Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26975

2026-09-15 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.51553
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.51553
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen over het Handvest, de Opvangrichtlijn en de Procedureverordening. Het gaat om een zaak van een vreemdeling die op Schiphol asiel heeft aangevraagd en in grensdetentie is geplaatst. De rechtbank vraagt zich af of, en zo ja in hoeverre de door de minister gegeven noodzaak van grensdetentie, de door de minister gehanteerde werkwijze ‘grensdetentie, tenzij…’, het standaard niet toepassen van een lichter middel, de screening door de minister met betrekking tot het toepassen van de asielgrensprocedure en het onderzoek van de minister naar de evenredigheid van de grensdetentie, als ook het ontbreken van rechtsbijstand bij dit onderzoek, zich verhoudt tot het unierechtelijk beginsel van detentie als ultimum remedium, de artikelen 1, 6, 7 en 52, eerste lid van het Handvest, artikel 10, eerste en tweede lid, en artikel 11, eerste lid van de Opvangrichtlijn en artikel 54, eerste en vierde lid van de Procedureverordening

Citeert (5)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (40.339 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.51553


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).



Procesverloop


Bij besluit van 2 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Kanaan.
De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Eiser heeft ter zitting, kort gezegd, aangevoerd dat de wijze waarop de minister zijn asielaanvraag aan de buitengrens heeft behandeld, in strijd is met het unierecht. De minister heeft dit betwist.




Beoordeling door de rechtbank

1. Op 2 september 2026 is eiser vanuit Turkije met het vliegtuig op de internationale luchthaven Schiphol aangekomen. Eiser heeft vervolgens, ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar), om internationale bescherming verzocht. De KMar heeft diezelfde dag, namens de minister, de beslissing om eiser de toegang tot Nederland te weigeren uitgesteld, hem naar de asielgrensprocedure verwezen en in grensdetentie geplaatst.

2. De van belang zijnde nationale regelgeving en beleid wat betreft de behandeling van asielverzoeken aan de buitengrens luiden als volgt.



De Vreemdelingenwet 2000




Artikel 3
[…]

3. Indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, wordt de aanvraag op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd getoetst aan:
a. de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30;
b. de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, bedoeld in artikel 30a; en
c. de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in artikel 30b, met dien verstande dat een van de in artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, van de Procedureverordening genoemde gevallen van toepassing is.
[…]


Artikel 6

1. De vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, onderscheidenlijk de vreemdeling op wie artikel 5 van de Screeningsverordening van toepassing is, kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, met dien verstande dat indien de Screeningsverordening van toepassing is, dit overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening plaatsvindt.
2. Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
3. De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening. Artikel 59b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
[…]


Artikel 30

1. Onze Minister neemt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening, niet in behandeling wanneer op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
[…]


Artikel 30a

1. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk verklaren in de gevallen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Procedureverordening en verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk in de gevallen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Procedureverordening.
[…]


Artikel 30b

1. Onze Minister kan een ongegronde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 overeenkomstig artikel 39, vierde lid, van de Procedureverordening afwijzen als kennelijk ongegrond, indien op het tijdstip van afronding van de behandeling een van de gevallen bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is.
[…]



Het Vreemdelingenbesluit 2000




Artikel 5.5
[…]

2. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
[…]



De Werkinstructie Asielgrensprocedure 2026/23 (WI 2026/23)




[…]
Wanneer de vreemdeling aan de grens asiel aanvraagt, kan de toegang niet worden geweigerd en wordt de beslissing omtrent de toegang uitgesteld (model M18A). Op het moment dat een vreemdeling asiel aanvraagt valt hij namelijk onder de werking van de Procedureverordening (verordening (EU) 2024/1348) en de Opvangrichtlijn (richtlijn (EU) 2024/1346). De vreemdeling is verplicht om gedurende de asielgrensprocedure aan of in de nabijheid van de buitengrens of transitzones te verblijven. Het besluit om de toegang te weigeren wordt pas genomen op het moment dat de vreemdeling niet langer het recht heeft en geen toestemming krijgt om in Nederland te verblijven (bijvoorbeeld na het ongebruikt verstrijken van de beroepstermijn of na de uitspraak op de voorlopige voorziening en/of het beroep).
Op grond van artikel 10, vierde lid, onder d van de Opvangrichtlijn mag een asielzoeker in bewaring worden gehouden om binnen de asielgrensprocedure een besluit te nemen over het recht van de asielzoeker om het grondgebied te betreden. In Nederland is de asielgrensprocedure altijd gekoppeld aan een vrijheidsontnemende maatregel, deze legt de KMar op (model M19).



