betekent dat alle transacties moeten worden ingezien. Dat is een ondoenlijke exercitie. De vrouw heeft de stellige overtuiging dat, als zij al niet te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding, zij in ieder geval conform haar fourneerplicht heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding. Het verzoek van de man dient dan ook te worden aangemerkt als een fishing expedition en dient te worden afgewezen.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af. De rechtbank ziet geen aanleiding om de man nog de gelegenheid te geven om een concreet verzoek ten aanzien van de kosten van de huishouding in te dienen, terwijl niet is gebleken dat de vrouw geen inzage heeft gegeven in haar inkomenspositie sinds de feitelijke scheiding. De rechtbank wijst dit verzoek van de man al daarom af.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2003 in [plaats] ;
*
gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestande eenvoudige gemeenschap van de woning, gelegen aan de [adres] , de daaraan verbonden hypothecaire, geldlening, kapitaalverzekering eigen woning en spaarpolis als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen zijn het erover eens dat de heer [naam] van [makelaar-taxateur] BV de woning zal taxeren en dat ze de gezamenlijke opdracht hiervoor verstrekken voorafgaand aan de datum van deze beschikking. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen drie maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden, dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
*
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende drie maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
gelast in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als volgt, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 16.400,- moet voldoen in het kader van te verrekenen overgespaarde inkomsten op grond van de huwelijkse voorwaarden;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 augustus 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-1427 (echtscheiding)
FA RK 25-5040 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Zaaknummers: C/09/680852 (echtscheiding)
C/09/687938 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Datum beschikking: 17 augustus 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 24 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
in de huwelijksakte [de vrouw]
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.C. Braun in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.C.H. Gerrits in Haarlem.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;
het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de man, ingekomen op 9 mei 2025;
het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, met intrekking van de verzoeken met betrekking tot [de meerderjarige 2] , namens de vrouw, ingekomen op 3 juli 2025;
het bericht van 23 januari 2026 namens de vrouw;
het bericht van 6 februari 2026 namens de vrouw;
de brief van 19 juni 2026, met gewijzigde verzoeken en met bijlagen, namens de vrouw;
de brief van 2 juli 2026, met bijlage, namens de vrouw;
de brief van 3 juli 2026, met bijlagen, namens de man.
Op 9 juli 2026 is ook een brief met bijlagen namens de vrouw ingediend, waartegen namens de man op 10 juli 2026 bezwaar is gemaakt. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting het bezwaar van de man gehonoreerd. De brief en bijlagen zijn niet eenvoudig te doorgronden en indiening op zo’n laat moment is in strijd met de goede procesorde. De brief van 9 juli 2026 en de bijlagen worden daarom buiten beschouwing gelaten.
Op 13 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Door de advocaat van de vrouw en de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 2003 in [plaats] .
Zij zijn de ouders van de inmiddels meerderjarigen:
[de meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2004 in [geboorteplaats] ;
[de meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 in [geboorteplaats] .
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende koude uitsluiting met een periodiek verrekenbeding.
Partijen leven sinds juli 2022 gescheiden.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt – na wijziging – tot echtscheiding en afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden en vaststelling van de wijze van verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschap van woning als volgt:
Aandelen [bedrijfsnaam 1] BV
voor recht te verklaren, althans te bepalen dat de waarde van de aandelen van de
man in [bedrijfsnaam 1] BV, althans het saldo dat is ontstaan door belegging en
herbelegging van niet verrekend overgespaard inkomen in [bedrijfsnaam 1] BV, in de
finale verrekening tussen partijen dient te worden betrokken, en daarbij:
primair: de man te veroordelen om binnen veertien dagen
na de datum van de te geven beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan de vrouw te voldoen een bedrag van
€ 89.806,50 + p.m., zijnde de helft van de door de [deskundige] van
APRECIO-advies op basis van de thans beschikbare gegevens vastgestelde intrinsieke waarde van de aandelen [bedrijfsnaam 1] BV van €179.613,- te
vermeerderen met het bedrag dat voortvloeit uit een nadere waardering per peildatum, waaronder begrepen de actualisering aan de hand van de actuele
jaarcijfers en de waarde van het bedrijfspand;
subsidiair, voor zover de rechtbank van oordeel is dat niet de volledige waarde van
de aandelen [bedrijfsnaam 1] BV in de verrekening dient te worden betrokken, te
bepalen dat de vrouw in ieder geval aanspraak heeft op de helft van het saldo dat is
ontstaan door belegging en herbelegging van het tijdens huwelijk opgebouwde en
niet verrekende vermogen van de eenmanszaak in [bedrijfsnaam 1] BV, waaronder in
ieder geval begrepen het tijdens huwelijk gerealiseerde verschil tussen het eigen
vermogen van de eenmanszaak bij aanvang van het huwelijk van € 102.670,- en
het eigen vermogen bij inbreng in [bedrijfsnaam 1] BV van € 178.112,-, derhalve een vermogensgroei van € 75.442,-, te vermeerderen met het daarop volgens de beleggingsleer gerealiseerde rendement, nader op te maken bij deskundigenbericht
althans door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen;
te bepalen dat het bedrijfspand waarin de onderneming wordt gedreven door een
door partijen gezamenlijk aan te wijzen onafhankelijke NVM-makelaar/taxateur zal
