Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26966
2026-09-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.47975
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Beroep ongegrond, verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voldoende rekening gehouden met beperking – opnieuw in bewaring nadat kortgeleden vrijgelaten – inspanningsverplichting – verlengingsbesluit – tegenwerping niets gedaan om terug te keren – lichter middel – verzoek om handtekening en certificering te controleren – amtshalve toetsing.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2022:1710 Raad van State 15-06-2022
- ECLI:EU:C:2026:148
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25014 Rechtbank Den Haag 31-08-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.219 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47975
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 24 augustus 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 27 augustus 2026 op gereageerd. Eiser heeft daarna op 27 augustus 2026 op verweerder gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd om opheldering te geven over de door hem overgelegde screenshots, waarop verweerder op 31 augustus 2026 heeft gereageerd. Daarna heeft eiser op 31 augustus 2026 aanvullende gronden ingediend, waarna verweerder op 1 september 2026 een nader verweer heeft ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert allereerst aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers beperking. Ten tweede verzoekt eiser om de ondertekening van het gehoor en de maatregel te controleren. Ten derde heeft verweerder niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Ten vierde voert eiser aan dat hij kort geleden ook al in bewaring heeft gezeten, welke bewaring is opgeheven. Ten vijfde heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser niets heeft gedaan om terug te keren naar Algerije. Ten zesde moest verweerder een lichter middel opleggen. Ten slotte mocht verweerder geen verlengingsbesluit opleggen aan eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met eisers beperking?
4. Eiser betoogt dat er in de maatregel en tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel onvoldoende rekening is gehouden met dat hij licht verstandelijk beperkt is. Dit betoog slaagt niet. Eiser is tijdens het gehoor namelijk voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Eiser heeft antwoord kunnen geven op enkele van de aan hem gestelde vragen en uit de beantwoording van de vragen blijkt niet dat hij deze niet begrijpt. Ook zijn de vragen herhaald toen eiser geen helder antwoord gaf. Eiser heeft tijdens het gehoor aangegeven dat hij niet weet waarom hij opnieuw in bewaring is gesteld, maar hieruit blijkt niet dat hij niet begrijpt wat een bewaringsmaatregel inhoudt. Ook blijkt dat eiser begrijpt dat hij naar Algerije terug moet en heeft hij aangegeven dat hij daar niet heen wil. met eisers beperking. De omstandigheid dat de verbalisant het gesprek uit veiligheidsoverwegingen vroegtijdig heeft beëindigd, maakt niet dat het gehoor niet voldoet aan de vereisten uit artikel 5.2, tweede lid, van het Vb. Daarnaast is ook in de motivering van de maatregel voldoende rekening gehouden
Mocht verweerder eiser opnieuw in bewaring stellen nadat hij eerder (kortgeleden) is vrijgelaten?
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij niet in bewaring mocht worden gesteld omdat hij kortgeleden ook in bewaring heeft gezeten. Er is sprake van een nieuwe maatregel van bewaring en de eerdere bewaring maakt niet dat hij niet opnieuw in bewaring mocht worden gesteld.
Heeft verweerder zich gehouden aan de inspanningsverplichting?
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder zich niet heeft gehouden aan zijn inspanningsverplichting. De inspanningsverplichting geldt in dit geval namelijk niet. De rechtbank is het eens met verweerder dat eisers verblijf in een COA-locatie niet gelijk staat aan strafrechtelijke detentie. Overigens heeft verweerder op 18 augustus 2026 een vlucht aangevraagd.
Mocht verweerder een verlengingsbesluit opleggen?
7. Eiser betoogt verder, onder verwijzing naar het arrest Aroja en een uitspraak van de zittingsplaats Groningen, dat verweerder geen verlengingsbesluit mocht nemen omdat de maximale termijn van zes maanden op het moment van inbewaringstelling al was verstreken. Dit betoog slaagt reeds niet omdat er in het geval van eiser wel degelijk, op 16 juni 2026, een verlengingsbesluit is genomen. De rechtbank begrijpt het in de onderhavige procedure besluit zo dat die verlengde maatregel – na een onderbreking – weer is voortgezet en dat verweerder daarom zowel aan de vereisten van het eerste lid als die van het zesde lid heeft getoetst. Deze werkwijze komt de rechtbank als juist voor. Daarbij komt dat het standpunt van eiser erop neer zou komen dat een vreemdeling die eerder ten onrechte geen verlengingsbesluit heeft gehad, daarna nooit meer met het oog op zijn uitzetting in bewaring kan worden gesteld. Een zodanige uitleg van de Terugkeerrichtlijn verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met het doel en strekking van deze richtlijn.