[…]



Uit de Procedureverordening volgt dat de volgende groepen verplicht in de asielgrensprocedure behandeld moeten worden. Het gaat om vreemdelingen:

1. van wie er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat deze een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of openbare orde;
2. die de autoriteiten opzettelijk hebben misleid;
3. met een nationaliteit die een Europees breed inwilligingspercentage van 20% of minder heeft op basis van de meest recente beschikbare gegevens van Eurostat.


Op basis van de screening door de KMar vindt een eerste vaststelling plaats of er sprake is van een verplichte categorie. Sommige indicaties zullen echter pas later naar voren komen.
Zo kan het voorkomen dat er tijdens het gehoor aanwijzingen zijn dat de vreemdeling geprobeerd heeft de autoriteiten te misleiden, of dat er sprake is van een mogelijk gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Het is van belang hier ook in het kader van de procedure zelf aandacht aan te besteden, omdat het kan betekenen dat de aanvraag van de betreffende vreemdeling verplicht in de grensprocedure moet worden behandeld. De genoemde groepen vallen samen met de gronden voor de versnelde procedure en vormen daarmee een afdoeningsgrond om de asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond. Voor overige vreemdelingen is de asielgrensprocedure niet verplicht. Wel is het uitgangspunt dat iedere vreemdeling vanaf de buitengrens die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating in de grensprocedure wordt opgenomen, de volgende uitzonderingen daargelaten.



[…]



De volgende aanvragen zijn uitgezonderd van de asielgrensprocedure:


- Aanvragen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen worden niet behandeld in de grensprocedure, tenzij er indicaties zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
- Aanvragen van gezinnen met minderjarige kinderen worden in beginsel niet in de grensprocedure behandeld tenzij:


uit de screening op de grens contra-indicaties blijken zoals een ongeloofwaardige gezinsband;


er aanwijzingen zijn dat de minderjarige slachtoffer is van, of betrokken is bij, mensenhandel en/of mensensmokkel;


de hoofdverzorger een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en de vrijheidsontnemende maatregel de minderjarige beschermt tegen verdere betrokkenheid en/of uitbuiting;


- Indien grensdetentie voor een vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is, wordt de vrijheidsontnemende maatregel niet opgelegd of voortgezet (artikel 5.1a, derde lid, Vb);
- Indien is gebleken dat een asielzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, welke niet middels passende steun in de asielgrensprocedure c.q. grensdetentie kunnen worden geboden;
- Indien blijkt dat het gaat om een houder van een verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van lange duur afgegeven door een Schengenlidstaat.


[…]
Wanneer de vreemdeling zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt en de toegangsweigering is uitgesteld, voert de KMar een screening uit. Hierbij worden onder meer de identificerende documenten ingenomen en onderzocht, de reisroute uitgevraagd, biometrische gegevens afgenomen en systemen zoals Eurodac geraadpleegd. De KMar voert ook een beoordeling detentiegeschiktheid uit. Hierna wordt de vreemdeling opgenomen in de asielgrensprocedure en naar Justitieel Complex Schiphol overgebracht.


3. De in artikel 3, derde lid van de Vw benoemde specifieke locaties zijn het Justitieel Complex Schiphol of, in voorkomend geval, de Gesloten Gezinsvoorziening in Zeist. Dit zijn gesloten locaties waar de betreffende asielzoeker in grensdetentie verblijft.

4. Ter zitting heeft de minister benadrukt dat hij de bevoegdheid heeft om de asielgrensprocedure toe te passen alsook de asielzoeker daarbij in grensdetentie te plaatsen. Dat de minister in zijn beleid een automatische koppeling maakt tussen beiden ligt in de noodzaak om de buitengrens te bewaken. Op deze wijze kan de minister ook efficiënt en effectief overgaan tot uitzetting indien de asielaanvraag is afgewezen en de vreemdeling juridisch uitzetbaar is.

