Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26939

2026-09-16 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.52206
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.52206
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Grensdetentie. Artikel 6, derde lid, van de Vw. Besluitvorming. Niet onevenredig bezwarend. Geen lichter middel. Ambtshalve toetsing. Ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.913 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.52206


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),


en


de minister van Asiel en Migratie.



Procesverloop


Bij besluit van 5 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



Partijen hebben ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak. Eiser heeft de gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 16 september 2026 gesloten.




Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Onduidelijke besluitvorming
3. Eiser voert - samengevat - aan dat de bestreden beschikking onduidelijk is ten aanzien van het doel en de grondslag van de vrijheidsontneming. Enerzijds is in de beschikking vermeld dat de maatregel verband houdt met de screeningsprocedure. Anderzijds wordt aangegeven dat de maatregel dient ten behoeve van de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure. Ook uit het gehoor volgt dat eiser zowel voor de screening als voor de asielprocedure wordt vastgehouden. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026 waarin is overwogen dat duidelijk moet zijn wanneer de screening is geëindigd, wanneer de asielgrensprocedure is aangevangen en welk concreet doel de vrijheidsontneming op enig moment diende. Deze duidelijkheid ontbreekt.


3.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser dit punt terecht opwerpt maar dat dit niet tot onrechtmatigheid van de maatregel leidt. Dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de maatregel onrechtmatig is, zoals de Afdeling op 2 september 2026 in de uitspraak waarnaar eiser verwijst ook heeft overwogen. Hoewel hiermee niet inzichtelijk is gemaakt wanneer de screening is geëindigd en de asielprocedure is gestart, is de grondslag op geen enkel moment onjuist geweest. Artikel 6, derde lid, van de Vw voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure.



Onevenredig bezwarend

4. Eiser voert - samengevat - aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is. De screening had weliswaar niet vóór oplegging van de maatregel afgerond moeten zijn, maar de minister had inzichtelijk moeten maken welke screeningshandelingen hebben plaatsgevonden, wanneer deze hebben plaatsgevonden en welke functionaris daarbij
betrokken is geweest. Er zijn identiteits- en veiligheidscontroles uitgevoerd, maar niet blijkt wanneer de screening als zodanig is afgerond, wanneer triage heeft plaatsgevonden en of een voorlopige medische controle dan wel een afzonderlijke kwetsbaarheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden. Het additioneel ketendocument bevat uitsluitend een informatiebrief over de maatregel en bevat geen screeningsverslag, triageformulier of medische beoordeling. Uit de overlegde stukken blijkt ook niet dat de evenredigheid van de voortduring is beoordeeld. De minister heeft niet kenbaar betrokken dat eiser Azerbeidzjan heeft verlaten omdat hij als lid van een oppositiepartij meerdere malen door de politie is aangehouden en mishandeld. Ook blijkt niet dat de minister heeft onderzocht welke gevolgen de gestelde mishandelingen hebben gehad voor de psychische gesteldheid, kwetsbaarheid of detentiegeschiktheid van eiser. Eiser heeft daarnaast verklaart dat hij gezond is en in kleine ruimtes angstig kan worden. De minister heeft geen medische of psychologische beoordeling gemaakt en heeft de angstklachten onvoldoende onderzocht. De minister volstaat slechts met de algemene overweging over de beschikbare medische voorzieningen in detentiecentra en heeft daarmee onvoldoende toepassing gegeven aan artikel 5.1c van de Vb.