Mocht verweerder tegenwerpen dat eiser niets heeft gedaan om terug te keren naar Algerije?
8. Verweerder volgt eiser niet in zijn betoog dat hij niet de gelegenheid heeft gekregen om zelf aan zijn vertrek te werken. Ondanks dat eiser een inspanningsverplichting heeft om (mee) te werken aan zijn vertrek, heeft hij zelf geen initiatief genomen en tijdens de vertrekgesprekken steeds aangegeven dat hij niet wil vertrekken. Voor zover eiser stelt dat hij dacht dat hij rechtmatig verblijf had, wat daar ook van zij, is het volgende van belang. Weliswaar staat op het M113 formulier aangegeven dat de vorige maatregel werd opgeheven in verband met rechtmatig verblijf, maar enkel op basis hiervan kon eiser niet aannemen dat hij plots rechtmatig verblijf zou hebben. In de besluiten van 11 november 2025 en 19 december 2025 staat namelijk dat eiser Nederland moet verlaten.
Lichter middel
9. De rechtbank stelt vast dat eiser de door verweerder vermelde gronden niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen.
9.1.
Gelet op wat hiervoor is besproken, mocht verweerder afzien van toepassing van een lichter middel. Hierbij is ook van belang dat is gebleken dat eiser niet zelfstandig wilde vertrekken en ook niet wilde meewerken aan zijn uitzetting, omdat hij meerdere keren heeft aangegeven dat hij niet terug wil naar Algerije. Ook heeft verweerder zich over de gestelde psychische omstandigheden van eiser in het bestreden besluit op het standpunt mogen stellen dat er voldoende medische voorzieningen zijn in het detentiecentrum. Van eventuele detentieongeschiktheid is niet gebleken.
Verzoek om de handtekening en certificering te controleren
10. Verweerder heeft de handtekeningen en certificering van het gehoor en de maatregel gecontroleerd en hiervan screenshots overgelegd. Eiser heeft vervolgens in de reactie aangegeven hier verder geen opmerkingen over te hebben. De rechtbank heeft dit ook gecontroleerd. De beroepsgrond hierover slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2022, rechtsoverweging 5.2., ECLI:NL:RVS:2022:1710
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 31 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25014.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47975
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 24 augustus 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 27 augustus 2026 op gereageerd. Eiser heeft daarna op 27 augustus 2026 op verweerder gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd om opheldering te geven over de door hem overgelegde screenshots, waarop verweerder op 31 augustus 2026 heeft gereageerd. Daarna heeft eiser op 31 augustus 2026 aanvullende gronden ingediend, waarna verweerder op 1 september 2026 een nader verweer heeft ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert allereerst aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers beperking. Ten tweede verzoekt eiser om de ondertekening van het gehoor en de maatregel te controleren. Ten derde heeft verweerder niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Ten vierde voert eiser aan dat hij kort geleden ook al in bewaring heeft gezeten, welke bewaring is opgeheven. Ten vijfde heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser niets heeft gedaan om terug te keren naar Algerije. Ten zesde moest verweerder een lichter middel opleggen. Ten slotte mocht verweerder geen verlengingsbesluit opleggen aan eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met eisers beperking?
4. Eiser betoogt dat er in de maatregel en tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel onvoldoende rekening is gehouden met dat hij licht verstandelijk beperkt is. Dit betoog slaagt niet. Eiser is tijdens het gehoor namelijk voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Eiser heeft antwoord kunnen geven op enkele van de aan hem gestelde vragen en uit de beantwoording van de vragen blijkt niet dat hij deze niet begrijpt. Ook zijn de vragen herhaald toen eiser geen helder antwoord gaf. Eiser heeft tijdens het gehoor aangegeven dat hij niet weet waarom hij opnieuw in bewaring is gesteld, maar hieruit blijkt niet dat hij niet begrijpt wat een bewaringsmaatregel inhoudt. Ook blijkt dat eiser begrijpt dat hij naar Algerije terug moet en heeft hij aangegeven dat hij daar niet heen wil. met eisers beperking. De omstandigheid dat de verbalisant het gesprek uit veiligheidsoverwegingen vroegtijdig heeft beëindigd, maakt niet dat het gehoor niet voldoet aan de vereisten uit artikel 5.2, tweede lid, van het Vb. Daarnaast is ook in de motivering van de maatregel voldoende rekening gehouden
Mocht verweerder eiser opnieuw in bewaring stellen nadat hij eerder (kortgeleden) is vrijgelaten?