Een lichter middel voor grensdetentie is volgens de minister niet realiseerbaar omdat het grensbewakingsbelang dan wordt prijsgegeven. Er is dus bewust gekozen om in regelgeving of praktijk geen mogelijkheden tot het toepassen van een lichter middel te creëren en/of toe te passen.
Verder voert de KMar de eerste screening uit ten behoeve van de vraag welke procedure het meest geëigend is. Bij die screening kijkt de KMar of zich een van de uitzonderingssituaties als bedoeld in WI 2026/23 voordoen. Daarin zit besloten de vraag naar de evenredigheid van de maatregel tot grensdetentie, aldus de minister.


5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de handelwijze van de minister in strijd is met artikel 10, eerste en tweede lid en artikel 11, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en considerans 69 bij de Procedureverordening. Detentie is ultimum remedium. Artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn schrijft voor dat een asielzoeker enkel mag worden gedetineerd indien na onderzoek is gebleken dat het in zijn specifieke geval niet anders kan. De minister heeft in eisers geval onvoldoende onderzocht en gemotiveerd of de screening volledig en zorgvuldig is uitgevoerd, of eiser tijdens de screening daadwerkelijk toegang had tot juridische counseling, of de grensprocedure zich leent voor de behandeling van eisers asielaanvraag, of de grensdetentie noodzakelijk, geschikt en evenredig was en of met een lichter middel kon worden volstaan, aldus eiser.



Reden tot het stellen van prejudiciële vragen


6. Bij de rechtbank bestaat sterke twijfel of, en zo ja, hoe de handelwijze van de minister zich verhoudt tot het unierecht. De door de minister gegeven noodzaak voor detentie, het uitgangspunt “grensdetentie, tenzij…”, het standaard niet toepassen van een lichter middel en de screening / het onderzoek ten opzichte van de toepassing van de grensdetentie, waarbij geen rechtsbijstand wordt verleend, lijken strijdig te zijn met belangrijke bepalingen en uitgangspunten van het unierecht. Reden waarom de rechtbank zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) wendt voor nadere verduidelijking van het unierecht. De rechtbank zal bij de uitleg van de vragen tevens aangeven hoe zij denkt dat het antwoord zou kunnen luiden.




De noodzaak tot het opleggen van grensdetentie




7.1
Een belangrijke pijler van het unierecht is dat detentie altijd als ultimum remedium heeft te gelden. Met het opleggen van (grens)detentie maakt de minister immers inbreuk op basale grondrechten als het recht op vrijheid, het recht op eerbiediging van de menselijke waardigheid en het recht op eerbiediging van het privé-leven. Artikel 52, eerste lid van het Handvest bepaalt dat een lidstaat deze grondrechten slechts kan beperken indien dat noodzakelijk is en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn geeft aan dat detentie enkel is toegestaan indien op basis van een individuele beoordeling is gebleken dat andere middelen niet effectief kunnen worden toegepast.



7.2
De rechtbank leidt hieruit af dat de minister enkel kan overgaan tot het opleggen van grensdetentie indien dit strikt noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken.



8.1
Artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening geeft lidstaten de mogelijkheid om in de daarin genoemde gevallen de asielgrensprocedure toe te passen. Deze mogelijkheid wordt ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening in een drietal daarin genoemde gevallen dwingend voorgeschreven. Deze verplichting vervalt (grotendeels) indien een lidstaat de voorgeschreven ‘toereikende capaciteit’ heeft bereikt.



8.2
De rechtbank leidt uit deze artikelen af dat een lidstaat enkel in een aantal specifiek genoemde gevallen een verplichting kent om de asielgrensprocedure toe te passen en dat deze verplichting bij het bereiken van het voorgeschreven aantal aan belang inboet. Het toepassen van de asielgrensprocedure wordt in alle andere in de Procedureverordening genoemde situaties niet dwingend voorgeschreven.



9.1

Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn kan een lidstaat besluiten om, kort gezegd, bij toepassing van de asielgrensprocedure de asielzoeker tevens in grensdetentie te plaatsen. Artikel 54, eerste lid, van de Procedureverordening verplicht lidstaten om locaties aan te wijzen waar de asielgrensprocedure wordt toegepast. Dit kunnen, maar hoeven geen detentielocaties te zijn. Een open locatie met bijvoorbeeld het hanteren van een meldplicht kan ook volstaan. Het aanwijzen van locaties, in combinatie met een verplichting zich daar op te houden, heeft als doel om de asielgrensprocedure op een efficiënte en effectieve manier vorm te geven.
Artikel 54, vierde lid, van de Procedureverordening bepaalt voorts dat de verplichting om op een locatie te verblijven, niet wordt beschouwd als een toestemming om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen en te verblijven.