worden getaxeerd, bij gebreke van overeenstemming over de persoon van de
taxateur binnen veertien dagen na de datum van de te geven beschikking door een
door de rechtbank aan te wijzen taxateur, waarbij de kosten van deze taxatie door partijen ieder voor de helft worden gedragen, althans op een door de rechtbank in
goede justitie te bepalen wijze;
de man te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van de te geven
beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen
termijn, aan de vrouw te voldoen het hiervoor onder I (subsidiair) genoemde bedrag + p.m. en zowel het hiervoor onder I primair als subsidiair genoemde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift tot aan de dag van algehele voldoening, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
Lijfrenteaanspraak man in [bedrijfsnaam 1] BV
voor recht te verklaren, althans te bepalen dat, de aanspraak van de man uit hoofde van de lijfrente in [bedrijfsnaam 1] BV in de finale verrekening tussen partijen dient te worden betrokken, nu deze aanspraak wordt vermoed te zijn gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen en de man het tegendeel niet heeft aangetoond;
de man te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van de te geven
beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen
termijn, aan de vrouw te voldoen de helft van de waarde van de lijfrenteaanspraak per peildatum, thans op basis van de jaarrekening 2024 voorlopig te stellen op
€ 87.300,- : 2 = € 43.650,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
Het hiervoor onder IV genoemde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift tot aan de dag van
algehele voldoening, althans vanaf een door uw rechtbank in1goede justitie te
bepalen datum;
Auto’s
te bepalen dat de waarde van de aan ieder van partijen toebehorende auto's per
peildatum in de afwikkeling tussen partijen wordt betrokken, met dien verstande
dat bij de auto van de vrouw (Citroën C3) rekening wordt gehouden met het feit
dat deze inmiddels total loss is verklaard;
dientengevolge te bepalen dat de waarde van de auto van de man (Ford S-Max)
van € 7.000,- in de finale verrekening moet worden betrokken en de man daar bij te
veroordelen de helft hiervan, te weten € 3.500,-, aan de vrouw te voldoen op een door haar aan te wijzen bankrekening, binnen veertien dagen na de datum van de te
geven beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van
indiening van het inleidende verzoekschrift tot aan de dag van algehele voldoening,
althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
Inboedel
voor recht te verklaren dat de inboedel, die zich in de echtelijke woning bevindt, op
grond van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden uitsluitend eigendom is van de
vrouw;
te bepalen dat de man gehouden is alle nog in de echtelijke woning aanwezige inboedelzaken die aan de vrouw toebehoren, binnen veertien dagen na de datum van de te geven beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan de vrouw af te geven dan wel haar in de gelegenheid te stellen deze zaken op te halen;
voor zover de man inboedelzaken van de vrouw wenst te behouden, te bepalen dat hij daarvoor aan de vrouw een redelijke vergoeding dient te voldoen van € 10.000,- binnen veertien dagen na de datum van de te geven beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van beschikking tot aan de dag van algehele voldoening, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
Echtelijke woning, hypotheekschuld en kapitaalverzekering eigen woning
de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap bestaande uit de echtelijke woning aan de [adres] , de daaraan verbonden hypothecaire
geldlening en de daaraan gekoppelde kapitaalverzekering eigen woning vast te
stellen conform het voorstel van de vrouw;
te bepalen dat de man gehouden is de volledige aan de echtelijke woning
verbonden eigenaars- en gebruikerslasten als eigen schuld te voldoen en dat hij de
vrouw hiervoor dient te vrijwaren, althans een gebruikersvergoeding ten laste van de man vast te stellen gelijk aan haar aandeel in deze lasten,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – met uitzondering van het verzoek tot echtscheiding – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man – na wijziging – zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
verklaring voor recht dat partijen conform de tussen gen geldende huwelijkse voorwaarden jaarlijks uitvoering hebben gegeven aan het periodieke verrekenbeding;
vaststelling van de afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden conform het voorstel van de man;
vaststelling van de afwikkeling en verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap van woning conform randnummers 97 tot en met 108 van het verweerschrift, te weten de (voormalig) echtelijke woning aan het [adres] aan de man toe te delen (tegen een waarde van € 590.000,- danwel tegen een nader te bepalen/taxeren waarde) onder de voorwaarde dat de man binnen zes maanden (dan wel een nader te bepalen termijn) na de inschrijving van beschikking waarin de waarde van de woning en toedeling wordt bepaald, de toedeling aan hem en het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit de hypothecaire geldlening heeft geregeld, bij gebreke waarvan de woning tegen de alsdan geldende marktprijs aan een derde dient te worden verkocht;
toedeling aan de man van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning;
bepaling dat de man een vergoedingsvordering heeft op de vrouw ter hoogte van
€ 134.157,06 als gevolg van door hem verrichte betalingen (vanuit zijn privé vermogen) inzake de aan de echtelijke woning verbonden spaarpolis;
- bepaling dat de vrouw op grond van artikel 194 Rv jo 195 Rv inzage dient te geven in haar jaaropgaves arbeidsinkomen en banksaldi over de jaren 2020 tot en met 2024 en dat zij deze stukken in dient te brengen in de onderhavige procedure,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – met uitzondering van het verzoek tot echtscheiding – verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
De huwelijkse voorwaarden
De vrouw en de man zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden is opgenomen: “Tussen de echtgenoten zal generlei gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd, bestaan”.