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij niet in bewaring mocht worden gesteld omdat hij kortgeleden ook in bewaring heeft gezeten. Er is sprake van een nieuwe maatregel van bewaring en de eerdere bewaring maakt niet dat hij niet opnieuw in bewaring mocht worden gesteld.
Heeft verweerder zich gehouden aan de inspanningsverplichting?
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder zich niet heeft gehouden aan zijn inspanningsverplichting. De inspanningsverplichting geldt in dit geval namelijk niet. De rechtbank is het eens met verweerder dat eisers verblijf in een COA-locatie niet gelijk staat aan strafrechtelijke detentie. Overigens heeft verweerder op 18 augustus 2026 een vlucht aangevraagd.
Mocht verweerder een verlengingsbesluit opleggen?
7. Eiser betoogt verder, onder verwijzing naar het arrest Aroja en een uitspraak van de zittingsplaats Groningen, dat verweerder geen verlengingsbesluit mocht nemen omdat de maximale termijn van zes maanden op het moment van inbewaringstelling al was verstreken. Dit betoog slaagt reeds niet omdat er in het geval van eiser wel degelijk, op 16 juni 2026, een verlengingsbesluit is genomen. De rechtbank begrijpt het in de onderhavige procedure besluit zo dat die verlengde maatregel – na een onderbreking – weer is voortgezet en dat verweerder daarom zowel aan de vereisten van het eerste lid als die van het zesde lid heeft getoetst. Deze werkwijze komt de rechtbank als juist voor. Daarbij komt dat het standpunt van eiser erop neer zou komen dat een vreemdeling die eerder ten onrechte geen verlengingsbesluit heeft gehad, daarna nooit meer met het oog op zijn uitzetting in bewaring kan worden gesteld. Een zodanige uitleg van de Terugkeerrichtlijn verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met het doel en strekking van deze richtlijn.
Mocht verweerder tegenwerpen dat eiser niets heeft gedaan om terug te keren naar Algerije?
8. Verweerder volgt eiser niet in zijn betoog dat hij niet de gelegenheid heeft gekregen om zelf aan zijn vertrek te werken. Ondanks dat eiser een inspanningsverplichting heeft om (mee) te werken aan zijn vertrek, heeft hij zelf geen initiatief genomen en tijdens de vertrekgesprekken steeds aangegeven dat hij niet wil vertrekken. Voor zover eiser stelt dat hij dacht dat hij rechtmatig verblijf had, wat daar ook van zij, is het volgende van belang. Weliswaar staat op het M113 formulier aangegeven dat de vorige maatregel werd opgeheven in verband met rechtmatig verblijf, maar enkel op basis hiervan kon eiser niet aannemen dat hij plots rechtmatig verblijf zou hebben. In de besluiten van 11 november 2025 en 19 december 2025 staat namelijk dat eiser Nederland moet verlaten.
Lichter middel
9. De rechtbank stelt vast dat eiser de door verweerder vermelde gronden niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen.
9.1.
Gelet op wat hiervoor is besproken, mocht verweerder afzien van toepassing van een lichter middel. Hierbij is ook van belang dat is gebleken dat eiser niet zelfstandig wilde vertrekken en ook niet wilde meewerken aan zijn uitzetting, omdat hij meerdere keren heeft aangegeven dat hij niet terug wil naar Algerije. Ook heeft verweerder zich over de gestelde psychische omstandigheden van eiser in het bestreden besluit op het standpunt mogen stellen dat er voldoende medische voorzieningen zijn in het detentiecentrum. Van eventuele detentieongeschiktheid is niet gebleken.
Verzoek om de handtekening en certificering te controleren
10. Verweerder heeft de handtekeningen en certificering van het gehoor en de maatregel gecontroleerd en hiervan screenshots overgelegd. Eiser heeft vervolgens in de reactie aangegeven hier verder geen opmerkingen over te hebben. De rechtbank heeft dit ook gecontroleerd. De beroepsgrond hierover slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2022, rechtsoverweging 5.2., ECLI:NL:RVS:2022:1710
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 31 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25014.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.