9.2
Artikel 52, eerste lid van het Handvest bepaalt dat beperkingen op de grondrechten van de Europese Unie daadwerkelijk dienen te beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.



9.3
De rechtbank leidt uit de artikelen onder 9.1 af dat het unierecht geen verplichte koppeling kent tussen enerzijds het toepassen van de grensprocedure en anderzijds het opleggen van grensdetentie. Het grensbewakingsbelang kan immers ook worden gediend met het aanwijzen van een andere locatie dan een detentielocatie. Het unierecht biedt aldus de mogelijkheid om juridisch nog geen toegang tot het grondgebied te verlenen én de asielgrensprocedure toe te passen zónder daarbij gebruik te maken van grensdetentie.



9.4
Verder is het de vraag of het standaardmatig in grensdetentie plaatsen wanneer de asielgrensprocedure wordt toegepast, een door de Europese Unie erkend doel van algemeen belang is. Dit doel is uit de hierboven gegeven regelgeving in ieder geval niet te halen. En staat ook niet als zodanig beschreven in- of is dit anderszins af te leiden uit de Schengengrenscode.



10.1
De redenering van de minister dat het enkele grensbewakingsbelang een legitiem doel dient en telkens tot het opleggen van grensdetentie noopt, lijkt op grond van het voorgaande dan ook geen stand te kunnen houden.



10.2
De door de minister naar voren geschoven noodzakelijkheid moet dan ook in dit licht worden bezien, en kan in de ogen van de rechtbank daarom niet als strikte noodzaak voor het opleggen van grensdetentie gelden. De werkwijze van de minister betekent in feite dat een asielzoeker die niet onder een van de uitzonderingssituaties van WI 2026/23 valt, gedetineerd wordt omdat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Artikel 10, eerste lid van de Opvangrichtlijn verbiedt een dergelijke handelwijze.



10.3
Voorts vraagt de rechtbank zich af op welke wijze zij de noodzaak van de detentiemaatregel toetst. Dient zij dit met enige terughoudendheid te doen of moet zij zelfstandig, desnoods ambtshalve, beoordelen of er een noodzaak bestaat tot het opleggen van grensdetentie. De rechtbank wil het Hof in overweging geven om deze vraag aldus te beantwoorden dat de rechter de noodzaak van grensdetentie zelfstandig, en desnoods ambtshalve, dient te vast te stellen. Detentie is immers enkel rechtmatig als deze noodzakelijk is. In het arrest van 8 november 2022 heeft het Hof bepaald dat de rechter ambtshalve elk relevant feitelijk en juridisch element dient te betrekken bij de vraag of de detentie rechtmatig is te achten.



“Grensdetentie, tenzij…” en het standaard niet toepassen van een lichter middel



11. Artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn bepaalt dat detentie enkel kan worden opgelegd indien op basis van een individueel onderzoek is gebleken dat een minder ingrijpend middel niet effectief kan worden toegepast. Dit artikellid maakt geen onderscheid tussen bewaring van derdelanders die zich al formeel op het grondgebied bevinden en derdelanders die formeel nog geen toegang tot het grondgebied hebben verkregen. In considerans 33 bij de Opvangrichtlijn staat voorts dat een verzoeker pas mag worden gedetineerd nadat alle niet-vrijheidsberovende maatregelen als alternatief voor bewaring naar behoren zijn onderzocht.

12. Uit de regelgeving en het beleid van de minister volgt dat indien een asielzoeker niet valt onder een van de uitzonderingssituaties in WI 2026/23 automatisch wordt overgegaan tot het opleggen van grensdetentie. De minister hanteert daarmee feitelijk als uitgangspunt “grensdetentie, tenzij…”. Mogelijkheden tot het opleggen van een lichter middel heeft de minister bewust niet gecreëerd en past deze in een individuele casus ook niet toe.