In artikel 3 is het volgende opgenomen ten aanzien van het periodiek verrekenbeding:
1. Alle kosten van de huishouding, van de persoonlijke en dagelijkse behoeften der echtgenoten, van de verzorging en opvoeding der kinderen, die uit het huwelijk geboren mochten worden, die door de echtgenoten mochten worden geadopteerd of die met beider toestemming in het gezin mochten worden opgenomen, benevens alle gewone lasten en belastingen, voorzover deze niet het karakter van kapitaalheffingen hebben of betrekking hebben op een bepaalde zaak van een der echtgenoten, komen ten laste van beide echtgenoten, naar verhouding van ieders bruto-arbeidsinkomen; voor zover die arbeidsinkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten, lasten en belastingen, ten laste van ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.
Tot de kosten van de huishouding behoren niet de premies of koopsommen voor een levens- of ongevallenverzekering.
De premies of koopsommen komen ten laste van de echtgenoot die de premie verschuldigd is voor de uitkering waarvoor hij of zij begunstigde is.
2. Hetgeen resteert van de inkomens van de echtgenoten zoals die blijkens de door hen volgens goed koopmansgebruik gevoerde boekhouding zijn, nadat daaruit ieders aandeel in de lid 1 van dit artikel bedoelde kosten, lasten en uitkering uit levens- of ongevallenverzekering bij overlijden van de verzekerde -ongeacht met welk doel een verzekering is gesloten- zijn voldaan, zal tussen de echtgenoten gelijkelijk worden verdeeld.
De jaarlijkse verrekening geschiedt doordat het inkomen van beide echtgenoten wordt bijgeschreven op een ten name van hen beiden staande rekening, tenzij de echtgenoten voor het desbetreffende jaar een andere wijze van verrekening overeenkomen. Het saldo komt toe aan beide echtgenoten, ieder voor de helft.
De echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht om bijschrijving op de hiervoor vermelde wijze te laten plaatsvinden. Het in enig jaar niet of te weinig gestorte bedrag dient, vermeerderd met een redelijke rente daarover, door de desbetreffende echtgenoot binnen zeven dagen na een daartoe strekkend verzoek van de andere echtgenoot op de hiervoor bedoelde rekening te worden bijgeschreven, behoudens het hierna bepaalde.
Het in de vorige zin bepaalde geldt niet voor zover het betreft de verrekening van de winst uit hoofde van een door (een van) de echtgenoten uitgeoefend bedrijf. De verrekening van deze winst geschiedt op verzoek van de verrekeningsplichtige echtgenoot, doordat het te verrekenen bedrag jaarlijks binnen een maand na vaststelling van de jaarrekening over het desbetreffende jaar door de tot verrekening verplichte echtgenoot aan de ander schriftelijk wordt schuldig erkend, welk bedrag - tenzij anders wordt overeengekomen - dient te worden betaald uiterlijk binnen drie maanden na de ontbinding van het huwelijk.
3. Onder inkomen wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan het gezamenlijke bedrag van hetgeen de desbetreffende echtgenoot geniet als:
a. winst uit onderneming (het realiseren van stille reserves daaronder niet begrepen);
b. inkomen uit werk, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen;
een en ander in de zin van artikel 3.1 lid 2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 of een daarvoor in de plaats tredende regeling.
Indien de berekening van het inkomen leidt tot een negatief bedrag, wordt dit aangemerkt als een verlies.
Een verlies van een der echtgenoten wordt verrekend met zijn/haar inkomens van de drie voorafgaande en de acht volgende kalenderjaren.
De verrekening geschiedt in de volgorde, waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten. De verrekening van een verlies met het inkomen van een voorafgaand kalenderjaar geschiedt door dat inkomen met het desbetreffende verlies te verminderen en de vordering tot verrekening over dat jaar dienovereenkomstig te verlagen.
Indien het verschuldigde bedrag reeds is uitgekeerd, dient het teveel ontvangen bedrag te worden gerestitueerd.
Als inkomen bedoeld in dit artikel worden niet beschouwd verkrijgingen door toeval of geluk en evenmin de niet-uitgekeerde winst die is behaald in een (besloten) vennootschap noch de in lid 2 van dit artikel bedoelde vergoeding.
In artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden is opgenomen: “De inboedel ten huwelijk aangebracht of gedurende het huwelijk verkregen, is eigendom van de vrouw voorzover het tegendeel niet blijkt uit de omschrijving der huwelijksaanbrengsten overeenkomstig artikel 130 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en/of door latere beschrijving”.
Periodiek verrekenbeding
Tussen partijen is in geschil of zij uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding uit artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden.
De vrouw stelt dat partijen tijdens het huwelijk nooit uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Zij erkent dat er jaarlijks wel berekeningen zijn gemaakt, maar dat er vervolgens niet is betaald. Dat volgt ook uit het feit dat de vastgestelde verrekenvorderingen als “lening onderling” zijn opgenomen in de verrekenstaten. Het is alleen een boekhoudkundige exercitie geweest, waarbij vanaf 2012 ook de eenvoudige gemeenschappen van woning en de hypothecaire geldlening voor de woning zijn opgenomen, welke niet onder het te verrekenen inkomen vallen. Voorts ontbreken de verrekenstaten over de jaren 2007 tot en met 2011 en vanaf 2020. Ook is voor de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV een zogenaamde “p.m.-post” in de verrekenstaten opgenomen. Dit laatste impliceert volgens de vrouw dat het de bedoeling is geweest om ook het resultaat van [bedrijfsnaam 1] BV, althans de vermogensopbouw in de BV, te verrekenen. De vrouw doet een beroep op artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op basis waarvan het aan het einde van het huwelijk aanwezige vermogen dan wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.