4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft onderzocht of de vrijheidsontnemende maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is en terecht heeft mogen concluderen dat dit niet het geval is. Voor zover eiser bedoelt dat de screening niet heeft plaatsgevonden; de rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen. Het screeningsformulier (stuk 10) bevindt zich namelijk in het dossier en uit proces-verbaal van bevindingen (stuk 2) blijkt dat de functionaris [naam] was. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat alle handelingen inzichtelijk moeten zijn en eiser heeft ook niet geconcretiseerd hoe dit de bewaring raakt. Verder blijkt uit het screeningsformulier dat er niks bijzonders naar voren is gekomen wat tot opheffing noopt en de minister hoefde de voortduring dan ook niet expliciet opnieuw af te wegen. Dat dit kenbaar zou moeten, volgt de rechtbank dan ook niet. De minister heeft tijdens de screening een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid uitgevoerd. Daarin is een voorlopige inschatting gemaakt van de opvang- en zorgbehoefte van eiser en die inschatting is opnieuw gemaakt in het gehoor voor de inbewaringstelling. In het gehoor is vervolgens aan de orde gekomen dat eiser in Azerbeidzjan mishandeld zou zijn geweest. Ook is door eiser voor het opleggen van de maatregel verklaard dat hij problemen heeft met kleine ruimtes door gebeurtenissen in het verleden. Verder stelt eiser gezond te zijn. De minister heeft dit meegewogen in zijn beoordeling en daarbij in de maatregel verwezen naar de medische voorzieningen en ondersteuningen die op het aanmeldcentrum aanwezig zijn. De rechtbank ziet niet in waarom dit onvoldoende zou zijn, ook omdat eiser zelf in het gehoor heeft verklaard dat er geen andere omstandigheden zijn die aanleiding geven om aan hem alsnog de toegang tot Nederland te verlenen en hem in de gelegenheid te stellen zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen. Eiser heeft niet geconcretiseerd dat hij ernstige psychische schade zal oplopen door in een kleine ruimte te moeten verblijven en de medische dienst heeft daar kennelijk ook geen aanknopingspunten voor gezien. Ook in beroep heeft eiser niet onderbouwd of geconcretiseerd dat de beschikbare medische zorg voor hem ontoereikend is. De rechtbank is dan ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.



Lichter middel

5. Eiser voert - samengevat - aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast. De minister heeft zich beperkt tot een standaardoverweging dat toepassing van een minder dwingende maatregel afbreuk zou doen aan het grensbewakingsbelang. Een concrete individuele motivering ontbreekt. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van 19 augustus 2026. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026 waaruit volgt dat het Unierecht geen automatische koppeling kent tussen de behandeling van een asielverzoek in de grensprocedure en grensdetentie. Hoewel het Unierecht lidstaten toestaat grensdetentie toe te passen indien een aanvraag in de asielgrensprocedure wordt behandeld, blijft steeds een individuele beoordeling vereist.




5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast en dit voldoende heeft gemotiveerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven als er geen vrijheidsontnemende maatregel wordt toegepast, omdat het feitelijk onmogelijk is om de toegang te weigeren zonder maatregel. In het gehoor heeft een beoordeling plaatsgevonden van het grensbewakingsbelang enerzijds en de bijzondere omstandigheden anderzijds. Daarin is gevraagd naar redenen waarom eiser niet in bewaring zou kunnen, zoals het bestaan van familieleden, fysieke of mentale aandoeningen, rechtmatig verblijf of andere spoedeisende omstandigheden die aanleiding geven alsnog toegang te verlenen tot Nederland en hem in de gelegenheid te stellen de asielprocedure in vrijheid te doorlopen. Eiser heeft daarop opgemerkt dat het een probleem kan zijn door alles wat er is gebeurd met de Azerbeidzjaanse politie. De minister heeft eiser dan ook voldoende bevraagd en terecht geen aanleiding gezien om hierom een lichter middel toe te passen, aangezien eiser zijn verklaring niet nader heeft onderbouwd. De rechtbank is ook niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven en de minister heeft dan ook terecht gemotiveerd dat daarom het grensbewakingsbelang ertoe leidt dat geen lichter middel wordt toegepast. Deze beroepsgrond slaagt niet.



Ambtshalve toetsing

6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.





Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077.


Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 19 augustus 2026. ECLI:NL:RBDHA:2026:24145.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077.


Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, in de zaak C, B en X over ambtshalve toetsing.