13. In de ogen van de rechtbank is deze regelgeving en werkwijze strijdig met het uitgangspunt dat detentie altijd als ultimum remedium heeft te gelden. Daarnaast houdt de Nederlandse regelgeving en praktijk ten onrechte geen rekening met het feit dat het unierecht juist de mogelijkheid heeft gecreëerd om het grensbewakingsbelang ook te behartigen op andere wijzen dan met het opleggen van detentie.



14.1
Bij de vraag of ingeval van grensdetentie kan worden volstaan met een lichter middel, dient in de ogen van de rechtbank steeds en per asielzoeker te worden gekeken naar de achterliggende reden van het grensbewakingsbelang. Considerans 6 bij de preambule van de Schengengrenscode geeft een aantal redenen voor het bewaken van de buitengrens. Dit betreft bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel, het voorkomen van bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten.



14.2
In de praktijk zal de aan te leggen toets met betrekking tot het lichter middel in de ogen van de rechtbank aldus dienen te zijn of zich bij de betreffende asielzoeker een van deze situaties voordoet. Waarbij hoe meer er sprake is van een van deze situaties, hoe minder snel kan worden overgegaan tot het opleggen van een lichter middel. En vice versa, hoe minder sprake er is van een van deze situaties, hoe sneller een lichter middel in zicht dient te komen.



15.1
In het licht van het voorgaande valt dus niet in te zien waarom de minister ten aanzien van de groep asielzoekers die niet valt onder een van de uitzonderingssituaties als bedoeld in WI 2026/23 nimmer zou kunnen overgaan tot het toepassen van een lichter middel, zoals het aanwijzen van een open locatie. Niet iedere asielzoeker duikt onder, ook niet indien hem uiteindelijk geen asielvergunning wordt verleend. En mocht er behoefte zijn aan meer toezicht, dan kan de aanwijzing gepaard gaan met bijvoorbeeld een meldplicht, het innemen van een paspoort, een borgsom of een enkelband.



15.2
Ook kan de asielzoeker altijd nog in bewaring worden gesteld indien na ommekomst van de asielprocedure op grond van individuele indicaties alsnog van een niet te accepteren onttrekkingsrisico zou blijken.



De screening ten behoeve van het toepassen van de asielgrensprocedure en het onderzoek naar het opleggen van de grensdetentie





16.1
Op grond van de WI 2026/23 verricht de KMar de screening ten behoeve het toepassen van de asielgrensprocedure. Gelet op het beleid van de minister zit in deze screening tevens het onderzoek naar de vraag of grensdetentie in het individuele geval onevenredig bezwarend is.



16.2
Bij de vraag of de asielgrensprocedure moet worden toegepast – en daarmee het automatisch opleggen van grensdetentie - kijkt de KMar of zich een van de uitzonderingssituaties in WI 2026/23 voordoet. De KMar kijkt daarbij niet naar de eventuele kansrijkheid van het asielverzoek, de (veiligheids)situatie in het land van herkomst en/of de asielzoeker bereid is mee te werken aan de procedure.



16.3
Met betrekking tot de evenredigheid van het opleggen van de grensdetentie wordt standaard gevraagd naar de medische omstandigheden van de asielzoeker, of hij in Nederland dan wel de Europese Unie familieleden heeft die hier rechtmatig verblijven en of er nog andere omstandigheden zijn op grond waarvan de minister niet zou moeten overgaan tot het opleggen van grensdetentie. Bij de vraag of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, kijkt de KMar evenmin naar de kansrijkheid van het asielverzoek, de (veiligheids)situatie in het land van herkomst en/of de asielzoeker bereid is mee te werken aan de procedure.


17. Het is de vraag of de minister zich op deze wijze voldoende op de hoogte stelt van alle mee te wegen relevante feiten en omstandigheden.




18.1
Voor de vraag of een asielaanvraag zich leent voor behandeling in de asielgrensprocedure lijkt immers een relevante factor te zijn of de asielaanvraag kansrijk is te achten als ook hoe de (veiligheids)situatie in het land van herkomst is. Dit volgt in de ogen van de rechtbank uit de systematiek van de Procedureverordening. Artikel 44 verwijst naar de in artikel 38 en 42 omschreven situaties waarin de asielgrensprocedure kan worden toegepast. Deze situaties kenmerken zich door een op voorhand minder kansrijk toegedichte asielaanvraag. Het unierecht schrijft in een aantal situaties zelfs voor dat met de ogenschijnlijke kansrijkheid rekening dient te worden gehouden. Zo bepaalt artikel 45, eerste lid jo. artikel 42, eerste lid en onder j, van de Procedureverordening dat indien een asielzoeker uit een land komt waarvan het inwilligingspercentage lager dan 20% is, de aanvraag moet worden behandeld in de asielgrensprocedure. Dezelfde artikelen bepalen voorts dat deze verplichting niet geldt indien de asielzoeker behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenninsgpercentage van 20% of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd.