De man voert aan dat partijen het periodiek verrekenbeding wel hebben uitgevoerd. Partijen hebben jaarlijks daadwerkelijk de overgespaarde inkomsten verrekend op basis van de daarvoor opgestelde verrekenstaten. Zichtbaar is dat partijen jaarlijks het totale vermogen in kaart hebben gebracht. De vermogenswijzigingen met betrekking tot overgespaard inkomen zijn vervolgens gelijkelijk verdeeld en verwerkt in een onderlinge schuldverhouding. De vrouw heeft deze verrekenstaten ook ondertekend. Tot en met het jaar 2019 heeft de vrouw haar medewerking verleend aan de jaarlijkse verrekening. Uit de verrekenstaat van 2019 blijkt dat de vrouw een vordering heeft op de man ter hoogte van € 6.470,-. In beginsel is dit de eindstand van de verrekening tot en met 2019. Vanaf 2020 heeft de man overigens geen inkomen kunnen oversparen, omdat alles is opgegaan aan de kosten van de huishouding (waaronder kosten van de kinderen en hypotheeklasten) zodat er feitelijk vanaf 2020 geen noodzaak bestond om inkomen te verrekenen. Door jaarlijks te verrekenen is het vermogen van partijen privé vermogen gebleven en is geen sprake van nog te verrekenen overgespaard vermogen. Subsidiair geeft de man aan dat de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV zijn aangekocht met privévermogen.
De rechtbank is van oordeel dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiekverrekenbeding en legt dit uit als volgt.
Vast staat dat de vrouw geen inkomsten genoot en dat de man een [eenmanszaak] (hierna de eenmanszaak) dreef en daaruit inkomen had. Onder het inkomensbegrip wordt verstaan – kort gezegd - de winst uit onderneming (het realiseren van stille reserves daaronder niet begrepen) en inkomen uit werk en vermogen. Onder inkomen wordt onder meer niet verstaan de niet-uitgekeerde winst die is behaald in een vennootschap.
De rechtbank stelt vast dat er over de jaren 2004, 2005, 2012 tot en met 2018 vermogensopstellingen zijn gemaakt die door partijen voor akkoord zijn ondertekend. De rechtbank heeft geen vermogensopstellingen aangetroffen over andere jaren. Al daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat partijen jaarlijks met elkaar hebben verrekend.
In de vermogensopstellingen over de jaren 2004 en 2005 is het bedrijfsvermogen van de eenmanszaak van de man opgenomen, de saldi van de bankrekeningen van partijen, het reservefonds en de over het jaar verschuldigde inkomstenbelasting. Het gezamenlijke vermogen van het jaren wordt met elkaar vergeleken en saldeert in een vermogensaanwas of vermogensafname. In de vermogensopstellingen van 2012 e.v. is de echtelijke woning, de spaarverzekering en de aandelen [bedrijfsnaam 1] BV, de rekening-courant in [bedrijfsnaam 1] BV betrokken, waarbij de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV als p.m. post zijn opgenomen.
Wat het overgespaarde verrekenbare inkomen is over die jaren, zou uit de “lening onderling” moeten volgen.
De man stelt dat in de vermogensopstelling de (niet uitgekeerde) winst in de onderneming jaarlijks als schuldig is erkend en dat dit conform de huwelijkse voorwaarden is. Hierin volgt de rechtbank hem niet. Uit de omstandigheid dat ook de vrouw in 2005 en 2012 een bedrag aan de man is verschuldigd volgt al dat deze onderlinge lening niet de (niet uitgekeerde) winst in de onderneming kan zijn. Dat volgt ook uit het feit dat de niet uitgekeerde winst in de besloten vennootschap uitdrukkelijk van het inkomensbegrip is uitgesloten in de huwelijkse voorwaarden. Daarnaast geldt dat volgens de huwelijkse voorwaarden het overgespaarde te verrekenen inkomen van beiden zouden bijschrijven op een en/of rekening en dat het saldo hen ieder voor de helft toekomt. Aan deze wijze van verrekening hebben zij geen uitvoering gegeven.
Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat partijen weliswaar over een aantal jaren vermogensopstelling hebben laten maken, maar dat er geen uitkering heeft plaatsgevonden van hun aandeel in de overgespaarde te verreken inkomsten. Aldus is de “verrekening” alleen een papieren werkelijkheid geweest.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodieke verrekenbeding.
Op grond van artikel 141 lid 3 BW wordt daarom vermoed dat het vermogen van partijen is gevormd uit overgespaarde inkomsten tenzij het tegendeel blijkt.
Peildatum te verrekenen vermogen
Tussen partijen is niet in geschil dat zij de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding (24 februari 2025) zullen hanteren voor de beschrijving van de vermogens van de echtgenoten en de waardering van de daartoe behorende bezittingen en schulden.
Omvang te verrekenen vermogen
De vrouw en de man hebben in deze procedure de volgende vermogensbestanddelen en schulden aangevoerd die (eventueel) bij de verrekening moeten worden betrokken.
Aan de zijde van de man:
aandelen [bedrijfsnaam 1] BV;
lijfrenteverzekering [bedrijfsnaam 1] BV;
Ford S-max met kenteken [kenteken 1] ;
banksaldi.
