Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26961

2026-09-04 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.48660
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.48660
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel artikel 6, derde lid, Vw. Beroep ongegrond, verzoek om schadevergoeding afgewezen. Grensbewakingsbelang en uitspraken van zittingsplaatsen Amsterdam en Roermond, lichter middel, ambtshalve toetsing.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.063 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.48660


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.C. van Asperen),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).




Procesverloop


1. Met het bestreden besluit van 23 augustus 2026 is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



1.1.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.


1.2.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 26 augustus 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 27 augustus 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 september 2026 gesloten.




Overwegingen



Wat is het toetsingskader?



2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser voert aan dat verweerder eisers aanvraag niet in de grensprocedure had moeten behandelen en had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraken van zittingsplaatsen Amsterdam en Roermond.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. Eiser is als asielzoeker, die niet onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt, in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Op grond van artikel 6, derde lid van de Vw en artikel 5.5 van het Vb, is bij deze grondslag niet vereist dat er sprake is van een risico op onderduiken of van een ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de uitzetting. Grensdetentie van een asielzoeker is geoorloofd als verweerder in de grensprocedure beslist of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang.


5.1.

De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om, in navolging van de door eiser aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Amsterdam en Roermond, af te wijken van eerdere rechtspraak. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 30 juli 2026, overweegt de rechtbank dat van een wezenlijke wijziging van de, nationale of Unierechtelijke, regelgeving in zoverre geen sprake is en dat uit de totstandkomings-geschiedenis ook niet blijkt dat zo’n wijziging is beoogd.

Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?


6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel heeft volstaan. De maatregel van grensdetentie wordt niet opgelegd als er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Verweerder heeft zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Zie de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18758.


Zie de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 31 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21600.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, rechtsoverweging 3.1.


Bekend onder nummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21267.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451, onder 8.2.


Vergelijk de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.