18.2
In de ogen van de rechtbank kan de vraag of een asielzoeker tot en met de screening heeft meegewerkt voorts ook een belangrijke factor zijn voor het wel of niet toepassen van de asielgrensprocedure.

19. Deze vragen lijken eveneens van belang voor het onderzoek naar de evenredigheid van de op te leggen grensdetentie. Het Hof heeft in voormeld arrest van 8 november 2022 bepaald dat met alle relevante feiten en omstandigheden rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de vraag of detentie rechtmatig is te achten. Kansrijkheid van een asielaanvraag is in de ogen van de rechtbank een relevante factor voor onder andere de vraag of het detineren van een asielzoeker evenredig is te achten. Net zoals de vraag of de asielzoeker bereid is om met de autoriteiten mee te werken.

20. De rechtbank vraagt zich voorts af of de minister met de hierboven beschreven wijze van bevraging alle relevante feiten en omstandigheden voldoende/op juiste wijze betrekt om te bekijken of de detentie evenredig is te achten. Daarnaast vraagt de rechtbank zich af of de minister met deze wijze van bevraging zou hebben voldaan aan het vereiste dat hij ‘alle niet-vrijheidsberovende maatregelen als alternatief voor bewaring naar behoren’ onderzoekt. In de ogen van de rechtbank noopt het unierechtelijke beginsel van evenredigheid bij een inbreuk op grondrechten en de opdracht van artikel 10, tweede lid van de Opvangrichtlijn tot een grondig onderzoek naar alle relevante feiten en omstandigheden. Het op een aantal punten standaardmatig bevragen van de asielzoeker verhoudt zich daar in de ogen van de rechtbank niet toe.



Het ontbreken van rechtsbijstand tijdens het onderzoek naar toepassing van grensdetentie



21. Bij het gehoor met de KMar in verband met de screening en het onderzoek als bedoeld onder 16.1 wordt de asielzoeker geen rechtsbijstand aangeboden.

22. Naast de hierboven onder 16.2 en 16.3 gestelde vragen wordt de asielzoeker ook de volgende standaardvraag gesteld:


“Het voornemen bestaat om aan u de toegang tot Nederland in verband met uw aanvraag uit te stellen. Uw asielaanvraag wordt in dit geval behandeld in de asielgrensprocedure. Gedurende de behandeling van uw aanvraag in de asielgrensprocedure zult u verblijven in een gesloten detentiecentrum. Kunt u in uw eigen woorden beschrijven wat hiervoor voor u de gevolgen zijn?”


23. De rechtbank stelt vast dat de screening en het onderzoek door de KMar een voor de asielzoeker belangrijk moment is. Van het gesprek hangt af of er wel of geen detentie wordt opgelegd. Het is de vraag of de minister de asielzoeker voldoende bescherming biedt tegen eventuele onrechtmatige detentie indien hem standaard voorafgaand en tijdens het gehoor geen rechtsbijstand wordt geboden.

24. De asielzoeker arriveert namelijk aan de buitengrens van een land dat hij doorgaans niet kent. Hij zal doorgaans ook niet weten wat hem in de asielprocedure te wachten staat en wat daarbij zijn rechten zijn. De rechtbank merkt op dat zij in zeer veel dossiers op de onder 22. genoemde vraag antwoorden tegenkomt als “Als dat de regels zijn, dan vind ik het goed” of “Ik heb het begrepen. Dat is geen probleem”. Dit verbaast de rechtbank ook niet omdat de asielzoeker een lidstaat verzoekt om internationale bescherming. Hij is daarmee afhankelijk van die lidstaat. Daardoor kunnen er allerlei redenen zijn waarom de asielzoeker niet eerlijk antwoord geeft op de vraag of hij het een probleem vindt dat hij gedetineerd gaat worden. Op zitting wordt de rechtbank voorts ook regelmatig geconfronteerd met asielzoekers die aangeven niet te hebben geweten dat ze hadden ingestemd met een verblijf “in een gevangenis”.