Aan de zijde van de vrouw:
inboedel;
Citroën C3 met kenteken [kenteken 2] ;
banksaldi.
Ad. a) aandelen [bedrijfsnaam 1] BV
De man is enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] BV (hierna [bedrijfsnaam 1] ) met daaronder als dochteronderneming [bedrijfsnaam 2] BV. Bij aanvang van het huwelijk verrichtte de man zijn werkzaamheden in de vorm van een eenmanszaak. De eenmanszaak is op 28 maart 2008 ingebracht in [bedrijfsnaam 1] . De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de volledige waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] moeten worden verrekend. Zij heeft de indicatieve waarde van [bedrijfsnaam 1] laten berekenen. De aandelen zouden een intrinsieke waarde van € 181.160,- hebben. De vrouw maakt aanspraak op de helft van deze waarde van de man ontvangen + p.m. (afhankelijk van de jaarcijfers 2024 en waardering van het bedrijfspand), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Subsidiair stelt de vrouw dat zij meedeelt in de overgespaarde winst van de eenmanszaak, die in [bedrijfsnaam 1] is ingebracht en belegd. Daarmee maakt zij aanspraak op een deel van de waarde van het vermogen in de BV. Het vermogen van de eenmanszaak bedroeg bij aanvang van het huwelijk € 102.670,-. Bij de inbreng van de eenmanszaak in [bedrijfsnaam 1] BV op 28 maart 2008 bedroeg het eigen vermogen € 178.112,-. De vrouw veronderstelt hiermee een aanzienlijke vermogensgroei van de eenmanszaak tijdens het huwelijk, namelijk van € 75.452,- (circa 42% van het totale vermogen bij oprichting). Dit bedrag moet als overgespaard te verrekenen inkomen worden aangemerkt. De vrouw maakt in ieder geval aanspraak op de helft van het saldo dat is ontstaan door de belegging (en herbelegging) van het bedrag van € 75.452,- in de aandelen in [bedrijfsnaam 1] .
De man betwist de stellingen van de vrouw. De man wijst erop dat hij zijn onderneming (eenmanszaak) al had voordat hij met de vrouw in het huwelijk trad. Het vermogen in deze eenmanszaak was er al en is derhalve niet uitsluitend uit overgespaard inkomen gevormd. De activiteiten van de eenmanszaak zijn economisch gezien ingebracht in [bedrijfsnaam 1] . Bij wijze van storting zijn alle activa en passiva van de eenmanszaak ingebracht. Daarbij zijn ook de stille reserves en de goodwill berekend. Onderdeel van de inbreng is de goodwill in de eenmanszaak ter hoogte van € 150.000,-, waarvan een belangrijk deel al is opgebouwd vóór het huwelijk. De goodwill is een stille reserves die niet als verrekenbaar vermogen aangemerkt kunnen worden. De man betwist uitdrukkelijk de door de vrouw overgelegde waardering van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] omdat een deugdelijk taxatierapport ontbreekt.
De rechtbank gaat aan de primaire stelling van de vrouw voorbij. Zoals de man terecht aanvoert had hij de eenmanszaak al voordat hij met de vrouw in het huwelijk trad en was daarin al vermogen opgebouwd. Dit betekent dat de waarde van eenmanszaak ten tijde van de inbreng daarvan in [bedrijfsnaam 1] niet volledig is gevormd uit overgespaarde te verrekenen inkomen. Alleen de aanwas van het bedrijfsvermogen tijdens het huwelijk op de datum van inbreng van de eenmanszaak in [bedrijfsnaam 1] kan worden beschouwd als overgespaard inkomen. De vraag die voorligt is er sprake is van vermogensaanwas in de eenmanszaak die is gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen.
De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en legt dit uit als volgt.
Uit de overgelegde jaarrekening 2003 volgt dat het bedrijfsvermogen in de eenmanszaak per eind 2003 € 102.670,- bedraagt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat op dit kapitaal de stille reserves in mindering moeten worden gebracht. De man betwist dit en voert aan dat de immateriële vaste activa (de goodwill) door hem daadwerkelijk is betaald voorafgaand aan het huwelijk. De rechtbank is van oordeel dat het bedrijfsvermogen inclusief de goodwill als uitgangspunt moet worden genomen. Dit is de waarde van de eenmanszaak ten tijde van het huwelijk en het gaat er vervolgens om wat er daarna aan vermogensaanwas in de eenmanszaak is gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen. De waarde van de eenmanszaak eind 2003 stelt de rechtbank daarom vast op € 102.670,- zoals volgt uit de jaarrekening 2003.
Uit de akte van oprichting van [bedrijfsnaam 1] (productie 4 zijdens de man) volgt dat het waarde van de eenmanszaak ten tijde van de inbreng daarvan in [bedrijfsnaam 1] € 178.112,- was (zoals berekend per december 2007). De man voert terecht aan dat in deze waarde stille reserves zijn betrokken die – volgens de huwelijkse voorwaarden – uitdrukkelijk niet tot het te verrekenen inkomen behoren. Dit is bepaald in artikel 3.3. sub a Hvw. Uit de jaarrekening 2007 volgt dat de immateriële vaste activa (stille reserves) per eind 2007 € 135.000,- bedraagt. Rekening houdend met de door de vrouw berekende latente belastingclaim van € 20.250, stelt de rechtbank de waarde van de stille reserves vast op € 114.750,-. De waarde van de eenmanszaak per eind 2007 bedraagt dan € 63.362,- (€ 178.112,- minus € 114.010,-)
De vergelijking van de waarden eind 2003 en 2007 leidt de rechtbank tot de slotsom dat er geen sprake is van vermogensvorming in de eenmanszaak uit overgespaard te verrekenen inkomen.