25. Gelet op het voorgaande, en nu het om detentie gaat, is het vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming in de ogen van de rechtbank noodzakelijk dat de asielzoeker voorafgaand aan en tijdens de screening en het onderzoek als bedoeld onder 16.1 wordt bijgestaan door een advocaat. De advocaat kan de asielzoeker dan vooraf informeren en tijdens het onderzoek bijstaan door mee te denken over eventuele alternatieven voor de grensdetentie en anderszins relevante informatie of bezwaren naar voren brengen. Op deze wijze kan aan de ongelijke positie die er op het moment van de screening en het onderzoek door de KMar tussen de overheid enerzijds en de asielzoeker anderzijds bestaat, tegemoet worden gekomen. Ook kan de rechtsbijstand bijdragen aan de zorgvuldigheid van de administratieve procedure zoals is voorgeschreven in artikel 11, eerste lid van de Opvangrichtlijn.



De prejudiciële vragen



26. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de volgende prejudiciële vragen:

1. “Moeten de artikelen 6 en 52, eerste lid van het Handvest en 9 en 10, eerste en tweede lid, van de Opvangrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 54, eerste en vierde lid, van de Procedureverordening aldus worden uitgelegd dat het grensbewakingsbelang op zichzelf onvoldoende noodzaak is om grensdetentie op te leggen indien wordt overgegaan tot behandeling van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure?”

“Als ja, aan welke omstandigheden dient dan gedacht te worden om grensdetentie noodzakelijk te kunnen achten?”


2. “ “Dient de bewaringsrechter, desnoods ambtshalve, zelf vast te stellen of zich in het individuele geval een noodzaak voor het opleggen van grensdetentie voordoet?”

3. “ “Hoe verhoudt zich de door de minister gehanteerde werkwijze waarbij een verzoeker die niet tot een van de uitzonderingsgevallen behoort als omschreven in de WI 2026/23, standaard in grensdetentie wordt geplaatst waarbij geen mogelijkheid is (gecreëerd) tot het opleggen van een lichter middel, zich tot het unierechtelijke uitgangspunt ‘detentie als ultimum remedium’, de artikelen 1, 6, 7 en 52, eerste lid van het Handvest en artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn?”

4. “ “Vereist artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn dat een lidstaat in regelgeving en/of beleid mogelijkheden creëert om een lichter middel ten aanzien van grensdetentie toe te passen?”


“Als, ja aan welke vormen van lichter middel moet dan worden gedacht?”


“Als nee, op welke wijze kan dan verzekerd worden dat een verzoeker kan profiteren van de mogelijkheid van een lichter middel?”



5. “ “Hoe verhoudt de werkwijze dat bij de screening ten behoeve van het eventueel toepassen van de asielgrensprocedure geen rekening wordt gehouden met de kansrijkheid van het asielverzoek, de (veiligheids)situatie in het land van herkomst en/of de verzoeker bereid is om mee te werken tijdens de procedure, zich tot de systematiek van artikel 44 en 45 van de Procedureverordening?”

6. “ “Hoe verhoudt de werkwijze dat bij de vraag of grensdetentie evenredig is te achten geen rekening wordt gehouden met de kansrijkheid van het asielverzoek, de (veiligheids)situatie in het land van herkomst en/of de verzoeker bereid is om mee te werken tijdens de procedure, zich tot het uitgangspunt dat detentie ultimum remedium is en overigens moet voldoen aan het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel?”

7. “ “Welke intensiteit past bij het naar behoren onderzoeken door de minister van alle niet-vrijheidsberovende maatregelen als alternatief voor bewaring, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn en considerans 33 bij de Opvangrichtlijn?”

8. “ “Welke intensiteit past bij het onderzoeken door de minister van de evenredigheid van de grensdetentie?”