De rechtbank verwacht niet dat een berekening van de waarde van de eenmanszaak per datum huwelijk ( [datum] 2003) en datum inbreng van de eenmanszaak (28 maart 2008) tot een andere uitkomst zal leiden en ziet daarin geen aanleiding om deze waardes door een deskundige te (laten) berekenen.
Omdat de waarde van ingebrachte eenmanszaak niet is gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen wordt de waarde van de aandelen van de man in [bedrijfsnaam 1] niet meegenomen in de vermogensopstelling aan de zijde van de man.
De verzoeken van de vrouw met betrekking tot de waardering van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] en de herwaardering van het bedrijfspand worden daarom eveneens afgewezen.
Ad. b) lijfrenteverzekering [bedrijfsnaam 1]
De vrouw stelt dat de aanspraken van de man op de lijfrenteovereenkomst in [bedrijfsnaam 1] worden vermoed te zijn gevormd uit het overgespaard te verrekenen inkomen. Uit de jaarrekening 2024 volgt dat deze aanspraak per 31 december 2024 € 87.300,- bedraagt. De vrouw maakt aanspraak op de helft van het opgebouwde bedrag, zijnde € 43.650,-.
De man geeft aan dat deze aanspraak niet onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding valt en ook niet in enige gemeenschap valt. Het betreft daarom een privé aanspraak. Volgens de man is de aanspraak opgebouwd met ondernemingsvermogen van zijn tot 2007 gedreven eenmanszaak. Deze fiscale oudedagsreserve was op dat moment onderdeel van het bedrijfsvermogen van de eenmanszaak. Dit is privévermogen en de tijdens het huwelijk genoten winsten uit de eenmanszaak zijn al verrekend omdat partijen een jaarlijks het verrekenbeding hebben uitgevoerd. In het kader van de inbreng van de eenmanszaak in [bedrijfsnaam 1] is ervoor gekozen om de oudedagsreserve van € 53.523,- voor een klein bedrag vrij te laten vallen. Dit gedeelte was niet belast. Voor het resterende bedrag is een lijfrente aangekocht bij [bedrijfsnaam 1] . Er zijn echter na oprichting van [bedrijfsnaam 1] geen premies meer betaald of bedragen ingelegd. Het gaat daarmee dus om een privé aanspraak die volledig is aangekocht met privé ondernemingsvermogen.
De rechtbank stelt vast dat de man een oudedagsreserve heeft opgebouwd in de eenmanszaak. Volgens de jaarrekening 2003 bedroeg deze voorziening € 20.723,- en in de jaren daarna hebben dotaties plaatsgevonden tot een bedrag van € 53.523,-. Deze dotaties zijn ten laste van de winst gebracht. Onder inkomen wordt ook de winst uit onderneming verstaan (artikel 3.3 sub a Hvw). Dit betekent dat een bedrag van € 32.800,- is gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen. Dit bedrag moet worden meegenomen in de vermogensopstelling aan de zijde van de man. Anders dan de man betoogt moet hierop geen latente belastingclaim worden ingehouden. Het gaat in dit geding om de vaststelling van de vermogensbestandelen per peildatum die zijn gevormd uit overgespaard te verrekenen inkomen en niet om uitkering van een oudedagsreserve waarover in de toekomst belasting verschuldigd is.
Ad. c) Ford S-Max met kenteken [kenteken 1]
De vrouw stelt dat tot het vermogen van de man een auto Ford S-Max met kenteken [kenteken 1] behoort. Volgens de vrouw heeft deze auto een geschatte waarde op basis van de ANWB koerslijst van circa € 7.000,-. De vrouw wil dat de man de helft hiervan aan haar voldoet.
De man betwist de door de vrouw genoemde waarde. De vrouw is in de ANWB koerslijst uitgegaan van koop vanuit een bedrijf, terwijl er uit moet worden gegaan van koop vanuit een particulier. Volgens de man is de auto tussen de € 1.800,- en € 2.750,- waard.
De rechtbank stelt vast dat de auto door de man is aangeschaft uit overgespaard te verrekenen inkomen. De rechtbank gaat uit van de ANWB koerslijst per peildatum. De waarde is dan € 2.750,- uitgaande van de verkoop en aankoop door een particulier. De rechtbank zal daarom de waarde van de Ford S-Max in de vermogensopstelling aan de zijde van de man opnemen voor een bedrag van € 2.750,-.
Ad. d) banksaldi man
De man heeft, net als de vrouw, geen opgave gedaan van zijn banksaldi en op de zitting aangegeven dat het om een heel klein bedrag gaat. De vrouw heeft op dit punt gesteld dat zij bij de feitelijke scheiding dit al hebben afgehandeld. De rechtbank zal daarom de banksaldi van de man niet betrekken in het te verrekenen vermogen.
Ad. e) inboedel
De vrouw stelt dat volgens de huwelijkse voorwaarden de inboedel uitsluitend eigendom is van haar en dat deze niet onder het te verrekenen vermogen valt. De inboedel bevindt zich bij de man en kinderen in de echtelijke woning. De vrouw wil deze niet bij hen weghalen en heeft daarom voorgesteld dat de man haar hiervoor een redelijke vergoeding zal betalen van € 10.000,-.