9. “ “Moeten artikel 10, eerste en tweede lid en artikel 11, eerste lid van de Opvangrichtlijn gelezen in samenhang met de artikel 6 en 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of een verzoeker voor de asielgrensprocedure in aanmerking komt en of grensdetentie noodzakelijk en evenredig is, moet worden betrokken of de verzoeker vóór de screening en vóór het opleggen van de maatregel tot grensdetentie daadwerkelijk toegang heeft gehad tot effectieve juridische bijstand, en zo ja, welke gevolgen heeft het voor de rechtmatigheid van de grensdetentie wanneer die bijstand ontbrak?”

Verzoek tot toepassing van de prejudiciële spoedprocedure dan wel versnelde procedure




27.1
De rechtbank heeft op 12 september 2026 van de advocaat van eiser bericht ontvangen dat de minister eisers grensdetentie op die dag heeft beëindigd omdat de asielaanvraag niet langer in de asielgrensprocedure zal worden behandeld. Eiser bevindt zich dus inmiddels weer in vrijheid. Desalniettemin wil de rechtbank u verzoeken om de prejudiciële vragen via de spoedprocedure dan wel via de versnelde procedure te behandelen. Beantwoording van de vragen is immers niet alleen van belang voor de onderhavige zaak, maar ook voor alle andere vreemdelingen die dagelijks op Schiphol asiel aanvragen. De antwoorden zijn ook van invloed op de rechtmatigheid van die detentiemaatregelen.



27.2
Gelet op het voorgaande verzoekt de rechtbank het Hof eerbiedig om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering dan wel om toepassing van de versnelde procedure als bedoeld in artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering.




Tussenbeslissing


De rechtbank:


- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder 26 geformuleerde vragen;

- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.




In noot 3 bij de WI 2026/23 staat: Het uitgangspunt is dat het grensbewakingsbelang in beginsel enkel kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Minder dwingende maatregelen (zoals een meldplicht) hebben tot gevolg dat feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen.



Een beschrijving van de detentielocatie JCS Schiphol is te vinden in de verwijzingsuitspraken van deze rechtbank van 20 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4570 en ECLI:NL:RBDHA:2025:4571. Deze zaken zijn bij het Hof bekend onder C-217/25 Wajir en C-218/25 Wompou


De hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, heeft bij uitspraak van 2 september 2026 geoordeeld dat de Nederlandse regelgeving en werkwijze in overeenstemming zijn met het unierecht, ECLI:NL:RVS:2026:5077


Artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


De minister heeft ter zitting aangegeven dat geen van deze drie gevallen op eiser van toepassing is.


Artikel 46 en 47, tweede en derde lid, van de Procedureverordening.


Artikel 43, eerste lid, jo. artikel 38 en 42, eerste lid, van de Procedureverordening.


Artikel 54, eerste lid, van de Procedureverordening jo. artikel 9, eerste en tweede lid, van de Opvangrichtlijn.


De hoogste bestuursrechter lijkt deze vraag met enige terughoudendheid te beantwoorden door te overwegen dat de minister in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om grensdetentie op te leggen (ECLI:NL:RVS:2026:5077, r.o. 3.4).


ECLI:EU:C:2022:858.


In de onderhavige zaak heeft eiser gereisd met een echt bevonden Palestijns paspoort. Dit paspoort is door de KMar ingenomen.


Eiser is een staatloze Palestijn, afkomstig uit de Westelijke Jordaanoever. Niet is gebleken dat eiser tijdens de screening niet heeft meegewerkt. Ook zijn er geen aanwijzingen dat eiser niet aan zijn asielprocedure zou willen meewerken.


De minister stelt deze vraag om te kijken of de asielzoeker en het familielid zodanig afhankelijk zijn van elkaar dat ze niet zonder elkaars zorg en/of nabijheid kunnen.


Deze vraag is hypothetisch geformuleerd omdat de minister geen onderzoek doet naar de mogelijkheid van het toepassen van een lichter middel. Beantwoording van deze vraag is in de ogen van de rechtbank wel relevant omdat het de verwachting van de rechtbank is dat het Hof in zijn antwoorden zal bepalen dat de minister bij grensdetentie altijd dient te kijken naar de mogelijkheid van een lichter middel.


In de onderhavige zaak heeft eiser eveneens dit antwoord gegeven.


De rechtbank komt in veel dossiers tegen dat de minister het niet afzien van de grensdetentiemaatregel op grond van de evenredigheidstoets mede motiveert door aan te geven dat de asielzoeker geen bezwaren heeft geuit tegen het opleggen van de detentie.