De man is het met de vrouw eens dat conform de huwelijkse voorwaarden de inboedel
uitsluitend eigendom van de vrouw is en ook dat de inboedel zich in de echtelijke woning bevindt. De man heeft meermaals aan de vrouw aangegeven dat zij de inboedel kon ophalen, maar dit heeft zij niet gedaan. De man wenst de inboedel in beginsel niet over te nemen. Daarnaast is de door de vrouw genoemde waarde van € 10.000,- absoluut niet reëel. Het betreft een oude inboedel zonder zaken van substantiële waarde.
De rechtbank stelt voorop dat de inboedel niet tot het te verreken vermogen behoort maar in eigendom toebehoort aan de vrouw. De man heeft het gebruik van de inboedelgoederen en het zou op zijn plaats zijn als hij de vrouw daarvoor een vergoeding voldoet, danwel de inboedel aan haar teruggeeft. De rechtbank kan geen vergoeding ten laste van de man vast stellen bij gebrek aan gegevens. Het verzoek van de vrouw om de man haar een vergoeding van € 10.000,- voor de inboedel te betalen wijst de rechtbank dan ook af. Op de zitting hebben partijen afgesproken dat de vrouw een aantal persoonlijke spullen conform randnummer 25 van haar pleitnota kan ophalen. Hiervoor spreken partijen in onderling overleg een moment af.
Ad. f) Citroën C3 met kenteken [kenteken 2]
De vrouw bezat een Citroën C3 met kenteken [kenteken 2] . Het kenteken van de auto van de vrouw wordt door de ANWB koerslijst niet herkend, omdat deze auto ouder dan achttien jaar is. Daarbij komt dat de auto inmiddels ‘total loss’ is verklaard. De kosten voor reparatie stonden niet meer in verhouding tot de waarde van de auto. De Citroëngarage heeft de vrouw begin 2024 verteld dat de auto toen ongeveer € 3.000,- waard was. Omdat dit een jaar voor de peildatum is, stelt de vrouw de waarde van de auto naar beneden bij naar € 2.500,-.
De man stelt zich op het standpunt dat de door de Citroëngarage genoemde waarde van
€ 3.000,- gehanteerd dient te worden.
De rechtbank stelt voorop dat de Citroën C3 op de peildatum nog niet ‘total loss’ was verklaard en dus tot het vermogen van de vrouw behoorde. De waarde van de auto per peildatum moet daarom worden meegenomen in het te verrekenen vermogen. Bij gebrek aan verifieerbare gegevens zal de rechtbank het gemiddelde van de door beide partijen genoemde waardes hanteren, zijnde (2.500 + 3.000 / 2 =) € 2.750,-. De rechtbank zal daarom de waarde van de Citroën C3 in de vermogensopstelling aan de zijde van de vrouw opnemen voor een bedrag van € 2.750,-.
Ad. g) banksaldi vrouw
De vrouw heeft, net als de man, geen opgave gedaan van haar banksaldi en op de zitting aangegeven dat het om een heel klein bedrag gaat. De rechtbank zal daarom de banksaldi van de vrouw niet betrekken in het te verrekenen vermogen.
Conclusie
Vermogen van de man:
waarde lijfrente : € 32.800;
waarde auto : € 2.750
Totaal : € 35.550,-
Vermogen van de vrouw:
- waarde auto : € 2.750,-
Dit betekent dat de man aan de vrouw een bedrag van € 16.400,- moet voldoen wegens verrekening van de overgespaarde inkomsten. De rechtbank zal aldus beslissen.
De eenvoudige gemeenschap van woning
De vrouw en de man zijn samen eigenaar van de woning aan de [adres] , de daaraan verbonden hypothecaire geldlening en de daaraan gekoppelde kapitaalverzekering eigen woning. Deze woning betreft een eenvoudige gemeenschap. De rechtbank moet een beslissing nemen over de wijze van de verdeling van de woning, over het voortgezet gebruik van de woning en of de man eventueel een vergoedingsrecht heeft ten aanzien van aan de hypotheek gekoppelde spaarpolis.
Verdeling woning
Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de woning opnieuw getaxeerd zal worden door de heer [naam] van [makelaar-taxateur] BV, dezelfde makelaar-taxateur die de woning in 2024 heeft getaxeerd. Daarbij hebben zij afgesproken dat zij voor het geven van de opdracht voor de taxatie niet zullen wachten op deze beschikking. De rechtbank zal aan de hand van een zogenaamd ‘spoorboekje’ de man eerst de gelegenheid geven om de woning over te nemen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke termijn hiervoor van drie maanden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de man een dwangsom op te leggen voor medewerking aan de eventuele verkoop van de woning aan een derde. Partijen hebben beiden belang bij verkoop van de woning in het geval de man de woning niet kan overnemen. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw afwijzen.
Voortgezet gebruik woning
De man stelt dat hij er belang bij heeft dat hij, gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, voortgezet gebruik kan maken van de echtelijke woning. Dit met name gezien het feit dat de echtelijke woning de woning van de kinderen betreft. De man moet in dat kader de ruimte worden geboden om (indien van toepassing) geschikte
woonruimte te vinden voor hemzelf maar met name voor de kinderen.
De vrouw wil dat het door de man verzochte voorgezette gebruik van de woning wordt beperkt tot een periode van drie maanden, te rekenen vanaf de beschikkingsdatum. De man heeft al ruim twee jaar het uitsluitend gebruik van deze woning. Ook is het waarschijnlijk dat de man de woning tegen de nieuwe taxatiewaarde niet kan overnemen. De vrouw is bang
dat de man niet zal meewerken aan een spoedige verkoop van de woning. Hierdoor zal zij nog langer in een onverdeeldheid blijven en niet verder kunnen.
De rechtbank is van oordeel dat de man inmiddels al een ruime periode heeft gekregen om alternatieve woonruimte te zoeken, voor het geval dat hij de woning niet kan overnemen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de periode van het voortgezet gebruik te beperken, zoals de vrouw verzoekt, tot drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Vergoedingsrecht
De man stelt dat partijen de woning in december 2003 hebben gekocht met een aflossingsvrije hypothecaire lening. Partijen hebben ook een Interpolis spaarpolis afgesloten (polisnummer 40176676) om de hypotheekschuld in de toekomst af te lossen. De polis staat, net als de hypotheekschuld, op naam van beide partijen. De premies zijn altijd volledig door de man betaald vanuit zijn privé vermogen. De man stelt zich daarom op het standpunt dat hij in dat kader op grond van artikel 1:87 BW een vergoedingsvordering heeft op de vrouw.
De vrouw voert aan dat het een door partijen gezamenlijk (op beider naam) opgebouwd vermogen betreft, waarmee de hypotheekschuld uiteindelijk moet worden afgelost. Het bij verkoop van de woning aanwezige saldo zal tussen partijen bij helfte moeten worden verdeeld. De man heeft niet aangetoond dat de premie is betaald van (niet te verrekenen) inkomen of vermogen, zoals bijvoorbeeld een schenking of een erfenis. Ook blijkt nergens uit dat de man bij aanvang van het huwelijk over een redelijk fors privé
vermogen beschikte en dat hij hiervan de inleg van de spaarpolis heeft voldaan. Het
verzoek van de man tot vaststelling van een vergoedingsrecht moet daarom worden afgewezen.
De rechtbank heeft hierboven al geoordeeld dat er geen uitvoering is gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Daardoor komt de rechtbank tot het oordeel dat de premies niet met privégeld van de man zijn betaald, maar met te verrekenen inkomen. Dat brengt met zich mee dat de man geen vergoedingsrecht op de vrouw heeft. De rechtbank zal daarom dit verzoek van de man afwijzen.
Verzoek overlegging inkomensgegevens vrouw
De man stelt dat de vrouw heeft nagelaten om haar inkomensgegevens van 2020-2024 over te leggen. Zij heeft in die jaren eigen inkomsten gehad uit een dienstverband. Op grond van de huwelijkse voorwaarden geldt dat de vrouw naar rato van haar inkomen had moeten bijdragen in de kosten van de huishouding, waaronder de kosten van de kinderen. De man kan nu niet vaststellen of hiervan sprake is. De man heeft per saldo immers ingeteerd op zijn privévermogen, in plaats van dat hij inkomsten heeft overgespaard. De man doet een beroep op artikel 194 jo. 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en verzoekt te bepalen dat de vrouw haar jaaropgaves van arbeidsinkomen en de jaaropgaves van banksaldi dient te overleggen over de jaren 2020 tot en met 2024. De man behoudt zich, nadat deze stukken zijn overgelegd, het recht voor om een aanvullend verzoek in te dienen met betrekking tot de kosten van de huishouding.
De vrouw geeft aan dat zij in het kader van het minnelijke overleg wel degelijk haar inkomensgegevens heeft overgelegd. De vrouw heeft er in beginsel geen enkel probleem mee om deze stukken ook aan de rechtbank over te leggen. Daarvoor moet dan wel aanleiding zijn, die volgens haar ontbreekt. Om vast te kunnen stellen of de echtgenoten aan hun fourneerplicht hebben voldaan zijn verder veel meer gegevens benodigd. Er moet niet alleen inzichtelijk worden gemaakt wat ieders inkomen is geweest, maar ook welke uitgaven hiervan zijn gedaan. Dat betekent dat alle transacties moeten worden ingezien. Dat is een ondoenlijke exercitie. De vrouw heeft de stellige overtuiging dat, als zij al niet te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding, zij in ieder geval conform haar fourneerplicht heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding. Het verzoek van de man dient dan ook te worden aangemerkt als een fishing expedition en dient te worden afgewezen.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af. De rechtbank ziet geen aanleiding om de man nog de gelegenheid te geven om een concreet verzoek ten aanzien van de kosten van de huishouding in te dienen, terwijl niet is gebleken dat de vrouw geen inzage heeft gegeven in haar inkomenspositie sinds de feitelijke scheiding. De rechtbank wijst dit verzoek van de man al daarom af.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2003 in [plaats] ;
*
gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestande eenvoudige gemeenschap van de woning, gelegen aan de [adres] , de daaraan verbonden hypothecaire, geldlening, kapitaalverzekering eigen woning en spaarpolis als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen zijn het erover eens dat de heer [naam] van [makelaar-taxateur] BV de woning zal taxeren en dat ze de gezamenlijke opdracht hiervoor verstrekken voorafgaand aan de datum van deze beschikking. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen drie maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden, dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
*
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende drie maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
gelast in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als volgt, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 16.400,- moet voldoen in het kader van te verrekenen overgespaarde inkomsten op grond van de huwelijkse voorwaarden;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 augustus 2026.